id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.469 Rolnummer: A. 193446/VII-37390 Zaak: Arrest 195469 - Milieuvergunningen - 31/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-08-03 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:26 Fiche Arrest nr 195.469 van 31 juli 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.469 van 31 juli 2009 in de zaak A. 193.446/VII-37.
- In zake : de b.v.b.a. MULTOGAS SERVICE, die woonplaats kiest bij advocaat E. DESAIR, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Ankerrui 26 tegen : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd.VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. MULTOGAS SERVICE op 22 juli 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het “besluit van het Milieu- college van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 13 juli 2009, overgemaakt aan (de raadsman van) verzoekster bij aangetekend schrijven zonder datum, ontvangen op 15 juli 2009, waarbij het beroep van verzoekster wordt afgewezen, ingesteld tegen de beslissing van de heer Hannequart, handeld (sic) in zijn hoedanigheid van leidend ambtenaar van het BIM dd. 8 juni 2009 tot stopzetting en sluiting van het benzinestation van Multogas Service bvba gelegen aan de Akenkaai 18 te 1000 Brussel”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 juli 2009, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad P. BARRA; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DESAIR, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A. VANDAELE, die verschijnt voor de verwerende partij; VII-37.390-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partij exploiteert een benzinestation, gelegen aan de Akenkaai 18 te Brussel. 1.
- De percelen waarop de inrichting gevestigd is, zijn eigendom van de gewestelijke vennootschap van de Haven van Brussel. Met een overeenkomst van 4 november 1977 zijn ze in concessie gegeven aan de verzoekende partij. 1.
- De inrichting is volgens het Gewestelijk Bestemmingsplan (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 3 mei 2001) gelegen in het “gebied van gewestelijk belang nr. 1”. Het programma hiervan voorziet onder meer in de “begroening van de kanaaloevers”. 1.
- Op 2 augustus 1999 verleent het Brussels Instituut voor Milieubeheer een milieuvergunning voor een periode van zes jaar, “om de toekomst te vrijwaren inzake de heraanleg van de betreffende zone door het Gewest en de stad Brussel” en “omdat er geen planning is vastgelegd voor de uitvoering van de werken”. 1.
- Op 14 juli 2003 dient de verzoekende partij een aanvraag in tot verlenging van de milieuvergunning. 1.
- Het Brussels Instituut voor Milieubeheer verlengt de milieu- vergunning stilzwijgend voor een termijn van 15 jaar. In beroep weigert het Milieucollege op 26 juli 2005 de gevraagde verlenging van de milieuvergunning. Dit wordt bevestigd bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 29 september
- Bij arrest nr. 150.424 van 19 oktober 2005 schorst de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid de tenuitvoerlegging van dit besluit. VII-37.390-2/6 1.
- Ingevolge dit arrest wordt, bij besluit van de Brusselse Hoofd- stedelijke regering van 26 januari 2006, het geschorste besluit van 29 september 2005 ingetrokken. Het beroep dat de verzoekende partij had ingediend, wordt gedeeltelijk gegrond verklaard, de beroepen beslissing van het Milieucollege van 26 juli 2005 wordt vernietigd en aan de verzoekende partij wordt een vergunning verleend om haar inrichting verder te exploiteren voor een “niet verlengbare” termijn van één jaar en negen maanden, vanaf de vervaldatum van de te hernieuwen vergunning (dit wil zeggen tot 2 mei 2007). 1.
- Met het arrest nr. 173.413 van 12 juli 2007 vernietigt de Raad van State artikel 4 van dit besluit waarbij de gevraagde vergunning voor een “niet verlengbare” termijn van één jaar en negen maanden wordt verleend. 1.
- Na dit arrest laat de Brusselse Hoofdstedelijke regering na om opnieuw uitspraak te doen over het beroep dat de verzoekende partij had ingesteld tegen de beslissing van het Milieucollege van 26 juli
- 1.
- Met een aangetekend schrijven van 3 juli 2008 maant de verzoekende partij de verwerende partij formeel aan om een nieuwe beslissing over haar vergunningsaanvraag te nemen. Die aanmaning gebeurt op grond van artikel 82 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat, indien de aanvrager van de vergunning geen beslissing heeft ontvangen binnen een termijn van dertig dagen na het versturen van de aanmaning, de beslissing waartegen beroep is ingesteld, wordt bevestigd. 1.
- De aanmaning blijft zonder gevolg. Bij arrest nr. 189.497 van 15 januari 2009 vernietigt de Raad van State het “stilzwijgend besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering” houdende de bevestiging van de weigerings- beslissing van het Milieucollege van 26 juli 2005 betreffende de verlenging van de milieuvergunning van de verzoekende partij voor de uitbating van het betrokken benzinestation. 1.
- Op 28 mei 2009 neemt de Brusselse Hoofstedelijke regering een nieuwe uitdrukkelijke beslissing over het beroep dat de verzoekende partij had ingediend tegen de weigeringsbeslissing van het Milieucollege van 26 juli
- Het beroep wordt andermaal ongegrond verklaard en de verlenging van de milieuvergunning van 2 augustus 1999 wordt geweigerd. Bij arrest nr. 194.565 van VII-37.390-3/6 22 juni 2009 verwerpt de Raad van State het beroep bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit. 1.
- De verzoekende partij heeft ook een nieuwe vergunningsaanvraag ingediend voor de verdere exploitatie van het betrokken benzinestation. 1.
- Op 10 oktober 2008 weigert het Brussels Instituut voor Milieubeheer ook die vergunningsaanvraag. 1.
- De verzoekende partij heeft tegen deze beslissing beroep aangetekend bij het Milieucollege. Aangezien het Milieucollege heeft nagelaten binnen de wettelijke termijn uitspraak te doen over dat beroep en de beroepen beslissing zodoende wordt geacht stilzwijgend te zijn bevestigd, heeft de verzoe- kende partij gebruik gemaakt van de mogelijkheid om tegen de stilzwijgende beslissing van het Milieucollege beroep aan te tekenen bij de Brusselse Hoofdstedelijke regering. 1.
- Met een besluit van 28 mei 2009 heeft de Brusselse Hoofdstedelijke regering het beroep afgewezen en de weigering van de milieuvergunning bevestigd. Bij arrest nr. 194.565 van 22 juni 2009 verwerpt de Raad van State het beroep bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit. 1.
- Op 4 juni 2009 wordt door een ambtenaar van het Brussels Instituut voor Milieubeheer mondeling bevel gegeven tot stopzetting van de activiteiten en sluiting van de inrichting. Op 8 juni 2009 bevestigt de leidende ambtenaar van het Brussels Instituut voor Milieubeheer dit bevel. Op 18 juni 2009 dient de verzoekende partij beroep in bij het Milieucollege tegen de beslissing van 8 juni
- Op 13 juli 2009 beslist het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat het beroep ontvankelijk doch ongegrond is. Dit is de bestreden beslissing.
- Beoordeling Uit het geschetste feitenrelaas blijkt dat voor de vergunnings- plichtige activiteiten die het voorwerp uitmaken van het bevel tot stopzetting en sluiting, verzoekende partij niet beschikt over een geldige milieuvergunning. VII-37.390-4/6 Immers, met de besluiten van 28 mei 2009 heeft de Brusselse Hoofdstedelijke regering, enerzijds, de verlenging van de milieuvergunning van 2 augustus 1999 geweigerd en, anderzijds, ook de nieuw aangevraagde milieu- vergunning geweigerd. Vastgesteld dient te worden dat ook zonder de bestreden beslissing de inrichting niet zou mogen worden geëxploiteerd. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kan daarom aan de verzoekende partij niet het recht geven de inrichting verder te exploiteren. Verzoekende partij lijkt dan ook geen voordeel te kunnen puren uit een schorsing van de bestreden beslissing. Bovendien lijkt verzoekende partij een onwettig belang na te streven zo zij met haar vordering zou beogen de exploitatie verder te zetten zonder de wettelijk vereiste vergunning. Zo verzoekende partij een wettig belang zou aantonen dat los staat van het verder onwettig exploiteren van de inrichting, zou haar vordering ontvankelijk kunnen worden bevonden; dergelijk belang lijkt verzoekende partij niet aan te tonen. Voorts toont verzoekende partij in haar verzoekschrift ook niet aan dat zij vóór het bevel tot stopzetting en sluiting het recht had om de inrichting te exploiteren, en dat zij dat recht zou herwinnen als recht- streeks gevolg van de schorsing en latere vernietiging van de bestreden beslissing. Tenslotte kan er ten overvloede op gewezen worden dat verzoekende partij in haar verzoekschriften in de zaken A. 192.947/VII-37.378 en A.192.948/VII-37.379, bij de uiteenzetting van de ingeroepen uiterst dringende noodzakelijkheid, zelf stelde dat zij over geen milieuvergunning meer beschikt, haar uitbating dient te stoppen en een sluitingsbevel niet meer is dan de bevestiging van de weigering van de milieuvergunning. De vordering tot schorsing dient te worden verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. VII-37.390-5/6 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig juli 2009, door : de H. P. BARRA wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A.TRUYENS griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. BARRA. VII-37.390-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.469 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.284 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.167 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div