← België

Arrest 195241 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.241 Rolnummer: A. 187160/XIV-30255 Zaak: Arrest 195241 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-27 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:24 Fiche Arrest nr 195.241 van 14 juli 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.241 van 14 juli 2009 in de zaak A. 187.160/XIV-30.255. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. DE LIEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oezbeekse nationaliteit, op 21 februari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 5938 van 18 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2431 van 21 maart 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 februari 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.255-1/14 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET die, loco Advocaat J. DE LIEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat Th. SCHREURS die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX, van Oezbeekse nationaliteit, dient op 3 juni 2002 een aanvraag tot vestiging in in functie van haar schoonzoon, van Belgische nationaliteit. 1.2. Op 18 november 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Tengevolge van de gewijzigde wetgeving wordt het verzoek tot herziening, omgezet in een beroep tot nietigverklaring, op 3 oktober 2007 ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.4. Bij arrest nr. 5938 van 18 januari 2008 heeft de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen het beroep tot nietigverklaring verworpen. Dit is het bestreden arrest. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “EERSTE Middel: Schending van de hoorplicht op zich en in combinatie met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Schending van art. 39/65 van de Vreemdelingenwet. Dat het beginsel van behoorlijk bestuur de hoorplicht tot doel heeft dat de bestuurde zijn standpunt op nuttige wijze kan doen kennen en bovendien dat het bestuur het XIV-30.255-2/14 zorgvuldigheidsbeginsel respecteert door pas een beslissing te nemen na een behoorlijk onderzoek van de zaak en met kennis van de relevante gegevens. (I. Opdebeek, op.cit. p. 235 e.v.). Dat het verhoor als basis zal dienen voor verdere stappen binnen de administratieve procedure; dat het daarom noodzakelijk is dat de Dienst Vreemdelingenzaken kennis heeft van alle relevante informatie; dat het verhoor daarom met respect voor het beginsel van behoorlijk bestuur de hoorplicht moet afgenomen worden. Dat het beginsel van behoorlijk bestuur de hoorplicht enkel van toepassing is bij afwezigheid van een normatieve regeling van de hoorplicht. Dat het beginsel van behoorlijk bestuur de hoorplicht van toepassing is bij het nemen van beslissingen met individuele draagwijdte; dat de bestreden beslissing gevolgen ressorteert die een weerslag heeft op de rechtstoestand van verzoekster; dat de bestreden beslissing een individuele draagwijdte heeft. Dat het beginsel van behoorlijk bestuur de hoorplicht geldt bij het nemen van individuele bestuurshandelingen t.a.v. burgers, ambtenaren, mandatarissen en andere besturen; dat verzoekster burger is. Dat in onderhavig geval duidelijk blijkt dat de hoorplicht die bestaat in hoofde van de Dienst Vreemdelingenzaken niet vervuld werd. Dat verzoekster gehoord had moeten worden alvorens hem de bestreden beslissing werd betekend. Dat geen enkele wet stelt dat de hoorplicht niet van, toepassing zou zijn. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opmerkt dat de hoorplicht niet van toepassing quod non. Dat zij vervolgens stelt dat de Dienst Vreemdelingenzaken in het kader van haar zorgvuldigheidsplicht wel verplicht is met kennis van zaken een beslissing te nemen. Dat verzoekster betoogt dat indien de Dienst Vreemdelingenzaken het beroep van verzoekster wat reeds hangende was vanaf 2002 thans activeert zij opnieuw, in het kader van de zorgvuldigheidsplicht in elk geval rekening dient te houden met de thans voorliggende gegevens met name de bedlegerigheid van verzoekster en haar thans moeilijke medische situatie. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter aangeeft in haar overweging 2.8 van het arrest dat met deze elementen geen rekening meer gehouden kan worden aangezien ze zich voor het nemen van de beslissing hebben voorgedaan. Verzoekster is echter van mening dat de laattijdige behandeling van het beroep in zijn geheel te wijten is aan de Dienst Vreemdelingenzaken zelf die geen enkel poging heeft ondernomen om het beroep dat zij instelde te behandelen en zij zelf gezorgd heeft voor een situatie waarin zij niet meer kon beslissen zonder kennis van alle zaken. Dat moeilijk kan ingezien worden hoe de Dienst Vreemdelingenzaken in deze zaak zorgvuldig heeft gehandeld. u Dat het tegenstrijdig is te stellen dat enerzijds de Dienst Vreemdelingenzaken heeft voldaan en moet voldoen aan haar zorgvuldigheidsplicht terwijl aan de andere kant gesteld wordt dat zij geen rekening dient te houden met gegevens die zich hebben ontwikkeld na de indiening van het beroep dat zij overigens zelf diende te behandelen. Dat het laattijdige behandelen van het beroep zelf, een schending van het zorgvuldig- heidsbeginsel is. Dat het arrest derhalve foutief gemotiveerd is en art. 39/65 geschonden is. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een foutieve toepassing maakt van de zorgvuldigheidsplicht.”; 2.1.2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord haar middel herhaalt zoals uiteengezet in haar inleidend verzoekschrift; XIV-30.255-3/14 2.1.3. Overwegende dat het onderdeel met betrekking tot de hoorplicht gericht is tegen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken en niet gericht is tegen de thans bestreden beslissing; dat verzoekster in verband met de zorgvuldigheidsplicht betoogt dat de Dienst Vreemdelingenzaken in elk geval diende rekening te houden met de thans voorliggende gegevens, met name haar bedlegerigheid en de thans moeilijke medische situatie; dat in het bestreden arrest wordt vastgesteld dat de initieel bestreden beslissing werd genomen omdat verzoekster heeft nagelaten gevolg te geven aan het verzoek van de Dienst Vreemdelingenzaken om aan te tonen dat zij ten laste was van haar Belgische schoonzoon; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bijgevolg kon stellen dat er in casu geen schending is van de zorgvuldigheidsplicht aangezien de nieuwe gegevens geen afbreuk deden aan het motief van de beslissing van de Minister, namelijk dat verzoekster geen bewijzen heeft voorgelegd dat zij in het verleden ten laste was van een Belg; dat het middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “TWEEDE Middel: Schending van art. 2 , 3, 13, 15, 30, en 31 van de EU Richtlijn 2004/38 van 29 april 2004 in combinatie met gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in art. 10, 11 en 24 van de Grondwet. Schending van art. 40 van de Vreemdelingenwet. Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschap- pelijke constitutionele tradities van de lidstaten en art. 6 van het EU Verdrag. 1. Gebrek aan procedurele waarborgen 1.1 Art. 31 van Richtlijn 2004/.38 Verzoekster is conform art. 3. een begunstigde van Richtlijn 2004/38 in die zin dat zij conform art. 2.d een bloedverwant is in opgaande lijn van een EU onderdaan. Artikel 2 Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: 1. „burger van de Unie": eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit; 2. „familielid":

  1. a)de echtgenoot;
  2. b)de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan;
  3. c)de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
  4. d)de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), die te hunnen laste zijn; 3. “gastland”: de lidstaat waarheen de burger zich begeeft om zijn recht van vrij verkeer of verblijf uit te oefenen. Artikel 3.1 luidt als volgt Begunstigden 1. Deze richtlijn is van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, XIV-30.255-4/14 en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen. Verzoekster meent dat de bestreden beslissing niet is genomen met inachtneming van de artikelen 30 en 31 van EU Richtlijn 2004/38. De EU Richtlijn heeft sedert 1 mei 2006 directe werking daar de Belgische Staat heeft nagelaten de Richtlijn om te zetten naar nationaal recht.. Directe werking betekent dat bepalingen, op voorwaarde dat ze voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk gedefi- nieerd zijn in de Richtlijn, toch van kracht worden in een lidstaat, zelfs wanneer de lidstaat in gebreke bleef om de betrokken bepalingen tijdig om te zetten in nationaal recht. Concreet heeft dit tot gevolg dat bestaande Belgische regelgeving die strijdig is met bepalingen van de Richtlijn die directe werking hebben, geen rechtsbasis meer heeft en door Belgische rechters buiten beschouwing zal moeten worden gelaten. Dat hieruit volgt dat Richtlijn 2004/38 volle uitwerking dient te krijgen inclusief de procedurele waarborgen geboden door de Richtlijn waaronder: Artikel 31.3: "De rechtsmiddelen voorzien in de mogelijkheid van onderzoek van de wettigheid van het besluit, alsmede van de feiten en omstandigheden die de voorgeno- men maatregel rechtvaardigen. Zij garanderen tevens dat het besluit niet onevenredig is, met name gelet op de voorwaarden van artikel 28. Verzoekster stelt vast dat de bestreden beslissing louter een administratieve beslissing betreft die niet werd genomen na een procedure zoals voorzien in artikel 31.3 van EU Richtlijn 2004/38 van 29 april 2004. Verzoekster meent dan ook dat de bestreden beslissing noodzakelijkerwijze nietig is. Schending van art. 31 van de Richtlijn 2004/38 Artikel 31.3: "De rechtsmiddelen voorzien in de mogelijkheid van onderzoek van de wettigheid van het besluit, alsmede van de feiten en omstandigheden die de voorgeno- men maatregel rechtvaardigen. Zij garanderen tevens dat het besluit niet onevenredig is, met name gelet op de voorwaarden van artikel 28. Verzoekster werd louter een beslissing betekend waartegen enkel een beroep openstaat bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Wanneer deze bestreden beslissing vermeldt dat enkel een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mogelijk is tegen deze beslissing moet verzoekster vaststellen dat dit beroep niet beantwoordt aan de voorwaarden zoals gesteld in art. 31 van de EU Richtlijn 2004/38. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt immers enkel over de wettigheid van de bestreden beslissing en niet over de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de beslissing. Dat Richtlijn 2004/38 evenwel enkel van toepassing is voor zover er sprake is van een intracommunautair aspect. Het is evenwel de overtuiging van verzoekster dat de niet toepassing van de principes van richtlijn 2004/38 zoals hierboven uiteengezet door verzoekster een schending zouden uitmaken van het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet. Gelijkheidsbeginsel: omgekeerde discriminatie Dat dit evident een discriminatie uitmaakt. Dat in dergelijke redenering de Belgische Staat strengere regels kan opleggen aan haar eigen onderdanen dan aan begunstigden van de richtlijn. Dat dit evident een ongelijkheid uitmaakt. Dat er geen enkele objectieve reden bestaat om EU onderdanen van andere lidstaten een gunstiger verblijfsregime toe te laten dan de eigen onderdanen, dat dit neerkomt op omgekeerde discriminatie. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte stelt dat de vergelijking die verzoekster voorop stelt niet opgaat. Dat zij voorts stelt dat het antwoord op de vraag niet onontbeerlijk is om tot een oplossing te komen. Dat verzoekster hiermee niet akkoord kan gaan. Immers de vraag die gesteld wordt betreft de procedurele waarborgen die geboden worden door de richtlijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft zelf aan in haar overweging 2.8 van het bestreden arrest dat met tal van elementen thans geen rekening meer gehouden kan worden (waaronder de bedlegerigheid, medische problematiek etc ...). Dat deze omstandigheden in elk geval inhouden dat verzoekster financiële ten laste is van haar Belgische XIV-30.255-5/14 schoonzoon en thans ook dochter tenzij men ervan uit gaat dat een bedlegerige vrouw gratis leeft. Dat het arrest dan ook manifest onjuist is waar gesteld wordt dat verzoekster niet betwist dat zij ten laste is van. Dat op geen enkel moment verzoekster zulks gesteld heeft, integendeel. Dat door hier geen rekening mee te houden heeft men art. 31.3 van de Richtlijn geschonden. Dat art. 15 van de Richtlijn duidelijk stelt dat betwistingen omtrent de toepasbaarheid van de Richtlijn zelf eveneens onder de waarborg van art. 31.3 van de Richtlijn vallen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve al te gemakkelijk dit essentieel en in de rechtsleer ook zeer betwist punt van zich afschuift. Dat zij zich ook niet gebonden voelt een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie. Dat verzoekster de Raad van State verzoekt een prejudiciële vraag te stellen hierover aan het Grondwettelijk Hof zoals geformuleerd in het beschikkende gedeelte van onderhavig verzoekschrift. 1.2 Schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten . De kern van het afdwingen van procedurele regels in het nationale recht met betrekking tot het EU gemeenschapsrecht is vervat in de Rewe Cornet formule (...). "In the absence of Community rules governing the matter, it is for the domestic Legal system of each Member State to designate the courts and tribunals having jurisdiction and to lay down the detailerd procedural rules governing actions for safeguarding rights which individuals derive from the direct effect of Community law. However, such rules must not be less favourable than those governing similar domestic actions, nor render virtually impossible or excessively difficult the exercise of rights conferred by Community law". (ECJ. 33/76 Rewe-Zentralfinanz eG & rewe-Zentral AG v. landwirtschafstskammer fur das Saarland, 1976; ECJ 45/76 Cornet BVv Pro- duktschap voor Siergewassen Eigen vertaling: Wanneer het Gemeenschapsrecht de materie niet behandelt, dient het eigen rechtsysteem van elk van de lidstaten de hoven en rechtbanken aan te duiden en dient zij gedetailleerde procedurele regels voor te schrijven die instaan voor de waarborg van de rechten waarop individuele personen zich kunnen beroepen op grond van de directe werking van het Gemeenschapsrecht. Echter deze regels mogen enerzijds niet minder gunstig zijn dan gelijkaardige rechten in het eigen rechtssysteem noch mogen zij de uitoefening van de rechten afgeleid uit het Gemeenschapsrecht virtueel onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Richtlijn 2004/38 biedt effectief processuele grondrechten voor individuen. De richtlijn verwijst naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de "grondrechten" eigen aan het EU recht. Dat processuele grondrechten hier eveneens onder vallen. Dat het begrip grondrechten duidt op de grondrechten zoals het Europees Hof van Justitie deze erkend in de rechtspraak of "grondrechten zoals zij uit de gemeenschappe- lijke constitutionele tradities van de lidstaten voorvloeien als beginselen van Gemeenschapsrecht". Het EHJ heeft reeds verschillende keren geoordeeld dat de algemene rechtsbeginselen waartoe ook de grondrechten behoren integraal deel uitmaken van het gemeenschaps- recht (...). Welke grondrechten juist deel uitmaken van het gemeenschapsrecht bepaalt het EHJ niet. Er bestaat geen lijst van grondrechten. Het achterliggende beginsel dat het EHJ gebruikt in zijn rechtspraak over grondrechten is de bescherming van de waarheid en de vrijheid van de menselijke persoon (...). Het EHJ haalt deze grondrechten en fundamentele vrijheden uit de constitutionele tradities welke aan de Lidstaten gemeen zijn (...), alsook uit de internationale verklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de Lidstaten hun medewerking hebben verleend of waartoe ze later zijn toegetreden (...). XIV-30.255-6/14 Zo heeft het EHJ al enkele keren een grondrecht uit het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten als integraal deel uitmakend van het gemeenschaps- recht aanvaard (...). De bescherming van de grondrechten als integraal onderdeel van het gemeenschaps- recht geldt niet enkel met betrekking van de maatregelen van de EU zelf. De bescherming geldt ook voor maatregelen die de Lidstaten mogen of moeten nemen uit hoofde van het gemeenschapsrecht (...). Zodat in casu de Vreemdelingenwet voor zover zij handelt inzake materies die geregeld worden door het Europees Gemeenschapsrecht waaronder het verblijfsrecht in overeenstemming dient te zijn met deze grondrechten. Dat in elk geval deze grondrechten rechtstreekse werking hebben en de rechtstreekse werking ervan . Dat het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie een samenvatting vormt van deze grondrechten. De rechtsleer stelt onder andere: "Het Handvest voegt dus strikt genomen geen rechte toe, maar visualiseert enerzijds de bekende op neutrale wijze en expliciteert anderzijds de potentie van de het gemeen- schappelijk constitutioneel erfgoed en de internationale verplichtingen van de lidstaten, onder de vorm van zogenaamde nieuwe rechten. (...)" De preambule van het Handvest laat over de bedoeling ervan geen twijfel bestaan: "Onder eerbiediging van de bevoegdheden en taken van de Gemeenschap en de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit Handvest de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele verdragen, uit het EVRM, uit de door de Gemeenschap en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en van het Europees Hof voor de rechten van de Mens. Verzoekster verwijst naar de zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt. 2. AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDAMENTEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONA- LE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN . DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPS- RECHT, DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LID-STATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN*6 EN* 13 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHER- MING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Dat de rechten van verdediging in elk geval grondrechten zijn die gegarandeerd worden door het gemeenschapsrecht. Dat verzoekster ook betoogt dat het recht op een beroep in volle rechtsmacht een grondrecht is dat wordt gegarandeerd door het gemeenschapsrecht. Dat derhalve art. 6 van het EU Verdrag geschonden is. Dat voor zover de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dat het beroep dat de wet heeft ingesteld wel zou voldoen aan de vereiste van volle rechtsmacht, verzoekster van mening is dat dit niet het geval is. Dat Richtlijn 2004/38 NOG NIET werd omgezet naar Belgisch recht. Dat art. 40 al 2 van de Richtlijn uitdrukkelijk voorziet dat indien er een omzetting geschiedt dit uitdrukkelijk dient te worden vermeld in de wet zelf. De tekst luidt als volgt: Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enerzijds stelt dat inderdaad de termijn voor omzetting verstreken is doch anderzijds stelt dat aan de verplichting van art 30 en 31 is voldaan. Dat zulks intern tegenstrijdig is. XIV-30.255-7/14 Dat de Richtlijn zelf aangeeft dat een omzetting ervan vermeld moet worden in de wet zelf. Dat evenwel kamer en Senaat de wet hebben gestemd doch dat deze nog niet in werking is getreden daar allicht de nodige uitvoerings KB' ontbreken. Dat het gebrek aan een beroep in feite en in rechte een terechte kritiek is die wordt geuit door rechtsleer nog van voor de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en. Dat professor H. Verschueren hierover het volgende uiteenzet in Deel 12 van de Reeks Migratie en Migrantenrecht(...): "Sinds de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nieuwe administra- tief rechtscollege als enige bevoegd om kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen individuele beslissing genomen m.b.t. toepassing van de Vreemdeling- enwet (art. 39/1. § 1 Vw.) Krachtens artikel 39/2, § 2 Vw. doet deze Raad uitspraken, bij wijze van arresten als annulatierechter over de beroepen (met name m.b.t. EU-burgers en hun familieleden) wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in deze beroepen een positie die te vergelijken is met diegene die de Raad van State voordien had in verblijfsbetwistingen. Deze bevoegdheid verschilt van die door artikel 39/2, § 1 Vw. is voorzien voor beroepen tegen beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen, waarbij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze beslissingen kan bevestigen of hervormen of waarbij, indien er aan de beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet. kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan beslissing zonder aanvullende onderzoeks- maatregelen hiertoe te moeten bevelen, de beslissing moet worden vernietigd. In dat geval wordt de zaak teruggestuurd naar de Commissaris-generaal voor do vluchtelingen (art. 39/76, § 2 Vw.). In zaken die het verblijfsrecht van EU-burgers en hun familiele- den betreft kan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen evenwel enkel de bestreden beslissing vernietigen. Gaat het om een verwijderingsmaatregel, dan kan deze niet meer worden uitgevoerd. Gaat het om de weigering van een verblijfsrecht of de afgifte van een document, dan kan de Raad zelf geen beslissing nemen, maar moet er een nieuwe beslissing worden genomen door de betrokken overheid. Met betrekking tot de annulatiebevoegdheid die de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen heeft in geval van beroepen tegen beslissingen over het verblijfsrecht van EU-burgers en hun familieleden, stelde de Belgische regering in de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat aanleiding heeft (regeven tot de wet van 25 april 2007 die de bepalingen Richtlijn 2004/38 omzette in de Vreemdelingenwet, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen "in het kader van zijn onderzoek naar de legaliteit, eveneens de materialiteit van de feiten tot op het moment van de betwiste beslissing onderzoekt". In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat aanleiding heeft gegeven tot de hoger vermelde wet van 15 september 2006 tot wijziging van de Vreemdelingenwet, stelt de regering dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen "een marginale toetsing uitoefent en dat deze Raad de materialiteit van de feiten nagaat aan de hand van de documenten van het dossier"

(190). Verder stelt de Belgische regering in deze toelichting dat de vereisten van artikel 30 en 31 richtlijn 2004/38 werden omgezet door de invoering van artikel 39/78 Vw. omdat krachtens deze bepaling het jurisdictioneel beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in dossiers m.b.t. EU-burgers en hun familieleden "automatisch schorsend is en dat deze bepaling het mogelijk maakt om de wettigheid van het besluit, alsmede de feiten en omstandigheden die de maatregel rechtvaardigen en het evenredig karakter van deze maatregel te onderzoeken overeenkomstig art. 31, lid 1 tot 3 Richtlijn 2004/38". Tijdens de bespreking in de bevoegde Kamercommissie verklaarde de Minister van Binnenlandse Zaken dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen "te allen tijd de beslissingen van de Dienst Vreemdelingenzaken kan nazien omdat deze in rechte en in feite gemotiveerd dienen te zijn" Het onzeker of de beoordelingbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen wel beantwoordt aan de vereisten van artikel 31 Richtlijn 2004/
  1. Uit de XIV-30.255-8/14 ontstaansgeschiedenis van deze bepaling, onder meer de rechtspraak van het Hof van Justitie, blijkt dat de gevatte rechter over de mogelijkheid moet beschikken om een volledige doelmatigheidstoetsing uit te voeren. Zo verstaat Advocaat-generaal Maduro zulk een rechterlijk. doelmatigheidstoetsing als "een grondig onderzoek van de situatie van de betrokkene en de mogelijkheid om zich, in het licht van de omstandigheden over de beste oplossing voor die persoon uit te spreken"). Artikel 31 lid 3 Richtlijn 2004/38 vereist in die zin duidelijk dat tijdens het jurisdictioneel beroep de gevatte rechter opnieuw een volledig oordeel moet kunnen vellen over de wettelijkheid, de opportuniteit en de evenredigheid van de tegenover de EU-burger of zijn familielid genomen maatregel of beslissing en dit gebaseerd op alle elementen ter zijnen kennis en die de partijen aan dragen." Dat professor Verschueren besluit dat de procedure bij de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen niet voldoet: "Met betrekking tot de omvang van de jurisdictionele controle voldoen de bepalingen in de Vreemdelingenwet m.b.t. de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en meer bepaald zijn artikel 39/2, § 2 , mijns inziens niet aan deze vereisten." Dat de verwijzing naar het arrest Kingsley in het arrest van het Arbitragehof eveneens betwistbaar is. Dat voor zover verzoekster hier verwijst naar art. 6 EVRM, zij dit enkel doet om het begrip volle rechtsmacht nader uiteen te zetten. Verzoekster betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip "full jurisdiction" volle rechtmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing zijn door het feit dat dit een grondrecht uitmaakt in het gemeenschapsrecht. 'Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptre- den. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before it.(...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen (...). Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvast- stelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreini- ging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale - toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen, maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt (...). Deze zaak betrof een handhavings- besluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal XIV-30.255-9/14 moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststel- ling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke - gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk (...). Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d'Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandighe- den kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. XIV-30.255-10/14 Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich ten onrecht verschuilt achter het arrest Kingsley om zich zo van elk feitelijke onderzoeksverplichting af te maken. Dat derhalve de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen diende over te gaan tot een volledig onderzoek van de feiten en zelfs moet overgaan tot een ambtshalve onderzoek van de feiten. Dat de raad in principe zelfs gehouden is onderzoeksmaatregelen te bevelen wanneer zij zich in de onmogelijkheid zou bevinden de nodige relevante feiten in het dossier te treffen.
  2. Wat betreft de schending van art. 8 EVRM Dat art. 8 EVRM geschonden wordt daar verzoekster verplicht wordt terug te keren naar haar land van herkomst. Dat zij aldaar gescheiden zal van haar dochter bij wie zij reeds jaren inwoont. Een situatie die zij zelf niet gecreëerd heeft maar welke gecreëerd werd door gedaagde partij die ernstig tekort gekomen is in haar verplichting deze zaak op een snelle en correcte wijze te behandelen. Dat verzoekster geschokt is te moeten lezen in het arrest dat "een rechtmatige toepassing van de Vreemdelingenwet geen schending van het privéleven kan inhouden" Terwijl het arrest op generlei wijze ingaat op de proportionele toets welke de Dienst Vreemdelingenzaken had moeten maken. Dat verzoekster opmerkt dat de raad voor Vreemdelingenbetwistingen de toepassing van art. 8 EVRM de facto ondergeschikt maakt aan de toepassing van de Vreemdelingenwet. Dat onmogelijk ingezien kan worden welk belang bestaat in hoofde van de Belgische Staat dat overigens op generlei wijze gespecificeerd wordt door de raad voor Vreemdelingenbetwistingen (openbare orde?, economisch welzijn?) om het zodanig tussen te komen in het nu reeds moeilijke gezinsleven van verzoekster. Dat art. 8 EVRM derhalve geschonden is.”; 2.2.
  3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord haar middel herhaalt zoals uiteengezet in haar inleidend verzoekschrift; 2.2.3.
  4. Overwegende dat verzoekster in een eerste onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 2, 3, 13, 15, 28, 30 en 31 van richtlijn 2004/38/EG in combinatie met het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, van artikel 40 van de Vreemdelingenwet, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten en artikel 6 van het EU- Verdrag; dat verzoekster zich niet dienstig kan beroepen op de schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 aangezien deze wet niet van toepassing is op administratieve rechtscolleges zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat zij niet uiteenzet hoe de bestreden beslissing een schending inhoudt van artikel 40 van de Vreemdelingenwet; dat artikel 3.
  5. van Richtlijn 2004/38 bepaalt dat die richtlijn van toepassing is “ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen”; dat in artikel 2.
  6. van de voornoemde richtlijn als familielid worden gedefinieerd: XIV-30.255-11/14 “a) de echtgenoot; b) de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan; c) de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn; d) de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), die te hunnen laste zijn;”; dat de verzoekende partij zelf niet de nationaliteit van een EU-lidstaat heeft en als dusdanig niet onder de toepassing van Richtlijn 2004/38 valt; dat zij een vestigingsaanvraag in functie van haar Belgische schoonzoon heeft ingediend; dat de Belgische schoonzoon uiteraard over een verblijfsrecht in België beschikt en de aanvraag geen betrekking heeft op de verblijfstoe- stand van deze laatste; dat er dus geen aanknopingspunt met Richtlijn 2004/38 blijkt, dit los van de vraag naar de directe werking ervan; dat het middel, voor zover het steunt op de richtlijn 2004/38, dan ook onontvankelijk is; dat, wat betreft de aangevoerde ongelijkheid en het daarmee verband houdende verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de ongelijkheid die zou ontstaan met betrekking tot de procedurele waarborgen waarover een familielid van een EG-onderdaan beschikt ten opzichte van een familielid van een Belg, dient vastgesteld dat beide categorieën beschikken over het rechtsmiddel van het annulatieberoep zoals voorzien door artikel 39/2, § 2 van de Vreemdelingenwet; dat het zich al dan niet kunnen beroepen op de richtlijn 2004/38 niet tot gevolg heeft dat een procedureel onderscheid wordt gemaakt tussen deze categorieën; dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest 81/2008 heeft geoordeeld dat het annulatieberoep voorzien in voormeld artikel 39/2, §2 voldoet aan het vereiste van een daadwerkelijk rechtsmiddel; dat de opgeworpen prejudiciële vraag niet dient gesteld; dat in zoverre in het middel wordt betoogd dat verzoekster wel degelijk ten laste is, het hier een feitelijke beoordeling betreft; dat verder wordt aangevoerd dat in materies met betrekking tot het gemeenschapsrecht, verzoekster dient recht te hebben op een beroep met volle rechtsmacht en dat dit blijkt uit de principes van richtlijn 2004/38/EG alsook uit de grondrechten deel uitmakend van het gemeenschapsrecht, dat deze grondrechten worden gehaald uit de constitutionele tradities welke aan de lidstaten gemeen zijn en waarvan het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie de samenvatting is, dat door het niet naleven van deze grondrechten artikel 6 van het EU-Verdrag zou zijn geschonden; dat, zoals reeds gesteld, de richtlijn 2004/38/EG niet op verzoekster van toepassing is; dat verzoekster zich evenmin dienstig kan beroepen op de grondrechten, gehaald uit de constitutionele tradities welke aan de lidstaten gemeen zijn en die deel uitmaken van het gemeenschapsrecht, aangezien het gemeenschapsrecht niet van toepassing is op strikt interne situaties noch op situaties tussen een EU-lidstaat en een derde land; dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie tot op heden geen XIV-30.255-12/14 bindende rechtsbron is, doch slechts een politieke verklaring die geen directe werking heeft in de interne rechtsorde zodat de schending hiervan niet kan worden opgeworpen; dat het eerste onderdeel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.3.
  7. Overwegende dat verzoekster in een tweede onderdeel de schending aanvoert van artikel 8 van het EVRM aangezien zij verplicht wordt terug te keren naar haar land van herkomst en aldaar gescheiden zal worden van haar dochter bij wie zij reeds jaren inwoont; dat artikel 8 van het EVRM bepaalt: “1.Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
  8. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”; dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (o.a. E.H.R.M., inz. DARREN OMOREGIE en anderen tegen Noorwegen, nr. 265/07 van 31 juli 2008) erkent dat de bestuursmaatregelen inzake de toepassing van de wetten op de controle van de toegang tot het grondgebied en het verblijf, beantwoorden aan de legitieme doelstellingen die het recht op gezinsleven kunnen inperken; dat de controle op de toegang tot het grondgebied behoort tot de soevereiniteit van de verdragsstaten; dat artikel 8 van het E.V.R.M. aan de verdragssta- ten niet de verplichting oplegt om de vrije keuze van de gezinswoonplaats van een vreemdeling op hun grondgebied te gedogen; dat bijgevolg de weigeringsbeslissing waarin - op wettige wijze - wordt besloten dat niet voldaan is aan de voorwaarden bepaald in artikel 40, § 6, van de Vreemdelingenwet, als dusdanig voldoet aan de criteria van legaliteit en legitimiteit in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM; dat, wat betreft het vereiste van proportionaliteit, het bestuur een afweging dient te maken tussen het algemeen belang van de staat, enerzijds, en het individueel belang van de om verblijf verzoekende vreemdeling, anderzijds; dat wanneer de vreemdeling aantoont dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak, de komst naar België de enige mogelijkheid was om het recht op gezinsleven uit te oefenen, de verblijfsweigering een inbreuk op het gezinsleven in de zin van artikel 8 van het E.V.R.M. kan vormen (EHRM, Gül t. Zwitserland, 19 februari 1996; EHRM, Ahmut t. Nederland, 28 november 1996); dat uit verzoeksters inleidend verzoek- schrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet blijkt dat zij concrete gegevens heeft aangebracht waaruit blijkt dat het gezinsleven in haar land van herkomst niet mogelijk is; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook aan de hand van de aangebrachte gegevens niet nader kon nagaan of de bestreden beslissing een schending inhield van het recht op gezinsleven; dat het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet XIV-30.255-13/14 toekomt de feiten opnieuw te onderzoeken; dat het tweede onderdeel van het tweede middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; 2.
  9. Overwegende dat voor zover verzoekster vraagt om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof in verband met artikel 11, § 2, laatste lid van de Vreemdelingenwet, nergens uit blijkt - en verzoekster ook niet toelicht - in welke mate deze vraag enig verband houdt met voorliggend geschil; dat er geen reden is tot het stellen van een prejudiciële vraag, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. A. BEIRLAEN. XIV-30.255-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.241 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.