← België

Arrest 195368 - Personeel van de rechterlijke orde - 17/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.368 Rolnummer: A. 191320/IX-6209 Zaak: Arrest 195368 - Personeel van de rechterlijke orde - 17/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-23 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:25 Fiche Arrest nr 195.368 van 17 juli 2009 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.368 van 17 juli 2009 in de zaak A. 191.320/IX-6209. In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat Y. DE SMET, kantoor houdende te BRUSSEL, Havenlaan 86 c, bus 113. tussenkomende partij : Dirk VAN DER KELEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. DE JAEGER, kantoor houdende te MALDEGEM, Westeindestraat 145. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 4 februari 2009 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 28 november 2008 waarbij Dirk Van Der Kelen wordt aangewezen tot voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Dirk Van Der Kelen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-6209-1/36 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. TOLLENAERE die verschijnt voor de verzoeker, van advocaten Y. DE SMET en E. SEGERS, die loco advocaat J. DE CONINCK, verschijnen voor de verwerende partij en van advocaat M. DE JAEGER, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1. In het Belgisch Staatsblad van 16 februari 2006 wordt de vacante betrekking van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde bekendgemaakt. Vier personen, waaronder de verzoeker en de tussenkomende partij, dienen een kandidatuur in. De verzoeker is op dat ogenblik voorzitter van de genoemde rechtbank, in die functie benoemd bij koninklijk besluit van 27 oktober 1998. De tussenkomende partij is op dat ogenblik raadsheer in het Hof van beroep te Gent, in die functie benoemd bij koninklijk besluit van 14 april 2002. Nadat de wettelijk voorgeschreven adviezen zijn ingewonnen, beslist de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie op 10 juni 2006 om de tussenkomende partij voor het ambt van voorzitter van de rechtbank voor te dragen. IX-6209-2/36 Bij koninklijk besluit van 15 september 2006 wordt deze voordracht geweigerd. De weigering steunt op het feit “dat de voordracht niet voldoet aan de formele motiveringsplicht van administratieve handelingen”. Op 3 oktober 2006 beslist de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie de tussenkomende partij opnieuw voor te dragen. Bij koninklijk besluit van 4 december 2006 wordt de tussenkomende partij benoemd tot rechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde en tevens aangewezen voor het mandaat van voorzitter van deze rechtbank, voor een termijn van zeven jaar. De verzoeker stelt tegen dit koninklijk besluit een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in. Bij arrest nr. 172.989 van 29 juni 2007 wordt de schorsing bevolen van het aangevochten besluit. In verband met de vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten oordeelt de Raad van State onder meer: “Uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat de vergelijking van de respectieve aanspraken en verdiensten van de verzoeker en de [tussenkomende partij] in grote mate is gebeurd in het licht van de visie van de kandidaten op de werking van de rechtbank en in het licht van hun vermogen om in te spelen op toekomstige ontwikkelingen. Voor de [tussenkomende partij] moest die beoordeling vanzelfsprekend steunen op de over [haar] uitgebrachte adviezen en op [haar] beleidsplan, gelet op het feit dat deze kandidaat niet persoonlijk betrokken was geweest bij de werking van de rechtbank. Voor de verzoeker daarentegen, die sinds 1998 voorzitter van de rechtbank was, vereiste een zorgvuldig onderzoek van zijn kandidatuur dat mede rekening werd gehouden met de wijze waarop hij zijn mandaat concreet had uitgeoefend. Uit die beoordeling van zijn prestaties zou overigens ook kunnen blijken of en in hoeverre een vernieuwing in de sturing en de coördinatie van de rechtbank wenselijk of noodzakelijk was. In de huidige stand van de procedure lijkt vastgesteld te moeten worden dat een zodanig onderzoek, wat betreft de verzoeker, niet heeft plaatsgevonden. Terwijl de adviezen over de verzoeker aanwijzingen konden geven over diens concrete bekwaamheid om het mandaat van voorzitter uit te oefenen, wordt in de voordracht door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie en in de motieven van het bestreden besluit kennelijk meer aandacht besteed aan zijn beleidsplan. In de eerste plaats zijn immers alle voor de verzoeker ongunstige beoordelingselementen verbonden met zijn beleidsplan. Voorts wordt een bepaalde gunstige eigenschap, vermeld door de eerste voorzitter van het hof van beroep, in twijfel getrokken op grond van wat in het beleidsplan te lezen is (‘Volgens de eerste voorzitter kan (de verzoeker) op een creatieve manier plannen en organiseren (hetgeen volgens de commissie niet blijkt uit zijn beleidsplan))’, en wordt een niet als negatief bedoelde opmerking van de stafhouder van de balie in het licht van het beleidsplan voorzien van een IX-6209-3/36 uitgesproken negatieve commentaar (‘Wanneer malfuncties in de rechtbank worden geconstateerd, worden deze ongetwijfeld veroorzaakt door de kwaliteit van sommige medewerkers en een constant nijpend tekort aan magistraten, zodat noodgedwongen een te grote wissel van samenstellingen en opdrachten noodzakelijk (is). Deze laatste opmerking van de vertegenwoordiger van de Dendermondse balie maakt het nog frappanter dat de kandidaat in zijn beleidsplan slechts in zeer beperkte mate aandacht verleent aan de persoonlijke ontwikkeling en motivatie van de verschillende medewerkers’). Ten slotte wordt nauwelijks aandacht besteed aan de inhoud van het advies van de ondervoorzitter van de rechtbank zelf waarvan de verzoeker de korpsoverste was, hoewel wordt erkend dat dit advies ‘zeer lovend’ is voor de verzoeker; de enkele omstandigheid dat de ondervoorzitter niet over alle kandidaten een inhoudelijk advies had gegeven, kon voor de benoemende overheid geen reden zijn om dit advies niet minstens als bron van inlichtingen in aanmerking te nemen, naast de andere adviezen. Nu het concrete functioneren van de verzoeker kennelijk minder aandacht gekregen heeft dan zijn beleidsplan, lijkt de voorlopige conclusie te zijn dat de aanspraken en de verdiensten van de verzoeker niet met de nodige zorgvuldigheid zijn beoordeeld. Daardoor lijkt ook de effectieve gelijkheid tussen de kandidaten niet te zijn geëerbiedigd, en lijkt de vergelijking tussen de kandidaten niet naar behoren te zijn gebeurd. In zoverre is het middel ernstig.” Bij arrest nr. 179.053 van 28 januari 2008 wordt het koninklijk besluit van 4 december 2006 met toepassing van artikel 17, § 4bis, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vernietigd, gelet op het feit dat de verwerende partij of degene die belang heeft bij de beslechting van de zaak geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend. 2.1. In het Belgisch Staatsblad van 29 mei 2008 wordt het ambt van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde opnieuw vacant verklaard. Daarop dienen opnieuw vier personen, waaronder de verzoeker en de tussenkomende partij, een kandidatuur in. 2.2. Over de verzoeker en de tussenkomende partij worden adviezen gegeven door de eerste voorzitter van het Hof van beroep te Gent en door de respectieve stafhouders van de ordes van advocaten te Dendermonde en te Gent. 2.2.1. De eerste voorzitter van het Hof van beroep geeft zijn adviezen op 19 augustus 2008. IX-6209-4/36 Het advies over de verzoeker is “zeer gunstig”. Het besluit luidt als volgt: “Verwezen wordt naar de objectieve overwegingen aangehaald onder punt 4 van dit advies [‘Bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat voor het gewenste profiel van de vacante plaats’]. [De verzoeker] beschikt over de nodige intellectuele en organisatorische kwaliteiten die vereist zijn om een grote rechtbank te leiden en wordt door zijn collegae gewaardeerd. Mijn ambt verleent dan ook een zeer gunstig advies.” Ook het advies over de tussenkomende partij is “zeer gunstig”. Het besluit als volgt: “Mijn ambt verwijst naar de objectieve argumenten aangehaald onder punt 4 [‘Bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat voor het gewenste profiel van de vacante plaats’]. Gelet op het verloop van de carrière van de kandidaat, zijn wetenschappelijke vorming, zijn verdiensten als magistraat van de zetel, zijn grote werkkracht, zijn klare en duidelijke visie over de werking van een rechtbank en over de te verwachten doelstellingen inzake beleid en beheer, zijn sterke persoonlijkheid en stressbestendig karakter, verleent mijn ambt een zeer gunstig advies. De kandidaat is een uitstekend magistraat.” 2.2.2. De stafhouder van de Orde van advocaten te Dendermonde geeft op 29 augustus 2008 een “gunstig” advies over de verzoeker. Het besluit is evenwel geredigeerd als volgt: “Het komt de balie voor dat, gelet op de toestand van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde en een aantal sedert verscheidene jaren scheef gegroeide toestanden c.q. disfuncties en wars van de vraagstelling inzake de uitbreiding van het kader van de Rechtbank - die steeds welgekomen zou zijn -, met de bestaande effectieven tot een voorbeeldige, kwalitatieve en rendementsvolle werking van de Rechtbank kan worden gekomen mits een krachtdadig, objectief, onafhankelijk en langetermijn leiderschap, gestoeld zowel op humane kwaliteiten, als op gedegen managerskwaliteiten, waaraan naar onze mening de kandidaat niet volledig beantwoordt.” Met een brief van 15 september 2008 deelt de verzoeker zijn opmerkingen mede bij dit advies. Daarin stelt hij onder meer dat de stafhouder zich ervan had dienen te onthouden advies te verlenen. Op 2 september 2008 geeft de stafhouder van de Orde van advocaten te Gent een “zeer gunstig” advies over de tussenkomende partij. De conclusie luidt als volgt: IX-6209-5/36 “Om al deze redenen is de Gentse balie unaniem en zonder enig voorbehoud de mening toegedaan de kandidatuur van de [tussenkomende partij] voor het ambt van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde als zeer gunstig te kunnen adviseren.” 2.3. Nadat de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie de vier kandidaten heeft gehoord, beslist zij op 13 oktober 2008 de tussenkomende partij als kandidaat voor te dragen. Het proces- verbaal van de voordracht bevat de volgende motivering over de tussenkomende partij en over de verzoeker: “De Orde van advocaten te Dendermonde heeft op 4 juli 2007 een persmededeling verspreid waarin publiekelijk een bepaald standpunt wordt ingenomen tegenover sommige van de kandidaten voor deze vacante plaats. Deze persmededeling was ondertekend door de toenmalige stafhouder. Dezelfde stafhouder heeft als vertegenwoordiger van de Dendermondse balie de adviezen verleend over de kandidaten S.D., [de verzoeker] en F.T. De commissie is van oordeel dat de stafhouder waarvan sprake, zich had moeten onthouden. Ook in het advies van de Gentse balie over [de tussenkomende partij] wordt rechtstreeks verwezen naar de hoger genoemde persmededeling van de Dendermondse balie. De commissie weert de adviezen van de vertegenwoordigers van de balie te Dendermonde en te Gent uit het dossier. [De tussenkomende partij] behaalde in 1985 met onderscheiding het diploma van licentiaat in de rechten. In 1986 behaalde [zij] met onderscheiding een bijkomende licentie in de criminologie. In 1993 behaalde [zij] met grote onderscheiding een bijzondere licentie sociaal recht. [Zij] was advocaat van september 1986 tot oktober 1991. Van januari 1987 tot en met oktober 1991 was [zij] universitair assistent aan de Transnationale Universiteit Limburg. Bij ministeriële besluiten van 11 oktober 1991 en van 7 september 1992 werd [zij] voor een termijn van één jaar benoemd tot gerechtelijk stagiair bij het parket bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Bij koninklijk besluit van 23 oktober 1992 werd [zij] benoemd tot substituut-arbeidsauditeur bij de arbeidsrechtbank te Brugge. [Zij] was docent aan de politieschool Brussel tijdens de leergang 1992- 1993. Bij koninklijk besluit van 18 november 1993 werd [zij] benoemd tot rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Bij beschikkingen van de voorzitter werd [zij] op 1 maart 1995, 7 september 1995, 15 maart 1996 en 3 oktober 1996 steeds voor een termijn van 6 maanden aangeduid als beslagrechter. Bij koninklijk besluit van 23 december 1996 werd [zij] aangewezen als beslagrechter voor de termijn van 1 jaar. Bij koninklijk besluit van 19 december 1997 werd deze aanwijzing verlengd voor een termijn van 2 jaar. Bij beschikkingen van de voorzitter werd [zij] op 28 oktober 1996, 26 juni 1997 en 18 augustus 2000 steeds voor een termijn van 1 jaar aangeduid IX-6209-6/36 als onderzoeksrechter. Bij koninklijk besluit van 29 augustus 1997 werd [zij] aangewezen als onderzoeksrechter voor een termijn van 1 jaar. Bij koninklijke besluiten van 15 juni 1998 en 5 december 2000 werd deze aanwijzing respectievelijk verlengd voor een termijn van 2 en 5 jaar. Bij beschikking van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent werd [zij] gelijktijdig aangeduid als onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Bij koninklijk besluit van 14 april 2002 werd [zij] benoemd tot raadsheer in het hof van beroep te Gent. Van 1998 tot 2000 was [zij] plaatsvervangend persrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Van 2000 tot 2002 was [zij] lid van de Gentse Arrondissementele Raad voor het Slachtofferbeleid. [Zij] is plaatsvervangend voorzitter van de Commissie voor de Voorwaardelijke Invrijheidstelling in het rechtsgebied van het hof van beroep te Gent. [Zij] is plaatsvervangend lid van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten. [Zij] is plaatsvervangend bijzitter in de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen. [Zij] is voorzitter van de Nederlandstalige Commissie van Nationale Erkentelijkheid. Bij koninklijk besluit van 20 juli 2005 werd [zij] aangewezen als lid van de Commissie tot hervorming van het hof van assisen. [Zij] is docent aan de school voor Criminologie en Criminalistiek en aan de Nationale Rechercheschool. Van 2001 tot 2006 was [zij] gastdocent en lid van de adviesraad van de Universiteit Gent. Van 2003-2006 was [zij] aan diezelfde universiteit sessie-voorzitter van de Post-Universitaire Cyclus ‘Willy Delva’ en van 2004-2006 sessie-voorzitter van het Centrum voor Beroepsvervolmaking in de Rechten. [Zij] is auteur van verscheidene juridisch-wetenschappelijke publicaties en was lid van de redactieraad van een juridisch tijdschrift. [Zij] is houder van het getuigschrift van de managementopleiding in het kader van de permanente vorming van de magistraten. [Haar] goed beleidsplan getuigt van een realistische, toekomstgerichte, klantgerichte en pragmatische kijk op de werking van een rechtbank van eerste aanleg waarmee [zij] een vernieuwende sturing en coördinatie van de rechtbank wenst te bewerkstelligen, waarbij [zij] voldoende rekening houdt met de op til staande hervormingen binnen de rechterlijke organisatie. [Zij] geeft ook blijk zich bewust te zijn van de specifieke problemen waarmee een voorzitter van deze rechtbank kan worden geconfronteerd [Zij] stelt duidelijke doelen en legt realistische persoonlijke klemtonen. [Haar] visie en concepten worden duidelijk onderbouwd, geven blijk van de nodige creativiteit en houden rekening met de beschikbare middelen en spelen in op de op til staande wijzigingen binnen justitie. [Haar] visie is concreet, objectief en methodisch, en houdt rekening met de nood aan een modern human resourcemanagement. [Zij] beschikt tevens over de nodige zin tot samenwerking tussen de verschillende actoren en heeft een duidelijke en doordachte kijk op het te voeren beleid en personeelsbeleid, met onder meer bijzondere aandacht voor kwaliteitszorg en een kwaliteitsvolle openbare dienstverlening, zelfevaluatie, stimuleren en motiveren van medewerkers, efficiënte inzet van mensen en middelen, evenwichtige en IX-6209-7/36 evenredige verdeling van de werklast, communicatie, betrokkenheid, collegialiteit en teamwork, transparantie van de organisatie en overleg, permanente vorming en groepsgericht leiderschap. De eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent stelt dat [de tussenkomende partij] een heel goed jurist is, bekwaamd in vele rechtstakken. [Zij] heeft een uitstekende kennis van het strafrecht en van vele takken van het burgerlijk recht. [Zij] kan [haar] gedachten op een verstandige en vlotte manier verwoorden en de kwaliteit van [haar] geschriften is voortreffelijk [Zij] is zeer stipt en nauwgezet, en heeft een goed kwalitatief en kwantitatief rendement. De kandidaat heeft een gezond en evenwichtig beoordelingsvermogen, is besluitvaardig en kent geen achterstand. [De tussenkomende partij] komt op een weldoordachte manier tot een snelle besluitvorming. [Zij] kan hoofd- en bijzaak van elkaar onderscheiden. [Zij] onthaalt de rechtsonderhorige op een hoffelijke wijze, gedraagt zich correct en sereen, toont luisterbereidheid en is vlot en vriendelijk in de omgang. [Zij] heeft veel empathie en beschikt over bijzondere sociale en communicatieve vaardigheden. [De tussenkomende partij] heeft een zeer brede interessesfeer en houdt zich goed op de hoogte van de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Toont grote belangstelling voor alles wat met het beroep te maken heeft. [Zij] kan zich zonder enige moeite aanpassen aan nieuwe activiteiten, schuwt het werk niet en is steeds bereid nieuwe uitdagingen aan te gaan. De eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent noemt [de tussenkomende partij] een verstandig magistraat met een veelzijdige belangstelling. [Zij] is integer en gewetensvol. [Zij] is heel actief en streeft naar bijscholing. [De tussenkomende partij] heeft een klare visie op de organisatie van een rechtbank van eerste aanleg. [Zij] legt de juiste accenten (overleg, motivatie, collegialiteit en teamgeest, eerlijke verdeling van de werklast, zorg voor informatiedoorstroming, goede interne en externe communicatie, het bewaken en verbeteren van de kwaliteit van de rechtsbedeling). [Zij] legt een goed doordacht beleidsplan voor. [Zij] wil een managementmodel volgen dat berust op het principe van klantgerichte dienstverlening. [Zij] ziet de rol van de voorzitter terecht als deze van coördinator, aanvoerder en bruggenbouwer. [Zij] kan delegeren, is stressbestendig, is in staat snelle beslissingen te nemen en heeft oog voor een goede dienstverlening. [De tussenkomende partij] heeft zonder enige twijfel de nodige intellectuele en menselijke capaciteiten en zal zeker voldoende gezag en slagkracht hebben om een grote rechtbank naar behoren te leiden. [Zij] voert de [haar] opgedragen taken altijd uit met rijpheid en veel brio. [Zij] zal zich gemakkelijk aanpassen aan gewijzigde omstandigheden. Gelet op het verloop van de carrière van de kandidaat, [haar] wetenschappelijke vorming, [haar] verdiensten als magistraat van de zetel, [haar] grote werkkracht, [haar] klare en duidelijke visie over de werking van een rechtbank en over de te verwachten doelstellingen inzake beleid en beheer, [haar] sterke persoonlijkheid en stressbestendig karakter is het advies zeer gunstig. De kandidaat is een uitstekend magistraat. [De tussenkomende partij] beantwoordt ‘ten volle’ aan de vereisten van het profiel voor het beoogde ambt (bij de andere kandidaten is dit slechts ‘voldoet’). Tijdens de hoorzitting maakt [de tussenkomende partij] een gedreven indruk. [Zij] antwoordt op een rustige en heldere manier op de [haar] gestelde vragen. [Zij] heeft een realistische kijk op de zaken en geeft blijk van de nodige collegialiteit en van een duidelijke visie op een toekomstgerichte werking en organisatie van een rechtbank van eerste aanleg. [Zij] geeft ook blijk van een grote gemotiveerdheid en gedrevenheid, alsook van de nodige zin voor diplomatie en overleg. IX-6209-8/36 De door [de tussenkomende partij] ontwikkelde persoonlijke visie over hoe [zij] zichzelf ziet functioneren als voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, de wijze waarop [zij] deze rechtbank op een moderne en efficiënte wijze wenst te runnen, alsook de in [haar] hoofde aanwezige competenties sluiten naadloos aan bij de eisen die in het standaardprofiel voor het functioneren van een dergelijke korpschef worden gesteld. De beschikbare gegevens laten de commissie toe te besluiten dat [de tussenkomende partij] ongetwijfeld in staat moet worden geacht om met visie de groepsgerichte leiding van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde op zich te nemen. Het dossier, de persoonlijkheid en de aanwezige competenties laten ook toe vast te stellen dat [zij] in grotere mate dan de andere kandidaten de nodige competenties bezit die volgens het standaardprofiel vereist zijn om de opdracht van voorzitter van deze rechtbank te vervullen, en bieden de nodige garantie dat deze kandidaat de vereiste bekwaamheid en geschiktheid heeft om deze functie met succes uit te oefenen. [...] [De verzoeker] kan onder meer bogen op zijn ruime ervaring verworven als advocaat, als gerechtelijk stagiair, als substituut-procureur des Konings, als (onderzoeks)rechter, als ondervoorzitter en als voorzitter van een rechtbank van eerste aanleg. Zijn beleidsplan bevat een duidelijke visie van de kandidaat over de werking en de organisatie van de rechtbank van eerste aanleg. Het beleidsplan bevat echter weinig of geen elementen waaruit blijkt dat de kandidaat toekomstgerichte sturing en coördinatie van de rechtbank wenst te bewerkstelligen. Het is eerder een beschrijving van de actuele toestand en het is weinig toekomstgericht. In het beleidsplan wordt ook bijzonder weinig aandacht geschonken aan de persoonlijke ontwikkeling en motivatie van de verschillende medewerkers en er is geen sprake van het voeren van een modern human resourcemanagement binnen de rechtbank. Er wordt ook weinig blijk gegeven van de nodige creativiteit. De kandidaat is zich bewust van de op til staande wijzigingen binnen justitie. Hij beperkt zich soms echter tot het vaststellen van de wijzigingen, en reikt onvoldoende de nodige oplossingen of een duidelijke visie hieromtrent aan. Dit alles wijst op een mogelijk mindere aanwezigheid van de competenties omgevingsbewustzijn, visie en creativiteit, zoals omschreven in het standaardprofiel. De eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent adviseert zeer gunstig. De kandidaat heeft een goede besluitvaardigheid en rendement. Hij is een beminnelijk en correcte magistraat die een heel groot belang hecht aan onthaal, luisterbereidheid en communicatie jegens de rechtzoekende. Hij scoort op dit vlak voortreffelijk. Hij is een verstandig magistraat met een zeer goede juridische kennis en praktijkervaring burgerlijke en strafzaken. Hij is integer, loyaal en duidelijk over zijn bedoelingen, handelt op coherente wijze en neemt zijn verantwoordelijkheden op. Hij getuigt van gezond verstand en praktisch inzicht, en kan hoofd- en bijzaak van elkaar onderscheiden. Hij is vriendelijk en heel correct in de omgang met collega's, personeel en justitiabelen (voorzitter moet contact- en referentiepunt zijn voor iedereen). [De verzoeker] is volgens de eerste voorzitter werklustig, collegiaal, flexibel, overal inzetbaar en stressbestendig. Hij heeft een goed aanpassingsvermogen en is heel open van geest. Hij houdt zich op de hoogte van maatschappelijke, politieke en economische veranderingen en benut die kennis doeltreffend voor de uitoefening van zijn functie. Hij kent de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde zeer goed (personeel en infrastructuur), wat onbetwistbaar een voordeel kan zijn bij het uitstippelen van zijn beleid. Hij heeft volgens de eerste voorzitter ook een duidelijke visie op de werking en organisatie van een IX-6209-9/36 rechtbank. Hij onderkent vlug oorzaken van problemen en reageert tijdig en gevat. Hij reageert op passende wijze op nieuwe toestanden. Volgens de eerste voorzitter kan hij op een creatieve manier plannen en organiseren (hetgeen volgens de commissie onvoldoende blijkt uit zijn beleidsplan), en zorgt hij voor een degelijke implementatie van de genomen beslissingen. Hij heeft zeker goede leiderscapaciteiten en kan delegeren en rechtvaardig verdelen. Als toenmalige voorzitter heeft hij verbeteringen aangebracht en heeft hij al enkele verwezenlijkingen achter zijn naam staan, o.a. kaderuitbreiding, meer jeugd- en onderzoeksrechters, aangepaste en uitgebalanceerde dienstregeling voor een betere werking en kwaliteit, betere infrastructuur, enz. (de commissie merkt hierbij op dat de opgesomde verwezenlijkingen niet kunnen worden herleid tot een loutere verdienste van de voorzitter alleen, zodat ze tot hun juiste proporties dienen te worden herleid). [De verzoeker] liet zich voor het dagelijks bestuur van de rechtbank bijstaan door een ‘goed managementteam’. Hij deed als voorzitter al wat nodig was om de zware administratieve taken in een zo kort mogelijke tijd te verwerken. Als ondervoorzitter (sinds 1 april 2007) werd hij verder belast met bepaalde taken van de voorzitter, hetgeen hij diligent en met veel verantwoordelijkheidszin deed. Hij voldoet aan het profiel voor een korpschef van een rechtbank van eerste aanleg en beschikt over de nodige intellectuele, organisatorische en menselijke kwaliteiten die vereist zijn om een grote rechtbank te leiden en wordt door zijn collegae gewaardeerd. Tijdens de hoorzitting maakt [de verzoeker] een rustige maar weinig dynamische indruk. De kandidaat geeft ook weinig blijk van zin voor zelfkritiek. Bovendien blijkt onvoldoende, zowel uit zijn beleidsplan als tijdens de hoorzitting, dat hij als voorzitter alle mogelijkheden heeft aangegrepen om te komen tot een duidelijk en gestructureerd toekomstgericht beleid voor de volledige rechtbank. Hij legt (en legde) weinig nadruk op het verhogen van de performantie waardoor met de beschikbare middelen betere resultaten kunnen worden bereikt. Als voorzitter en ondervoorzitter heeft hij zich te weinig pro- actief opgesteld en zich te snel bij de zaken neergelegd. Hij komt slechts in beperkte mate tot het stellen van concrete doelstellingen en geeft geen blijk van een doorgedreven visie over hoe de rechtbank van eerste aanleg toekomstgericht dient te worden geleid. De commissie is wel van oordeel dat [de verzoeker] voldoet aan de vereisten gesteld in het standaardprofiel. [De tussenkomende partij] onderscheidt zich van [de verzoeker] door [haar] meer uitgesproken moderne en toekomstgerichte visie op de werking en organisatie van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, door [haar] uitstekend beleidsplan, alsook door het feit dat [haar] bekwaamheden beter aansluiten bij de competenties zoals omschreven in het standaardprofiel voor deze vacante functie (hetgeen ook blijkt uit het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent ‘voldoet’ tegenover ‘beantwoordt ... ten volle’), onder meer inzake toekomstgerichte visie, creativiteit en omgevingsbewustzijn (toekomstige wijzigingen binnen justitie). Tijdens de hoorzitting maakt [de tussenkomende partij] bovendien een meer gedreven indruk dan [de verzoeker]. De ruime ervaring van [de verzoeker] als voorzitter en ondervoorzitter weegt hier niet tegen op omdat hij de mogelijkheden die hem reeds werden geboden als voorzitter onvoldoende heeft aangewend om te komen tot een duidelijk en gestructureerd toekomstgericht beleid voor de volledige rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Uit wat voorafgaat blijkt dat [de tussenkomende partij] de meest bekwame en geschikte kandidaat is voor deze vacante plaats.” IX-6209-10/36 2.4. Bij koninklijk besluit van 28 november 2008 wordt de tussenkomende partij benoemd tot rechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde en tevens aangewezen tot het mandaat van voorzitter van deze rechtbank, voor een termijn van vijf jaar. In de motieven van dit besluit wordt met instemming verwezen naar de motivering van de voordracht door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, welke letterlijk wordt aangehaald. Dit besluit maakt het voorwerp uit van de voorliggende vordering tot schorsing. Tussenkomst 3. Met een op 23 februari 2009 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt Dirk Van Der Kelen om in het administratief kortgeding te mogen tussenkomen. 4. De verzoeker vordert de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 28 november 2008 waarbij Dirk Van Der Kelen wordt aangewezen tot voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Uit het voorwerp van het beroep blijkt dat de belangen van Dirk Van Der Kelen bij deze zaak betrokken zijn. Bijgevolg is er grond om het verzoek in te willigen. Ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing 5. In haar verzoekschrift tot tussenkomst werpt de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. Zij voert aan dat de verzoeker geboren is in 1944 en sedert 5 september 2007 niet meer voldoet aan het leeftijdsvereiste om zich bij een nieuwe vacature van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kandidaat te stellen. Artikel 259quater, § 3, tweede lid, 3/, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt immers dat de kandidaat op het ogenblik dat het mandaat daadwerkelijk openvalt ten minste IX-6209-11/36 vijf jaar verwijderd moet zijn van de leeftijdsgrens, bedoeld in artikel 383, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, te weten 67 jaar. De tussenkomende partij is dan ook van oordeel dat de verzoeker niet meer in de voorwaarde verkeert om nog te worden aangewezen tot voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, en dat hij bijgevolg geen belang meer heeft bij het voorliggende beroep. 6. Artikel 259quater, § 3, tweede lid, 3/, van het Gerechtelijk Wetboek stelt als voorwaarde voor de aanwijzing in een mandaat : “op het ogenblik dat het mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, § 1.” Artikel 383, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek legt de leeftijdsgrens voor de leden van de rechtbank van eerste aanleg vast op 67 jaar. De betrekking van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde viel open ingevolge het verstrijken van het mandaat van de verzoeker op 1 april 2007. Het is op die datum, en niet op de datum waarop de oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, dat de kandidaten aan de voormelde leeftijdsvoorwaarde moesten voldoen. Op 1 april 2007 was de verzoeker 62 jaar en derhalve minder dan vijf jaar verwijderd van de leeftijdsgrens van 67 jaar. Er dient evenwel rekening gehouden te worden met de overgangsbepaling van artikel 102, § 1, tweede lid, 2/, van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem, gewijzigd bij de wet van 3 mei 2003. Artikel 102, § 1, luidt als volgt: “De korpschefs die op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 259quater van het Gerechtelijk Wetboek vast zijn benoemd, en in voorkomend geval gedelegeerd zijn overeenkomstig artikel 327 en 327bis van hetzelfde Wetboek, worden vanaf de eerste dag van de vierde maand volgend op de eerste bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de aantredende leden van de Hoge Raad geacht in de functie van korpschef te zijn aangewezen en terzelfder tijd in het ambt van magistraat te zijn benoemd in de hoven en rechtbanken of in de parketten bij die hoven en rechtbanken waar zij werkzaam zijn. IX-6209-12/36 Zij kunnen: 1/ hetzij hun functie van korpschef binnen een maand ter beschikking stellen. In dit geval wordt voor de resterende duur van het mandaat volgens de procedure bedoeld in artikel 259quater een nieuwe korpschef aangewezen die, in afwijking van de artikelen 43, § 4, tweede lid, 43bis, § 4, tweede lid, 43ter, § 3, derde lid, en 43quater, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, behoort tot hetzelfde taalstelsel. De uittredende korpschefs oefenen hun functie verder uit tot de aanwijzing van de nieuwe korpschef; 2/ hetzij hun functie van korpschef voor een termijn van zeven jaar verder uitoefenen. Bij het verstrijken van deze termijn kunnen zij zich voor deze functie nog éénmaal kandidaat stellen overeenkomstig artikel 259quater van hetzelfde Wetboek, zonder dat zij dienen te voldoen aan de leeftijdsvereiste bepaald in § 3, 3°, van het voornoemde artikel. Na de terbeschikkingstelling van de functie van korpschef bedoeld in het 1° of het verstrijken van het mandaat bedoeld in 2°, blijven zij onder persoonlijke titel de hieraan verbonden wedde en weddeverhogingen ontvangen, tot de dag van hun inrustestelling, hun ontslag, hun afzetting of, in voorkomend geval, hun benoeming of aanwijzing in een ander ambt of functie.” Op grond van artikel 102, § 1, tweede lid, 2/, kon de verzoeker zich bij het verstrijken van zijn mandaat nog eenmaal kandidaat stellen, zonder dat hij diende te voldoen aan het leeftijdsvereiste bepaald in artikel 259quater, § 3, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De omstandigheid dat ingevolge het vernietigingsarrest nr. 179.053 van 28 januari 2008 een nieuwe oproep tot de kandidaten voor het ambt van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde werd bekendgemaakt, sluit op het eerste gezicht niet uit dat die overgangsbepaling op de verzoeker toepasselijk is. De exceptie lijkt in de huidige stand van de procedure te falen naar recht. Gegrondheid van de vordering tot schorsing 7. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. IX-6209-13/36 Enig middel Standpunt van de partijen 8.1. Met betrekking tot de eerste voorwaarde roept de verzoeker een enig middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de artikelen 259ter en 259quater van het Gerechtelijk Wetboek, het koninklijk besluit van 15 maart 2000 tot vastlegging van de categorieën van standaardprofielen, de “standaardprofielen voor de functies van korpschef”, vastgesteld door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie op 4 september 2000 en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 september 2000, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheids-, het redelijkheids-, het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van de materiële motiveringsverplichting en de algemene beginselen van gelijke toegang tot de openbare ambten. De verzoeker voert aan dat uit het gelijkheidsbeginsel volgt dat de overheid de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moet onderzoeken en vergelijken op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria, en dat de benoeming moet berusten op wettige motieven. De discretionaire bevoegdheid waarover de overheid beschikt heeft de redelijkheid als grens. Uit de formele motivering van het benoemingsbesluit en de gegevens van de zaak moet bovendien blijken dat de afweging correct is gebeurd. De verzoeker betoogt dat de criteria voor het vergelijken van de aanspraken en de verdiensten van de kandidaten de volgende zijn: de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaten voor de (tijdelijke) functie van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde en het beantwoorden aan het standaardprofiel van korpschef voor deze rechtbank, zoals dit werd vastgelegd door de Algemene Vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie op 4 september 2000, met toepassing van artikel 259bis-13 juncto artikel 259quater, § 3, tweede lid, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek en het koninklijk besluit van 15 maart 2000 tot vastlegging van de categorieën van standaardprofielen. IX-6209-14/36 Hij voert voorts aan dat de overheid een grondig en zorgvuldig vergelijkend onderzoek moet doorvoeren: de titels en verdiensten van de kandidaten moeten ten aanzien van elkaar worden vergeleken en afgewogen, en ze moeten niet in abstracto, maar in concreto worden beoordeeld, dit wil zeggen in relatie tot de vacante functie. Het gelijkheidsbeginsel impliceert dat bij de beoordeling van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van de kandidaten met betrekking tot het te begeven ambt. De benoemende overheid diende, aldus de verzoeker, dan ook rekening te houden met het feit dat hij sinds 1998 de functie van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde uitoefende en dat hij aldus kandidaat was voor een hernieuwing van zijn mandaat, terwijl de tussenkomende partij een benoeming nastreefde in een functie die zij op dat ogenblik niet uitoefende. De verzoeker wijst er vervolgens op dat de vergelijking van de titels en verdiensten met kennis van zaken moet geschieden en dat de voordragende en aanwijzende overheden voldoende ingelicht moeten zijn om in staat te zijn de titels en verdiensten van de kandidaten objectief te beoordelen. Deze objectiviteit impliceert onder meer dat aan de diverse kandidaturen dezelfde aandacht wordt besteed, dat ten aanzien van de ene kandidatuur niet meer welwillendheid mag worden betoond dan ten aanzien van de andere, dat de beoordelingscriteria voor iedere kandidaat dezelfde zijn en dat ze op iedere kandidaat op een objectieve en gemotiveerde wijze worden toegepast. De verzoeker voert aan dat dit onderzoek en deze vergelijking niet objectief, grondig en zorgvuldig zijn geschied en dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke en afdoende wijze is gemotiveerd, noch materieelrechtelijk, noch formeel. 8.2. Vervolgens concretiseert de verzoeker dit middel in twee onderscheiden onderdelen. 8.2.1. In een eerste onderdeel voert de verzoeker aan dat de Raad van State in zijn arrest nr. 172.989 van 29 juni 2007 heeft vastgesteld dat voor de verzoeker, die sinds 1998 voorzitter van de rechtbank was, een zorgvuldig onderzoek van zijn kandidatuur vereiste “dat mede rekening werd gehouden met de IX-6209-15/36 wijze waarop hij zijn mandaat concreet had uitgeoefend”, waaruit ook zou kunnen blijken “of en in hoeverre een vernieuwing in de sturing en de coördinatie van de rechtbank wenselijk of noodzakelijk was”. De verzoeker laat gelden dat in het thans bestreden besluit de concrete vergelijking tussen de kandidaten volledig en letterlijk wordt overgenomen uit het door de Raad van State geschorste besluit en dat daaraan volgende passus wordt toegevoegd: “Tijdens de hoorzitting maakt [de tussenkomende partij] bovendien een meer gedreven indruk dan [de verzoeker]. De ruime ervaring van [de verzoeker] als voorzitter en ondervoorzitter weegt hier niet tegen op omdat hij de mogelijkheden die hem reeds werden geboden als voorzitter onvoldoende heeft aangewend om te komen tot een duidelijk en gestructureerd toekomstgericht beleid voor de volledige rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde.” Volgens de verzoeker kan hieruit niet anders worden besloten dan dat het bestreden besluit om tegemoet te komen aan de opmerking van de Raad van State zich enkel baseert op wat tijdens de hoorzitting werd vermeld en dat de hoorzitting derhalve het doorslaggevend element in de vergelijking is. In dit verband stelt het bestreden besluit dat de verzoeker een weinig dynamische indruk maakt, dat hij weinig blijk geeft van zin voor zelfkritiek, en dat onvoldoende blijkt dat hij als voorzitter alle mogelijkheden heeft aangegrepen om te komen tot een duidelijk en gestructureerd toekomstgericht beleid voor de volledige rechtbank. Hiertegen voert de verzoeker drie specifieke grieven aan. In de eerste plaats worden de motieven die uit de hoorzitting worden afgeleid niet met concrete gegevens gestaafd, zodat de verzoeker zich daartegen niet kan verweren. De conclusie, namelijk dat de verzoeker voldoet aan de vereisten gesteld in het standaardprofiel, staat bovendien volledig in contrast met de negatieve elementen die voordien worden vermeld. De verzoeker stelt de motivering niet te kunnen begrijpen. Hij betoogt voorts dat de motivering van de benoemings- en aanwijzingscommissie ook in strijd is met het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep. De benoemings- en aanwijzingscommissie diende minstens een uitgebreidere motivering te geven en de materiële grondslag aan te wijzen waaruit blijkt uit welke gegevens zij meende te kunnen besluiten dat het advies van de eerste IX-6209-16/36 voorzitter foutief is. Een dergelijke motivering is echter nergens terug te vinden. Waar de benoemings- en aanwijzingscommissie bij de vaststellingen van de eerste voorzitter in verband met de verbeteringen aan de structuren die de verzoeker aanbracht en de mooie verwezenlijkingen die hij op zijn naam heeft, opmerkt dat deze tot hun juiste proporties moeten worden herleid is het, aldus de verzoeker, onduidelijk hoe de commissie tot dit standpunt komt en nog minder wat de commissie daarmee bedoelt, nu alle opgesomde verwezenlijkingen volledig het gevolg zijn van zijn beleid en het vele werk in de periode dat hij voorzitter was. Alle andere elementen van het advies van de eerste voorzitter worden zonder opmerkingen overgenomen in de voordracht en in het bestreden besluit. De benoemings- en aanwijzingscommissie kreeg tijdens de hoorzitting blijkbaar andere indrukken, die zonder enige verdere verduidelijking worden geponeerd en waaraan bovendien meer belang wordt gehecht dan aan het advies van de eerste voorzitter, zodat de commissie uiteindelijk besluit tot de grotere bekwaamheid en geschiktheid van de tussenkomende partij. Noch uit de voordracht, noch uit het dossier kan, zo vervolgt de verzoeker, worden afgeleid waarom de benoemings- en aanwijzingscommissie op basis van de hoorzitting tot de vaststelling kwam dat de tussenkomende partij als voorzitter diende te worden aangewezen. Ook blijkt nog steeds niet uit het dossier of uit het bestreden besluit dat verzoekers prestaties als voorzitter zijn beoordeeld en evenmin of en in hoeverre een vernieuwing in de sturing en de coördinatie van de rechtbank wenselijk of noodzakelijk was. Deze grieven gelden volgens de verzoeker des te meer nu de benoemings- en aanwijzingscommissie besloot de adviezen van de vertegenwoordigers van de balie uit de debatten te weren, terwijl die adviezen in de vorige procedure wel in aanmerking werden genomen en het toenmalig advies van de stafhouder van de balie te Dendermonde bevestigde dat de verzoeker oplossingen aanbrengt, hij kan uitkomen met originele ideeën, het organisatieproces begrijpt, een kritisch oordeel vormt na kennisname van alle beschikbare gegevens en een eigen beleidsvisie ontwikkelt. Ten slotte merkt de verzoeker op dat het gebrek aan motivering des te meer klemt bij gebrek aan een uitgetikte en beschikbare versie van de hoorzitting. Een verwijzing naar de hoorzitting kan niet als motivering in IX-6209-17/36 aanmerking worden genomen vermits de verzoeker op het ogenblik van het indienen van zijn verzoekschrift niet over deze motivering beschikte. 8.2.2. Het tweede onderdeel is gericht tegen de conclusie die de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie trekt uit de vergelijking van de kandidaten, en meer bepaald tegen de opsomming van de elementen waardoor de tussenkomende partij zich volgens de commissie van de verzoeker onderscheidt. De elementen ten voordele van de tussenkomende partij zijn de volgende: - haar meer uitgesproken moderne en toekomstgerichte visie op de werking en organisatie van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde; - haar uitstekend beleidsplan; - het feit dat haar competenties beter aansluiten bij de competenties zoals omschreven in het standaardprofiel; - tijdens de hoorzitting een meer gedreven indruk te maken. De verzoeker wijst erop dat de eerste drie elementen van onderscheid dezelfde zijn als die welke aangebracht werden in de voordracht die aanleiding heeft gegeven tot het vernietigde koninklijk besluit van 4 december 2006. Op het vierde element van onderscheid (dat nieuw

  1. is)is ingegaan in het eerste onderdeel van het middel. Volgens de verzoeker wordt in het bestreden besluit, zoals in het vorige, vernietigde besluit, zo goed als uitsluitend aandacht besteed aan het beleidsplan van de verzoeker en niet aan zijn concreet functioneren. In vergelijking met het vorige besluit moet wel worden vastgesteld dat het beleidsplan van de verzoeker niet meer “danig teleurstelt” en enkel nog wijst op “een mogelijk mindere aanwezigheid van de competenties omgevingsbewustzijn, visie en creativiteit”. Tevens worden thans motieven uit de hoorzitting afgeleid, doch uit het eerste onderdeel van het middel blijkt dat ook hieruit niet het concrete functioneren van de verzoeker valt af te leiden. De verzoeker voert aan dat de drie hernomen elementen van onderscheid vertrekken van de onjuiste, minstens niet onderbouwde premisse dat een “vernieuwende” sturing en coördinatie van de rechtbank van eerste aanleg noodzakelijk zou zijn. Bovendien blijkt uit het bestreden besluit niet afdoende dat IX-6209-18/36 de vergelijking en de afweging van de aanspraken en verdiensten in concreto zijn gebeurd. De verzoeker bespreekt vervolgens de drie genoemde elementen van onderscheid. 8.2.2.1. Wat betreft de competenties voor de functie van voorzitter van een rechtbank van eerste aanleg, zoals omschreven in het standaardprofiel dat door de Hoge Raad voor de Justitie is vastgesteld, blijkt uit de voordracht dat de benoemings- en aanwijzingscommissie van oordeel is dat de volgende competenties in hoofde van de tussenkomende partij beter aansluiten bij het standaardprofiel dan in hoofde van de verzoeker: toekomstgerichte visie, creativiteit en omgevingsbewustzijn. Volgens de verzoeker leidt de commissie zulks af uit het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep en, met betrekking tot de verzoeker, uit diens beleidsplan. In het bijzonder wat betreft het advies van de eerste voorzitter is de verzoeker van oordeel dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de vereiste competenties in zijnen hoofde in mindere mate aanwezig zijn. De verzoeker zet de beoordelingen door de eerste voorzitter op een rij, en besluit zijn uiteenzetting als volgt : “Op basis van het advies van de eerste voorzitter (het enige advies dat is weerhouden) kan niet worden afgeleid waarom de bekwaamheden van de [tussenkomende partij] ‘beter aansluiten bij de competenties zoals omschreven in het standaardprofiel voor deze vacante functie’, zoals in de bestreden beslissing weergegeven. De verzoekende partij kan op grond van het dossier en de bestreden beslissing niet begrijpen waarom de competenties van de [tussenkomende partij] beter zouden aansluiten bij deze zoals in het standaardprofiel omschreven. De bestreden beslissing meent tenslotte een onderscheid te kunnen lezen in de bewoordingen van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent in verband met de geschiktheid van de kandidaten voor het profiel van ambt van voorzitter. Dit is spijkers op laag water zoeken (‘voldoet aan’ en ‘beantwoordt ten volle’). Wanneer het volledige onderdeel waaruit deze zin wordt gegrepen, wordt gelezen (‘4. Bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat voor het gewenste profiel van de vacante plaats’), dan is hierin geen onderscheid te lezen. Het advies is bij beiden dan ook zeer gunstig.” 8.2.2.2. Wat betreft het beleidsplan, wijst de verzoeker erop dat het beleidsplan van de [tussenkomende partij] als “uitstekend” wordt beoordeeld, IX-6209-19/36 terwijl van zijn beleidsplan wordt geoordeeld dat het wijst op een mogelijk mindere aanwezigheid van de competenties omgevingsbewustzijn, visie en creativiteit zoals omschreven in het standaardprofiel, en dit op grond van de volgende elementen: - “Het beleidsplan bevat [...] weinig of geen elementen waaruit blijkt dat de kandidaat vernieuwende sturing en coördinatie van de rechtbank wenst te bewerkstelligen. Het is eerder een beschrijving van de actuele toestand en het is weinig toekomstgericht.” - “In het beleidsplan wordt ook bijzonder weinig aandacht geschonken aan de persoonlijke ontwikkeling en motivatie van de verschillende medewerkers en er is geen sprake van het voeren van een modern human resource management binnen de rechtbank.” - “Er wordt ook weinig blijk gegeven van de nodige creativiteit en er wordt weinig rekening gehouden met de op til staande wijzigingen binnen justitie. [...]” De verzoeker voert vervolgens aan dat de concrete inhoud van de beleidsplannen, voor zover toegespitst op de werking van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, niet kan doen besluiten tot een “uitstekend beleidsplan” tegenover één dat zou wijzen op een “mogelijk mindere aanwezigheid van de opgesomde competenties: - In verband met de “vernieuwende sturing en coördinatie van de rechtbank [en de gerichtheid op de toekomst]” voert hij aan dat de benoemings- en aanwijzingscommissie vertrekt van de idee dat een vernieuwing of verandering noodzakelijk is op het punt van de sturing en de coördinatie van de rechtbank, zonder dat uit enig gegeven van het dossier blijkt dat de sturing en de coördinatie die de verzoeker sinds 1998 aan de rechtbank geeft, niet zouden voldoen of dat deze op enig punt tekort zouden schieten. Aldus vertrekt de beoordeling van “een onjuiste, minstens niet onderbouwde premisse dat een ‘vernieuwende’ sturing en coördinatie van de rechtbank noodzakelijk is”. De verzoeker vergelijkt vervolgens de beleidsplannen van hemzelf en van de [tussenkomende partij]. Hij voert in het bijzonder aan dat hij in zijn beleidsplan vertrekt van de bestaande toestand, de genomen initiatieven evalueert, en telkens onderzoekt of wijzigingen en aanpassingen noodzakelijk zijn, terwijl de tussenkomende partij in haar beleidsplan vertrekt van het werkingsverslag, maar daarbij voorbijgaat aan diverse genomen concrete initiatieven. Voor het overige voert de verzoeker aan dat “een eenvoudige lezing van het beleidsplan (van de tussenkomende partij) [...] duidelijk (maakt) dat het gaat om een academische, theoretische uiteenzetting welke in de perceptie mooi en professioneel oogt, maar [dat] eens daaraan wordt IX-6209-20/36 voorbijgegaan blijkt dat het geen concrete, realistische, pragmatische oplossingen geeft. Indien wordt voorbijgegaan aan de perceptie en wordt gekeken naar de werkelijke inhoud van de beleidsplannen kan in geen geval tot het besluit worden gekomen dat het ene beleidsplan ‘uitstekend’ zou zijn en het andere niet. Een dergelijke vergelijking mist elke deugdelijkheid en zorgvuldigheid.” Deze grief wordt verder toegelicht aan de hand van enkele concrete voorbeelden. Daarbij legt de verzoeker de nadruk op het feit dat de door de tussenkomende partij vooropgestelde streefdoelen “zeer algemeen zijn en weinig afgestemd op de concrete werking van de rechtbank in Dendermonde”. - In verband met het feit dat “weinig aandacht (wordt) geschonken aan de persoonlijke ontwikkeling en motivatie van de verschillende medewerkers” voert de verzoeker aan dat het beleidsplan van de tussenkomende partij, buiten het voorstellen van een systeem van “beloning”, geen concrete maatregelen vermeldt, terwijl de verzoeker in zijn beleidsplan aandacht besteedt aan de waardering voor de medewerkers, en hij dit aspect voorts plaatst in een ruimer geheel en, vooral, in het licht van de concrete realiteit. - In verband met het feit dat “weinig blijk (wordt gegeven) van de nodige creativiteit en (dat) weinig rekening (wordt) gehouden met de op til staande wijzigingen binnen justitie”, merkt de verzoeker op dat de bedoelde wijzigingen tweeërlei zijn, en in de twee beleidsplannen aan bod komen: aan de ene kant is er de hervorming van de gerechtelijke organisatie, waarmee de verzoeker in zijn beleidsplan rekening heeft gehouden, terwijl het beleidsplan van de tussenkomende partij een overzicht geeft van de inhoud van de oprichtingsnota van het Themisplan tot hervorming van de gerechtelijke organisatie, maar geen gegevens bevat over het beleid voor de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde; aan de andere kant is er de hervorming van de procedure inzake de collectieve schuldenregeling en de nieuwe echtscheidingswet, waarbij de tussenkomende partij geen rekening houdt met de concrete toestand maar zich enkel baseert op het werkingsverslag over het jaar 2007. De verzoeker concludeert dat het in het geheel niet duidelijk is, op basis van de stukken in het dossier en het bestreden besluit, waarom het beleidsplan van de tussenkomende partij “uitstekend” is en dat van hem niet. 8.2.2.3. Wat betreft de visie op de werking en organisatie van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, is de benoemings- en aanwijzingscommissie van oordeel dat de visie van de tussenkomende partij meer IX-6209-21/36 uitgesproken, modern en toekomstgericht is dan die van de verzoeker. Volgens de verzoeker blijkt dat echter helemaal niet uit het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep of uit de beleidsplannen. Bovendien houdt de beoordeling van de commissie een kritiek in op de huidige werking en organisatie van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, terwijl uit geen enkel stuk blijkt dat deze negatief beoordeeld wordt, wel integendeel. 8.2.3. De verzoeker besluit het middel als volgt : “De overheid is in casu niet overgegaan tot een behoorlijk, grondig en zorgvuldig vergelijkend onderzoek van de titels en verdiensten van de kandidaten. De vergelijking en afweging vertrekt vooreerst van een onjuiste, minstens niet onderbouwde premisse dat een ‘vernieuwende’ sturing en coördinatie van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde noodzakelijk zou zijn. Bovendien blijkt uit de bestreden beslissing niet afdoende dat de vergelijking en de afweging van de titels en verdiensten in concreto zijn gebeurd, d.w.z. in relatie tot de vacante functie van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde.” 9. De verwerende partij antwoordt dat de titels en de verdiensten van de kandidaten werden vergeleken op basis van objectieve criteria, meer bepaald hun bekwaamheid en geschiktheid voor de functie van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en het standaardprofiel van korpschef voor deze rechtbank, zoals vastgesteld door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie op 4 september 2000. Het bestreden besluit vertrekt daarbij zowel voor de verzoeker als voor de tussenkomende partij vanuit de adviezen van de eerste voorzitter van het Hof van beroep te Gent van 19 augustus 2008, de hoorzittingen op 13 oktober 2008 en de beleidsplannen. In de adviezen van de eerste voorzitter van het Hof van beroep te Gent werden beide kandidaten positief beoordeeld. De tussenkomende partij werd echter op een meer positieve wijze geëvalueerd op basis van zowel de hoorzittingen als zijn beleidsplan. In het algemeen kan worden gesteld dat de tussenkomende partij op basis van die twee elementen als toekomstgericht wordt ervaren, terwijl met betrekking tot de verzoeker wordt overwogen dat er “weinig of geen elementen zijn waaruit blijkt dat hij toekomstgerichte sturing en coördinatie wenst te bewerkstellingen” en dat hij “geen blijk geeft van een doorgedreven visie over hoe de rechtbank van eerste aanleg toekomstgericht dient te worden geleid”. IX-6209-22/36 De verwerende partij merkt voorts op dat de hoorzitting niet het doorslaggevend element in de vergelijking is geweest, maar dat zij inzonderheid op basis van de beoordeling van het beleidsplan tot de conclusie is gekomen dat de verzoeker minder toekomstgericht was dan de tussenkomende partij. De stelling van de verzoeker dat de concrete uitoefening van het mandaat als voorzitter slechts beperkt wordt bekritiseerd en dan nog enkel op basis van de indruk die de verzoeker gemaakt heeft op de hoorzitting, klopt dus niet. Het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep is vol lof zowel voor de tussenkomende partij als voor de verzoeker, maar maakt geen melding van een toekomstvisie of creativiteit in hoofde van de verzoeker. De verwerende partij besluit dat niet wordt voorbijgegaan aan dit advies en dat daaraan ook niet minder waarde wordt gehecht dan aan het beleidsplan of de hoorzitting, zoals de verzoeker beweert. De inhoud van de hoorzitting en van de beleidsnota wordt geschraagd door het administratief dossier. De verzoeker verwijt aan de tussenkomende partij dat deze in haar beleidsplan verwijst naar elementen die gelden voor alle rechtbanken van eerste aanleg en een onvoldoende kennis zou hebben van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Deze stelling toont echter niet aan dat de tussenkomende partij minder geschikt zou zijn voor de functie van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, maar toont net aan dat zij zich inspireert op elementen die in het algemeen gelden om zo de concrete werking van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde te optimaliseren. De tussenkomende partij toont verder wel degelijk een kennis van de concrete situatie van de rechtbank van eerste aanleg aan: zij geeft in haar beleidsplan een concreet overzicht van het personeel, de logistieke middelen, de dienstregeling, de vroegst mogelijke rechtsdag in elke materie en het aantal gewezen vonnissen. De tussenkomende partij geeft bovendien niet enkel bij elk onderwerp de huidige situatie als eerste onderdeel aan, maar duidt ook telkens als tweede onderdeel het streefdoel aan. In zijn arresten over het koninklijk besluit van 4 december 2006 heeft de Raad van State overwogen dat het concrete functioneren van de verzoeker toen kennelijk minder aandacht gekregen had dan zijn beleidsplan. Volgens de verwerende partij is aan die kritiek tegemoet gekomen, en is wel degelijk aandacht besteed aan het concrete functioneren van de verzoeker. De ervaring van de IX-6209-23/36 verzoeker wordt als ruim ervaren, maar tegelijk overweegt de verwerende partij dat deze ervaring door de verzoeker niet voldoende wordt benut. Hoe ruim verzoekers concrete ervaring bij de rechtbank van eerste aanleg ook moge zijn, volgens de verwerende partij laat die ervaring de verzoeker niet toe om tot een gestructureerd toekomstgericht beleid te komen voor de volledige Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. De verwerende partij wijst er ten slotte op dat zij inzake de benoeming van magistraten over een discretionaire bevoegdheid beschikt, terwijl de Raad van State zich terughoudend opstelt en slechts een marginale controle uitoefent, door met name te controleren of de door de overheid uitgevoerde “belangenafweging” niet kennelijk onredelijk is. Zij besluit dat er wel degelijk een objectieve “belangenafweging” door de verwerende partij heeft plaatsgevonden en dat deze “belangenafweging” niet als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd. De verwerende partij streeft duidelijk het algemeen belang na, gezien zij een kandidaat benoemt die zowel door de eerste voorzitter van het Hof van beroep te Gent als op basis van zijn beleidsplan en tijdens de hoorzitting zeer geschikt werd bevonden en die bovendien, in tegenstelling tot de verzoeker, een uitgesproken toekomstvisie heeft voor de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. 10.1. De tussenkomende partij merkt vooreerst op dat het aangevochten benoemingsbesluit genomen is met absolute eerbiediging van de principes die kunnen worden afgeleid uit het schorsingsarrest nr. 172.989 van 29 juni 2007. Van meet af aan stelt zij ook dat de verzoeker onmogelijk staande kan houden dat het bestreden besluit niet formeel gemotiveerd zou zijn. 10.2. In verband met het eerste onderdeel betwist de tussenkomende partij de bewering als zouden de motieven van het bestreden besluit alleen op de hoorzitting van de Hoge Raad voor de Justitie zijn gebaseerd. Zij wijst er ook op dat de verzoeker het bestreden besluit fragmentarisch analyseert en de onderlinge verbanden tussen de diverse overwegingen negeert. Uit het geheel van het bestreden besluit blijkt dat de benoemende overheid haar oordeel heeft gevormd na een adequate en duidelijke vergelijking van gegevens die geput zijn uit de adviezen van de eerste voorzitter van het Hof van beroep te Gent, de door beide kandidaten ingediende beleidsplannen en de bevindingen naar aanleiding van de hoorzittingen van de Hoge Raad voor de Justitie. IX-6209-24/36 In zoverre de verzoeker in het aangevochten besluit een tegenstrijdigheid ontwaart tussen de motieven afgeleid uit de gegevens van de hoorzitting en de motieven afgeleid uit het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep, meent de tussenkomende partij dat dit het resultaat is van een onvolledige en inconsistente lectuur van het bestreden besluit, te meer daar een vergelijking van de in hun geheel gelezen adviezen van de eerste voorzitter tot de slotsom leidt dat de eerste voorzitter zich in globo veel gunstiger uitlaat over de tussenkomende partij dan over de verzoeker. In zoverre de verzoeker aan het bestreden besluit verwijt dat ze een aantal van zijn verwezenlijkingen onvoldoende in aanmerking neemt, merkt de tussenkomende partij op dat de bedoelde verwezenlijkingen niet blijken uit het dossier, en dat de verzoeker ze pas in zijn verzoekschrift voor de Raad van State vermeldt. In zoverre de verzoeker aanvoert dat uit het bestreden besluit geenszins zijn concrete functioneren zou blijken, ofschoon dit door de Raad van State in zijn arrest nr. 172.989 als een element van een behoorlijke beoordeling werd aangehaald, antwoordt de tussenkomende partij dat het besluit wel degelijk concreet verwijst naar verwezenlijkingen van de verzoeker, bijvoorbeeld naar aanleiding van de analyse van het advies van de eerste voorzitter. 10.3. In verband met het tweede onderdeel merkt de tussenkomende partij vooreerst op dat de Raad van State in zijn arrest nr. 172.989 niet gesteld heeft dat zo goed als uitsluitend aandacht werd besteed aan het beleidsplan en niet aan het concrete functioneren van de verzoeker, maar dat de Raad wel te verstaan heeft gegeven dat op een meer evenwichtig afgewogen wijze aandacht moet worden gegeven aan zowel het beleidsplan als het concrete functioneren. De verzoeker stelt zelf vast dat het thans aangevochten besluit deze evenwichtsoefening wel heeft gemaakt en dat bij de vergelijking van de competenties en van de visie op de werking en de organisatie van de rechtbank niet alleen de beleidsplannen, maar ook het concrete functioneren van de kandidaten in de overwegingen zijn betrokken. De gedetailleerde analyse van de elementen van onderscheid in het verzoekschrift wijzen erop dat de verzoeker deze vergelijking door afweging van beleidsplannen, concreet functioneren en adviezen van de eerste voorzitter in het bestreden besluit wel terugvindt, maar dat hij zich met de inhoudelijke beoordeling daarvan niet kan verzoenen. De verzoeker wenst in feite dat de Raad van State zou doen wat hij niet IX-6209-25/36 vermag te doen, met name zich in de plaats stellen van de overheid en haar aldus haar discretionaire beoordelingsmacht ontnemen. Bij wijze van voorbeeld verwijst de tussenkomende partij naar de uiteenzetting in het verzoekschrift waarin de verzoeker de noodzaak voor een vernieuwende sturing en coördinatie van de rechtbank te Dendermonde in vraag stelt, minstens de wijze waarop deze vernieuwing door hem wordt geconcipieerd wil laten primeren. Het is nochtans duidelijk dat de benoemende overheid, op grond van de uitgedrukte motieven, die steun vinden in het beleidsplan, in de gegevens van de hoorzitting, in de adviezen van de eerste voorzitter van het Hof van beroep te Gent en in het concrete functioneren van de kandidaten, met betrekking tot dat beoordelingsaspect de voorkeur heeft gegeven aan de visie van de tussenkomende partij. De Raad van State kan alleen maar vaststellen dat zulks allerminst op onredelijke of onzorgvuldige wijze is gebeurd. Ten overvloede voegt de tussenkomende partij hieraan toe dat uit de adviezen van de eerste voorzitter zeer duidelijk een verschillende appreciatie van de betrokken kandidaten blijkt, dat de verzoeker een onaanvaardbaar eenzijdig beeld ophangt van het door de tussenkomende partij neergelegde beleidsplan, en dat dit beleidsplan niet alleen maatregelen op hoger niveau suggereert, maar ook concrete maatregelen uitwerkt voor de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Beoordeling van het middel 11. Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten, krachtens welk iedere burger gelijke toegang heeft tot de openbare ambten, houdt in dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken, op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid, die echter de redelijkheid als grens heeft. Uit de formele motivering van het benoemingsbesluit en de gegevens van de zaak moet kunnen blijken dat die afweging correct is gebeurd. In het arrest nr. 172.989 van 29 juni 2007 heeft de Raad van State erop gewezen dat het gelijkheidsbeginsel impliceert dat bij de beoordeling van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van de kandidaten met betrekking tot het te begeven ambt. IX-6209-26/36 Luidens het arrest diende de benoemende overheid rekening te houden met het feit dat de verzoeker sinds 1998 de functie van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde uitoefende, en dat hij aldus kandidaat was voor een hernieuwing van het door hem beklede mandaat, terwijl de tussenkomende partij een benoeming nastreefde in een functie die zij op dat ogenblik niet uitoefende. 12.1. In het eerste onderdeel van het middel voert de verzoeker aan dat uit een vergelijking van de motieven van het vernietigde koninklijk besluit van 4 december 2006 en de motieven van het thans bestreden koninklijk besluit kan worden afgeleid dat de verwerende partij, om tegemoet te komen aan de opmerking van de Raad van State dat terdege rekening moest worden gehouden met de wijze waarop de verzoeker zijn mandaat als voorzitter concreet heeft uitgeoefend, zich enkel baseert op wat tijdens de hoorzitting is gezegd. Om die reden gaat de verzoeker ervan uit dat de hoorzitting het doorslaggevende element is in de vergelijking van de kandidaten. De verzoeker verwijst daarbij naar één van de laatste overwegingen van de voordracht van de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, letterlijk overgenomen in het bestreden besluit, waarin gesteld wordt: “Tijdens de hoorzitting maakt [de tussenkomende partij] bovendien een meer gedreven indruk dan [de verzoeker]. De ruime ervaring van [de verzoeker] als voorzitter en ondervoorzitter weegt hier niet tegen op omdat hij de mogelijkheden die hem reeds werden geboden als voorzitter onvoldoende heeft aangewend om te komen tot een duidelijk en gestructureerd toekomstgericht beleid voor de volledige rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde.” 12.2. Onder meer uit die overweging blijkt dat de benoemings- en aanwijzingscommissie inderdaad rekening gehouden heeft met wat de kandidaten op de hoorzitting verklaard hebben. In zijn verzoekschrift betwist de verzoeker niet dat de verwerende partij met die verklaringen rekening kon houden bij de beoordeling van de kandidaten. Ter zitting voert hij evenwel aan dat, in strijd met artikel 259ter, § 4, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, geen uitgetikte tekst van de hoorzitting is opgemaakt na het instellen van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. De verwerende partij geeft overigens toe dat geen uitgetikte tekst van het onderhoud van de kandidaten kan worden opgemaakt, nu het informaticasysteem dat zorgt voor de automatische opnames ten gevolge van een achteraf vastgestelde IX-6209-27/36 stroomonderbreking gedurende een aantal dagen niet naar behoren heeft gefunctioneerd. De Raad van State is voorshands van oordeel dat het ontbreken van de uitgetikte tekst van de hoorzittingen niet tot gevolg heeft dat de bestreden benoeming onwettig is geworden, gelet op de verwijzing door de benoemings- en aanwijzingscommissie en de Koning naar de tijdens de hoorzittingen afgelegde verklaringen. Zoals uit artikel 259ter, § 4, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek blijkt, is een uitgetikte versie immers enkel vereist als een beroep bij de Raad van State wordt ingesteld, en moet een dergelijke tekst slechts opgemaakt worden nadat een dergelijk beroep is ingesteld. Het is dan ook voldoende dat in de voordracht en in het bestreden besluit voor elk van de kandidaten wordt aangegeven wat uit de hoorzitting als relevante gegevens naar voor is gekomen. De verzoeker betwist overigens niet de reden die door de verwerende partij is gegeven ter verklaring van het ontbreken van een uitgetikte tekst. Meer in het algemeen moet opgemerkt worden dat de hoorzitting tot doel heeft aan de kandidaten de mogelijkheid te bieden hun beleidsplan toe te lichten. De hoorzitting lijkt in elk geval een relevant gegeven voor de beoordeling van de kandidaten te zijn. 12.3. Met de verwerende partij en de tussenkomende partij neemt de Raad van State voorshands aan dat, in tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, uit de voordracht en het bestreden besluit niet kan worden afgeleid dat de benoemings- en aanwijzingscommissie en de Koning hun oordeel in beslissende mate gesteund zouden hebben op hetgeen de kandidaten, en met name de verzoeker, tijdens de hoorzitting verklaard hebben. Uit de motieven van de voordracht en het bestreden besluit blijkt integendeel dat, in zoverre de verzoeker in vergelijking met de tussenkomende partij minder gunstig is beoordeeld, die beoordeling steunt, niet enkel op wat de verzoeker op de hoorzitting heeft verklaard, maar ook op zijn beleidsplan. Terzake haalt het bestreden besluit in het bijzonder de volgende overweging uit de voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie aan: “Tijdens de hoorzitting maakt [de verzoeker] een rustige maar weinig dynamische indruk. De kandidaat geeft ook weinig blijk van zin voor zelfkritiek. Bovendien blijkt onvoldoende, zowel uit zijn beleidsplan als tijdens de hoorzitting, dat hij als voorzitter alle mogelijkheden heeft aangegrepen om te komen tot een duidelijk en gestructureerd toekomstgericht beleid voor de volledige rechtbank. Hij legt (en legde) weinig nadruk op het verhogen van de performantie waardoor met de beschikbare middelen betere resultaten kunnen IX-6209-28/36 worden bereikt. Als voorzitter en ondervoorzitter heeft hij zich te weinig pro- actief opgesteld en zich te snel bij de zaken neergelegd. Hij komt slechts in beperkte mate tot het stellen van concrete doelstellingen en geeft geen blijk van een doorgedreven visie over hoe de rechtbank van eerste aanleg toekomstgericht dient te worden geleid. De commissie is wel van oordeel dat [de verzoeker] voldoet aan de vereisten gesteld in het standaardprofiel.” 12.4. In zoverre de verzoeker aanvoert dat de motieven die uit de hoorzittingen met de verzoeker en de tussenkomende partij worden afgeleid, niet correct, niet concreet, niet precies en niet duidelijk zijn, moet in het algemeen worden opgemerkt dat conclusies die worden afgeleid uit het verbaal en non-verbaal gedrag van personen die op een hoorzitting verschijnen uiteraard anders zijn dan conclusies die worden afgeleid uit geschreven stukken. Dit betekent echter niet dat een benoemende overheid niet zou mogen steunen op hetgeen zij op een hoorzitting kan waarnemen. Vanuit het oogpunt van de formele motiveringsplicht is wel vereist dat zij haar conclusies uit die waarnemingen voldoende expliciteert. Te dezen stelt de beoordelings- en aanwijzingscommissie vast dat de verzoeker op de hoorzitting “een rustige, maar weinig dynamische indruk” maakt. Van de tussenkomende partij wordt gesteld dat deze op de hoorzitting “een meer gedreven indruk” maakt dan de verzoeker. Het gaat weliswaar om indrukken, maar ze zijn op waarneembare gegevens gesteund. Het staat aan de beoordelings- en aanwijzingscommissie om de gegevens van het dossier te beoordelen, en dat slaat onder meer op hetgeen zij op de hoorzitting heeft kunnen waarnemen. De verzoeker brengt geen elementen aan die in de huidige stand van de procedure toelaten om aan de redelijkheid van die beoordeling te twijfelen. De conclusies die de beoordelings- en aanwijzingscommissie uit de hoorzittingen trekt, zijn ook voldoende concreet. De verzoeker verwijt voorts aan de motivering dat ze een interne tegenstrijdigheid bevat, doordat de beoordelings- en aanwijzingscommissie uit de hoorzitting met de verzoeker allerlei ongunstige conclusies trekt die volledig in contrast staan met de overweging dat de verzoeker “voldoet aan de vereisten gesteld in het standaardprofiel”. Aldus lijkt de verzoeker echter uit het oog te verliezen dat, als een kandidaat aan de minimumvereisten voor een betrekking voldoet, dit niet wegneemt dat uit de vergelijking met een andere kandidaat kan blijken dat hij in mindere mate aan die vereisten voldoet dan de andere kandidaat. De Raad van State ziet dan ook geen tegenstrijdigheid in de door de verzoeker bekritiseerde motieven. IX-6209-29/36 12.5. In zoverre de verzoeker aanvoert dat de motieven die de benoemings- en aanwijzingscommissie afleidt uit de hoorzitting in strijd zijn met het advies van de eerste voorzitter van Hof van beroep te Gent over de verzoeker, moet vooreerst worden opgemerkt dat de commissie niet gebonden is door dat advies. Zij kan dus tot conclusies komen die afwijken van dat van de eerste voorzitter. Te dezen maakt de verzoeker echter niet aannemelijk dat er sprake is van een werkelijke afwijking van het advies van de eerste voorzitter. In lijn met dat advies is ook de benoemings- en aanwijzingscommissie van oordeel dat de verzoeker voldoet aan de vereisten gesteld in het standaardprofiel. In tegenstelling tot de eerste voorzitter, die over elke kandidaat afzonderlijk een advies uitbrengt, diende de benoemings- en aanwijzingscommissie de kandidaten evenwel te vergelijken en aldus de verschillen in bekwaamheid en geschiktheid tussen de kandidaten in het licht te stellen. De omstandigheid dat de verzoeker op een aantal punten minder gunstig wordt beoordeeld dan de tussenkomende partij, doet op zich niet blijken van een afwijking van het advies van de eerste voorzitter. Wel is het zo dat de commissie op twee punten een relativerende opmerking maakt bij de gunstige beoordeling van de verzoeker door de eerste voorzitter: waar de eerste voorzitter overweegt dat de verzoeker “op een creatieve manier [kan] plannen en organiseren”, merkt de commissie op dat dit “onvoldoende blijkt uit zijn beleidsplan”; waar de eerste voorzitter voorts overweegt dat de verzoeker “als toenmalige voorzitter [...] verbeteringen [heeft] aangebracht en [...] al enkele verwezenlijkingen achter zijn naam [heeft] staan, o.a. kaderuitbreiding, meer jeugd- en onderzoeksrechters, aangepaste en uitgebalanceerde dienstregeling voor een betere werking en kwaliteit, betere infrastructuur, enz.”, merkt de commissie op “dat de opgesomde verwezenlijkingen niet kunnen worden herleid tot een loutere verdienste van de voorzitter alleen, zodat ze tot hun juiste proporties dienen te worden herleid”. Het behoort tot de taak van de commissie om alle gegevens van het dossier te beoordelen en eventueel met elkaar in verband te brengen. De aangehaalde relativerende opmerkingen geven voorshands geen blijk van een kennelijk onredelijke beoordeling. 12.6. In zoverre de verzoeker ten slotte aanvoert dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat zijn concrete functioneren als voorzitter is beoordeeld, en dat uit de motivering evenmin blijkt of en in hoeverre een vernieuwing in de sturing en de coördinatie van de rechtbank wenselijk of noodzakelijk is, moet vooreerst IX-6209-30/36 worden opgemerkt dat “vernieuwende sturing en coördinatie van de rechtbank” één van de eisen is die, meer bepaald wat betreft het resultaatgebied “organisatie”, in het standaardprofiel voor de functie van voorzitter van een rechtbank van eerste aanleg is opgenomen. Uit de beoordeling die de benoemings- en aanwijzingscommissie van de verzoeker geeft, blijkt dat zij van oordeel is dat de verzoeker “als voorzitter [niet] alle mogelijkheden heeft aangegrepen om te komen tot een duidelijk en gestructureerd toekomstgericht beleid voor de volledige rechtbank”, dat hij “weinig nadruk [legt (en legde)] op het verhogen van de performantie waardoor met de beschikbare middelen betere resultaten kunnen worden bereikt”, dat hij zich “als voorzitter en ondervoorzitter [...] te weinig pro-actief [heeft] opgesteld en zich te snel bij de zaken [heeft] neergelegd”, en dat hij “slechts in beperkte mate tot het stellen van concrete doelstellingen [komt] en [...] geen blijk [geeft] van een doorgedreven visie over hoe de rechtbank van eerste aanleg toekomstgericht dient te worden geleid”. Deze vaststellingen leiden ertoe dat de ruimere ervaring van de verzoeker, in vergelijking met de tussenkomende partij, niet opweegt tegen de gegevens die in het voordeel van deze laatste pleiten, in het bijzonder haar “toekomstgerichte visie, creativiteit en omgevingsbewustzijn (toekomstige wijzigingen binnen justitie)”. Bij de onderlinge vergelijking van de verzoeker en de tussenkomende partij legt de commissie er immers de nadruk op dat de verzoeker “de mogelijkheden die hem reeds werden geboden als voorzitter onvoldoende heeft aangewend om te komen tot een duidelijk en gestructureerd toekomstgericht beleid voor de volledige rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde”. Aldus blijkt dat de commissie, in het bijzonder op basis van het concrete functioneren van de verzoeker als voorzitter en als ondervoorzitter, tot de conclusie komt dat deze niet alle mogelijkheden heeft aangewend om te komen tot een toekomstgericht beleid. Dit maakt de verzoeker volgens de commissie minder geschikt dan de tussenkomende partij om in te spelen op toekomstige wijzigingen binnen justitie. Aldus lijken de motieven, in strijd met de beweringen van de verzoeker, wel degelijk rekening te houden met zijn concrete functioneren als voorzitter en als ondervoorzitter, en wordt bovendien ook aangegeven waarin hij op het punt van de vernieuwende sturing en coördinatie van de rechtbank minder goed scoort dan de tussenkomende partij. IX-6209-31/36 12.7. Het onderdeel is niet ernstig. 13.1. In het tweede onderdeel van het middel voert de verzoeker in essentie aan dat uit de adviezen van de eerste voorzitter van het Hof van beroep te Gent en de beleidsplannen van de kandidaten niet blijkt, enerzijds, dat de bekwaamheden van de tussenkomende partij “beter aansluiten bij de competenties zoals omschreven in het standaardprofiel”, onder meer inzake “toekomstgerichte visie, creativiteit en omgevingsbewustzijn”, en anderzijds, dat de tussenkomende partij een “meer uitgesproken moderne en toekomstgerichte visie” heeft op de werking en de organisatie van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. 13.2. De benoemings- en aanwijzingscommissie steunt haar conclusie dat de tussenkomende partij in vergelijking met de verzoeker in grotere mate over de genoemde competenties beschikt en een meer moderne en toekomstgerichte visie heeft, voornamelijk op een beoordeling van de beleidsplannen die door de kandidaten werden ingediend en, wat betreft de verzoeker, op de hoorzitting. Het beleidsplan van de verzoeker wordt door de benoemings- en aanwijzingscommissie als volgt beoordeeld : “Zijn beleidsplan bevat een duidelijke visie van de kandidaat over de werking en de organisatie van de rechtbank van eerste aanleg. Het beleidsplan bevat echter weinig of geen elementen waaruit blijkt dat de kandidaat toekomstgerichte sturing en coördinatie van de rechtbank wenst te bewerkstelligen. Het is eerder een beschrijving van de actuele toestand en het is weinig toekomstgericht. In het beleidsplan wordt ook bijzonder weinig aandacht geschonken aan de persoonlijke ontwikkeling en motivatie van de verschillende medewerkers en er is geen sprake van het voeren van een modern human resourcemanagement binnen de rechtbank. Er wordt ook weinig blijk gegeven van de nodige creativiteit. De kandidaat is zich bewust van de op til staande wijzigingen binnen justitie. Hij beperkt zich soms echter tot het vaststellen van de wijzigingen, en reikt onvoldoende de nodige oplossingen of een duidelijke visie hieromtrent aan. Dit alles wijst op een mogelijk mindere aanwezigheid van de competenties omgevingsbewustzijn, visie en creativiteit, zoals omschreven in het standaardprofiel.” De commissie overweegt vervolgens dat de conclusies die zij in verband met de genoemde competenties uit het beleidsplan trekt, in de hoorzitting met de verzoeker zijn bevestigd: “[...] Bovendien blijkt onvoldoende, zowel uit zijn beleidsplan als tijdens de hoorzitting, dat hij als voorzitter alle mogelijkheden heeft aangegrepen om te komen tot een duidelijk en gestructureerd toekomstgericht beleid voor de volledige rechtbank. Hij legt (en legde) weinig nadruk op het verhogen van de IX-6209-32/36 performantie waardoor met de beschikbare middelen betere resultaten kunnen worden bereikt. Als voorzitter en ondervoorzitter heeft hij zich te weinig pro- actief opgesteld en zich te snel bij de zaken neergelegd. Hij komt slechts in beperkte mate tot het stellen van concrete doelstellingen en geeft geen blijk van een doorgedreven visie over hoe de rechtbank van eerste aanleg toekomstgericht dient te worden geleid. [...]” Over het beleidsplan van de tussenkomende partij stelt de commissie daarentegen het volgende: “[Haar] goed beleidsplan getuigt van een realistische, toekomstgerichte, klantgerichte en pragmatische kijk op de werking van een rechtbank van eerste aanleg waarmee hij een vernieuwende sturing en coördinatie van de rechtbank wenst te bewerkstelligen, waarbij [zij] voldoende rekening houdt met de op til staande hervormingen binnen de rechterlijke organisatie. [Zij] geeft ook blijk zich bewust te zijn van de specifieke problemen waarmee een voorzitter van deze rechtbank kan worden geconfronteerd [Zij] stelt duidelijke doelen en legt realistische persoonlijke klemtonen. [Haar] visie en concepten worden duidelijk onderbouwd, geven blijk van de nodige creativiteit en houden rekening met de beschikbare middelen en spelen in op de op til staande wijzigingen binnen justitie. [Haar] visie is concreet, objectief en methodisch, en houdt rekening met de nood aan een modern human resourcemanagement. [Zij] beschikt tevens over de nodige zin tot samenwerking tussen de verschillende actoren en heeft een duidelijke en doordachte kijk op het te voeren beleid en personeelsbeleid, met onder meer bijzondere aandacht voor kwaliteitszorg en een kwaliteitsvolle openbare dienstverlening, zelfevaluatie, stimuleren en motiveren van medewerkers, efficiënte inzet van mensen en middelen, evenwichtige en evenredige verdeling van de werklast, communicatie, betrokkenheid, collegialiteit en teamwork, transparantie van de organisatie en overleg, permanente vorming en groepsgericht leiderschap.” 13.3. Wat betreft de adviezen van de eerste voorzitter van het hof van beroep, dient nogmaals te worden opgemerkt dat deze als zodanig geen onderlinge vergelijking van de kandidaten bevatten. Beide kandidaten verkregen een advies met de eindvermelding “zeer gunstig”. De benoemings- en aanwijzingscommissie heeft niettemin kunnen vaststellen dat in het advies van de eerste voorzitter over de verzoeker wordt gesteld dat deze “voldoet” aan het profiel voor een korpschef van een rechtbank van eerste aanleg, terwijl het advies over de tussenkomende partij luidt dat deze “ten volle aan de vereisten van het profiel voor het beoogde ambt [beantwoordt]”. Die laatste vaststelling kan niet worden afgedaan als “spijkers op laag water zoeken”, nu het advies van de eerste voorzitter over de tussenkomende partij op verschillende punten in meer lovende bewoordingen is gesteld. Zo wordt in de conclusie van het advies over de verzoeker gesteld dat deze “beschikt over de nodige intellectuele, organisatorische en menselijke kwaliteiten die vereist zijn om IX-6209-33/36 een grote rechtbank te leiden en [dat hij] door zijn collegae gewaardeerd [wordt]”. In de conclusie van het advies over de tussenkomende partij wordt daarentegen, onder meer, uitdrukkelijk gewezen op “[haar] klare en duidelijke visie over de werking van een rechtbank en over de te verwachten doelstellingen inzake beleid en beheer”, hetgeen aansluit bij de door de benoemings- en aanwijzingscommissie gedane vaststellingen in verband met toekomstgerichte visie, creativiteit en omgevingsbewustzijn. 13.4. De verzoeker wekt in zijn verzoekschrift de indruk dat hij van de Raad van State verwacht dat deze de inhoud van de beleidsplannen van de kandidaten en de adviezen van de eerste voorzitter zou onderzoeken en daaruit dan zou besluiten dat de benoemings- en aanwijzingscommissie bij de verzoeker ten onrechte een mogelijk mindere aanwezigheid van de competenties omgevingsbewustzijn, visie en creativiteit, zoals omschreven in het standaardprofiel, en een minder moderne en toekomstgerichte visie heeft vastgesteld. Het komt de Raad van State evenwel niet toe om in de plaats van de benoemings- en aanwijzingscommissie tot een beoordeling van de beleidsplannen en de adviezen over te gaan. De kritiek die de verzoeker geeft op elk van de punten waarop de beoordeling steunt, overschrijdt de grenzen van het marginaal toezicht dat de Raad van State kan uitoefenen. Het volstaat te dezen vast te stellen dat de beoordelingen door de benoemings- en aanwijzingscommissie voorshands niet kennelijk onredelijk lijken. 13.5. Het onderdeel is niet ernstig. 14. Nu het enig middel in geen van zijn onderdelen ernstig is bevonden, is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. Verzoek tot anonimisering 15. In zijn verzoekschrift vraagt de verzoeker dat met toepassing van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State bij de publicatie van het arrest zijn identiteit niet zou worden opgenomen. IX-6209-34/36 16. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en totdat de debatten gesloten zijn, eisen dat bij de publicatie van het arrest of de beschikking de identiteit van de natuurlijke personen niet zou worden bekendgemaakt. Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoekers vraag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Dirk Van Der Kelen in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Artikel 4. Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van de verzoeker niet bekendgemaakt. IX-6209-35/36 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 juli 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-6209-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.368 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.410 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.