id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.365 Rolnummer: A. 86523/IX-2029 Zaak: Arrest 195365 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:25 Fiche Arrest nr 195.365 van 17 juli 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.365 van 17 juli 2009 in de zaak A. 86.523/IX-
- In zake : Edwin VANDERMEULEN, wonende te LENDELEDE, Roterijstraat 10 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Edwin VANDERMEULEN op 3 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 25 juni 1999 waarbij hem de beoordeling “onvoldoende” wordt verleend voor de periode van 1 september 1995 tot 31 augustus 1996; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 20 maart 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 25 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-2029-1/7 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker was werkzaam bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen. Ten tijde van de bestreden beslissing heeft hij de graad van inspecteur, en werkt hij bij de BTW-Controle te Kortrijk.
- Als adjunct-controleur verkreeg hij voor de perioden 1988-89 en 1989-90 telkens de beoordeling “goed”. Voor de periode 1990-91 wordt initieel de beoordeling “onvoldoende” voorgesteld op grond van ondermaats rendement, onvoldoende kennis van de wetgeving en onzorgvuldig werken. De verzoeker tekent tegen deze beslissing echter bezwaar aan bij de interdepartementale raad van beroep die op 24 juni 1996 van mening is dat de procedure niet regelmatig is verlopen. Meer in het bijzonder is de raad van beroep van oordeel dat de beoordeling van de verzoeker gesteund is op een inschrijving die pas na afloop van de beoordeelde periode op zijn individuele fiche is aangebracht. Bijgevolg adviseert de raad van beroep dat de beoordeling “goed” dient te worden behouden. De Minister van Financiën sluit zich bij dat advies aan en kent de verzoeker op 29 juli 1996 de vermelding “goed” toe voor de beoordeelde periode. Intussen werden de beoordelingen voor de perioden 1991-92, 1992-93, 1993-94 en 1994-95 in beraad gehouden, in afwachting van het definitief toekennen van de beoordeling voor de periode 1990-
- Van zodra de beslissing over de periode 1990-91 definitief is, gaat de verwerende partij onverwijld over tot het opstellen van de uitgestelde beoordelingen. Zodoende neemt de verzoeker op 2 oktober 1996 kennis van de voorstellen tot beoordelingen voor de vier boven- vermelde perioden. Deze luiden telkens “goed”. Tegen elk van die voorstellen dient de verzoeker bezwaar in. Voor de jaren 1991-92 en 1992-93, waarvoor er telkens een ongunstige inschrijving was IX-2029-2/7 op de individuele fiche van de verzoeker, oordeelt het College van diensthoofden, respectievelijk op 3 december 1996 en 23 januari 1997, dat het, gelet op het tijdsverloop, aangewezen is de beoordeling “goed” te behouden. Voor de jaren 1993-94 en 1994-95 behoudt het College op 8 april 1997 de beoordeling ongewijzigd op “goed”, ingevolge de afwezigheid van gunstige feiten die een verhoging van zijn beoordeling zouden kunnen verantwoorden. De ongunstige vermeldingen betreffen meerdere keren ondermaats rendement en een slordige en oppervlakkige werkwijze.
- Ondertussen heeft de directe chef van de verzoeker, hoofdcontroleur D. B. van de BTW-Controle te Kortrijk, op 6 februari 1996 verslag uitgebracht over de prestaties van de verzoeker in de periode van 1 juli tot 31 december
- Hierin vermeldt hij dat de verzoeker een beperkt aantal controles verricht heeft, met een geringe opbrengst. Op 8 februari 1996 stuurt inspecteur A. Be. van de BTW-Controle te Kortrijk dit verslag, voorzien van eigen commentaar, door aan de gewestelijk directeur van de directie BTW Brugge, A. Ba. Deze laatste brengt op 21 februari 1996 bij de directeur-generaal van de administratie van de BTW, registratie en domeinen verslag uit over de wijze van dienen van de verzoeker. Gevolggevend aan een instructie die hij ontvangt van de directeur- generaal, verzoekt de gewestelijk directeur de verzoeker op 23 april 1996 om zijn standpunt of zijn opmerkingen over de vastgestelde feiten uiteen te zetten. De verzoeker geeft zijn opmerkingen op 23 mei
- Nadat de hoofdcontroleur op 10 juni 1996 zijn reactie op die opmerkingen heeft gegeven, brengt de gewestelijk directeur op 26 juni 1996 over de zaak verslag uit aan de directeur-generaal. Hij stelt voor om met betrekking tot de kwestieuze feiten een nieuwe ongunstige vermelding in te schrijven op de individuele fiche van de verzoeker. Op 22 juli 1996 verleent de directeur-generaal, namens de minister, de gevraagde machtiging, waarna de vermelding ook effectief wordt ingeschreven.
- Op 7 oktober 1996 stelt hoofdcontroleur D. B., op grond van deze ongunstige vermelding, voor de periode van 1 september 1995 tot 31 augustus 1996 de beoordeling “onvoldoende” voor. De inspecteur en de gewestelijk directeur vallen de voorgestelde beoordeling bij, respectievelijk op 17 en 22 oktober
- IX-2029-3/7 De verzoeker dient op 17 oktober 1996 een bezwaarschrift in. Op 5 augustus 1997 kent het College van diensthoofden eenparig de beoordeling “onvoldoende” toe aan de verzoeker. De verzoeker viseert deze beoordeling op 24 september
- Dezelfde dag stelt hij beroep in bij de interdepartementale raad van beroep. Hij dient op 4 februari 1998 een “verweerschrift” in. De interdepartementale raad van beroep behandelt de zaak van de verzoeker op zijn zitting van 21 december
- Dezelfde dag brengt hij met 5 stemmen tegen 4 als advies uit dat het beroep ontvankelijk en gegrond is en dat de beoordeling “onvoldoende” niet gerechtvaardigd is. Op 11 maart 1999 verklaart de Minister van Financiën zich niet akkoord met het advies van de interdepartementale raad van beroep, “gezien de prestaties van betrokkene zowel kwantitatief als kwalitatief ondermaats zijn en het controlerendement van betrokkene uiterst zwak is”. Deze beslissing wordt geformaliseerd in een ministerieel besluit van 25 juni
- De minister kent daarbij aan de verzoeker voor de periode 1995-96 de beoordeling “onvoldoende” toe. Dit is het bestreden besluit. Het wordt aan de verzoeker betekend met een schrijven van 7 juli
- Ten gronde 5.
- In een achtste middel roept de verzoeker de schending in van het beginsel van de redelijke termijn. Hij voert aan dat hij pas uitsluitsel heeft gekregen over zijn beoordeling voor de periode van 1 september 1995 tot 31 augustus 1996 ruim twee jaar na het einde van die beoordelingsperiode. 5.
- De verwerende partij wijst erop dat het beoordelingsvoorstel in oktober 1996 is uitgebracht, dat het College van diensthoofden de beoordeling op IX-2029-4/7 5 augustus 1997 heeft toegekend, dat die beoordeling op 9 september 1997 is meegedeeld aan de verzoeker, dat hij hiertegen op 24 september 1997 beroep heeft ingesteld, dat hij op 4 februari 1998 een verweerschrift heeft ingediend, dat de raad van beroep op 21 december 1998 advies heeft uitgebracht, dat de minister zich op 11 maart 1999 niet akkoord heeft verklaard met dit advies, dat hij die beslissing op 25 juni 1999 heeft geconcretiseerd in het bestreden besluit, en dat dit besluit op 7 juli 1999 aan de verzoeker is betekend. Volgens de verwerende partij is geen onredelijke lange termijn verstreken tussen het voorstel en de definitieve toekenning van de beoordeling. 5.
- Het ten tijde van het bestreden besluit vigerende koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het rijkspersoneel (thans: betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel) schrijft niet voor binnen welke termijn de beslissing tot toekenning van een beoordeling dient te worden genomen. Dit betekent evenwel niet dat de beslissing niet binnen een redelijke termijn moet worden genomen. Te dezen is op 7 oktober 1996 het eerste voorstel van beoordeling opgesteld door de onmiddellijke hiërarchische meerdere van de verzoeker. De definitieve beoordeling door de minister dateert van 25 juni
- Er zijn dus twee jaar en negen maanden verstreken tussen het begin en het einde van de procedure. Een dergelijke termijn is op het eerste gezicht niet verenigbaar met het vereiste van een redelijke termijn, en dient dus verantwoord te worden. Hierbij dient vooreerst rekening te worden gehouden met het feit dat de beoordeling voor de periode van 1 september 1995 tot 31 augustus 1996 niet verder afgehandeld kon worden zolang de beoordelingen voor de vorige perioden niet definitief waren vastgesteld. Dit was pas het geval op 8 april
- De verdere procedure is als volgt verlopen: op 5 augustus1997 heeft het College van diensthoofden de beoordeling toegekend, op 24 september 1997 heeft de verzoeker hiertegen beroep aangetekend bij de interdepartementale raad van beroep, op 28 januari 1998 heeft de verzoeker kennis genomen van het dossier, op 4 februari 1998 heeft hij een verweerschrift ingediend, op 6 april 1998 is het dossier door de administratie overgemaakt aan de secretaris-generaal van het ministerie van Financiën om te worden overgemaakt aan de interdepartementale IX-2029-5/7 raad van beroep, op 21 december 1998 heeft die raad zijn advies verleend, en op 25 juni 1999 heeft de minister de definitieve beoordeling toegekend. Uit dit tijdsverloop blijkt dat de administratie zes maanden nodig heeft gehad om het dossier klaar te maken voor overmaking aan de interdepartementale raad van beroep, dat deze laatste pas na acht maanden zijn advies heeft uitgebracht, en dat er dan nog eens zes maanden zijn verstreken voordat de minister de eindbeslissing heeft genomen. Er blijkt niet dat de duur van deze perioden door enige bijzondere omstandigheid wordt verantwoord. Rekeninghoudend met het feit dat de beoordelingsprocedure noodgedwongen stil lag tot 8 april 1997, heeft zij toch nog meer dan twee jaar aangesleept. In de gegeven omstandigheden dient die termijn als onredelijk lang te worden beschouwd. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het ministerieel besluit van 25 juni 1999 waarbij aan Edwin VANDERMEULEN de beoordeling “onvoldoende” wordt verleend voor de periode van 1 september 1995 tot 31 augustus
- Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2029-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 juli 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2029-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.365 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.