← België

Arrest 195471 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 31/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.471 Rolnummer: A. 193547/XII-5907 Zaak: Arrest 195471 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 31/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-08-03 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:26 Fiche Arrest nr 195.471 van 31 juli 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.471 van 31 juli 2009 in de zaak A. 193.547/XII-

  1. In zake : Norbert VAN DE MEIRSSCHE, die woonplaats kiest bij advocaat C. DAEL, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 122, bus 14 tegen :
  2. de BURGEMEESTER VAN DE STAD BLANKENBERGE,
  3. de STAD BLANKENBERGE, die woonplaats kiezen bij advocaat D. DE CLERCK, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Hoogstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat Norbert VAN DE MEIRSSCHE op 28 juli 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het verbod van 27 juli 2009 van de burgemeester van de stad Blankenberge om de handelszaak ‘James’, Langestraat 28 te Blankenberge, uit te baten gedurende een termijn van een maand; Gezien de het administratief dossier van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 30 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 juli 2009, om 16.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. LUST; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. DAEL, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat D. DE CLERCK, die verschijnt voor de verwerende partijen; XII-5907-1/6 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. NEUTS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  5. Na verzoeker op 17 juli 2009 te hebben gehoord, beslist op 27 juli 2009 de burgemeester van de stad Blankenberge, onder verwijzing naar artikel 9bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, om de handelszaak James, die hij sinds 1 januari 2009 uitbaat aan de Langestraat 28 te Blankenberge, te sluiten gedurende een maand vanaf 1 augustus
  6. De beslissing zoekt in de eerste plaats steun in een “bestuurlijk verslag van de lokale politie Blankenberge - Zuienkerke van 17 juni 2009 waaruit blijkt dat de instelling ‘James’ al geruime tijd, sedert januari 2009, niet enkel een verzamelplaats was voor lokale druggebruikers waar ze cocaïne konden consumeren, maar ook herhaaldelijk de uitvalsbasis was van waaruit cocaïnedealers opereerden”. Tevens wordt in de beslissing onder andere overwogen dat uit de aangeklaagde feiten en uit diverse verklaringen in het gerechtelijk onderzoek is gebleken dat er veel cocaïne verbruikt werd in de taverne James, dat de uitbater net als de meeste vaste klanten notoire cocaïnegebruikers zijn, dat op verschillende tijdstippen klanten ongehinderd drugs konden kopen van personen die zich in de instelling bevonden, dat de uitbater op de hoogte was van deze handel en dit gebruik en geen maatregelen heeft genomen om de drugproblematiek in zijn instelling tegen te gaan, dat de exploitatie van de herberg oorzaak is van verstoring van de openbare orde en rust, dat er geen bijkomende alternatieven worden aangereikt door de uitbater waardoor een halt wordt toegeroepen aan de drugactiviteiten, en dat de tijdelijke sluiting van één maand voldoende proportioneel is rekening houdend met de ernst van de bedreiging van de openbare veiligheid en rust door herhaald druggebruik en drughandel. XII-5907-2/6 Het artikel 9bis, eerste lid, van de voormelde wet van 24 februari 1921 bepaalt: “Onverminderd de bevoegdheden van de rechterlijke instanties en onverminderd het bepaalde in de artikelen 134ter en quater van de Nieuwe Gemeentewet, kan de burgemeester, na voorafgaand overleg met de gerechtelijke autoriteiten, indien ernstige aanwijzingen voorhanden zijn dat in een private doch voor het publiek toegankelijke plaats, herhaaldelijk illegale activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op de verkoop, de aflevering of het vergemakkelijken van het gebruik van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, psychotrope stoffen, antiseptica of stoffen die gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, waardoor de openbare veiligheid en rust in het gedrang komt en na de verantwoordelijke te hebben gehoord in zijn middelen van verdediging, besluiten deze plaats te sluiten voor de duur die hij bepaalt”. De schorsingvoorwaarde van een ernstig middel
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de Raad slechts tot een schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid besluiten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.
  8. Wat de eerste voorwaarde betreft, voert verzoeker in een eerste middel de schending aan van de formele en de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en het proportionaliteitsbeginsel. Hij licht toe dat in de beslissing ten onrechte wordt gesteld dat hij geen maatregelen heeft genomen, dat de bestreden beslissing op feiten steunt die “niet onderbouwd [zijn] door enig afdoend bewijs”, dat er voorafgaand geen constructief gesprek is gevoerd waarin allerhande maatregelen konden zijn besproken, en dat de beslissing geen afdoende motivering bevat met betrekking tot de zwaarte en de duur van de opgelegde maatregel.
  9. Weliswaar beweert verzoeker dat hij zijn instelling, ter zitting een nachtcafé genoemd, heeft omgevormd tot een restaurant dat reeds om 22 uur sluit, maar van die nochtans niet geringe transformatie brengt hij niet het minste bewijs, of zelfs maar begin van bewijs, bij. De bewering lijkt grond te missen. XII-5907-3/6 Wel gestaafd dan weer door voldoende gegevens lijken de aantijgingen, in de bestreden beslissing, dat er in de inrichting James veel cocaïne wordt gebruikt en gedeald. De bijlagen bij het bestuurlijk verslag van 17 juni 2009 van de lokale politie zijn daarover sprekend genoeg. Vooralsnog kan ook verzoekers grief in verband met de afwezigheid van een voorafgaand “constructief gesprek” over “allerhande maatregelen [...] in kader van drugspreventie”, met de burgemeester of de lokale politie, niet overtuigen. Verzoeker is, naar aanleiding van een huiszoeking in zijn inrichting, op 25 mei 2009 vrij uitgebreid door de politie over inbreuken op de drugwetgeving verhoord. Daarbij bleek dat hij geenszins onwetend is van het druggebruik in het café en dat die wetenschap zelfs jaren teruggaat. Het heeft hem er desondanks niet toe kunnen aanzetten om -sinds hij op 1 januari 2009 zelf uitbater werd- terzake wat dan ook te ondernemen. Wat specifiek de omvorming betreft van het nachtcafé tot een restaurant dat om 22 u sluit, is hiervoor gezien dat het voorlopig om niet meer dan een loze bewering gaat. Ook in zoverre verzoeker meent dat de opgelegde sluitingsduur onvoldoende gemotiveerd is, wordt het middel in de huidige stand van de procedure niet bijgevallen. In het licht van de concrete feiten die ter verantwoording van de bestreden beslissing worden ingeroepen, is op het eerste gezicht een sluiting gedurende een maand niet buitensporig, des te minder omdat voorlopig niet blijkt dat de burgemeester ten onrechte zou hebben overwogen “dat er geen bijkomende alternatieven worden aangereikt door de uitbater waardoor een halt wordt geroepen aan de herhaaldelijke drugsactiviteiten”.
  10. Het eerste middel is niet ernstig.
  11. In een tweede en laatste middel noemt verzoeker zijn “recht om het dossier in te kijken alvorens gehoord te worden” geschonden. Hij zet uiteen dat het bestuur hem de gelegenheid moet geven om zijn standpunt naar voor te brengen en dat dit recht van verdediging slechts nuttig kan worden uitgeoefend indien hij terdege wordt geïnformeerd over de feiten die hem verweten worden, dat de concrete gegevens en zijn eigen concrete betrokkenheid voor hem verzwegen zijn, en dat het sluitingsbevel geen enkele afdoende verantwoording bevat om aan zijn recht van verdediging voorbij te gaan. XII-5907-4/6
  12. Verzoeker betwist niet dat de burgemeester hem, zoals door het sub 1 aangehaalde voorschrift van artikel 9bis, eerste lid, vereist, in zijn middelen van verdediging heeft gehoord. Wel heeft hij beweerdelijk niet de mogelijkheid gekregen om zulks met kennis van zaken, en namelijk met kennis van het dossier, te doen. Dit is op het eerste gezicht weinig geloofwaardig. Blijkens het verslag dat de hoofdcommissaris van politie van de hoorzitting van 17 juli 2009 maakte, gaf de burgemeester bij de aanvang van de zitting “kennis van het bestuurlijk verslag dat hij van de politie ontving, en van het advies dat hij ter zake kreeg van de procureur des Konings te Brugge”. Indien verzoeker het dossier niet spontaan ter inzage zou hebben gekregen, kan overigens de vraag rijzen wat hem er van heeft weerhouden om daar dan om te vragen. Niet alleen maakt het verslag van de hoofdcommissaris van politie geen gewag van een dergelijk verzoek, ook verzoeker zelf beweert niet -in zijn verzoekschrift of ter terechtzitting- dat hij zo een vraag heeft gesteld of dat geweigerd zou zijn er op in te gaan.
  13. In de gegeven omstandigheden vertoont het middel niet de voor een schorsing vereiste ernst.
  14. De eerste van de drie cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is niet vervuld. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  15. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  16. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. XII-5907-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig juli 2009, door : de H. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. LUST. XII-5907-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.471 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.050 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.