← België

Arrest 195156 - Milieuvergunningen - 09/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.156 Rolnummer: A. 192288/VII-37349 Zaak: Arrest 195156 - Milieuvergunningen - 09/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-16 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:24 Fiche Arrest nr 195.156 van 9 juli 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.156 van 9 juli 2009 in de zaak A. 192.288/VII-37.

  1. In zake : de stad AALST, die woonplaats kiest bij advocaat L. GILLIS, kantoor houdende te AALST (EREMBODEGEM), Ninovesteenweg 118 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. tussenkomende partij : de NV C.A.S.Q.C. PREFARAILS CDM INDUSTRIES, die woonplaats kiest bij advocaat B. LAMBRECHT, kantoor houdende te AALST, Molendries
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de stad AALST op 20 april 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 februari 2009 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 14 augustus 2008, houdende het weigeren aan de BVBA G.S. RAND van de milieuvergunning voor het veranderen van een inrichting voor het verwerken van rubberafval, gelegen aan de Termurenlaan 26 te Aalst (deelgemeente Erembodegem), gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning gedeeltelijk wordt verleend; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 8 juni 2009, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 25 juni 2009; VII-37.349-1/8 Gelet op de mededeling van het verslag aan de partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. CHEYNS die, loco advocaat L. GILLIS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. LAMBRECHT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De rechtspleging 1.
  4. Overwegende dat de NV C.A.S.Q.C. PREFARAILS CDM INDUSTRIES met een verzoekschrift van 22 juni 2009 vraagt om in het geding tussen te komen; dat zij de rechtsopvolger is van de BVBA FIRMA G.S. RAND, die de begunstigde is van de bestreden beslissing; 1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in tussenkomst belang heeft bij de beslechting van het geding, zodat zij toegelaten wordt om in het onderhavige geding tussen te komen;
  6. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
  7. De tussenkomende partij exploiteert een inrichting voor de verwerking van rubberafval voor hergebruik, gelegen aan de Termurenlaan 26 te Aalst (Erembodegem). De inrichting ligt in industriegebied volgens het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst-Ninove- Geraardsbergen-Zottegem. VII-37.349-2/8 2.
  8. Op 17 februari 1994 verleende de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen een milieuvergunning op proef voor een termijn van twee jaar. Op 15 februari 1996 weigerde de deputatie een definitieve vergunning. Na beroep door de exploitant verleent de verwerende partij op 30 juli 1996 een vergunning voor een termijn tot 16 februari 2014, voor : - een breekmachine met een vermogen van 47 kW, drie mengers met een vermogen van elk 2 kW en zeven persen met een totaal vermogen van 41 kW; - de opslag van 150 ton rubber (te vermalen rubberafval, tot korrels vermalen rubberafval en afgewerkte producten); - de opslag van 400 liter polyurethaan en 50 liter bekistingsmateriaal. Deze vergunning heeft betrekking op de percelen 8p2 en 8v
  9. De verzoekende partij vroeg de vernietiging van deze vergunning; de afstand van dit beroep is vervolgens vastgesteld bij arrest van de Raad van State nr. 98.851 van 13 september 2001, met toepassing van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State. 2.
  10. Op 9 februari 1999 vroeg de tussenkomende partij een vergunning voor de uitbreiding met een menger en een pers, met een gezamenlijk vermogen van 5,9 kW, en met de opslag van 3.000 liter mazout. Het college van burgemeester en schepenen adviseerde gunstig voor een termijn van een jaar op proef, waarbij als voorwaarde zou moeten worden opgelegd dat een naastliggend perceel, nummer 8w2, waarop zonder vergunning rubberafval wordt opgeslagen, zou worden gesaneerd. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) adviseerde ongunstig, omwille van de onvergunde opslag van afval op perceel 8w
  11. Op 1 juli 1999 verleende de deputatie de gevraagde vergunning, voor de termijn van de basisvergunning, en zonder de door het college van burgemeester en schepenen gevraagde voorwaarde op te leggen. Zij motiveerde dit door te stellen dat de sanering van het perceel 8w2 aan de gang is, en dat het betrokken terrein geen deel uitmaakt van de vergunde inrichting. De verzoekende partij tekende administratief beroep aan tegen deze beslissing. In het kader van de beroepsprocedure werden de voorgeschreven adviezen verleend. In het ongunstige advies van OVAM werd erop gewezen dat het onvergund opgeslagen afval verwijderd moest zijn tegen 1 juli 1999, wat niet was gebeurd, en dat er mogelijk ambtshalve zou worden gesaneerd. Op 22 december 1999 werd het administratief beroep verworpen. VII-37.349-3/8 Een annulatieberoep ingediend door de verzoekende partij tegen die beslissing werd verworpen bij arrest van de Raad van State nr. 163.785 van 19 oktober
  12. 2.
  13. Tijdens de voornoemde vergunningsprocedure ingevolge de aanvraag van 9 februari 1999, diende de tussenkomende partij reeds een nieuwe aanvraag in. Er werd een vergunning gevraagd, in hoofdzaak, voor de bijkomende opslag van 200 ton rubberafval op perceel 8w
  14. Op 25 oktober 1999 verleende het college van burgemeester en schepenen een ongunstig advies over die aanvraag. Op 3 februari 2000 weigerde de deputatie de opslag van rubberafval, omdat zij van oordeel is dat de bestaande situatie eerst moet worden gesaneerd. De uitbreiding met een luchtcompressor van 7,5 kW, de uitbreiding van de opslag van polyurethaan met 2.800 liter en de uitbreiding van de opslag van mazout met 2.700 liter werden wel vergund. De tussenkomende partij tekende administratief beroep aan tegen de weigering van de vergunning voor de opslag van het rubberafval. De in het kader van de beroepsprocedure uitgebrachte adviezen waren alle gunstig. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelde in haar advies voor als voorwaarde op te leggen dat alle niet-bruikbaar rubberafval moest worden verwijderd vóór 1 april 2000, en dat voortaan alle rubberafval in containers diende te worden opgeslagen. Op 7 augustus 2000 werd de vergunning verleend voor de opslag van 200 ton rubberafval, onder de voorwaarden voorgesteld door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Die beslissing werd vernietigd bij arrest van de Raad van State nr. 163.786 van 19 oktober
  15. 2.
  16. Tijdens voornoemde annulatieberoepen stelt de Vlaamse regering bij besluit van 10 juli 2003 het Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan "Afbakening regionaalstedelijk gebied Aalst" definitief vast. Het bedrijfsterrein ligt voortaan in het gebied "Stedelijk natuurelement Osbroek-Gerstjens", binnen de verdere onderverdeling "Randstedelijk groengebied Osbroek-Gerstjens, met dagrecreatieve en natuureducatieve infrastructuur" waarvoor de stedenbouwkundige voorschriften luiden: "(...) bestemd voor de aanleg van dagrecreatieve en natuureducatieve infrastructuur op het schaalniveau van het stedelijk gebied in een nog in te VII-37.349-4/8 richten groene omgeving. Kleinschalige verblijfsaccommodatie voor groepen is mogelijk en wordt geïntegreerd in de natuureducatieve infrastructuur. Buitendeurse hoogdynamische en/of luidruchtige dagrecreatieve activiteiten zijn verboden. Binnendeurse hoogdynamische en/of luidruchtige dagrecreatieve activiteiten moeten zodanig georganiseerd worden zodat zij geen betekenisvolle geluidshinder of andere betekenisvolle hinder veroorzaken voor de omliggende gebieden". 2.
  17. Op 19 december 2007 dient de tussenkomende partij een nieuwe vergunningsaanvraag in voor de verandering van de inrichting. De vergunningsaanvraag betreft in hoofdzaak een uitbreiding van de opslagcapaciteit van 150 ton tot 570 ton (270 ton rubberafval, 300 ton afgewerkte producten), een uitbreiding van de verwerkingscapaciteit van ongeveer 100 kW drijfkracht tot 157,6 kW en de opslag van 4.700 kg polyurethaanisocyanaten tot 10.500 kg. Na een ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen weigert de deputatie op 14 augustus 2008 de gevraagde vergunning. De tussenkomende partij tekent administratief beroep aan. Op 18 februari 2009 wordt de gevraagde vergunning verleend. Dit is de bestreden beslissing;
  18. Ten gronde 3.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij in haar derde middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de formele motiveringsplicht, van de materiële motiveringsplicht, van het motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij in het eerste onderdeel van het middel uiteenzet dat de bestreden beslissing genomen is op basis van een gebrekkige motivering en bovendien berust op "essentiële wijzigingen zoals aangebracht in de loop van de vergunningsprocedure zowel in eerste aanleg als in graad van beroep", dat de gebrekkige motivering onder meer blijkt uit de omstandigheid dat, niettegenstaande uit het advies van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid blijkt dat het bedrijfsterrein zich situeert binnen de omtrek van het Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (hierna : GRUP) "Randstedelijk groengebied Osbroek-Gerstjens", toch een vergunning is verleend en geen rekening is gehouden met de bindende verordenende bepalingen van het GRUP, dat vanuit het oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten moet worden gesteld dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van beoordeelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet meer VII-37.349-5/8 verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, dat de bestreden beslissing "volledig voorbij (gaat) aan de vigerende zonevreemde bestemming van het bedrijf bvba GS RAND", dat de strijdigheid met het vigerende GRUP reeds door de provinciale milieudeskundige is opgeworpen, die heeft vastgesteld dat het agentschap Ruimtelijke Ordening in haar gunstig advies geen rekening heeft gehouden met het GRUP, dat ook de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie stelde dat de gevraagde uitbreiding niet in overeenstemming is met het GRUP, dat de Provinciale Milieuvergunningscommissie ongunstig advies gaf onder meer wijzende op de strijdigheid met het GRUP en dat de deputatie de weigeringsbeslissing motiveerde, onder meer, op grond van de strijdigheid met de vigerende stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP; 3.
  20. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst opmerkt dat de bestreden beslissing haar voorgelegd door de verzoekende partij onvolledig is en dat de pagina's 18 en 19 ervan ontbreken, dat in die ontbrekende stukken, naast een aantal algemene en sectorale voorwaarden, een aantal bijkomende voorwaarden worden opgelegd en dat die bijkomende voorwaarden samen moeten worden gelezen met de motivering van de bestreden beslissing, dat voorts de bestreden beslissing wel voldoende gemotiveerd is en de opmerkingen of bezwaren van het advies van de afdeling Milieuvergunningen beantwoordt; dat zij ter zitting met betrekking tot de verenigbaarheid van de bestreden beslissing met het GRUP "Afbakening regionaalstedelijk gebied Aalst" verwijst naar twee adviezen, namelijk dat van OVAM en dat van de dienst Ruimtelijke Ordening Oost-Vlaanderen, die naar haar oordeel essentieel zijn en dat die adviezen gunstig zijn voor de activiteiten binnen de vergunde gebouwen, terwijl die adviezen ook rekening hebben gehouden met het bestaande GRUP; dat aldus volgens de tussenkomende partij geen afwijkingsregeling nodig is omdat er geen stedenbouwkundige vergunning is aangevraagd; 3.
  21. Overwegende dat als gevolg van de definitieve vaststelling van het GRUP "Afbakening regionaalstedelijk gebied Aalst" het bedrijfsterrein van de tussenkomende partij is komen te liggen in het gebied "Stedelijk natuurelement Osbroek-Gerstjens", binnen de verdere onderverdeling "Randstedelijk groengebied Osbroek-Gerstjens met dagrecreatieve en natuureducatieve infrastructuur"; dat de activiteiten van de tussenkomende partij op zich bijgevolg niet meer verenigbaar zijn met de nieuwe bestemming van het gebied en de vergunde activiteit bijgevolg VII-37.349-6/8 zonevreemd geworden is; dat in de bestreden beslissing zelf vastgesteld wordt dat de bestaande exploitatievergunning uitgebreid wordt met een factor 3,8 voor wat betreft rubberafval en afgewerkte producten, met 50% voor het aantal kilowatt en met meer dan een verdubbeling van opslag van polyurethaanisocyanaten, product dat in de bestreden beslissing zelf als milieugevaarlijk is bestempeld; dat in diezelfde beslissing evenwel vergeefs wordt gezocht naar een motief dat aangeeft waarom die uitbreiding niet strijdt met het GRUP of op grond van welke uitzonderingsregeling van het GRUP wordt afgeweken; dat dit gebrek in de motieven de bestreden beslissing in haar geheel vitieert, BESLUIT: Artikel
  22. Het verzoek tot tussenkomst van de NV C.A.S.Q.C. PREFARAILS CDM INDUSTRIES wordt ingewilligd. Artikel
  23. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 februari 2009 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost- Vlaanderen van 14 augustus 2008, houdende het weigeren aan de BVBA G.S. RAND van de milieuvergunning voor het veranderen van een inrichting voor het verwerken van rubberafval, gelegen aan de Termurenlaan 26 te Aalst (deelgemeente Erembodegem), gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning gedeeltelijk wordt verleend. Artikel
  24. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-37.349-7/8 Artikel
  25. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juli tweeduizend en negen, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.349-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.156 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.