← België

Arrest 195260 - Overheidsopdrachten - 14/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.260 Rolnummer: A. 91368/XII-2574 Zaak: Arrest 195260 - Overheidsopdrachten - 14/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:24 Fiche Arrest nr 195.260 van 14 juli 2009 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.260 van 14 juli 2009 in de zaak A. 91.368/XII-

  1. In zake : de NV WASTE COLLECTION SYSTEMS BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaat K. Geelen, kantoor houdende te Hasselt, Gouverneur Roppesingel 131, tegen : de GEMEENTE ZOERSEL, die woonplaats kiest bij advocaat L. Van Hout, kantoor houdende te Berlaar, Markt
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Waste Collection Systems Belgium op 28 april 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Zoersel van 7 februari 2000 [om] af te zien van de gunning van de algemene offerteaanvraag inzake de invoering van een tariefdifferentiatie voor de inzameling van GFT en huishoudelijke restafval”; Gelet op het arrest nr. 90.160 van 10 oktober 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 24 november 2000 ingediend door verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur J. Stevens; XII-2574-1/5 Gelet op de beschikking van 14 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 februari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Wauters, die loco advocaat K. Geelen verschijnt voor verzoekende partij, en van advocaat L. Van Hout, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  3. Op 25 februari 1999 keurt de gemeenteraad van verwerende partij een bestek goed voor de invoering van tariefdifferentiatie voor de inzameling van GFT+ - en restafval. De opdracht wordt gegund bij algemene offerteaanvraag. Op 26 juli 1999 wijst verwerende partij de opdracht toe aan de NV Plastic Omnium. De tenuitvoerlegging van die beslissing wordt geschorst bij arrest van de Raad van State nr. 82.143 van 26 augustus
  4. Bij beschikking van 30 september 1999 schorst de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, zetelend in kort geding “het contract dat blijkt te zijn gesloten tussen Plastic Omnium NV en de Gemeente Zoersel met betrekking tot de opdracht tot XII-2574-2/5 levering van afvalcontainers die uitgerust zijn met een systeem dat tariefdifferentiatie toelaat”. Verwerende partij beslist op 11 oktober 1999 om het “beheren van het diftar-facturatiesysteem” aan CIPAL te gunnen. Met de bestreden beslissing van 7 februari 2000 ziet verwerende partij af van de gunning van de opdracht. De gegrondheid van het beroep
  5. Verzoekende partij steunt een eerste middel op de schending van “de formele motiveringsplicht zoals opgenomen in art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel”. In een tweede middel voert verzoekende partij de schending aan van “de algemene beginselen van bestuur, m.n. het vertrouwensbeginsel en het continuïteitsbeginsel”. In het voornoemde tussenarrest nr. 90.160 werden de voormelde middelen niet ernstig bevonden, meer bepaald zoals volgt : “2.2.
  6. Overwegende dat het middel, in zoverre het steunt op schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de daardoor voorgeschreven formele motivering, niet ernstig is; dat in hetzelfde middel de verzoekende partij immers tevens schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht en daarbij op uitvoerige wijze de door haar blijkbaar gekende motieven van de bestreden beslissing bekritiseert; dat aldus het doel van de verplichting tot uitdrukkelijke motivering ten opzichte van de verzoekende partij lijkt te zijn bereikt en zij er dan ook geen belang bij heeft de schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht aan te voeren; dat het middel dus enkel nog onderzocht moet worden in zoverre de verzoekende partij daarin een schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; Overwegende dat de beslissing is genomen met toepassing van artikel 18 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten; dat luidens die bepaling het volgen van de procedure van offerteaanvraag geen verplichting inhoudt tot het toewijzen van de opdracht en de aanbestedende overheid kan afzien van het gunnen van de opdracht; dat niet betwist wordt dat de bestreden beslissing met toepassing van die bepaling is genomen; dat de verwerende partij bijgevolg bij het nemen van de bestreden beslissing over een vrije beoordeling XII-2574-3/5 beschikte; dat echter ook een dergelijke beslissing gesteund moet zijn op feitelijk juiste motieven; Overwegende dat de verzoekende partij vooreerst dergelijke motieven lijkt te ontzeggen aan de bestreden beslissing waarvan zij stelt dat haar ‘motivering onjuist is en de genomen beslissing niet kan schragen’ om de volgende redenen : - het bereik en de werking van het kringlooppark en de opdracht waarvoor de verzoekende partij inschreef ‘zijn totaal verschillend en hebben niets met elkaar te maken’; - het databestand dat voor het kringlooppark wordt aangelegd heeft ‘geen enkel uitstaans’ met de diftarregistratie in het kader van de opdracht waarop de verzoekende partij inschreef; Overwegende dat in de huidige stand van de procedure de stelling van de verzoekende partij niet kan worden bijgevallen, inzoverre zij elk verband tussen de kwestieuze opdracht en de opdracht betreffende het kringlooppark ontkent; dat immers de invoering van een systeem van tariefdifferentatie in elk van de drie onderdelen van het afvalbeleid (kringlooppark, groot huisvuil en de litigieuze inzameling van GFT+ en huishoudelijk restafval) het beleidsobjectief van de verwerende partij leek en heden, volgens het gewraakte motief, reeds voor het kringlooppark een bepaald systeem van gedeeltelijke tariefdifferentiatie is ingevoerd; dat, zelfs al mocht het aldaar ingevoerde systeem geen uitstaans hebben met de diftarregistratie van de in het geding zijnde opdracht, gerealiseerde ontwikkelingen in een van de afvalsectoren lijken te mogen worden betrokken in een vrije beoordeling om af te zien van gunning; Overwegende dat de verzoekende partij betreffende de motieven ten slotte stelt dat ‘volkomen ten onrechte’ de verwerende partij laat uitschijnen dat de werking van het kringlooppark tot een herevaluatie noopt van het voorwerp van de opdracht; dat de verzoekende partij hiermee lijkt te willen betogen dat de verwerende partij een grove beoordelingsfout heeft gemaakt die door de Raad van State aan redelijkheidstoetsing zou mogen worden onderworpen; dat het echter niet kennelijk onredelijk lijkt dat de verwerende partij verwijst naar de evolutie in het kringloopcentrum om de bedoelde herevaluatie te verrichten en mede op die evolutie de hier bestreden beslissing steunt; dat het eerste middel niet ernstig is; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel schending inroept van ‘de algemene beginselen van bestuur, m.n. het vertrouwensbeginsel en het continuïteitsbeginsel’; Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel is gebleken dat in de huidige stand van de procedure de bestreden beslissing rechtmatig toepassing lijkt te maken van het voormelde artikel 18 van de wet van 24 december 1993; dat het aanvaarden van de ernst van het middel met zich zou meebrengen dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur de toepassing van een formeel wetsartikel zouden kunnen verhinderen; dat zulks niet met de hiërarchie der normen verenigbaar lijkt; dat het tweede middel niet ernstig is;”. In haar memorie van antwoord reageert verzoekende partij niet op de aangehaalde motivering van het tussenarrest, maar herhaalt woordelijk de middelen zoals ze reeds in het inleidend verzoekschrift waren verwoord. In het auditoraatsverslag worden de middelen die in het voornoemde tussenarrest niet ernstig werden bevonden, als ongegrond aangemerkt. In haar laatste memorie stelt XII-2574-4/5 verzoekende partij alleen maar dat zij “integraal de inhoud van de memorie van antwoord herneemt”. In de gegeven omstandigheden is er geen reden om anders te oordelen dan in het arrest over de schorsingsvordering werd gedaan en ziet de Raad van State geen aanleiding om de middelen die in het tussenarrest reeds niet ernstig werden bevonden, nu gegrond te verklaren. Bij gebrek aan gegronde middelen dient het beroep te worden afgewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, B. THYS, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-2574-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.260 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.90.160 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.