← België

Arrest 195529 - Overheidsopdrachten - 11/08/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.529 Rolnummer: A. 193427/XII-5896 Zaak: Arrest 195529 - Overheidsopdrachten - 11/08/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-08-12 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:27 Fiche Arrest nr 195.529 van 11 augustus 2009 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.529 van 11 augustus 2009 in de zaak A. 193.427/XII-

  1. In zake : bvba ARCHITECTUURGROEP LUK SEGERS, die woonplaats kiest bij advocaat K. De Puydt, kantoor houdende te 1080 Brussel, Steenweg op Ninove 153 tegen : de GEMEENTE DUFFEL, die woonplaats kiest bij advocaten P. Luypaers en H.-K. Carême, kantoor houdende te Heverlee, Industrieweg 4, bus
  2. tussenkomende partij : de cvba ANTWERPS ARCHITECTEN ATELIER (AAA), die woonplaats kiest bij advocaten P. Flamey en J. Bosquet, kantoor houdende te Antwerpen, Jan van Rijswijcklaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat bvba Architectuurgroep Luk Segers op 17 juli 2009 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 30 juni 2009 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Duffel waarbij de overheidsopdracht “Bouwen van een nieuwe brandweerkazerne langsheen de Spoorweglaan: studie en ontwerp”, wordt toegewezen aan de cvba Antwerps Architecten Atelier en van de impliciete beslissing om de opdracht niet toe te wijzen aan verzoekster; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 augustus 2009, om 10.30 uur; XII-5896-1\14 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Laenen, die loco advocaat K. De Puydt verschijnt voor verzoekster, van advocaat H.-K. Carême, die loco advocaat P. Luypaers verschijnt voor verwerende partij, en van advocaat P. Flamey, die verschijnt voor tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur I. Vos; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : Procedure
  4. Met een verzoekschrift van 31 juli 2009 heeft Antwerps Architecten Atelier cvba gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is reden dit verzoek in te willigen. De feitelijke gegevens van de zaak 2.
  5. De gemeente Duffel schrijft een overheidsopdracht van diensten uit, onder de vorm van een beperkte offerteaanvraag, met als benaming “Bouwen van een nieuwe brandweerkazerne langsheen de Spoorweglaan: studie en ontwerp”. De opdracht omvat de studie, het ontwerp, het toezicht op de uitvoering van de werken, met inbegrip van de veiligheidscoördinatie, tot de definitieve oplevering. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbeste- dingen en het Publicatieblad van de Europese Unie op 17 oktober
  6. In de aankondiging wordt meegedeeld dat het een niet-openbare procedure betreft, waarbij de aanbestedende overheid beoogt om vijf ondernemingen te selecteren die vervolgens een offerte mogen indienen. 2.
  7. De opdracht is onderworpen aan de bepalingen van bestek nr. D.08.
  8. XII-5896-2\14 Inzake de gunningscriteria bevat het bestek de volgende bepaling : “art. 115 - Gunningscriteria Op deze opdracht zijn de volgende gunningscriteria van toepassing: S conceptnota met omschrijving van de aanpak en de methodologie van de opdracht (50 %) S de te betalen prijs als honorarium (50 %) Voor elk criterium zal de puntenverdeling proportioneel met het aantal regelmatige inschrijvers gebeuren (bv. maximum score van 40 punten, 4 inschrijvingen ÷ beste inschrijving: 40 punten, tweede 30 punten, derde 20 punten, vierde 10 punten). De punten worden afgerond tot op 2 cijfers na de komma, volgens de normale afrondingsregels (5 en meer naar hoger tiental, 4 en minder naar lager tiental). In het geval dat twee inschrijvers een gelijk puntentotaal behalen zal het aantal punten op het laatste criterium doorslaggevend zijn om de uiteindelijke rangschikking te bepalen.” Wat de prijsbepaling betreft wordt de opdracht aangezien als een opdracht volgens prijslijst. Met betrekking tot de vaststelling van het ereloonpercen- tage, zijnde het tweede gunningscriterium, bepaalt het bestek bovendien het volgende : “3.
  9. Ereloonpercentage 3.1.
  10. Er wordt voor deze opdracht door de ontwerper één vast ereloonpercenta- ge opgegeven (afgerond tot op 2 cijfers na de decimaal van het percentage). Dit ereloonpercentage dient alle studiekosten te bevatten (technische installaties, ... - zie 1.
  11. Inhoud van de opdracht). 3.1.
  12. Het ereloon wordt vastgesteld op basis van de werkelijke kostprijs van de werken, na aftrek van de BTW. 3.1.
  13. Voor de berekening van het ereloon zullen de boeten of prijsverminde- ringen, verschuldigd door de aannemer(s), niet in mindering gebracht worden. Met de contractuele prijsherzieningen wordt wel rekening gehouden.” 2.
  14. Uit het proces-verbaal van opening der inschrijvingen van 26 november 2008 blijkt dat zes kandidaten zich aandienen. Vervolgens worden in het selectieverslag slechts vier kandidatuur- stellingen regelmatig bevonden. Bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 19 januari 2009 worden overeenkomstig het selectieverslag vier kandidaten geselecteerd en uitgenodigd om een offerte in te dienen: - [A] bvba, - Antwerps Architecten Atelier cvba, - Archiles Architectenbureau bvba, - [B] nv. XII-5896-3\14 De opening van de offertes vindt plaats op 25 maart
  15. Er worden vier offertes ingediend waaronder die van verzoekster en van tussenkomen- de partij. 2.
  16. In het gunningsverslag van 24 juni 2009 worden de offertes getoetst aan de gunningscriteria en worden de volgende punten toegekend: conceptnota/ honorarium totaal methodologie [A] 25 50 75 Archiles 50 25 75 [B] 12,5 37,5 50 Arch. A 37,5 12,5 50 Voorgesteld wordt om de opdracht toe te wijzen aan Antwerps Architecten Atelier cvba. 2.
  17. Op 30 juni 2009 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Duffel om de opdracht toe te wijzen aan Antwerps Architecten Atelier cvba “mits toepassing van een vast ereloonpercentage van 5,90 %”. Bij aangetekend schrijven, gedateerd op 1 juli 2009 en door verzoekster ontvangen op 7 juli 2009, wordt aan verzoekster meegedeeld dat het college beslist heeft om de opdracht toe te wijzen aan Antwerps Architecten Atelier cvba en wordt haar onder verwijzing naar artikel 21bis van de overheidsopdrachten- wet een wachttermijn toegekend van 15 dagen. Tevens wordt als bijlage het collegebesluit en het gunningsverslag meegedeeld. De ontvankelijkheid van de vordering
  18. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij en tussenkomende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen XII-5896-4\14 nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. De schorsingsvoorwaarden
  19. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de aangevoerde middelen
  20. In het inleidend verzoekschrift doet verzoekster twee middelen gelden. Uiteenzetting van het eerste middel
  21. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, van artikel 110, § 1, en 115 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheids- opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies van openbare werken, van het zorgvuldigheidsbeginsel, het patere legem quam ipse fecisti-beginsel, het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, evenals uit machtsoverschrijding. Het middel is opgesplitst in drie onderdelen. In het eerste middelonderdeel voert verzoekster aan dat de evaluatie van de offertes gebeurd zou zijn volgens een andere beoordelingsmetho- diek dan de methodiek bepaald in het bestek. Overeenkomstig de beoordelingsmet- hodiek zoals opgegeven in het bestek had verweerster, gezien er in casu vier inschrijvers zijn, een puntentoekenning op /40 moeten hanteren in plaats van de in XII-5896-5\14 het gunningsverslag gebruikte puntentoekenning op /
  22. De gehanteerde beoorde- ling is volgens verzoekster strijdig met het bestek, hetgeen leidt tot de substantiële onregelmatigheid van de bestreden beslissingen. In het tweede middelonderdeel argumenteert verzoekster dat de wijze van puntenbeoordeling zoals opgegeven in het bestek, met name de bepaling waarin gesteld wordt dat in geval twee inschrijvers een gelijk puntentotaal behalen het aantal punten op het prijscriterium doorslaggevend zal zijn om de rangschikking te bepalen, onwettig is. Aangezien de opdracht gegund wordt bij wege van beperkte offerteaanvraag mag volgens verzoekster geen doorslaggevend belang gehecht worden aan de prijs aangezien dit precies deze gunningswijze onderscheidt van de aanbesteding. Bovendien zou het bijzonder bestek, onder het gunningscriterium “conceptnota met omschrijving van de aanpak en de methodologie van de opdracht” sterk de nadruk leggen op het voldoen aan inhoudelijke architecturale voorwaarden. Ook het BPA Brandweerkazerne dat specifiek is opgesteld voor dit project en dat als bijlage gaat bij het bestek, wijst in die richting. De puntenbeoordeling leidt er niet toe dat de meest voordelige offerte wordt gekozen, rekening houdend met de geest en inhoud van het bestek. Verzoekster attendeert er op dat dit voor haar van cruciaal belang is aangezien zij de maximumscore kreeg voor het eerste criterium, terwijl de begunstigde er slechts als derde uitkomt. In een derde middelonderdeel stelt verzoekster, ondergeschikt, dat de in het bestek en in het gunningsverslag gehanteerde puntenverdeling een niet realistische weergave geeft van het verschil tussen de deelnemers voor het gunningscriterium “prijs”. Uit het gunningsverslag blijkt volgens verzoekster dat het minste prijsverschil tussen de verschillende inschrijvers met 12,5 punten op 50 (25%) verschil wordt gequoteerd. Zo rekent verzoekster voor dat het verschil van 0,05% ereloon tussen haar en [B] slechts 1.600 euro bedraagt op het geraamde bouwbudget en leidt tot een puntenverschil van 12,5 punten op
  23. Zij voegt hier aan toe dat de objectieve en kwantitatieve “regel van drie” bijvoorbeeld het verschil tussen de verschillende aanbieders wel duidelijk naar voren zou hebben gebracht. Beoordeling 7.
  24. Tussenkomende partij werpt op dat in zoverre middelonderdelen wettigheidskritiek heeft op bepalingen van het bestek, het ernstig bevinden van die kritiek er toe zou leiden dat bij gebeurlijke heroverweging na intrekking de XII-5896-6\14 aanbestedende overheid de procedure zou dienen te hervatten hetgeen de doelstel- ling van verzoekster om zelf de opdracht in natura te kunnen uitvoeren minstens voor geruime tijd buiten bereik zou brengen. Tussenkomende partij betoogt, met verwijzing naar rechtspraak van de Raad, dat het middel zich in zoverre moeilijk laat verenigen met het streven van verzoekster, zodat het in die mate niet ontvank- elijk is in de schorsingsfase 7.
  25. Verzoekster roept de onrechtmatigheid van besteksbepalingen in, waarvan zij al kennis kreeg op het ogenblik dat het bestek werd bekend gemaakt. De vraag kan rijzen of een dergelijke onrechtmatigheid in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen de uiteindelijke toewijzing mag worden ingeroepen, maar te dezen mag die vraag onbeantwoord blijven, nu zal blijken dat de grieven die terzake worden aangedragen, in elk geval niet worden bijgevallen.
  26. Verzoekster voert in het eerste onderdeel aan dat de evaluatie van de offertes volgens het bestek had moeten gebeuren met een puntentoekenning op /40 (dus: “beste inschrijving: 40 punten, tweede 30 punten, derde 20 punten, vierde 10 punten”). Zij ziet er aan voorbij dat het bestek ook bepaalt dat aan de beide gunningscriteria telkens een gewicht van 50% moet worden toegekend en dat het een afrondingsregel voorschrijft. Op het eerste gezicht is in het gunningsverslag van 24 juni 2009 de puntenscore alzo tewerk gegaan. Het gunningsverslag vermeldt weliswaar niet de tussenstap van de quotering op 40 punten, maar zet deze quotering meteen om naar het relatieve gewicht van het gunningscriterium, met name 50 %. Het eerste onderdeel lijkt feitelijke grondslag te missen en is om die reden niet ernstig.
  27. Enkel in geval van ex aequo wordt in het bestek een groter belang gehecht aan het prijscriterium. De door verzoekster aangehaalde bepalingen en beginselen verbieden op het eerste gezicht de aanbestedende overheid niet om in geval van offerteaanvraag bij gelijkwaardige puntentoekenning na toetsing aan de verschillende gunningscriteria de quotering voor de prijs de doorslag te geven. Het tweede onderdeel is niet ernstig. XII-5896-7\14 10.
  28. Hoewel in ondergeschikte orde aangebracht, verdient het derde middelonderdeel de meeste aandacht. Krachtens de in het middelonderdeel geschonden geachte artikelen 16 van de overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993 en 115 van het uitvoeringsbesluit van 8 januari 1996 bij een algemene offerteaanvraag, dient de opdracht te worden toegewezen aan de inschrijver die de voordeligste regelmatige inschrijving indient op grond van de gunningscriteria. Het behoort tot de beoordelingsvrijheid van de aanbestedende overheid om de volgens haar best geschikte beoordelingsmethode van de gunningscriteria te kiezen, zij het dat die vrijheid beperkt wordt door de beginselen van behoorlijk bestuur. De Raad van State mag niet in de plaats van het bestuur de beoordelingsmethode bepalen, maar mag enkel de gebruikte methode op haar rechtmatigheid toetsen, hetgeen inhoudt de mate waarin ze de gelijke beoordeling van de offertes zou uitsluiten en dus het bepalen van de meest voordelige offerte onmogelijk zou maken. 10.
  29. Verzoekster verwijst naar de rechtspraak van de Raad -het arrest NV Eurosense Belfotop, nr. 159.782, van 8 juni 2006- luidens welke wat betreft het gunningscriterium van de prijs, de gehanteerde methodiek een positieve evenredigheid dient in te houden tussen lage prijs en hoge score. Zo herinnert verzoekster ook aan het arrest NV Spitz, nr. 168.990, van 15 maart 2007 waarin de Raad reeds oordeelde dat een methodiek waarbij ongeacht het verschil tussen de offertes, de offertes met slechts één punt verschil gerangschikt werden, de grote prijsverschillen tussen de verschillende offertes niet op een evenredige wijze worden omgezet in een toekenning in verschillende punten, wat het vereiste van de proportionaliteit schendt en aan het arrest NV Bioterra, nr. 166.318, van 27 december 2006 waarin de Raad overwoog dat bij afweging van het prijscriterium, zelfs bij een offerteaanvraag, aan de laagste prijs de beste score moet worden verbonden. 10.
  30. In de voorliggende zaak nu, wordt reeds in het bestek aan beide gunningscriteria eenzelfde gewicht toegekend en wordt voor beide gunningscriteria eenzelfde beoordelingsmethode aangekondigd, met name dat de puntenverdeling proportioneel met het aantal regelmatige inschrijvers zal gebeuren. Voor beide criteria worden de punten dus lineair toegekend. XII-5896-8\14 De concrete toepassing van deze lineaire methode heeft er blijkbaar toe geleid dat, hoewel er slechts een beperkt prijsverschil is tussen de offerte van verzoekster (ereloonpercentage van 8,45%) en die van het architectenbureau [B] (ereloonpercentage van 8,40 %), verzoekster voor dit criterium slechts 25 punten behaalt, terwijl architectenbureau [B] 37,5 punten krijgt toebedeeld. 10.
  31. In zijn algemeenheid lijkt verzoekster terecht vragen te stellen bij de keuze voor een lineaire beoordelingsmethode, omdat dergelijke methode niet adequaat rekening lijkt te houden met de intrinsieke waarde van de offertes en het belang van de verschillen tussen de offertes voor wat betreft de verschillende gunningscriteria. 10.
  32. Verzoekster maakt in de voorliggende zaak evenwel niet aannemelijk dat in het concrete geval de in het bestek voorziene beoordelings- methode, die ten andere en anders dan het geval was in de arresten Bioterra en Spitz vooraf vastgelegd was en dus gekend was aan de inschrijvers, niet zou hebben geleid tot toewijzing aan de voordeligste regelmatige inschrijver. Gelet op het prijsverschil tussen de offerte van verzoekster (ereloonpercentage van 8,45%) en verzoekster tot tussenkomst (ereloonpercentage van 5,90%) is het verschil in puntentoekenning voor het prijscriterium tussen beiden op het eerste gezicht niet disproportioneel. Dat bij toepassing van de regel van drie het resultaat op het prijscriterium anders zou zijn, volstaat op het eerste gezicht niet om het tegendeel te bewijzen. Immers, er bestaat prima facie geen verplichting voor de aanbestedende overheid om deze strikt evenredige beoordelingsmethode te hanteren en er zijn andere legitieme beoordelingsmethodes denkbaar die, gelet op het grote prijsverschil tussen de offerte van verzoekster en de offerte van de gegunde inschrijver, mogelijk tot een zelfde resultaat hadden kunnen leiden. Ook bedenkt de Raad dat, indien de toepassing van een andere beoordelingsmethode zoals de regel van drie voorafgaand aan de inschrijvers was kenbaar gemaakt, zij hun prijzen mogelijk ook anders hadden gezet. Bovendien vereist de consequentie van verzoeksters betoog dat niet valt uit te sluiten dat de aanbestedende overheid in dat geval ook een andere, meer proportionele beoordelingsmethode voor het eerste criterium zou hebben gehanteerd, wat de aan verzoekster voor dit criterium toebedeelde maximumscore zou kunnen relativeren. XII-5896-9\14 Evenmin wordt door verzoekster aangetoond dat het gebruik van de methode in het concrete geval tot gevolg heeft gehad dat de verhouding tussen de gunningscriteria werd gewijzigd zoals het geval was in de zaak Bioterra, dan wel dat de methode tot gevolg had dat voor wat betreft het prijscriterium aan de inschrijving met de laagste prijs niet de beste score zou zijn verbonden. Wat voorafgaat leidt tot het besluit dat ook het derde middelonderdeel niet ernstig is. Uiteenzetting van het tweede middel
  33. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 110, § 2 en § 3 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996, van artikel 55 “van de Richtlijn 2004/118”, van het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, de motiveringsplicht, evenals uit machtsafwending en machtsoverschrijding. Dit middel wordt opgesplitst in twee onderdelen. In het eerste onderdeel voert verzoekster aan dat, aangezien het gunningscriterium “te betalen prijs als honorarium” overeenkomstig het bestek moet worden opgegeven in “één vast ereloonpercentage (...) vastgesteld op basis van de werkelijke kostprijs van de werken, na aftrek van de BTW”, volgens haar noodzakelijk moet worden besloten dat de offerte van de gekozen aanbieder is afgeweken van de besteksvoorwaarden, nu deze een ereloonpercentage opgeeft zonder dit te koppelen aan een geraamde kostprijs van de werken. Aldus zou de gekozen aanbieder een onzeker element hebben ingebracht, namelijk het mogelijke vermeerderen of verminderen van het concreet uit te betalen ereloon afhankelijk van een hogere of lagere werkelijke kostprijs van de bouwwerken, en zodoende de vergelijkbaarheid van de offertes ernstig hebben bemoeilijkt, zo al niet onmogelijk gemaakt. Bovendien tast het ontbreken van een raming van de werkelijke kostprijs de vergelijkbaarheid van de offertes aan; indien de werkelijke kostprijs immers hoger is dan in de offerte van verzoekster -en de referentie aan een derde bouwlaag in het verslag lijkt daar op te wijzen- kan haar offerte alsnog goedkoper uitvallen ondanks het hogere ereloonpercentage. XII-5896-10\14 Ondergeschikt, voert zij in een tweede onderdeel aan dat, gelet op het abnormaal lage ereloonpercentage in de offerte van de gegunde inschrijver, de verwerende partij ten onrechte nagelaten heeft om een prijsverantwoording te vragen, minstens om te motiveren waarom de lage prijs niet als abnormaal wordt beschouwd en het vragen van een prijsverantwoording niet noodzakelijk is. Zij wijst hierbij onder meer op het verschil in ereloonpercentage met de andere inschrijvers, evenals met de raming en de gangbare marktprijs. Voorts merkt zij op dat het bestek uitdrukkelijk bepaalt dat het ereloonpercentage ook alle studiekosten dient te bevatten en dat, aangezien een aantal studies dient te worden uitbesteed, niet enkel rekening gehouden kan worden met de erelonen voor architectuuropdrachten. Dit alles zou ook vragen doen rijzen bij de goede uitvoering van de opdracht. Beoordeling
  34. In zoverre in het tweede middel machtsafwending wordt aangevoerd is het middel niet ernstig aangezien prima facie door verzoekster nergens op enige wijze wordt toegelicht hoe het verbod op machtsafwending zou zijn geschonden.
  35. Het bestek schrijft als tweede gunningscriterium voor “de te betalen prijs als honorarium (50 %)”, met de hiervoor in het feitenrelaas geciteerde precisering met betrekking tot de vaststelling van het ereloonpercentage: er “wordt [...] één vast ereloonpercentage opgegeven [dat] alle studiekosten [dient] te bevatten”. Op het eerste gezicht houdt het louter opgeven van een ereloonpercentage in de offerte geen afwijking van voormelde besteksbepalingen in. De artikelen 3.1.2 en 3.1.3 van het bestek lijken uitsluitend betrekking te hebben op de uiteindelijke berekening van het ereloon, en dus niet op de opgave van het ereloonpercentage in de offerte en de beoordeling ervan als gunningscriterium. De voorliggende opdracht heeft immers slechts betrekking op de studie en het ontwerp, zodat op dit ogenblik nog geen “werkelijke kostprijs van de werken” lijkt te kunnen voorliggen. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet ernstig. XII-5896-11\14
  36. Een aanbestedende overheid beschikt voorts over een ruime discretionaire bevoegdheid om al dan niet een procedure in te zetten waarbij op zoek wordt gegaan naar de aanwezigheid van abnormale prijzen overeenkomstig het aangevoerde artikel 110, §3, van het koninklijk besluit van 8 januari
  37. De Raad van State mag zich bij een dergelijke beoordeling niet in de plaats stellen van het bestuur. Ingeval de aanbestedende overheid een offerte niet afwijst wegens haar blijkbaar abnormaal hoge of lage eenheidsprijzen of totale prijzen lijkt een bevraging van de inschrijver niet vereist. Niettemin geldt er een plicht voor de aanbestedende overheid om de regelmatigheid van een offerte na te gaan en één van de elementen van regelmatigheid is dat de offerte geen abnormale prijzen bevat. De Raad van State treedt in dat geval evenwel slechts op in geval blijkt dat de aanbestedende overheid haar ruime beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan. Waar er in het voorliggende geval al geen verplichting in hoofde van de aanbestedende overheid bestond om een prijsverantwoording te vragen, blijkt op het eerste gezicht verder dat het ereloonpercentage van de gegunde inschrijver weliswaar merkelijk lager ligt dan het geraamde budget en de percentages van de overige inschrijvers, doch wordt niet aangetoond dat het aanvaarden van dit ereloonpercentage de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat, te meer daar uit de stukken blijkt dat dit ereloonpercentage slechts beperkt lijkt af te wijken van de deontologische norm die op het eerste gezicht niet bindend blijkt te zijn. Ook de opmerking van verzoekster tot tussenkomst dat er binnen het administratief dossier verantwoording gevonden kan worden waarom de prijszetting lager kan liggen zoals het in eigen beheer uitvoeren van de veiligheidscoördinatie en de energieprestatie- audit lijkt vooralsnog steek te houden. In het licht van hetgeen voorafgaat is in de huidige stand van de procedure niet aangetoond dat verwerende partij tot de onregelmatigheid van de offerte van tussenkomende partij had moeten besluiten op grond van abnormaal lage prijzen. Ook het tweede onderdeel van het tweede middel is niet ernstig. XII-5896-12\14
  38. Nu geen van de aangevoerde middelen ernstig wordt bevonden, is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  39. Het verzoek tot tussenkomst van de cvba Antwerps Architecten Atelier (AAA), wordt ingewilligd. Artikel
  40. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  41. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van tussenkomende partij. XII-5896-13\14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf augustus 2009, door : de H. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5896-14\14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.529 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.479 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.