← België

Arrest 195250 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.250 Rolnummer: A. 191306/IX-6204 Zaak: Arrest 195250 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-29 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:24 Fiche Arrest nr 195.250 van 14 juli 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.250 van 14 juli 2009 in de zaak A. 191.306/IX-

  1. In zake : Bart DE CLERCQ, die woonplaats kiest bij advocaat C. FLAMEND, kantoor houdende te MEISE, Vilvoordsesteenweg 101 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE, Industrieweg 4 bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bart DE CLERCQ op 3 februari 2009 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “het besluit d.d. 19 november 2008 van de jury -bedoeld in artikel 7 van het K.B. van 12 oktober 2006 tot bepaling van het directiebrevet dat vereist is voor de bevorde- ring tot de graad van hoofdcommissaris van politie- dat stelt dat verzoeker niet geslaagd is voor de promotieopleiding tot de graad van hoofdcommissaris van politie”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. NEUTS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 16 maart 2009 waarbij de terechtzit- ting wordt bepaald op 30 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-6204-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. FLAMEND, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat H.-K. CARÊME die, loco advocaat P. LUYPAERS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. NEUTS, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. De verzoeker is commissaris van politie. Op 24 september 2007 wordt hij toegelaten tot de opleiding voor het behalen van het directiebrevet dat krachtens artikel 32, 3/, van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsle- den van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten (hierna: de wet van 26 april 2002), vereist is voor een bevordering tot hoofdcommissaris. 1.
  4. Luidens het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 tot bepaling van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcom- missaris van politie (hierna: het koninklijk besluit van 12 oktober 2006), is de bedoelde “promotieopleiding HCP” gespreid over maximum twee academiejaren. Deze opleiding omvat: - lessen aan de nationale school voor officieren met een totale duur van ten minste 150 uren, die betrekking hebben op “leiding en beheer” (de rol van de leider, integratie in de interne en externe politionele omgeving, de ontwikkeling van de strategie) eensdeels en “leiding en coördinatie van politieoperaties inzake gerechtelijke politie en bestuurlijke politie” anderdeels (artikel 29); IX-6204-2/8 - drie stages met elk een minimumduur van 100 uren, respectievelijk in de federale politie, de lokale politie en in privé-ondernemingen en/of overheidsinstellingen (artikel 30). Voor elk van de drie stages stelt de stagiair een activiteitenverslag op en de stagemeester een stageverslag (artikelen 32 en 33). Voor personeelsleden die tot de opleiding zijn toegelaten binnen de twee jaar na de inwerkingtreding van het voormelde koninklijk besluit, omvat de opleiding slechts één stage, namelijk de stage in privé-ondernemingen en/of overheidsinstellingen (artikel 43). Op het einde van de opleiding leggen de cursisten een examen af voor de jury. Dat examen omvat: - een geïntegreerde schriftelijke proef met betrekking tot de twee onderdelen van de lessenreeks; - een mondelinge proef bestaande uit de verdediging van de schriftelijke proef en bijkomende vragen betreffende de materie opgenomen in het opleidingsprogram- ma, de activiteiten- en stageverslagen evenals, eventueel, het verloop van de stage (artikel 35). De nationale school voor officieren staat in voor de verbetering van de schriftelijke proef (artikel 37). Na deliberatie beslist de jury over het al dan niet geslaagd zijn voor de opleiding. De jury baseert zich daarbij op een globale evaluatie van de schriftelijke en mondelinge proef, alsmede op de activiteiten- en stageverslagen (artikel 39). 1.
  5. De verzoeker volgt de voormelde opleiding, die één stage omvat. De verzoeker stelt over de stage een activiteitenverslag op. Zijn stagemeester stelt een stageverslag op. 1.
  6. Op het einde van de opleiding neemt de verzoeker deel aan het examen. IX-6204-3/8 Voor de schriftelijke proef verkrijgt de verzoeker vanwege de nationale school voor officieren de beoordeling “geschikt”. Deze beoordeling wordt voorafgegaan door de volgende overwegingen: “De kandidaat maakt een uitgebreide probleemanalyse: hij toetst de verwachtingen van beide politiecolleges af, bevraagt gedefinieerde sleutelfigu- ren en maakt een SWOT-analyse. Hij geeft zijn te nemen maatregelen weer volgens de structuur van het EFQM-model (waarbij hij de rubriek ‘leiderschap’ beperkt tot de selectie van de nieuwe korpschef). Voor de selectie van de nieuwe korpschef wil hij zelf een selectieprofiel uitwerken, daar waar dit echter reeds vastligt bij K.B. De kandidaat betrekt de nieuwe korpschef wel onmiddellijk in de werkzaamheden en kiest ook voor een projectteam om de reorganisatie verder uit te werken (zonder dat de samenstel- ling van dit team weergegeven wordt). Inzake het omgaan met weerstanden, voorziet de kandidaat in een individueel gesprek met iedere medewerker waarbij alle nuttige gegevens opgelijst worden. Hoe dit praktisch gerealiseerd wordt, wordt niet weergege- ven. De kandidaat geeft een communicatieplan weer; over de te leggen prioriteiten en het aspect lokalisatie blijft hij zeer algemeen. KSF worden niet weergegeven. Vrij abstract, weinig concreet werk. De kandidaat blijft op de vlakte, waarschijnlijk door een gebrek aan inzicht in de concrete werking van lokale politiekorpsen. De beoordeling is dan ook ‘geschikt’ zonder meer.” De mondelinge proef heeft plaats op 19 november
  7. Op dezelfde datum beslist de jury dat de verzoeker niet geslaagd is voor de promotieopleiding HCP. Deze beslissing steunt, benevens op de aanhaling van de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, op de volgende motieven: “Gelet op het positieve verslag van de stagemeester; Gelet op de beoordeling ‘geschikt’ van de correctoren over zijn schriftelijke proef, maar waarbij benadrukt dient te worden dat het werk vrij abstract en weinig concreet is en de kandidaat onder meer op de vlakte blijft door een niet- realistische invulling van de voorstellen tot overwinnen van de weerstanden van het personeel, het ontbreken van de kritische succesfactoren en de invulling van het project-team; Gelet op de onvoldoende prestatie van de kandidaat DE CLERCQ Bart tijdens de mondelinge proef van 19 november 2008, waarbij dient opgemerkt te worden dat de kandidaat veelal geen realistische oplossingen kon voorleggen ter aanvulling van de leemtes in de schriftelijke proef.” IX-6204-4/8 Dit is de bestreden beslissing. De verzoeker ondertekent ze op 5 december 2008 voor ontvangst. Grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing 2.
  8. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
  9. De verzoeker zet het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing meent te kunnen lijden, in zijn verzoekschrift als volgt uiteen: “Het is de eerste maal in de geschiedenis van de politiehervorming dat de promotieopleiding voor het behalen van het directiebrevet, zoals bedoeld in artikel 32, 3/, van de wet van 26 april 2002, werd georganiseerd. Een nieuwe opleiding is nog niet aangekondigd maar dit riskeert geruime tijd op zich te laten wachten. Men acht het immers noodzakelijk de opleiding grondig te evalueren en de vaste commissie lokale politie acht de uitwerking van een nieuw koninklijk besluit noodzakelijk tegen het jaar 2010 [...]. Een nieuwe promotieopleiding is derhalve de eerste jaren niet denkbaar. Zelfs in de meest gunstige optiek zou verzoekster ten vroegste het directiebre- vet kunnen behalen in 2014 wat betekent dat tot dat ogenblik de carrière van verzoeker in het slop zit. Daarenboven hebben de diverse zones duidelijk gewacht op het behalen van het directiebrevet door deze eerste lichting om plaatsen van hoofdcommissaris vacant te verklaren. Zo werden in de mobiliteitscyclus van 2008 23 plaatsen vacant verklaard voor Nederlandstalige hoofdcommissarissen. Hiervoor is het directiebrevet noodzakelijk. In tegenstelling tot zijn geslaagde collega’s kan verzoeker niet postuleren voor deze plaatsen. Het hierdoor geleden nadeel (niet kunnen postuleren voor betrekkingen waarvoor het directiebrevet vereist is) kan enkel adequaat bestreden worden door een schorsing van de bestreden beslissing.” 2.
  10. De verwerende partij repliceert in haar nota dat de verzoeker het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoer- legging van de bestreden beslissing meent te kunnen lijden, uiterst summier IX-6204-5/8 omschrijft en dat de aard en de omvang van het te verwachten nadeel uit die omschrijving in genen dele blijken. Voorts laat zij gelden dat volgens vaste rechtspraak van de Raad van State het risico op het niet-slagen voor een selectie of een examen inherent is aan iedere selectie en examen. De verwerende partij merkt op dat de verzoeker slechts 35 jaar oud is en de bestreden beslissing verzoekers kansen op een promotie derhalve niet definitief verhindert. Volgens haar maakt de verzoeker geenszins aannemelijk dat indien hij moet wachten op een vernietiging van de bestreden beslissing, hij geen enkele kans meer heeft om nog tijdens zijn loopbaan een promotie te verkrijgen. Zij wijst er ook op dat voor de aanwijzing in een mandaatfunctie, krachtens artikel 71, eerste lid, 5/, van de wet van 26 april 2002, een leeftijdsgrens van 60 jaar geldt en dat voor de bevordering van een commissaris van politie tot hoofdcommissaris in artikel 32 van die wet geen leeftijdsgrens is bepaald. De verwerende partij betoogt ten slotte dat het niet volstaat houder te zijn van een directiebrevet zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 om toegang tot de voormelde functies te verkrijgen. Zij wijst erop dat er een vacante betrekking moet zijn en dat de titularissen van de mandaten overeenkomstig artikel 73 van de wet van 26 april 2002 worden aangewezen onder de kandidaten die door een selectiecommissie geschikt worden bevonden. 2.4.
  11. De verzoeker ziet het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing lijdt, vooreerst hierin gelegen dat een nieuwe opleiding voor het behalen van het directiebrevet bedoeld in artikel 32, 3/, van de wet van 26 april 2002 nog niet is aangekondigd en mogelijk nog vele jaren op zich zal laten wachten, te meer daar de Vaste Commissie van de Lokale Politie een volledige herziening van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 noodzakelijk acht. Bij ontstentenis van concrete gegevens die verzoekers vrees op een langdurig uitblijven van een nieuwe promotieopleiding kunnen staven, is het aldus aangevoerde nadeel echter louter hypothetisch. Voor zover het wordt toegeschreven aan een mogelijke herziening van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 komt het bovendien niet rechtstreeks voort uit de bestreden beslissing. IX-6204-6/8 2.4.
  12. De verzoeker laat voorts gelden dat zijn loopbaan ook in het slop dreigt te geraken, doordat vele lokale politiezones hebben gewacht op de eerste lichting afgestudeerden van de promotieopleiding HCP om betrekkingen van hoofdcommissaris vacant te verklaren en hij zich daarvoor geen kandidaat kan stellen. De omstandigheid dat de loopbaan van de verzoeker mogelijk een vertraging oploopt, getuigt als zodanig niet van een ernstig nadeel dat na een vernietigingsarrest niet of nog slechts moeilijk kan worden hersteld. Het nadeel dat voortkomt uit een vertraging in de loopbaan, is inherent aan elke gemiste kans op een bevordering en kan in beginsel niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden gekwalificeerd. Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat de verzoeker niet aannemelijk maakt dat indien hij moet wachten op een eventueel vernietigingsarrest, hij geen kans meer heeft om alsnog een bevordering tot hoofdcommissaris te verkrijgen. 2.4.
  13. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat de verzoeker niet aantoont ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen lijden. Derhalve is niet voldaan aan alvast één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing, bepaald in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER: Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  15. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-6204-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 juli 2009, door: de HH. B. THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-6204-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.250 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.905 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.