← België

Arrest 195268 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.268 Rolnummer: A. 174918/IX-5371 Zaak: Arrest 195268 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:25 Fiche Arrest nr 195.268 van 15 juli 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.268 van 15 juli 2009 in de zaak A. 174.918/IX-

  1. In zake : Bart DEHAENE, wonende te MENEN, Edgard Tinelstraat 25 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Ambtenarenzaken, die woonplaats kiest bij advocaat E. JACUBOWITZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bart DEHAENE op 14 juli 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid van 18 mei 2006 houdende de weigering van erkenning van het getuigschrift “Preventieadviseur: aanvullende vorming niveau 1” in het kader van de gecertificeerde opleidingen van niveau A; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur M. CELIS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. JACUBOWITZ, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-5371-1/7 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. Bij besluit van 25 juli 2000 van de Directeur-generaal van de opleiding wordt de verzoeker met ingang van 16 augustus 2000 benoemd in de graad van industrieel ingenieur bij het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid (thans: de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg). 1.
  4. Op 11 december 2004 behaalt de verzoeker het getuigschrift van de aanvullende vorming, na het volgen van de opleiding “Preventieadviseur: aanvullende vorming niveau 1” aan de Sint-Lieven Hogeschool te Gent. 1.
  5. Op 31 augustus 2005 dient de verzoeker bij de Vakcommissie Tewerkstelling een aanvraag in tot erkenning van voornoemd getuigschrift in het kader van de gecertificeerde opleidingen niveau A, op grond van artikel 45, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel. De motivering voor zijn aanvraag luidt: “Na het volgen van deze opleiding sta ik als inspecteur zeker al sterker in mijn schoenen dan op de datum van indiensttreding toen ik deze opleiding nog niet genoten had. Daarom ben ik er ook steevast van overtuigd dat bij ons optreden als arbeidsinspecteur deze opleiding voor de vakrichting tewerkstelling een must is”. 1.
  6. Bij aangetekend schrijven van 14 april 2006 wordt op het professioneel adres van de verzoeker de beslissing van de Vakcommissie Tewerk- stelling ter kennis gebracht, die luidt als volgt: IX-5371-2/7 “Na een grondig onderzoek van uw aanvraag moeten we u tot onze spijt meedelen dat de Vakcommissie Tewerkstelling uw getuigschrift ‘Preventie- adviseur: aanvullende vorming niveau 1', dat u behaalde aan de Sint-Lieven Hogeschool, niet kan erkennen. Uw aanvraag voldoet immers niet aan het volgende criterium:
  7. een bijkomend diploma van een niveau van de tweede (licentiaat/master) of de derde cyclus (zijn dus uitgesloten: het of de diploma’s waarmee de ambtenaar in dienst kon treden bij de federale overheid, alsook de graduaten/bachelors) (artikel 45, § 2, van het KB van 7/08/1939).” 1.
  8. Bij aangetekend schrijven van 18 mei 2006 wordt de beslissing van de Vakcommissie Tewerkstelling nogmaals aan de verzoeker ter kennis gebracht, deze keer op zijn privé-adres. Het betreft de thans bestreden beslissing, die luidt als volgt: “Na een grondig onderzoek van uw aanvraag moeten we u tot onze spijt meedelen dat de Vakcommissie Tewerkstelling uw getuigschrift ‘Preventieadviseur: aanvullende vorming niveau 1’, dat u behaalde aan de Sint- Lieven Hogeschool, niet kan erkennen om de volgende reden. Krachtens artikel 45, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 kan de ambtenaar die 1/ een bijkomend diploma heeft behaald van een niveau van de tweede of de derde cyclus en waarvan 2/ de inhoud nauw verbonden is met de vakrichting waarin hij benoemd is, beschouwd worden als geslaagd in de valideringsproef. Er dienen dus twee criteria gerespecteerd te worden, enerzijds een vereiste van diploma en anderzijds een relevantie voor de vakrichting waarin de ambtenaar benoemd is. Het begrip diploma dient begrepen te worden in de zin die er door de onderwijswetgeving aan gegeven wordt, met name het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. Dit betekent dat wanneer een vorming wordt bekrachtigd met een getuigschrift dat getuigschrift niet kan beschouwd worden als een diploma. De opleiding ‘preventieadviseur: aanvullende vorming niveau 1’ die u volgde aan de Sint-Lieven Hogeschool wordt bekrachtigd met een getuigschrift en niet met een diploma van een niveau van de tweede (licentiaat/master) of de derde cyclus. Derhalve is het eerste criterium om beschouwd te worden als geslaagd in de valideringsproef niet vervuld. Uit het voorgaande volgt dat de vakcommissie uw aanvraag niet kan erkennen. (...).” IX-5371-3/7 Ontvankelijkheid 2.
  9. De verwerende partij werpt in haar laatste memorie een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste actuele belang van de verzoeker. De verwerende partij schrijft in dit verband wat volgt: “De vordering strekt ertoe de nietigverklaring te bekomen van: ‘De beslissing van het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid van 18 mei 2006, houdende de weigering van erkenning van het getuigschrift ‘Preventieadviseur: aanvullende vorming niveau I’ in het kader van de gecertificeerde opleidingen van niveau A’ (blz. 1 van het verzoekschrift tot nietigverklaring). Door deze weigering van erkenning kon de verzoekende partij geen vrijstelling bekomen en diende zij dus een gecertificeerde vorming te volgen om de eraan verbonden premie te kunnen verkrijgen. Het voordeel nagestreefd door de verzoekende partij bestond dus in het bekomen van de betrokken premie zonder een gecertificeerde vorming met vrucht te moeten afleggen. Welnu, sedert de indiening van haar verzoekschrift, heeft de verzoekende partij besloten om niet op een eventueel vernietigingsarrest te wachten. Zij heeft inderdaad deelgenomen aan de gecertificeerde vorming ‘Ontwikkeling - implementatie beleidsmaatregel’ en heeft, op 26 april 2007, de test met vrucht afgelegd. De competentiepremie werd haar vervolgens toegekend met terugwerkende kracht op 1 september 2005 (stukken 8 en 9 gevoegd als bijlage bij onderhavige memorie). De nietigverklaring van de bestreden beslissing kan de verzoekende partij bijgevolg geen enkel voordeel meer opleveren zodat zij geen actueel belang meer heeft bij haar vordering. De vordering is dan ook onontvankelijk.” 2.
  10. De verzoeker antwoordt hierop met een schrijven van 18 juni
  11. Hij erkent dat hij geslaagd is in de gecertificeerde opleiding, en dat hij in dat kader de premie voor competentieontwikkeling ontvangen heeft. Hij erkent ook dat hij daardoor geen financieel belang meer heeft. IX-5371-4/7 Hij voert evenwel aan dat hij nog een moreel belang heeft bij zijn beroep, op grond dat de opleiding van preventieadviseur niveau 1 niet in aanmerking is genomen voor het verlenen van een vrijstelling, alhoewel die opleiding rechtstreeks aansluit bij de inspecties die de verzoeker bij ondernemingen moet uitvoeren. Hij wijst er voorts op dat hij niet “zomaar” geslaagd is in de gecertificeerde opleiding, maar dat hij daarvoor de opleiding heeft moeten volgen en dat hij voor de test heeft moeten studeren, dit alles naast zijn gewone activiteiten als ambtenaar. 2.3.
  12. Uit de uiteenzetting van de verwerende partij, die op dit punt niet betwist wordt door de verzoeker, blijkt dat het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid op 10 juli 2007 aan de verzoeker heeft meegedeeld dat hij geslaagd is voor de certificeringstest afgelegd in het kader van de opleiding ontwikkelings- implementatie - beleidsmaatregelen TEO 1 NL. Hij is voor deze test geslaagd met 72,16%. Om te slagen moest hij 60% behalen. Uit een attest van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg van 23 april 2009 blijkt voorts dat de verzoeker sedert 1 september 2000 deel uitmaakt van het personeel, met als huidige hoedanigheid attaché met 100% prestaties. Hij ontvangt sedert 1 september 2005 een premie voor competentieontwikkeling op basis van 2.000 euro. Het einde van de geldigheidsduur van de premie is voorzien op 21 augustus
  13. Bijgevolg heeft de verzoeker verkregen wat hij gevraagd heeft, vermits de competentiepremie werd toegekend vanaf 1 september 2005, zijnde de dag die volgt op 31 augustus 2005, datum waarop hij zijn aanvraag tot erkenning van het door hem behaald getuigschrift heeft ingediend bij de Vakcommissie Tewerkstelling. 2.3.
  14. Als een verzoeker verkrijgt wat hij gevraagd heeft, wat in voorliggend geval niet wordt betwist, lijdt hij geen financieel of ander materieel nadeel. In zijn schrijven van 18 juni 2009 geeft de verzoeker trouwens toe dat hij geen financieel belang meer heeft. Weliswaar beroept de verzoeker zich nog op een zogenaamd “moreel” belang. IX-5371-5/7 De Raad van State stelt evenwel vast dat het mogelijke nadeel dat verbonden is met het niet erkennen van de opleiding als preventieadviseur in de gegeven omstandigheden een hypothetisch karakter heeft. Of het niet erkennen van die opleiding de verzoeker in zijn verdere loopbaan zal benadelen, is op dit ogenblik helemaal niet bewezen. Dat de verzoeker voorts inspanningen heeft moeten leveren om te slagen in de gecertificeerde opleiding “Ontwikkeling - implementatie beleidsmaatregel”, kan niet ontkend worden. Die inspanningen zijn evenwel beloond. Overigens ziet de Raad van State niet in hoe die inspanningen aangevoerd kunnen worden als bewijs van het bestaan van een belang bij het beroep tegen de weigering om een andere opleiding te erkennen. 2.3.
  15. De exceptie van onontvankelijkheid van het beroep is gegrond. 2.
  16. Gelet op de omstandigheden eigen aan de zaak, komt het passend voor de kosten van het beroep ten laste te leggen van de verwerende partij. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  17. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-5371-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 15 juli 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5371-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.268 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.