id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.283 Rolnummer: A. 158676/V-1704 Zaak: Arrêt / Arrest 195283 - Personnel de l'ordre judiciaire (magistrats, greffier) / Personeel van de rechterlijke orde - 15/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-29 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-30 03:25 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 195.283 van 15 juli 2009 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.283 van 15 juli 2009 in de zaak A. 158.676/V-1704 In zake : Diederik SOETEMANS, die woonplaats kiest bij advocaat P. LAHOUSSE, kantoor houdende te MECHELEN, Leopoldstraat 64 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
- tussenkomende partij: Michèle BONHEURE, die woonplaats kiest bij advocaat E. DELAUNOY, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 120 bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Ve K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Diederik SOETEMANS op 24 december 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 19 oktober 2004 waarbij Michèle BONHEURE wordt aangewezen tot de functie van eerste advocaat-generaal bij het Arbeidshof te Brussel, voor een termijn van drie jaar; Gelet op het arrest nr. 146.941 van 28 juni 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 22 augustus 2005 door de verzoekende partij; V-1704n-1/6 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Michèle BONHEURE; Gelet op de beschikking van 20 februari 2006 die de tussenkomst van Michèle BONHEURE toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 december 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE RIDDER die, loco advocaat P. LAHOUSSE, verschijnt voor de verzoeker, van advocaat H. VERMEIRE die, loco advocaat P. DEVERS, verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat E. DELAUNOY, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- Bij koninklijke besluiten van respectievelijk 20 juli 2001 en 10 augustus 2001 worden de tussenkomende partij en de verzoeker aangewezen als V-1704n-2/6 advocaat-generaal bij het Arbeidshof te Brussel, voor een termijn van drie jaar. Zij leggen beiden de eed af op 4 september
- Bij koninklijke besluiten van respectievelijk 6 juli 2004 en 14 juli 2004 worden de aanwijzingen van de verzoeker en de tussenkomende partij in het adjunct-mandaat van advocaat-generaal hernieuwd voor een nieuwe termijn van drie jaar, voor beiden met ingang van 4 september
- Vanaf de laatstgenoemde datum vervullen beiden de voorwaarden om tot eerste advocaat-generaal te worden aangewezen. Het adjunct-mandaat van eerste advocaat-generaal is sinds 1 januari 2004 vacant, maar kon niet worden ingevuld bij gebrek aan kandidaten die de voorwaarden vervulden. Zowel de verzoeker als de tussenkomende partij stellen zich kandidaat. Op 23 juli 2004 brengt de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel advies uit over de beide kandidaten. In de brief van dezelfde datum waarmee hij zijn adviezen overmaakt aan de Minister van Justitie, omschrijft hij de verzoeker en de tussenkomende partij als “twee zeer goed kandidaten die omzeggens gelijkwaardig zijn”. Hij vestigt evenwel de aandacht van de minister op het feit dat zij “bij de analyse van [zijn] adviezen een lichte voorkeur [zal] ontwaren voor [de tussenkomende partij]”. De procureur-generaal draagt de tussenkomende partij dan ook als eerste kandidaat voor en de verzoeker als tweede kandidaat. Bij koninklijk besluit van 19 oktober 2004 wordt de tussenkomende partij aangewezen in het adjunct-mandaat van eerste advocaat- generaal bij het Arbeidshof te Brussel. Dit besluit, dat bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 oktober 2004, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep.
- Bij koninklijk besluit van 9 april 2007, dat in werking treedt op 31 oktober 2007, wordt de tussenkomende partij in ruste gesteld. Bij koninklijk besluit van 14 december 2007, dat in werking treedt op de datum van de eedaflegging, wordt de verzoeker aangewezen tot eerste advocaat-generaal, voor een termijn van drie jaar. V-1704n-3/6 Ontvankelijkheid van het beroep
- In haar laatste memorie werpt de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op. Zij voert aan dat de verzoeker sinds haar inrustestelling geen belang meer heeft bij zijn beroep. Ter zitting heeft de Raad van State ambtshalve de vraag gesteld of ook de aanwijzing van de verzoeker als eerste advocaat-generaal geen weerslag heeft op zijn belang.
- Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang moet bestaan, niet alleen op het ogenblik van het instellen van het beroep, maar ook bij de uitspraak daarover.
- De voornaamste betrachting van iemand die, zoals de verzoeker, voor de Raad van State de rechtshandeling aanvecht waardoor niet hij wordt aangewezen in een betrekking waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld, maar waardoor integendeel iemand anders wordt aangewezen, is door de nietigverklaring ervan te verkrijgen dat die betrekking opnieuw open verklaard wordt en dat hij aldus de kans krijgt om zelf, in de plaats van degene wiens aanwijzing nietig verklaard is, in die betrekking te worden aangewezen en om ze daadwerkelijk waar te nemen. Te dezen vordert de verzoeker de nietigverklaring van het koninklijk besluit waarbij de tussenkomende partij wordt aangewezen tot eerste advocaat-generaal bij het Arbeidshof te Brussel. In de loop van de procedure is de tussenkomende partij evenwel in ruste gesteld, en vervolgens is de verzoeker zelf aangewezen in het vrijgekomen adjunct-mandaat van eerste advocaat-generaal. Een vernietigingsarrest kan dan ook niet meer bijdragen tot het rechtsherstel dat een verzoeker normaal met zijn beroep tegen een benoemings-, aanwijzings- of bevorderingsbesluit ambieert, met name zelf benoemd, aangewezen of bevorderd worden in de betrokken functie en die functie daadwerkelijk bekleden. Ter zitting voert de verzoeker aan dat hij een belang behoudt bij zijn beroep, omdat hij in geval van vernietiging van het bestreden besluit in de plaats van de tussenkomende partij aangewezen zou kunnen worden met terugwerkende kracht, en aldus over een grotere anciënniteit zou kunnen beschikken dan hij nu V-1704n-4/6 heeft, met alle gevolgen vandien. Er dient evenwel vastgesteld te worden dat de verwerende partij niet de rechtsplicht had om de verzoeker te benoemen, en dat de bestreden aanwijzing integendeel een aanwijzing naar keuze is, gesteund op een vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten. De overheid heeft dan ook niet de rechtsplicht om, in geval van een eventuele vernietiging van het bestreden besluit, de verzoeker met terugwerkende kracht aan te wijzen tot eerste advocaat-generaal en zijn loopbaan aldus te reconstrueren. Het rechtsherstel dat de verzoeker bedoelt zou ook niet rechtstreeks volgen uit het vernietigingsarrest, aangezien de verwerende partij daarvoor eerst een nieuwe beslissing zou moeten nemen, die bovendien gunstig zou moeten zijn voor de verzoeker. De loutere mogelijkheid dat voor de verzoeker een gunstige beslissing met terugwerkende kracht genomen wordt, maakt dat het ingeroepen belang onrechtstreeks en zelfs hypothetisch is. Uit het voorgaande volgt dat het materieel belang, dat de verzoeker onmiskenbaar had bij het instellen van het beroep tegen het bestreden aanwijzingsbesluit, in de loop van het geding is teloorgegaan.
- Er zijn voorts geen bijzondere omstandigheden die doen blijken van een ander belang, met name een moreel belang. De verzoeker beroept zich trouwens niet op een dergelijk belang.
- De verzoeker toont derhalve niet aan dat hij nog een actueel belang heeft bij de vernietiging van de bestreden handeling. De exceptie van onontvankelijkheid is dan ook gegrond. Kosten
- Gelet op de omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het feit dat het teloorgaan van het belang niet aan de verzoeker te wijten is, past het de kosten van het beroep ten laste van de verwerende partij te leggen. V-1704n-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juli 2009, door de Ve kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, J. JAUMOTTE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De Griffier, De Voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. V-1704n-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.283 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.941 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div