← België

Arrest 195580 - Wapens - 20/08/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.580 Rolnummer: A. 118969/XII-3503 Zaak: Arrest 195580 - Wapens - 20/08/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-01 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:28 Fiche Arrest nr 195.580 van 20 augustus 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.580 van 20 augustus 2009 in de zaak A. 118.969/XII-

  1. In zake : Joannes DEDULLEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. Levrie, kantoor houdende te Antwerpen, Frankrijklei 93 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Joannes Dedullen op 30 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 4 februari 2002 van de gouverneur van de provincie Antwerpen tot verlenging van het besluit van 23 februari 2001 houdende de schorsing van vier vergunningen tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens; Gelet op het arrest nr. 111.505 van 15 oktober 1992 waarbij de vordering tot schorsing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 20 november 2002 ingediend door verzoeker; Gezien de toelichtende memorie van verzoeker; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; XII-3503-1/8 Gelet op de beschikking van 16 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Wauters, die verschijnt voor verzoeker, en van attaché I. Verrezen, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  2. Verzoeker beschikt over vergunningen tot het voorhanden hebben van vier vuurwapens. Op 2 december 1999 beslist de gouverneur van de provincie Antwerpen de wapenvergunningen te schorsen “voor een periode van één jaar, ingaande de dag na kennisgeving van dit besluit”. Een afschrift van het schorsingsbesluit wordt bij aangetekende brief van 3 december 1999 verstuurd naar verzoeker. Op 23 februari 2001 beslist de gouverneur om het voormelde besluit van 2 december 1999 houdende schorsing van de wapenvergunningen van verzoeker met een jaar te verlengen. In een brief van 15 november 2001 aan de arrondissements- commissaris te Antwerpen vraagt de politie van Antwerpen om de verlenging van de schorsing of de definitieve intrekking van de wapenvergunningen van verzoeker in overweging te willen nemen. XII-3503-2/8 Met een aangetekende brief van 16 januari 2002 stelt de raadsman van verzoeker de gouverneur van de provincie Antwerpen in gebreke om binnen zeven dagen het nodige te doen om de wapens terug te geven. Immers is het duidelijk, aldus de brief, dat de schorsing afliep op 2 december 2001 en dat er geen enkel wettelijk kader is om te weigeren de vergunningen terug af te geven. Op 31 januari 2002 schrijft de procureur des Konings te Antwerpen het volgende naar de provinciegouverneur : “Vermits de dienst wapens bij de lokale recherche meldde dat Dedullen Joannes vóór het verstrijken van de tweede schorsingsperiode, zich op 14 november 2001 aanbod bij wapenhandelaar Lang om zijn aldaar in bewaring gegeven wapens terug te krijgen, werd een nieuw moraliteitsonderzoek gelast en werd het verhoor van Dedullen bevolen. Betrokkene weigert echter elke medewerking aan het onderzoek vermits hij niet reageerde op de diverse uitnodigingen van de lokale recherche hem toegezonden sedert 15 december 2001, zodat de schorsing opnieuw dient verlengd te worden in afwachting van grondiger onderzoek. Indien wapenhandelaar Lang deze handelswijze zou bevestigen overweeg ik U te adviseren om de vergunningen in te trekken. Ik wens echter eerst het resultaat van deze op 28 januari 2001 bevolen onderzoeksmaatregel af te wachten”. Op 4 februari 2002 verlengt de gouverneur de schorsing van 23 februari 2001 met een jaar, met ingang van 2 december
  3. Dit is de thans bestreden beslissing. In de aanhef van het besluit wordt overwogen : “Overwegende dat de schorsing werd ingegeven door het feit dat de heer Dedullen in de trapzaal van een appartementsgebouw in dronken toestand een wapen (met verboden munitie) droeg zonder de nodige vergunning; Overwegende dat de schorsing voor één jaar werd verlengd ingevolge het schrijven dat voornoemde richtte aan de hoofdcommissaris van politie te Antwerpen, waarin hij blijk gaf een bijzonder rancuneus iemand te zijn; Gelet op het advies van de procureur des Konings d.d. 31 januari ll. om de schorsing van de vergunningen alleszins te handhaven; Overwegende dat naar aanleiding hiervan tot een nieuw moraliteitsonderzoek werd beslist, waaraan de heer Dedullen evenwel elke medewerking weigert; Overwegende dat dergelijke houding onverenigbaar is met het bezit van vuurwapens en derhalve het schorsingsbesluit van 23 februari 2001 omwille van het behoud van de openbare orde, nogmaals dient te worden verlengd”. De grond van de zaak Standpunt van de partijen XII-3503-3/8
  4. Verzoeker roept in een eerste middel de schending in van het motiverings-, het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel doordat het besluit van 23 februari 2001 dat slechts uitwerking had tot 1 december 2001, op 4 februari 2002 met een jaar wordt verlengd. Verzoeker stelt dat het bestreden besluit uitsluitend geënt is op het besluit van 23 februari 2001 en dus op een beweegreden steunt die rechtens niet meer bestaat. Daarnaast voert hij aan dat het schorsingsbesluit van 2 december 1999 niet meer kon worden verlengd op 4 februari
  5. Als tweede middel voert verzoeker onder meer de schending aan van het non-retroactiviteitsbeginsel doordat het bestreden besluit een retroactieve verlenging inhoudt.
  6. In de laatste memorie doet verwerende partij gelden dat ook reeds de verlenging van 23 februari 2001 terugwerkende kracht had, dat de retroactieve kracht van het besluit van 4 februari 2002 berust op het feit dat het advies van de procureur des Konings werd afgewacht, dat artikel 6, derde lid, van de wapenwet bepaalt dat de gouverneur het advies van de procureur des Konings inwint vóór het besluit tot schorsing of intrekking van de wapenvergunningen wordt genomen, en dat dit advies op 31 januari 2002 werd uitgebracht. Tevens stelt verwerende partij dat de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, zetelend in kort geding, bij vonnis van 19 februari 2002 de wettigheid van de retroactieve kracht van het bestreden besluit heeft aanvaard, op grond van de volgende overwegingen : “Dat inmiddels het nieuw schorsingsbesluit werd verlengd tot 2 december 2002; dat het onderzoek gevoerd door de Procureur des Konings enige tijd in beslag heeft genomen gelet ondermeer op het feit dat de eiser niet reageerde op de uitnodiging die hij had ontvangen van de politie; dat eiser op 5 december 2001 werd in kennis gesteld dat het onderzoek nog lopende was; dat verweerder geen beslissing kon nemen alvorens het advies van de Procureur te hebben ingewonnen; dat derhalve de dagvaarding van eiser voorbarig was”. Beoordeling XII-3503-4/8
  7. Aangezien de schorsing voor één jaar van de wapenvergunningen van verzoeker bij beslissing van 2 december 1999 inging de dag na de kennisgeving van dat besluit, namelijk op 4 december 1999, eindigde de verlenging met één jaar van die schorsing bij beslissing van 23 februari 2001, op 3 december
  8. De wapenvergunningen verleend aan de verzoeker herwonnen hun effecten vanaf 4 december
  9. Het heeft verwerende partij niet belet de schorsing bij beslissing van twee maanden later te verlengen, met terugwerkende kracht. Nochtans moet een verlenging van de schorsing normaal worden beslist vóór het einde van de schorsing en mag slechts van het non- retroactiviteitsbeginsel worden afgeweken in geval van een wettelijke grondslag daartoe of van uitzonderlijke omstandigheden.
  10. Ter verantwoording van de verlenging, met terugwerkende kracht, wordt in de bestreden beslissing als enige reden vermeld dat de procureur des Konings op 31 januari 2002 adviseerde de schorsing te handhaven onder verwijzing naar verzoekers weigering om aan het (moraliteits)onderzoek mee te werken en, meer bepaald, zijn gebrek aan reactie “op de diverse uitnodigingen van de lokale recherche hem toegezonden sedert 15 december 2001”. Die reden vermag niet te verantwoorden dat de schorsing -met terugwerkende kracht- wordt verlengd. Niet alleen is er van de uitnodigingen en het gebrek aan reactie vanwege verzoeker in het administratief dossier geen enkel spoor te vinden. Bovendien staat dit beweerde gebrek aan medewerking enkel in verband met een periode waarin de vorige schorsing al was afgelopen. Tekortkomingen ná 15 december 2001 kunnen niet het gebrek aan een beslissing vóór 4 december 2001 verantwoorden. Aangezien in principe vóór het einde van de vorige schorsing -en dus vóór 4 december 2001- moest worden beslist over de verlenging van de schorsing, gaat het niet op of volstaat het alleszins niet om zich ter rechtvaardiging van de laattijdigheid van het aangevochten besluit en van de retroactiviteit te verschuilen achter het gebrek aan reactie van verzoeker op uitnodigingen die sedert 15 december 2001 aan hem zouden zijn verstuurd.
  11. Wat verwerende partij in de laatste memorie uiteenzet, doet hieraan geen afbreuk. XII-3503-5/8 XII-3503-6/8 Dat verzoeker niet is opgetreden tegen het besluit van 23 februari 2001, dat eveneens zou zijn genomen met terugwerkende kracht, en afstand zou hebben gedaan van “het recht om de eventuele onregelmatigheid van het besluit van 23 februari 2001 aan te vechten” doet niet terzake, nu hij met voorliggend beroep niet het besluit van 23 februari 2001 bestrijdt, maar de beslissing van 4 februari
  12. Waar de verlengingsbeslissing vóór 4 december 2001 diende te worden genomen en in zoverre verwerende partij daartoe het advies van de procureur des Konings behoefde, moest zij er zorg voor dragen om tijdig om het advies te verzoeken. Het blijkt niet dat zij daaraan voldaan heeft door het advies te vragen met een brief van slechts 20 november 2001 waarin niet op spoed werd aangedrongen of niet een uiterste datum voor het antwoord werd opgegeven. Hoe dan ook toont het feit dat verwerende partij er niet in slaagde tijdig een advies van de procureur te verkrijgen, eerder de onwettigheid van het bestreden besluit aan dan dat het vermag te verantwoorden dat de tijdslimiet voor het nemen van de verlengingsbeslissing wordt opgeschoven en dat een beslissing met terugwerkende kracht wordt genomen. Ten slotte valt evenmin in te zien hoe een voorlopige beslissing in kort geding over de door verzoeker gevorderde teruggave van de wapens, waarbij wordt vastgesteld dat de dagvaarding voorbarig was omdat het onderzoek nog lopende was en dat “inmiddels het nieuw schorsingsbesluit werd verlengd tot 2 december 2002”, de Raad van State ervan moet weerhouden om in het kader van het objectief contentieux een terecht aangeklaagde onwettigheid van dat nieuwe schorsingsbesluit te sanctioneren.
  13. De besproken middelen zijn in de aangegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Vernietigd wordt het besluit van 4 februari 2002 van de gouverneur van de provincie Antwerpen tot verlenging van het besluit van XII-3503-7/8 23 februari 2001 houdende de schorsing van vier vergunningen tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens. Artikel
  15. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig augustus 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3503-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.580 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.111.505 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.