id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.269 Rolnummer: A. 166700/IX-5087 Zaak: Arrest 195269 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-28 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:25 Fiche Arrest nr 195.269 van 15 juli 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.269 van 15 juli 2009 in de zaak A. 166.700/IX-
- In zake : Joseph DE COCK, die woonplaats kiest bij advocaat A. VAN ROOSBROECK, kantoor houdende te ANTWERPEN, Desguinlei 6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. tussenkomende partijen :
- Edward DE WIT, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6/24,
- Robert BUSSCHOTS, wonende te BERLAAR, Smidstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joseph DE COCK op 6 oktober 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 4 april 2003, voor zover dit de benoeming inhoudt in de hoedanigheid van directeur bij een fiscaal bestuur bij de Administratie der directe belastingen op datum van 1 maart 2003 van Edward DE WIT, Robert BUSSCHOTS en Karel ANTHONISSEN; Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van 25 en 28 november 2005; Gelet op de beschikking van 5 januari 2006 die de tussenkomst van Eduard DE WIT en Robert BUSSCHOTS toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; IX-5087-1/8 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 2 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. VAN ROOSBROECK, die verschijnt voor verzoeker, van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij, van advocaat T. VERMEIR die, loco advocaat D. VAN HEUVEN, verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en van advocaat A. HAEGEMAN die, loco advocaat V. DE MEY, verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het behalve wat de kosten betreft eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- Bij dienstorder van 23 oktober 2000 worden verscheidene betrekkingen van directeur bij een fiscaal bestuur bij de Administratie der directe belastingen vacant verklaard. Verzoeker, die op dat ogenblik eerstaanwezend inspecteur- diensthoofd is, verbonden aan de Inspectie Bijstand en Interne Controle te Antwerpen, stelt zich onder meer kandidaat voor betrekkingen te Antwerpen II en bij de bijzondere belastinginspectie te Antwerpen. IX-5087-2/8 1.
- Bij koninklijk besluit van 4 april 2003 worden onder meer Edward De Wit en Robert Busschots met ingang van 1 maart 2003 benoemd tot directeur bij een fiscaal bestuur bij de Administratie der directe belastingen, meer bepaald bij een fiscaal bestuur te Antwerpen II, en wordt Karel Anthonissen met ingang van dezelfde datum benoemd tot directeur bij een fiscaal bestuur, met terbeschikkingstelling van de bijzondere belastinginspectie Antwerpen. Dit is het bestreden besluit. Het wordt met een brief van 5 augustus 2005 aan verzoeker betekend. 1.
- Bij koninklijk besluit van 12 juli 2006 wordt verzoeker met ingang van 1 september 2005 benoemd in de hoedanigheid van directeur bij een fiscaal bestuur bij de Administratie der directe belastingen. 1.
- Bij koninklijk besluit van 12 december 2007 wordt aan verzoeker met ingang van 1 april 2008 eervol ontslag uit zijn ambt verleend, wordt hij gerechtigd aanspraak te maken op een rustpensioen, en wordt hij ertoe gemachtigd de titel van zijn ambt eershalve te voeren. Ontvankelijkheid van het beroep 2.
- Met een brief van 30 mei 2008 heeft het bevoegde lid van het auditoraat verzoeker gevraagd zijn belang bij het onderhavige beroep te verduidelijken, in het bijzonder gelet op de benoeming van verzoeker met ingang van 1 september 2005 tot directeur bij een fiscaal bestuur en op zijn oppensioenstelling met ingang van 1 april
- Aldus wordt een ambtshalve exceptie van onontvankelijkheid opgeworpen. 2.
- Met een fax van 4 juni 2008 heeft verzoeker geantwoord nog steeds over een moreel en een financieel belang te beschikken bij het annulatieberoep. Met name schrijft hij : IX-5087-3/8 “
- Moreel belang De aangevochten administratieve beslissing ging aan de benoeming van verzoeker voorbij door de benoeming van de heren E. De Wit, R. Busschots en K. Anthonissen, zonder hiervoor een valabele reden op te geven. Enerzijds werd aanvankelijk verwezen naar feiten die aanleiding zouden geven tot een tuchtprocedure, die inderdaad slechts nadien plaatsvond, maar die slechts een blaam kon opleggen, hetgeen een benoeming tot directeur volgens de statuten niet in de weg kon staan. Anderzijds werd de verwijzing naar deze feiten vervangen door een vergelijking met andere kandidaten, die volgens deze vergelijking beter geschikt waren zonder opgave van reden met uitzondering tegenover de heer Busschots op grond van een kans die deze persoon heeft gekregen, zonder dat verzoeker deze eveneens heeft kunnen genieten. De wijze waarop gans het onderzoek van het bezwaar van verzoeker tegen de voorgestelde benoemingen werd gevoerd en ten slotte zijn niet-benoeming zelf, heeft verzoeker zwaar gegriefd en vernederd, zodat de vernietiging een morele genoegdoening is.
- Financieel belang Het beoogde beroep kan enkel de vernietiging van het bedoelde deel van het koninklijk besluit met zich meebrengen. Het is echter deze vernietiging die verzoeker zal aangrijpen om het verschil in wedde te vorderen via de burgerlijke rechtbank -verzoeker heeft de verjaring van deze financiële belangen reeds gestuit met deurwaardersexploot- tussen de genoten wedde sinds de benoeming van de heren E. De Wit, R. Busschots en K. Anthonissen als directeur en de datum waarop verzoeker zelf benoemd werd als directeur. Daarnaast zal verzoeker om dezelfde reden de herberekening van zijn pensioen vorderen.” 2.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de overheid na een eventuele vernietiging verplicht zal zijn om hem met terugwerkende kracht te benoemen, aangezien na een correcte afweging zal blijken dat hij meer geschikt is voor een functie als directeur dan minstens de eerste tussenkomende partij, ongeacht de vaststelling dat hij nadien in dezelfde graad werd benoemd en ongeacht het feit dat hij intussen op pensioen is gesteld. Wat zijn moreel belang betreft, wijst hij op de voortdurende vernedering tijdens de benoemingsprocedure, daar telkens werd teruggekomen op een stopgezette tuchtprocedure, dewelke heeft doorgewogen bij het uiteindelijke beslissingsproces. Hij stelt dat het bestaan van die tuchtprocedure, hoewel zonder gevolg geklasseerd, samen met de bestreden benoemingen, bij zijn ex-collega’s op blijvende wijze onzekerheid laat uitschijnen inzake zijn integriteit, zelfs na zijn pensionering, nu hij nog steeds contacten met hen onderhoud en met hen samenkomt. Dit geldt volgens hem des te meer nu hem corruptie verweten werd terwijl hij destijds werkzaam was bij de Inspectie Bijstand en Interne Controle, een IX-5087-4/8 orgaan dat precies onderzoek voert naar alle vormen van onregelmatige behandeling van dossiers door taxatiediensten en naar de integriteit van de betrokken ambtenaren, terwijl hij ook voorzitter was van het syndicale Comité ter Verdediging van de Belangen van Belastingambtenaren en om die reden aanzien had bij zijn collega’s. Aan deze krenking in de eer en waardigheid wordt volgens hem niet tegemoet- gekomen door een latere benoeming, zelfs niet door opruststelling waarbij hij gerechtigd wordt om zijn titel met eer te dragen. Het aangedane onrecht kan enkel hersteld worden door de vernietiging van de bestreden benoemingen, waardoor niemand verzoeker nog verdacht zal kunnen maken door allusie te maken op het voorbijgaan aan zijn capaciteiten bij die benoemingen. Het hierbij gegrond horen verklaren van de grief van machtsafwending en van de grief van de onzorgvuldige afweging zal volgens hem het herstel kunnen versterken, maar is op zichzelf niet de drijfveer tot vernietiging. Hij is van mening dat zijn moreel belang doorweegt op dat van de tussenkomende partijen. Voorts betoogt hij dat de procedure in schadevergoeding bij de burgerlijke rechtbank enkel plaatsvindt bij onwil van de benoemende overheid om in een nieuwe benoeming te voorzien na vernietiging. De motieven tot vernietiging kunnen volgens hem hierbij opnieuw versterkend werken voor het herstel en voor het bewijs van het foutief handelen van de overheid, zonder dat hij evenwel de vernietiging uitsluitend nastreeft om nadien de burgerlijke rechter te kunnen adiëren. 2.4.
- Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang moet bestaan, niet alleen op het ogenblik van het instellen van het beroep, maar ook bij de uitspraak daarover. 2.4.
- De voornaamste betrachting van iemand die, zoals de verzoeker, voor de Raad van State de rechtshandeling aanvecht waardoor hij niet wordt aangesteld in een betrekking waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld maar waarin integendeel iemand anders wordt aangesteld, is door de nietigverklaring ervan te verkrijgen dat die betrekking opnieuw open wordt verklaard en dat hij aldus de kans krijgt om zelf, in de plaats van degene wiens benoeming nietig is verklaard, in die betrekking te worden aangesteld en om ze daadwerkelijk waar te nemen. IX-5087-5/8 Nu de verzoeker hangende het geding zelf tot de graad van directeur is bevorderd met ingang op een latere datum dan de bestreden benoemingen, behoudt hij hoogstens slechts een belang om met het oog op een latere bevordering niet te worden voorbijgegaan in graadanciënniteit. Gelet op zijn pensionering komt de verzoeker evenwel niet langer voor verdere bevorderingen in aanmerking. Bovendien blijkt te dezen niet dat de verwerende partij de rechtsplicht had om de verzoeker te benoemen. De bestreden benoemingen zijn integendeel benoemingen naar keuze, gesteund op een vergelijking van de titels en de verdiensten, waarde en geschiktheid van de kandidaten. De overheid heeft dan ook niet de rechtsplicht om, in geval van vernietiging van de bestreden benoemingen, verzoeker met terugwerkende kracht tot de graad van directeur bij een fiscaal bestuur te benoemen en zijn loopbaan te reconstrueren. Een vernietigingsarrest kan derhalve niet meer bijdragen tot het rechtsherstel dat de verzoeker met zijn beroep ambieert, met name zelf benoemd of bevorderd worden in de betrokken functie, met ingang van 1 maart
- Verzoeker geeft dan ook niet langer blijk van een materieel belang bij zijn beroep. 2.4.
- Verzoeker beroept zich voorts op een financieel belang. Dit is een belang dat hij kan doen gelden in het kader van een vordering tot schadevergoeding. Een dergelijke vordering behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. Mocht de verzoeker bedoelen dat zijn belang erin bestaat om de bestreden benoemingen bij een arrest van de Raad van State onwettig te horen verklaren, om op grond van deze met gezag van gewijsde beklede uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de justitiële rechter kracht bij te zetten, dan zou opgemerkt moeten worden dat het in een dergelijk geval gaat om een voordeel dat niet verbonden is met het doen verdwijnen van de bestreden benoemingen uit het rechtsverkeer, maar enkel met het gegrond horen verklaren van één of meer middelen. Een dergelijk belang is een onrechtstreeks belang, dat niet volstaat voor de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep. IX-5087-6/8 2.4.
- Verzoeker beroept zich ten slotte op een moreel belang, op grond dat de beoogde vernietiging tot gevolg zou hebben dat niemand, en in het bijzonder zijn ex-collega’s niet, hem nog zouden kunnen “verdacht maken” of zijn integriteit in twijfel zouden kunnen trekken door allusie te maken op het voorbijgaan aan zijn capaciteiten bij de bestreden benoemingen. De loutere genoegdoening verbonden met het onwettig horen verklaren van de bestreden handeling is geen voldoende rechtstreeks belang. Het aldus beoogde voordeel is immers niet verbonden aan het verdwijnen van het bestreden besluit uit het rechtsverkeer, maar enkel aan het gegrond horen verklaren van een middel. Daarenboven bevatten de motieven van het bestreden besluit geen enkele overweging die, objectief gezien, van aard is de eer of de goede naam van verzoeker aan te tasten. In dit verband moet overigens opgemerkt worden dat, zo in de aanvankelijke adviezen over verzoeker melding gemaakt werd van het feit dat tegen hem een tuchtprocedure was ingesteld, dit gegeven in latere adviezen uitdrukkelijk buiten beschouwing werd gelaten, gelet op het feit dat het tuchtdossier zonder gevolg is gerangschikt. Ten slotte is verzoeker in de loop van het geding zelf benoemd tot directeur bij een fiscaal bestuur. Hieruit blijkt, ook naar zijn ex-collega’s toe, dat de overheid hem wel degelijk geschikt en voldoende integer vindt voor die functie. Verzoeker moet geacht worden in die latere bevordering een zekere morele voldoening te vinden. 2.4.
- Gelet op het voorgaande, moet worden geconcludeerd dat verzoeker niet aantoont dat hij nog een actueel belang heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit. De exceptie van onontvankelijkheid is dan ook gegrond. IX-5087-7/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 15 juli 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5087-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.269 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.