← België

Arrest 195253 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 14/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.253 Rolnummer: A. 192232/IX-6321 Zaak: Arrest 195253 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 14/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:24 Fiche Arrest nr 195.253 van 14 juli 2009 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.253 van 14 juli 2009 in de zaak A.192.232/IX-

  1. In zake : Steven THOEYE, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de lokale politiezone “Kouter”, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Steven THOEYE op 16 april 2009 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de lokale politiezone “Kouter” van 20 februari 2009, waarbij hij bij dringende noodzakelijkheid met ingang van 23 februari 2009 gedurende twee maanden preventief wordt geschorst, evenals van de beslissing van het politiecollege van de lokale politiezone “Kouter” van 16 maart 2009, waarbij hij met ingang van 23 februari 2009 gedurende twee maanden preventief wordt geschorst; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. NEUTS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 20 mei 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-6321 -1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat W. GARDYN die, loco advocaat B. STAELENS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. NEUTS, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. De verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone “Kouter”, die de gemeenten Gistel, Oudenburg, Jabbeke, Ichtegem en Torhout omvat. 1.
  4. Op 23 juni 2008 beslist het politiecollege van de voornoemde politiezone de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege met ingang van 1 augustus 2008 op te leggen. Bij arrest nr. 190.134 van 3 februari 2009 beveelt de Raad van State echter, op vordering van de verzoeker, de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing. 1.
  5. Op 20 februari 2009 beslist het politiecollege zijn geschorste beslissing in te trekken en de besluitvorming te hernemen vanaf het ogenblik waarop ze volgens het arrest van de Raad van State is ontspoord. Op dezelfde datum beslist het politiecollege de verzoeker bij ordemaatregel en “krachtens dringende noodzakelijkheid” met ingang van 23 februari 2009 gedurende twee maanden preventief te schorsen, met behoud van wedde. IX-6321 -2/10 Deze beslissing steunt op de volgende motieven: “[...] Gelet op het ontslag van ambtswege van de heer Thoeye bij besluit van het Politiecollege in zitting van 23 juni 2008; Dat dit besluit in zijn tenuitvoerlegging is geschorst bij het arrest van de Raad van State nr. 190.134 van 3 februari
  6. Dat het Politiecollege bij besluit van 20 februari 2009 het in zijn tenuitvoerlegging geschorste besluit heeft ingetrokken en dat het Politiecollege heeft beslist om de besluitvorming te hernemen vanaf het ogenblik dat de besluitvorming volgens het arrest van de Raad van State is ontspoord. Dat het gedurende deze besluitvorming niet mogelijk geacht wordt dat de heer Thoeye functioneert. Dat de sereniteit van de besluitvorming daardoor zou verstoord worden. Dat dit functioneren door de overige personeelsleden als onaanvaardbaar zou aanzien worden en dat er een onwerkbare situatie zou ontstaan. Dat krachtens een nieuwe oordeelsvorming, met respect voor het motief van het arrest nr. 190.134 van de Raad van State, er een nieuwe heldere en klare situatie moet tot stand komen. Dat zolang dit niet is doorgegaan, het niet werkbaar wordt geacht om de heer Thoeye te laten functioneren. Dat hoe dan ook nieuwe spanningen en wrijvingen moeten vermeden worden, in het belang zowel van de heer Thoeye als van het gehele politiekorps. Dat gezien de uitvoerbaarheid van het arrest waarbij de schorsing van tenuitvoerlegging wordt bevolen, de ordemaatregel dringend noodzakelijk is. Dat het volstaat dat er een ordemaatregel wordt opgelegd voor de duur van twee maanden. Dat overeenkomstig artikel 63 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten de heer Thoeye binnen de tien dagen wordt opgeroepen om gehoord te worden op grond van het dossier. Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden om een voorlopige schorsing bij ordemaatregel op te leggen; [...]” Deze beslissing maakt het eerste voorwerp uit van de voorliggende vordering tot schorsing. 1.
  7. Op 2 maart 2009 wordt de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door het politiecollege gehoord over “de voorlopige schorsing bij ordemaatregel”. 1.
  8. Op 16 maart 2009 beslist het politiecollege de verzoeker met ingang van 23 februari 2009 gedurende twee maanden preventief te schorsen, met behoud van wedde. Deze beslissing steunt op de volgende motieven: IX-6321 -3/10 “[...] Gelet op het ontslag van ambtswege van de heer Thoeye bij besluit van het politiecollege in zitting van 23 juni 2008; Dat dit besluit in zijn tenuitvoerlegging is geschorst bij het arrest van de Raad van State nr. 190.134 van 03 februari 2009; Dat de Hogere Tuchtoverheid bij besluit van 20 februari 2009 het in zijn tenuitvoerlegging geschorste besluit heeft ingetrokken en dat de Hogere Tuchtoverheid heeft beslist om de besluitvorming te hernemen vanaf het ogenblik dat de besluitvorming volgens het arrest van de Raad van State is ontspoord; Gelet op het besluit van de Hogere Tuchtoverheid in zitting van 20 februari 2009 houdende de preventieve schorsing als ordemaatregel lastens inspecteur Thoeye Steven met ingang van 23 februari 2009; dat het besluit nadere richtlijnen vastlegt met betrekking tot de administratieve toestand van inspecteur Thoeye Steven; Dat overeenkomstig artikel 63 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten inspecteur Thoeye Steven binnen de tien dagen wordt opgeroepen om gehoord te worden op grond van het dossier; Gelet op de uitnodiging door de Hogere Tuchtoverheid van inspecteur Thoeye Steven, quid Meester Crispyn Peter gemandateerd advocaat, per aangetekend schrijven nr Kouter/BU000154/2009 d.d. 23 februari 2009 teneinde gehoord te worden in de zitting van 02 maart 2009 om 14.00 uur te Torhout, Markt 1 - Stadhuis, schepenzaal, aangaande de preventieve schorsing als ordemaatregel; dat de uitnodiging in een eerste zending is verstuurd aan inspecteur Thoeye Steven en zijn raadsman op 23 februari 2009 en een tweede maal op 25 februari 2009; Gelet op de hoorzitting zoals in supra aangegeven; dat inspecteur Thoeye Steven er vertegenwoordigd wordt door de heer Houssin Vincent, VSOA-verdediger en rechtmatig hiertoe gemachtigd; Overwegende de beschouwingen uitgaande van de verdediging, zoals vermeld in het proces-verbaal van hoorzitting, [...]; In het bij hoogdringendheid getroffen besluit werd er overwogen waarom er een preventieve schorsing dient te worden opgelegd. Gedurende de hoorzitting kwam het aan inspecteur Thoeye Steven en zijn verdediging toe om daarover de eigen visie te geven. Er werd uiteindelijk enkel aangegeven dat het noodzakelijk karakter in vraag werd gesteld, gezien het vroeger niet nodig bleek. Daarmee worden de redenen die door het politiecollege als Hogere Tuchtoverheid werden ingeroepen om tot een schorsing bij hoogdringendheid over te gaan, uiteraard niet op enige wijze in vraag gesteld, laat staan weerlegd. Er is een uitspraak en een procedure bij de Raad van State geweest. Er is inmiddels een intrekkingsbesluit getroffen. Er is duidelijk aangegeven dat dit leidt tot een zeer specifieke situatie, waarbij er spanningen en wrijvingen moeten vermeden worden, in het belang van zowel inspecteur Thoeye Steven als het gehele politiekorps. Het gaat om een werkelijke maatregel van orde, puur en alleen om spanningen te vermijden tijdens een besluitvorming in een heel specifieke situatie. Dat voorafgaandelijk aan de eerste besluitvorming een preventieve schorsing niet noodzakelijk was, impliceert niet in het minst dat dit nu in de specifieke situatie niet aangewezen zou zijn. Eén van de elementen is de perceptie bij de collega’s. Er is aangegeven dat de collega’s het onbegrijpelijk zouden vinden dat gedurende het nieuwe besluitvormingsproces, inspecteur Thoeye Steven de werkzaamheden zou hernemen. Dit wordt al evenmin tegengesproken in het verhoor. IX-6321 -4/10 Er wordt zonder meer geponeerd dat het politiecollege als Hogere Tuchtoverheid niet bevoegd zou zijn om enige maatregel te nemen. Een dergelijke pure bewering is niet van aard om het college de bevoegdheid te ontnemen. Het college is precies bevoegd om in een preventieve schorsing te voorzien overeenkomstig hoofdstuk 6 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten. Ten onrechte wordt deze bevoegdheid, zonder enige uitleg trouwens, in vraag gesteld. Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden om een voorlopige schorsing bij ordemaatregel op te leggen; [...]” Deze beslissing maakt het tweede voorwerp uit van de voorliggende vordering tot schorsing. 1.
  9. Op 6 april 2009 beslist het politiecollege opnieuw de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege met ingang van 1 augustus 2008 op te leggen. De verzoeker vecht ook deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing bij de Raad van State (zaak A. 192.969/IX-6398). Grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing
  10. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
  11. De verzoeker zet het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing meent te kunnen lijden, in zijn verzoekschrift als volgt uiteen: “De bestreden beslissingen hebben strikt genomen geen tuchtrechtelijk karakter en spreken zich dus in beginsel niet uit over enig schuldig gedrag van verzoeker, reden waarom de Raad van State in regel aanneemt dat het nadeel dat dergelijke maatregel berokkent in beginsel goedgemaakt wordt door een vernietigingsarrest en dat het aan verzoeker toekomt aan te tonen dat hij zich in een uitzonderingssituatie bevindt doordat het nadeel dat hij ondergaat buiten het gewone valt. IX-6321 -5/10 Verzoeker meent in deze dat het nadeel dat hij ondergaat inderdaad buiten het gewone valt en dat dit nadeel het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt. In toepassing van artikel 59 van de politietuchtwet (Wet houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten d.d. 13-05-1999) kan niet worden ontkend dat het centrale gegeven waarrond de eventualiteit van de voorlopige schorsing als ordemaatregel gaat de onverenigbaarheid met het belang van de dienst betreft. De bij de bestreden beslissingen opgelegde voorlopige schorsing heeft evenwel hoegenaamd niets van doen met enige onverenigbaarheid met het belang van de dienst maar is er louter op gericht om verzoeker uit de dienst te weren teneinde de tuchtoverheid geen gezichtsverlies te laten hebben. Dit blijkt uit navolgende feitelijke gegevens dewelke alle samen genomen voldoende zwaarwichtig zijn teneinde dergelijke conclusie te schragen: 1) Om reden van de feitelijkheden hiervoor vernoemd, werd lastens verzoeker een tuchtprocedure gevoerd waarbij finaal het ontslag van ambtswege als tuchtstraf werd opgelegd. Gedurende deze tuchtprocedure werd verzoeker niet voorlopig geschorst bij ordemaatregel en was er klaarblijkelijk geen enkel beletsel om hem verder zijn ambt te laten vervullen. 2) Na tussenkomst van de tuchtstraf ontslag van ambtswege heeft verzoeker de Raad van State gevat, in navolging waarvan er het voornoemde schorsingsarrest is tussengekomen. 3) In navolging van het schorsingsarrest heeft verzoeker geïnformeerd wanneer en waar hij zich kan aanbieden teneinde zijn ambt terug op te nemen, dit bij faxbericht van zijn raadsman d.d. 11 februari
  12. Bij antwoordschrijven van 12 februari 2009 liet de raadsman van verweerster weten dat ‘de zaak wordt besproken op het politiecollege’ en verzoeker zich middelerwijl nog niet dient aan te bieden. Bij navolgend schrijven van 17 februari 2009 liet verweerster via haar raadsman weten dat de ‘beslissing’ m.b.t. verzoeker navolgende vrijdag zou worden getroffen. Aangezien verzoeker op 25 februari nog altijd geen concrete berichten mocht ontvangen informeerde deze nogmaals via faxbericht van zijn raadsman waarop diezelfde dag verweerster via haar raadsman kopie meedeelde van de documenten die blijkbaar per post werden verzonden, zijnde de beslissing intrekking van het voorgaande tuchtbesluit en anderzijds de bij deze eerste bestreden beslissing. Ondanks het gegeven dat verwerende partij lijkt te willen voorhouden dat er een voorlopige schorsing nodig zou zijn en zulks zelfs bij hoogdringendheid (zie hierna) moet manifest worden vastgesteld dat zij na tussenkomst van het schorsingsarrest meer dan twee weken nodig heeft teneinde tot een besluitvorming te komen. 4) Deze besluitvorming van verweerster is daarenboven nog bijzonder wankel, zoals blijkt uit de middelen die verzoeker hierna ontwikkelt. In het kort komt het een en ander er op neer dat beide procedures van voorlopige schorsing -de ‘gewone’ en deze bij ‘hoogdringendheid’- door elkaar worden gehaspeld. Markant hierbij is dat luidens de motivatie van de bestreden beslissingen het politiecollege zeer begaan lijkt te zijn met wat zij de ‘sereniteit’ van haar eigen besluitvorming noemt nu zij meent dat in haar verdere besluitvorming ten gronde inzake de tucht zij het niet mogelijk zou achten dat verzoeker verder zou functioneren. Nochtans is het voor de tuchtoverheid nooit een beletsel geweest dat verzoeker functioneerde ten tijde van haar eerste besluitvorming dewelke IX-6321 -6/10 heeft geleid tot de bij arrest in zijn uitvoering geschorste, en naderhand ingetrokken, beslissing. Het moge dan ook duidelijk wezen dat het politiecollege in deze ‘verveeld’ zat met de tussengekomen schorsing bij arrest van uw Raad en wou vermijden gezichtsverlies te hebben doordat verzoeker -gedurende hun hernieuwd besluitvormingsproces- terug zijn ambt zou opnemen. Dit heeft evident niets van doen met het belang van de dienst, louter met het eigen imago van de tuchtoverheid. De enkele uitlating bij de eerste bestreden beslissing ‘dat dit functioneren door de overige personeelsleden als onaanvaardbaar zou worden aanzien en dat er een onwerkbare situatie zou ontstaan’ is een loutere boutade in een ijdele poging het belang van de dienst als schild te gebruiken voor het eigen imago. Dit blijkt uit niets en wordt ook niet -zelfs niet in aanzet- materieel hard gemaakt. Dit alles maakt dat er in hoofde van verzoeker een heel bijzonder moreel nadeel is ontstaan, met name het gegeven dat de tuchtoverheid alle gevoel voor redelijkheid heeft verloren en hij zich heel specifiek persoonlijk geviseerd voelt door de getroffen voorlopige schorsing die -zoals gesteld- er niet op is gericht om het belang van de dienst te vrijwaren maar wel om het verzoeker niet te gunnen zijn ambt in alle neutraliteit terug op te nemen en hem koste wat het kost uit het ambt verwijderd te houden. In deze optiek meent verzoeker dat wel degelijk is voldaan aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangezien dergelijke bijzondere morele schade niet kan worden hersteld middels een latere vernietiging. Bij gebreke aan schorsing is het doel van het politiecollege immers bereikt: verzoeker, minstens voorlopig, verder weren uit het ambt.” 2.
  13. De verwerende partij repliceert in haar nota dat de preventieve schorsing die door de bestreden beslissing aan de verzoeker wordt opgelegd inmiddels volledige uitwerking heeft gekregen, zodat een schorsing die per definitie ex nunc werkt, de verzoeker niet meer kan behoeden voor het aangevoerde nadeel. Zij voegt eraan toe dat de verzoeker zelfs geen belang meer heeft bij zijn vordering. Zij betoogt te dezen dat de bestreden preventieve schorsing inmiddels is afgelopen, zodat de verzoeker nog slechts een moreel belang kan laten gelden, maar hij in zijn verzoekschrift te kennen geeft dat een annulatie van de bestreden beslissing zijn morele belangen niet kan dienen. Beoordeling 2.3.
  14. Een preventieve schorsing heeft een bewarend karakter, zij is niet tuchtrechtelijk van aard en impliceert geen uitspraak over de schuld van het betrokken personeelslid, zij is uitsluitend gericht op de goede werking van de dienst. Een dergelijke maatregel doet in beginsel dan ook geen nadeel ontstaan dat ernstig IX-6321 -7/10 is en dat niet of niet naar behoren door een vernietigingsarrest kan worden hersteld. Het komt aan de verzoeker toe om aan te tonen dat bijzondere redenen verantwoorden dat in zijn geval van die algemene regel wordt afgeweken. 2.3.
  15. De bestreden beslissing legt aan de verzoeker een preventieve schorsing op gedurende twee maanden met ingang van 23 februari
  16. Aan die preventieve schorsing is een einde gekomen door de op 6 april 2009 aan de verzoeker opgelegde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. Ook indien die tuchtstraf niet was tussengekomen, zou de duurtijd van de preventieve schorsing inmiddels zijn verstreken. Een schorsingsarrest heeft echter slechts uitwerking voor de toekomst en kan een nadeel dat door de verzoeker reeds volledig werd ondergaan, niet meer goedmaken. Vanuit dat oogpunt kan een schorsingsarrest voor de verzoeker alleen dan nog nuttig zijn wanneer blijkt dat het oorspronkelijke nadeel, waarvan de ernst en het moeilijk te herstellen karakter zou zijn aangetoond, op het ogenblik van de uitspraak over de vordering tot schorsing nog voortduurt. 2.3.
  17. De verzoeker voert aan dat van de algemene regel dat een voorlopige schorsing geen ernstig nadeel doet ontstaan dat niet of niet naar behoren door een vernietigingsarrest kan worden hersteld, in zijn geval kan worden afgeweken wegens een “heel bijzonder moreel nadeel” dat in zijnen hoofde zou zijn ontstaan, namelijk “het gegeven dat de tuchtoverheid alle gevoel voor redelijkheid heeft verloren en hij zich heel specifiek persoonlijk geviseerd voelt door de getroffen voorlopige schorsing die [...] er niet op is gericht om het belang van de dienst te vrijwaren maar wel om het verzoeker niet te gunnen zijn ambt in alle neutraliteit terug op te nemen en hem koste wat het kost uit het ambt verwijderd te houden”. Die stelling onderbouwt hij met de volgende elementen:

(1)gedurende de eerder gevoerde tuchtprocedure werd hij niet voorlopig geschorst en was er klaarblijkelijk geen enkel beletsel om hem verder zijn ambt te laten vervullen,
(2)het tijdsverloop na de tussenkomst van het schorsingsarrest nr. 190.134 van 3 februari 2009 van de Raad van State wijst hoegenaamd niet op een “hoogdringendheid”, nu het politiecollege pas meer dan twee weken later tot besluitvorming is gekomen en
(3)die besluitvorming is dan nog “bijzonder wankel”, zoals uit de aangevoerde middelen zou moeten blijken. IX-6321 -8/10 2.3.
  1. De verzoeker situeert zijn nadeel aldus uitsluitend op het morele vlak. Een moreel nadeel is in beginsel herstelbaar door de morele genoegdoening die door een eventueel vernietigingsarrest wordt verschaft. Het komt aan de verzoeker toe om aan de hand van concrete en precieze gegevens aan te tonen dat er in zijn geval uitzonderlijke omstandigheden zijn die ertoe nopen anders te oordelen. De omstandigheid dat de verzoeker naar aanleiding van het tuchtonderzoek vóór de door de Raad van State geschorste tuchtbeslissing van 23 juni 2008 niet voorlopig werd geschorst en thans wél, toont niet aan dat het bestuur hem met deze maatregel al heeft willen treffen. Het lijkt niet van iedere redelijkheid ontdaan te stellen dat zowel de tuchtoverheid als de verzoeker en het betrokken politiekorps na het schorsingsarrest in een “heel specifieke situatie” verkeerden: de verzoeker kreeg de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd; die tuchtbeslissing werd door de Raad van State geschorst, waarna de tuchtoverheid tot de intrekking ervan is overgegaan en reeds in het intrekkingsbesluit aankondigde de tuchtprocedure te zullen hernemen. Het politiecollege lijkt dan ook niet zonder grond oog te hebben gehad voor mogelijke “spanningen en wrijvingen” die, precies in het belang van de dienst, dienden te worden vermeden. De argumentatie van de verzoeker dat het geschetste tijdsverloop na het schorsingsarrest van de Raad van State niet wijst op enige hoogdringendheid en dat de besluitvorming “bijzonder wankel” zou zijn, heeft dan weer uitsluitend betrekking op de grond van de zaak. Het vereiste dat de verzoeker ernstige middelen moet aanvoeren enerzijds en het vereiste dat de verzoeker moet aantonen ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen lijden anderzijds, zijn echter twee van elkaar te onderscheiden schorsingsvoorwaarden, die in beginsel afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Géén van de drie door de verzoeker aangebrachte elementen lijkt van aard de stelling van de verzoeker dat de voorlopige schorsing hem niet werd opgelegd in het belang van de dienst maar om het bestuur geen gezichtsverlies te doen lijden, naar genoegen van recht te staven. IX-6321 -9/10 De verzoeker slaagt er alleszins niet in aan te tonen dat zijn geval zich buiten het gewone situeert, waardoor hij -óók na het verstrijken van de preventieve schorsing- nog een moreel nadeel ondergaat dat ernstig én moeilijk te herstellen is. 2.3.
  2. Nu de bestreden beslissing volledige uitwerking heeft gehad en de verzoeker niet aantoont dat hij -óók na het verstrijken van de preventieve schorsing- nog een nadeel ondergaat dat ernstig én moeilijk te herstellen is en waaraan een schorsing van de bestreden beslissing alsnog zou kunnen verhelpen, moet worden besloten dat hij geen belang meer heeft bij zijn vordering tot schorsing. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER: Artikel
  3. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 juli 2009, door: de HH. B. THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-6321 -10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.253 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.275 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.