← België

Arrest 195232 - Milieuvergunningen - 14/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.232 Rolnummer: A. 176846/VII-36523 Zaak: Arrest 195232 - Milieuvergunningen - 14/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-16 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:24 Fiche Arrest nr 195.232 van 14 juli 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.232 van 14 juli 2009 in de zaak A. 176.846/VII-36.523. In zake : de NV BRUSSELS INTERNATIONAL AIRPORT COMPANY (hierna : BIAC), thans de NV THE BRUSSELS AIRPORT COMPANY, die woonplaats kiest bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV BIAC op 18 september 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de dienst MER bij het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 20 juli 2006 waarbij het kennisgevingsdossier voor het project-MER "PRO206", ingediend door de NV BIAC met betrekking tot de uitbating van de luchthaven Brussel-Nationaal, onvolledig wordt bevonden en waarbij bijkomende voorwaarden worden gesteld voor de volledigverklaring van het kennisgevingsdossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-36.523-1/11 Gelet op de beschikking van 28 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij is uitbater van de luchthaven Brussel- Nationaal te Zaventem. Voor de exploitatie van de luchthaven beschikt zij over een milieuvergunning, afgeleverd op 30 december 2004 voor een termijn van 20 jaar. De desbetreffende beslissing maakt het voorwerp uit van annulatieberoepen die op heden nog hangende zijn. 1.2. Op 21 maart 2006 veroordeelt het hof van beroep te Brussel de verwerende partij, onder verbeurte van een dwangsom, om "binnen de twintig dagen Biac uit te nodigen binnen een korte termijn een MER in te dienen betreffende de exploitatie van de luchthaven te Zaventem met inzonderheid aandacht voor het onderzoek naar en beheer van de geluidsover- last veroorzaakt door vliegtuigen die opstijgen of landen en in het licht van de voorschriften uit hoofdstuk 4.5 Vlarem II, en overigens in overeenstemming met de vigerende Vlaamse reglementering inzake milieueffectrapportage". Het hof was van oordeel dat "zonder project-milieueffectenrappor- tage niet rechtsgeldig over de milieuvergunningsaanvraag van Biac kon worden beslist" (overweging 88) en dat het aan de Vlaamse regering het bevel kon opleggen "om een gevolg van een bij het beslissingproces begane onregelmatigheid te neutraliseren" door de in artikel 21 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) voorziene mogelijkheid om VII-36.523-2/11 milieuvoorwaarden aan te vullen of te wijzigen om te buigen in een verplichting teneinde aldus de "in geding zijnde subjectieve rechten in overeenstemming met het recht behoorlijk te beschermen" (overweging 89). De verzoekende partij heeft tegen het arrest van 21 maart 2006 derdenverzet aangetekend, maar dat is op 27 juni 2007 verworpen. De verzoekende partij heeft op 5 juni 2008 cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 27 juni 2007. 1.3. Op 31 maart 2006 nodigt de verwerende partij de verzoekende partij uit om een milieueffectenrapport (project-MER) bij het bestuur in te dienen. 1.4. Op 18 april 2006 antwoordt de verzoekende partij : "Betreffende het arrest van de 8/ kamer van het Hof van Beroep te Brussel van 21 maart 2006 (2005/KR/298) kunnen wij U meedelen dat B.I.A.C. derdenverzet zal aantekenen aangezien B.I.A.C. hierdoor in haar rechten wordt benadeeld. Dat geldt o.m. m.b.t. de vermelding in verband met het onderzoek en het beheer van de geluidsoverlast veroorzaakt door vliegtuigen die opstijgen of landen". 1.5. Op 28 juni 2006 bezorgt de verzoekende partij aan de verwerende partij een "kennisgevingsdocument". In de begeleidende brief wordt gesteld : "Verwijzend naar art. 4.3.4. §1 van het MER/VR-decreet van 18 december 2002 hebben wij de eer u als bijlage twee exemplaren te bezorgen van een kennisgevingsdocument. Dit document werd in onze opdracht samengesteld door een team van MER- deskundigen en vormt de aanzet van een volwaardig MER. Het is dus de bedoeling en tevens onze wens dat deze kennisgeving - en het latere MER - worden onderworpen aan de voorziene wettelijke procedure geldend voor project-MER’s. Graag wensen wij hier echter klaar en duidelijk te onderstrepen dat het hier om een volledig vrijwillig project-MER gaat, dat uitsluitend zal worden opgemaakt op grond van een eenzijdige verklaring van BIAC ten aanzien van de Raad van State. De kennisgeving heeft uitsluitend betrekking op infrastructuren, grondge- bonden activiteiten en bevoegdheden van BIAC zoals deze vastgelegd werden (en tevens beperkt worden) in onze exploitatielicentie dd. 21 juni 2004, B.S. 15 juli 2004. Niettemin is BIAC wel degelijk bereid om, met betrekking tot het onderzoek en het beheer van de geluidsproblematiek die verbonden is aan opstijgende of landende vliegtuigen, op grond van artikel 35 van onze exploitatielicentie een bijdrage te leveren in de verzameling van gegevens (bijvoorbeeld geluidscontouren), dit evenwel zonder desbetreffend enige verantwoordelijk- heid te nemen, noch conclusies te aanvaarden met betrekking tot de milieuge- volgen ervan, noch met betrekking tot de eventuele milderende maatregelen die er tegenover zouden moeten geplaatst worden. BIAC heeft immers terzake geen enkele bevoegdheid ten aanzien van de eventuele geluidshinder veroorzaakt door vliegtuigen nadat zij in de luchthaven zijn opgestegen, noch vooraleer zij op de luchthaven geland zijn, noch tot het VII-36.523-3/11 bepalen van vliegroutes en vliegprocedures. Wij verwijzen in dit verband verder naar het voorontwerp van Wet inzake het vastleggen van vliegprocedu- res. In de exploitatielicentie van BIAC is in elk geval geen enkele bevoegdheid ingeschreven voor activiteiten in het luchtruim. Het team van deskundigen is bijgevolg van oordeel dat geen grensoverschrij- dende effecten moeten worden verwacht. Vanzelfsprekend blijven wij steeds ter beschikking om dit standpunt nader toe te lichten". 1.6. Met een brief van 20 juli 2006, die de bestreden akte vormt, antwoordt het afdelingshoofd van de dienst MER : "In antwoord op uw brief met bovenvermeld kenmerk kan ik U meedelen dat ik kennis genomen heb van uw voornemen om voor het in de rand vermelde project een MER te laten opstellen. Uw dossier is onder het nummer PRO206 bij de dienst MER in behandeling. De Dienst Mer heeft ook het aangepaste en aangevulde kennisgevingsdossier op 14 juli 2006 in goede orde ontvangen. Op basis van de bepalingen van artikel 4.3.4 §2 van het decreet betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage kan ik de kennisgeving niet volledig verklaren. De kennisgeving is onvolledig aangezien uit het document niet blijkt hoe de (vooral cumulatieve) effecten i.v.m. luchtlawaai (beperkt tot 5000 voet, gezien enkel daarvoor de radartracks beschikbaar zijn), samen met het grondlawaai, zullen worden onderzocht en beschreven. Artikel 4.3.7 §1, die de inhoud van een projectMER vastlegt, geeft immers aan dat een projectMER de 'directe, en in voorkomend geval de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische' milieueffecten dient te beschrijven, zowel de permanente als de tijdelijke, de positieve als de negatieve en dit op korte, middellange en/of lange termijn. Mogelijks betekent dit dat het 'studiegebied', zeker voor de discipline geluid, ruimer dient genomen te worden dan een 500 m contour rond het luchthaventer- rein. Dit houdt dan ook in (dat) de kennisgeving ruimer verspreid dient te worden dan in de 4 gemeenten binnen deze 500m contour (Zaventem, Machelen, Steenokkerzeel en Kortenberg). We denken ook aan Vilvoorde, Grimbergen, Wemmel, Meise, Zemst, Kampenhout, Haacht, Herent, Bertem, Tervuren, Kraainem en Wezembeek-Oppem. Ook zullen dan grensoverschrijdende effecten een rol spelen en is de betrokkenheid van het Brusselse Gewest conform de bepalingen van art. 4.3.4 §5 noodzakelijk. Mag ik u vragen uw kennisgevingdossier met bovenvermelde gegevens te vervolledigen. Na het indienen van het vervolledigde dossier zal uw aanvraag opnieuw op zijn volledigheid onderzocht worden conform de bepalingen van artikel 4.3.4. §3 van het decreet. De procedure kan slechts worden verder gezet wanneer de kennisgeving volledig is". VII-36.523-4/11 2. De ontvankelijkheid 2.1. Volgens de verzoekende partij is het beroep ontvankelijk omdat de bestreden beslissing, ondanks haar voorbereidend karakter, toch de eindbeslissing mee determineert. Zij verwijst naar het feit dat krachtens artikel 4.3.4,§ 3, vierde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals aangevuld door het decreet van 18 december 2002 (hierna : decreet van 5 april 1995) de procedure slechts kan worden verdergezet wanneer de kennisgeving volledig is, terwijl de bestreden beslissing die voortzetting verhindert. Zij verwijst ook naar het predeterminerend karakter van de beslissing, aangezien zij ertoe verplicht wordt bijkomende voorwaarden te respecteren terwijl die normaal slechts bij de uitvoering van het conformiteitsonderzoek aan de orde staan. 2.2. De verwerende partij wijst erop dat de kennisgeving van een project-MER niet verward mag worden met de afbakening van de inhoud van het project-MER. De volledigverklaring van de kennisgeving houdt in dat er volgens de administratie voldoende informatie meegedeeld is om, na bekendmaking en inspraak, de rapportering inhoudelijk af te bakenen. De beslissing over de volledigheid van de kennisgeving is een belangrijke voorwaarde voor de beslissing over de inhoudsafbakening, maar vormt zelf die beslissing niet en determineert ook de eindbeslissing niet. In casu verplicht de bestreden beslissing de verzoekende partij niet om het luchtlawaai te onderzoeken; er wordt alleen maar vastgesteld dat uit het overgemaakte document niet blijkt hoe effecten aangaande het luchtlawaai onderzocht en beschreven zullen worden. Pas met de beslissing over de inhoudsafba- kening zal het bestuur zich definitief uitspreken over de noodzaak van een onderzoek van het geluid van stijgende en landende vliegtuigen, en tegen die beslissing kan de verzoekende partij dan een verzoek tot heroverweging indienen overeenkomstig de artikelen 4.3.5, § 4, en 4.6.4 van het decreet van 5 april 1995. 2.3. De verzoekende partij benadrukt in haar memorie van wederant- woord dat de ontstentenis van een administratief beroep tegen een beslissing over de kennisgeving niet belet dat de Raad van State controle kan uitoefenen op de beslissing waarbij de administratie haar de bijkomende verplichting oplegt om ook het luchtlawaai te laten onderzoeken en dat het niet opgaat die controle uit te stellen tot na een beslissing over de inhoudsafbakening van het project-MER. Zij voegt daaraan toe dat de bijkomende voorwaarde wel degelijk vervat ligt in het bevel dat zij van de verwerende partij gekregen heeft, dat zij die voorwaarde niet kan naleven omdat zij geen bevoegdheid bezit inzake de problematiek van de hinder van VII-36.523-5/11 vliegtuigen in de lucht en dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de procedure voor het opstellen van het project-MER geblokkeerd is. In haar laatste memorie herinnert de verzoekende partij er opnieuw aan dat zij zich nooit bereid verklaard heeft om een project-MER uit te voeren aangaande het verkeer in de lucht en het luchtlawaai rondom de luchthaven omdat noch de wet, noch haar statuten, noch haar beheersovereenkomst of exploitatielicentie haar enige bevoegdheid gegeven heeft op het vlak van het luchtverkeer en de daarmee verband houdende geluidshinder. Om die reden heeft het project-MER dat zij vrijwillig aan de verwerende partij aangeboden heeft, geen betrekking op "de luchtzijdige kant" van de luchthaven en kan dat stuk ook niet gezien worden als de uitvoering van het arrest van het hof van beroep. De onbevoegdheid van de verzoekende partij om in de genoemde aangelegenheden een beslissing te nemen betekent dat zij daarvoor ook geen project-MER kan indienen. Luchtlawaai en vliegprocedures moeten worden onderzocht in het kader van een plan-MER. Het bestreden besluit miskent volgens haar aldus de artikelen 4.3.4, § 3, en 4.3.4, § 2, van het decreet van 5 april 1995. 2.4. Voor de behandeling van de onderhavige zaak zijn volgende bepalingen van het decreet van 5 april 1995 van belang : - artikel 4.1.1, § 1, waarin de begrippen gedefinieerd worden : "Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder : 1/ milieueffectrapportage : de procedure die al dan niet leidt tot het opstellen en goedkeuren van een milieueffectrapport over een voorgenomen actie en in voorkomend geval tot het gebruik ervan als hulpmiddel bij de besluitvorming omtrent deze actie, hierna MER te noemen; (...) 3/ actie : een plan, programma en/of project; (...) 5/ project :

  1. a)een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit of een vergunnings- plichtige activiteit die moet worden hervergund bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende vergunning (...) (...) 8/ milieueffectrapport over een project : een openbaar document waarin, van een voorgenomen project en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de te verwachten gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd, en aangegeven wordt op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden, hierna project-MER te noemen; (...) VII-36.523-6/11 13/ initiatiefnemer : (...)
  2. c)voor wat de verplichtingen inzake projecten betreft : de aanvrager of houder van een vergunning voor een project; (...)"; - artikel 4.1.4, behorende tot afdeling III - "Doelstellingen en kenmerken" van hoofdstuk I : "§ 1. De milieueffect- en veiligheidsrapportage beoogt, in de besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken en/of die een zwaar ongeval teweeg kunnen brengen, aan het milieubelang en de veiligheid en de gezondheid van de mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan de sociale, economische en andere maatschappelijke belangen. § 2. Ter realisatie van de doelstelling, bedoeld in § 1, heeft de milieueffect- en veiligheidsrapportage als essentiële kenmerken : 1/ de systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten, of in het geval van zware ongevallen mogelijke, gevolgen voor mens en milieu, van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor de actie of onderdelen ervan, en de beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de gevolgen van de voorgenomen actie op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren; 2/ de kwaliteitsbeoordeling van de verzamelde informatie; 3/ de actieve openbaarheid van de rapportage en de besluitvorming over de voorgenomen actie"; - artikel 4.1.7, dat deel uitmaakt van afdeling V - "Doorwerking in de besluitvor- ming" van hoofdstuk I : "De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij de uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde rapport of de goedgekeurde rapporten en met de opmerkingen en commentaren die daarover werden uitgebracht. Zij motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten : 1/ de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven, behalve dan voor wat het omgevingsveiligheidsrapport betreft; 2/ de aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief; 3/ de in het rapport of de rapporten voorgestelde maatregelen"; - artikel 4.3.1, dat deel uitmaakt van hoofdstuk III - "Milieueffectrapportage over projecten", afdeling I - "Toepassingsgebied" : "Voorgenomen projecten worden, alvorens een vergunning kan worden aangevraagd voor de vergunningsplichtige activiteit die het voorwerp uitmaakt van het project, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk"; VII-36.523-7/11 - artikel 4.3.4, dat deel uitmaakt van hoofdstuk III, afdeling II - "Kennisgeving en inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER" : "§ 1. De initiatiefnemer brengt de administratie tijdig en door betekening of tegen ontvangstbewijs in kennis van het voorgenomen project-MER. § 2. De kennisgeving bevat ten minste : 1/ een beschrijving en verduidelijking van het project met inbegrip van de ruimtelijke situering ervan en in voorkomend geval het exploitatieadres van de inrichting; de ruimtelijke situering bevat minstens een uittreksel van de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de vigerende plannen van aanleg en van de topografische kaarten van de omgeving; 2/ de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand voor de exploitatie van de inrichting; 3/ in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, bedoeld in § 5; 4/ in voorkomend geval de relevante gegevens uit vorige rapportages en uit de goedgekeurde rapporten die daaruit zijn voortgekomen; 5/ een document waarin, steunend op de vereisten van artikel 4.3.7 en van het MER-richtlijnenboek, de inhoudelijke aanpak - met inbegrip van de methodologie - van het project-MER wordt voorgesteld; 6/ een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan die de initiatiefnemer heeft overwogen en, bondig weergegeven, zijn bedenkingen over de voor- en nadelen van de verschillen- de alternatieven; 7/ de relevante gegevens over de voorgestelde erkende MER-coördinator en het voorgestelde team van erkende MER-deskundigen, bedoeld in artikel 4.3.6, en de taakverdeling tussen de deskundigen; 8/ in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking en ter inzagelegging van de kennisgeving of aangeduide delen ervan. § 3. De administratie neemt een beslissing over de volledigheid van de kennisgeving. De beslissing vermeldt alle punten van onvolledigheid van de kennisgeving. De kennisgeving is onvolledig als gegevens of documenten ontbreken die vereist zijn op grond van § 2. Als de initiatiefnemer in de kennisgeving een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking en ter inzagelegging van de kennisgeving of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkom- stig artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur. (...) (...) De procedure kan slechts worden verdergezet wanneer de kennisgeving volledig is. De administratie betekent haar beslissing aan de initiatiefnemer onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van de kennisgeving. § 4. De initiatiefnemer betekent een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving en van de beslissing van de administratie ter zake binnen een termijn van tien dagen na ontvangst, tegelijkertijd aan tenminste : 1/ de overheid die in voorkomend geval in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag betreffende het project; 2/ het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of gemeenten waar het project plaatsvindt of plaats zal vinden; 3/ de door de Vlaamse regering aangewezen administraties, overheidsinstellin- gen en openbare besturen; VII-36.523-8/11 4/ in voorkomend geval de ondernemingsraad en het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk die bestaan in het bedrijf van de initiatiefnemer - of bij ontstentenis van deze organen, de vakbondsafvaardiging - en de milieucoördinator. De gemeente of gemeenten, bedoeld het eerste lid, 2/, leggen het afschrift van de kennisgeving ter inzage van het publiek binnen een termijn van tien dagen na de ontvangst ervan. Ze kondigen de terinzagelegging en de doelstel- ling ervan op passende wijze aan en informeren de administratie en de initiatiefnemer onverwijld over de aanvangs- en afsluitingsdatum van de terinzagelegging. Bij de bekendmaking of terinzagelegging wordt duidelijk aangegeven dat eventuele opmerkingen over de inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking of terinzagelegging, al dan niet via de gemeente, aan de administratie moeten worden bezorgd. § 5. (...)". 2.5. Een project-MER, zoals geconcipieerd door het decreet van 5 april 1995, is een informatief document dat de vergunningverlenende overheid gebruikt bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag voor een concreet project. Het rapport wordt opgesteld op instigatie van de initiatiefnemer en door de administratie goedgekeurd vooraleer de milieuvergunningsaanvraag voor het geplande project wordt ingediend; de aanvrager moet het krachtens artikel 5, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) bij de vergunningsaanvraag voegen. 2.6. De totstandkoming van het project-MER is door het decreet van 5 april 1995 omstandig gereglementeerd. De eerste procedurestap betreft aldus de kennisgeving, door de initiatiefnemer aan het bestuur, van zijn plan om over een voorgenomen project een MER op te stellen. De kennisgeving moet bepaalde, in het decreet zelf vastgelegde, informatie bevatten en zij wordt dan door het bestuur volledig verklaard, waarmee dat bestuur zich ten overstaan van de overheden die bij het verlenen van de vergunning betrokken zijn en het publiek garant stelt dat de ingediende informatie een voldoende basis biedt voor de inhoudsafbakening van het op te stellen rapport (memorie van toelichting bij het decreet van 5 april 1995, stuk 1312 (2001-2002), nr. 1, p.105-106). Het bestreden besluit verklaart de kennisgeving van de verzoeken- de partij om over de uitbating van de luchthaven Brussel-Nationaal een MER te laten opstellen niet volledig omdat uit het document niet blijkt hoe de effecten in verband met het luchtlawaai, samen met het grondlawaai, zullen worden onderzocht en beschreven, terwijl het rapport krachtens artikel 4.3.7 van het decreet van VII-36.523-9/11 5 april 1995 toch een beschrijving en beoordeling moet bevatten van, onder meer, de cumulatieve effecten van de voorgenomen uitbating. 2.7. De verwerende partij is door het hof van beroep veroordeeld om de verzoekende partij uit te nodigen binnen een korte termijn een MER in te dienen betreffende de exploitatie van de luchthaven "met inzonderheid aandacht voor het onderzoek naar en beheer van de geluidsoverlast veroorzaakt door vliegtuigen die opstijgen of landen (...) in overeenstemming met de vigerende Vlaamse reglemente- ring inzake milieueffectrapportage". Volgens de overwegingen van het arrest moet het MER dienen om desgevallend de voorwaarden van de bestaande milieuvergun- ning van 30 december 2004 aan te vullen of te wijzigen. De verzoekende partij is op de vraag van de verwerende partij ingegaan. Evenwel niet volledig, aangezien zij de geluidshinder van vliegtuigen in de lucht -het zogenaamde "luchtlawaai"- uitdrukkelijk uitsluit uit het onderzoek van het voorgenomen project-MER. Met de bestreden beslissing wil de verwerende partij de verzoekende partij dwingen tot een initiatief dat beantwoordt aan het arrest van het hof van beroep. 2.8. Op grond van het arrest van het hof van beroep moet de verwerende partij stappen zetten om de milieuvergunning van 30 december 2004 aan te vullen met bijkomende voorwaarden die rekening houden met een project-MER. De verwerende partij is aldus verplicht, weze het niet op grond van een reglementai- re bepaling maar op grond van een rechterlijke uitspraak, de bepalingen van het decreet van 5 april 1995 te volgen en derhalve ten aanzien van de verzoekende partij een eindbeslissing te nemen over de aanvulling van de exploitatievoorwaarden. Onmiskenbaar is dit een eindbeslissing die de rechtstoestand van de verzoekende partij bepaalt en die zich situeert binnen het decreet van 5 april 1995. 2.9. De bestreden beslissing bereidt de eindbeslissing voor. Zij heeft onmiddellijke gevolgen voor de verzoekende partij, omdat zij haar initiatief slechts kan verderzetten mits het voorwerp van het voorgenomen project-MER naar wens van de verwerende partij uit te breiden tot een aangelegenheid waarvoor zij beweert niet bevoegd te zijn. VII-36.523-10/11 Door het initiatiefrecht van de verzoekende partij te beperken beïnvloedt de verwerende partij de rechtstoestand van de verzoekende partij. Dergelijke beslissing is voor vernietiging vatbaar. Het beroep is ontvankelijk ratione materiae. 2.10. Het auditoraatsverslag is beperkt tot het onderzoek van de vraag of de bestreden beslissing een vernietigbare rechtshandeling uitmaakt. Het onderzoek van de zaak moet worden voortgezet, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het verder onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, kamervoorzitter, P. BARRA, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.523-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.232 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.482 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.