← België

Arrêt / Arrest 195285 - Fonction publique communautaire et régionale - Recrutement et carrière / Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwer

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.285 Rolnummer: A. 191899/V-1777 Zaak: Arrêt / Arrest 195285 - Fonction publique communautaire et régionale - Recrutement et carrière / Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 15/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-29 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-30 03:25 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 195.285 van 15 juli 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.285 van 15 juli 2009 in de zaak A. 191.899/V-1777 In zake : Remi ZEEUWS, die woonplaats kiest te HULDENBERG, Nijvelsebaan 31 A tegen : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering, dat woonplaats kiest bij advocaten P. PEETERS en A. VANDAELE, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177, bus

  1. tussenkomende partij: Philippe DEHAUT die woonplaats kiest bij advocaat P. DEROY, kantoor houdende te BRUSSEL, Maria van Hongarijelaan 18, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, RECHTSPREKEND IN KORT GEDING, Gezien het verzoekschrift dat Remi ZEEUWS op 23 maart 2009 heeft ingediend, waarbij hij de schorsing vordert van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 12 januari 2009 waarbij Philippe DEHAUT wordt benoemd tot bestuurssecretaris, met ingang van 1 mei 1998, en waarbij hij vordert dat een dwangsom van 50.000 euro zou worden opgelegd per dag dat een beslissing zou bestaan waarbij Philippe DEHAUT wordt bevorderd tot eerste attaché van hoog niveau; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van het genoemde besluit; Gezien de nota van de verwerende partij; V- 1777n -1/10 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van10 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 juni 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, van advocaat A. VANDAELE die verschijnt voor de verwerende partij, en van P. DEROY, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 november 1997 wordt de verzoeker toegelaten tot de stage als bestuurssecretaris binnen het Nederlandse taalkader van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met uitwerking op 1 oktober
  4. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 1 december 1998 wordt hij in vast verband benoemd, met uitwerking op 1 oktober
  5. De verzoeker is thans attaché bij het bestuur Economie en Werkgelegenheid van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 1.
  6. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1998 wordt de tussenkomende partij in vast verband benoemd in de hoedanigheid van bestuurssecretaris binnen het Franse taalkader van het genoemde ministerie, met uitwerking op 1 mei
  7. V- 1777n -2/10 2.
  8. In 2001 zijn zowel de verzoeker als de tussenkomende partij kandidaat voor een betrekking van eerste attaché rang A2 bij de directie Onderzoek en Innovatie van het bestuur Economie en Werkgelegenheid van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Bij besluit van 21 december 2001 benoemt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de tussenkomende partij tot de graad van eerste attaché expert van hoog niveau (rang A2) bij de genoemde directie, met ingang van 21 december
  9. 2.
  10. Tegen onder meer het genoemde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 stelt de verzoeker op 11 februari 2002 bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in. De zaak wordt ingeschreven op de rol onder nummer A. 116.651/IX-
  11. Naar aanleiding van de raadpleging van het administratief dossier in die zaak krijgt de verzoeker kennis van het hiervóór genoemde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1998 waarbij de tussenkomende partij tot bestuurssecretaris is benoemd. Op 1 juli 2003 stelt hij ook tegen dat eerdere besluit een beroep in. Die zaak wordt ingeschreven op de rol onder nummer A. 123.249/IX-
  12. De twee zaken worden samengevoegd. Bij arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 vernietigt de Raad van State onder meer het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 waarbij de tussenkomende partij is bevorderd tot eerste attaché. In verband met het beroep tegen het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1998 waarbij de tussenkomende partij is benoemd tot bestuurssecretaris, heropent de Raad van State de debatten en beveelt hij een aanvullend onderzoek. Bij arrest nr. 187.958 van 17 november 2008 vernietigt de Raad van State vervolgens ook dat besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli
  13. Op 3 maart 2008 vordert de verzoeker dat aan de verwerende partij een dwangsom van 1.500 euro zou worden opgelegd per dag dat zij nalaat uitvoering te geven aan het genoemde vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni
  14. De verzoeker verwijt aan de verwerende partij dat zij de bevorderingsprocedure niet hervat. Bij arrest nr. 187.959 van 17 november 2008 wordt de vordering ingewilligd. Aan de verwerende partij wordt de gevorderde dwangsom opgelegd, met dien verstande dat de dwangsom pas wordt verbeurd na V- 1777n -3/10 verloop van één maand, te rekenen van de dag waarop het arrest aan de verwerende partij wordt betekend. Op 19 december 2008 hervat de directieraad de bevorderingsprocedure met het oog op de benoeming van een eerste attaché. Op 14 januari 2009 onderzoekt hij de titels en de verdiensten van de drie nog levende personen die zich destijds kandidaat hebben gesteld. Hij stelt de tussenkomende partij andermaal als eerste kandidaat voor, een andere kandidaat als tweede, en de verzoeker als derde. Zoals onder meer uit de verklaringen ter terechtzitting is gebleken, heeft die procedure nog niet tot een benoeming geleid. De verwerende partij verklaart dat de reden is dat het besluit waarbij de taalkaders van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn vastgesteld, ondertussen door de Raad van State is vernietigd, bij arrest nr. 183.473 van 27 mei 2008, en dat er sindsdien geen nieuwe taalkaders zijn vastgesteld.
  15. Ondertussen is de tussenkomende partij bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 juli 2008 op pensioen gesteld, met ingang van 1 april
  16. In het licht van die nakende pensionering heeft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 12 januari 2009 een besluit genomen, waarbij de tussenkomende partij wordt benoemd tot bestuurssecretaris, met uitwerking op 1 mei 1998, zijnde de datum waarop de benoeming inging volgens het vernietigde besluit van 3 juli
  17. Het besluit van 12 januari 2009, dat bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 maart 2009, vormt het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. Rechtspleging
  18. Met een op 14 april 2009 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt Philippe Dehaut om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. V- 1777n -4/10
  19. Ter terechtzitting legt de verzoeker een nota neer. De ter zake toepasselijke procedureregels voorzien niet in de mogelijkheid voor de partijen om een nota neer te leggen. De verzoeker heeft de nota bovendien niet aan de tegenpartijen meegedeeld. Ambtshalve wordt de nota dan ook uit de debatten geweerd. Ze kan wel als loutere inlichting in aanmerking worden genomen.
  20. Ter zitting vraagt de verzoeker dat het beroep zou worden uitgebreid tot de voordracht die de directieraad op 14 januari 2009 heeft gedaan. Op dat verzoek kan niet worden ingegaan, al was het maar omdat het verzoek is ingediend buiten de beroepstermijn van zestig dagen. Het verzoek tot uitbreiding van het beroep is onontvankelijk. Ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing
  21. De verwerende partij en de tussenkomende partij werpen excepties van onontvankelijkheid van de vordering op, telkens gesteund op het ontbreken van het rechtens vereiste belang. Uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing. In die omstandigheden is het niet nodig om de opgeworpen excepties in deze stand van het geding te onderzoeken. Onderzoek van de vordering tot schorsing
  22. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  23. In verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel wijst de verzoeker er vooreerst op dat de verwerende partij het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006, waarbij de bevordering van de tussenkomende partij tot eerste attaché van V- 1777n -5/10 rang A2 is vernietigd, pas drie jaar later is beginnen uitvoeren, nadat haar een dwangsom is opgelegd. Bovendien heeft zij dan geen rechtsherstel aan de verzoeker verschaft, maar heeft zij met het thans bestreden besluit integendeel gepoogd om verzoekers kansen op een bevordering tot eerste attaché te miskennen. De verzoeker haalt ook een aantal omstandigheden aan die volgens hem wijzen op het bestaan van “een weloverwogen opzet om hem af te houden van het vervullen van de betrekking die in het spel is, zonder dat is aangetoond dat de zorg om het algemeen belang te laten prevaleren enige rol heeft gespeeld in de genomen beslissing”. De verzoeker voert voorts aan dat het verstrijken van de tijd die gemoeid is met een procedure tot nietigverklaring tot gevolg heeft dat de strekking van een vernietigingsarrest sterk wordt beperkt. De procedureslag is voor hem uiterst frustrerend. Hij is het dan ook niet eens met wat de Raad van State heeft overwogen in het arrest nr. 108.366 van 24 juni 2002, over de destijds door hem ingestelde vordering tot schorsing van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 tot bevordering van de tussenkomende partij, namelijk dat een moreel nadeel hersteld kan worden door de morele genoegdoening die voortvloeit uit de vernietiging van de bestreden benoeming. Het is juist dat de vernietiging van de bedoelde bevordering de verzoeker de genoegdoening heeft gegeven de bevordering onwettig te horen verklaren. De verzoeker wenst echter de door hem geambieerde functie van eerste attaché van rang A2 daadwerkelijk te bekleden. Gelet op zijn leeftijd -hij wordt 60 jaar in 2011-, kan alleen een schorsing hem daartoe de mogelijkheid bieden. Met een schorsing wil de verzoeker een arrest verkrijgen “dat een halt toeroept aan het onwettig handelen van de (verwerende partij)”. De verzoeker erkent ten slotte dat de tussenkomende partij “in een ongemeen deplorabele toestand dreigt terecht te komen”, indien haar retroactieve benoeming tot bestuurssecretaris, voorwerp van het voorliggende beroep, vernietigd zou worden. Daarom suggereert hij dat de Raad van State zich ertoe beperkt te verklaren dat die benoeming onwettig is, met als gevolg dat de kandidatuur van de tussenkomende partij voor een bevordering tot eerste attaché van rang A2 als onontvankelijk beschouwd zou moeten worden. 11.
  24. Uit de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel blijkt dat de verzoeker zich beroept op het nadeel dat voortvloeit, niet zozeer uit de uitvoering van het bestreden besluit zelf, maar eerder uit de mogelijkheid dat de V- 1777n -6/10 tussenkomende partij dankzij de thans bestreden retroactieve benoeming tot bestuurssecretaris in aanmerking komt om bevorderd te worden tot eerste attaché, bevordering die de verzoeker zelf ambieert. De verzoeker klaagt aldus over het verlies van een kans op een bevordering. Een dergelijk nadeel wordt in beginsel niet als een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel beschouwd. Bovendien moet te dezen rekening gehouden worden met de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sinds het ogenblik waarop het bestreden besluit is genomen. Met name moet rekening gehouden worden met het feit dat de tussenkomende partij sinds 1 april 2009 op pensioen is. Nu zij niet meer in actieve dienst is, komt zij niet meer in aanmerking om bevorderd te worden tot eerste attaché. De bevordering tot eerste attaché is bovendien een benoeming naar keuze van de overheid, wat meebrengt dat, zelfs indien de tussenkomende partij niet op pensioen zou zijn gesteld, er in hoofde van de verwerende partij geen rechtsplicht zou zijn om de tussenkomende partij met terugwerkende kracht te bevorderen en haar loopbaan aldus te reconstrueren. Hieruit volgt dat de tussenkomende partij de betrekking in elk geval niet meer effectief kan uitoefenen. De betrekking zou dus in elk geval met ingang van de datum van de pensionering van de tussenkomende partij opnieuw als vacant beschouwd moeten worden. Daaruit volgt dat het bestreden besluit de kansen van de verzoeker op een bevordering niet meer ongunstig beïnvloedt, zodat het door hem aangevoerde materiële nadeel thans niet meer bestaat. 11.
  25. De verzoeker blijkt zich niet te beroepen op een ander nadeel. Zelfs indien aanvaard zou moeten worden dat hij zich beroept op een moreel nadeel, zou in elk geval vastgesteld moeten worden dat het gaat om een nadeel dat niet rechtreeks voortvloeit uit het bestreden besluit, en dat dus ook niet nuttig ingeroepen kan worden tot staving van de gegrondheid van een vordering tot schorsing van dat besluit. 11.
  26. De conclusie is dan ook dat de verzoeker niet aantoont dat hij een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel lijdt.
  27. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de V- 1777n -7/10 schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. Vordering tot het horen opleggen van een dwangsom
  28. De verzoeker voert aan dat uit de feiten blijkt dat de verwerende partij hardleers is en dat ze alles in het werk stelt om geen rechtsherstel te moeten verschaffen, ondanks de vernietiging van de bevordering van de tussenkomende partij tot eerste attaché van rang A
  29. De verwerende partij doet immers niets om het aan de verzoeker aangedane onrecht ongedaan te maken. Om die reden vordert de verzoeker dat, voor het geval de verwerende partij zou verder gaan in haar intentie om geen rekening te houden met de arresten van de Raad van State, haar een dwangsom zou worden opgelegd van 50.000 euro “voor iedere dag dat een beslissing bestaat waarbij de (tussenkomende partij) herbevorderd wordt tot eerste attaché van hoog niveau”.
  30. Uit de stukken blijkt niet dat de tussenkomende partij sinds het bestreden besluit bevorderd is tot eerste attaché. Ter zitting is door de verwerende partij integendeel verklaard dat de procedure voor de bevordering tot eerste attaché sinds de vernietiging van de taalkaders opgeschort is. De verzoeker vraagt dus dat een dwangsom zou worden opgelegd voor het geval dat de verwerende partij een bepaalde beslissing zou nemen. De vordering tot het horen opleggen van een dwangsom is aldus niet verbonden met de voorliggende vordering tot schorsing, die immers betrekking heeft op een andere beslissing dan die welke de verzoeker wil vermijden. Zelfs indien de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zou hebben bevolen, quod non, zou de gevorderde dwangsom de schorsing van het bestreden besluit niet kunnen ondersteunen. De vordering tot het horen opleggen van een dwangsom valt dan ook niet onder de toepassing van artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De bedoelde vordering heeft voorts niet tot doel een reeds genomen beslissing te doen intrekken, of de verwerende partij te dwingen tot het nemen van een bepaalde beslissing die zij weigert te nemen. De vordering valt dan ook niet onder de toepassing van artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de V- 1777n -8/10 Raad van State. De verzoeker heeft de verwerende partij trouwens niet aangemaand tot het nemen van een bepaalde beslissing, als vereist bij paragraaf 1 van de genoemde wetsbepaling. De vordering wordt dan ook verworpen. Boete wegens kennelijk onrechtmatig beroep
  31. De verwerende partij nodigt de Raad van State uit om aan de verzoeker een geldboete op te leggen wegens kennelijk onrechtmatig beroep, met toepassing van artikel 37 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij wijst erop dat de verzoeker sinds jaren het voeren van een adequaat personeelsbeleid door de verwerende partij bemoeilijkt, door de talloze gedingen die hij aanhangig heeft gemaakt en door de negatieve sfeer die hij hierdoor binnen het ministerie heeft gecreëerd. Zij wijst er ook op dat zijn beroep te dezen kennelijk onontvankelijk is.
  32. Het kennelijk onrechtmatig beroep is het beroep dat er kennelijk toe strekt om de tenuitvoerlegging van een duidelijk rechtmatige bestuurlijke beslissing te vertragen, of dat kennelijk niet is ingesteld met de bedoeling een uitspraak ten gronde over de aanspraak te verkrijgen. Een dergelijk misbruik kan afgeleid worden uit het bestaan in hoofde van de verzoeker van kwade trouw, van een bedoeling om te schaden of van een dilatoir oogmerk, of uit een uit de lucht gegrepen en kennelijk ongegronde argumentatie. Het bestaan van een dergelijk misbruik wordt te dezen niet aangetoond. Het enkele feit dat de verzoeker voor zijn rechten opkomt en beslissingen bestrijdt die hij onwettig acht, levert in elk geval geen kennelijk onrechtmatig beroep op. Er is te dezen dan ook geen aanleiding om een boete op te leggen wegens het zogezegd kennelijk onrechtmatig karakter van het beroep. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  33. V- 1777n -9/10 Het verzoek van Philippe DEHAUT tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  34. De vordering tot schorsing en de vordering tot het horen opleggen van een dwangsom worden verworpen. Artikel
  35. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting van de e V kamer rechtsprekend in kort geding, op vijftien juli 2009, door : de HH. R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De Griffier, De Eerste Voorzitter van de Raad van State, W. GEURTS. R. ANDERSEN. V- 1777n -10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.285 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.680 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.