id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.583 Rolnummer: A. 178465/XII-4925 Zaak: Arrest 195583 - Bewakingsondernemingen - 20/08/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-01 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:28 Fiche Arrest nr 195.583 van 20 augustus 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.583 van 20 augustus 2009 in de zaak A. 178.465/XII-
- In zake : Mario HANSSEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. Van De Steen, kantoor houdende te Aalst, Leopoldlaan 32 A, bus 1-2 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Mario Hanssen op 13 november 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 15 september 2006 van de minister van Binnenlandse Zaken om hem geen identificatiekaart uit te reiken voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten; Gelet op de beschikking van 7 december 2006 waarbij aan verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend voor wat betreft het beroep tot nietigverklaring; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de kennisgeving van het verslag en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 5 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-4925-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat W. Van Laethem, die loco advocaat A. Van De Steen, verschijnt voor verzoeker, en van attaché B. Verschaeve, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
- Op 6 augustus 2004 dient verzoekers werkgever, de nv Securitas, een aanvraag in tot het verkrijgen van een identificatiekaart als bewakingsagent voor hem. Op 3 januari 2006 doet zijn nieuwe werkgever, de bvba Most Compliant Security, eenzelfde aanvraag. Het verslag van het veiligheidsonderzoek dat als gevolg van deze aanvragen wordt gevoerd, maakt melding van vier processen- verbaal, onder meer wegens opzettelijke slagen en verwondingen. Met een brief van 17 februari 2006 wordt aan verzoeker medegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken vanwege die feiten overweegt de aangevraagde identificatiekaart te weigeren, dat hij over vijftien werkdagen beschikt om het administratief dossier in te zien en er een afschrift van te verkrijgen, en dat hij over veertig werkdagen beschikt om zijn verweermiddelen in te dienen. Op 23 maart 2006 dient de advocaat van verzoeker een verweerschrift in. Daarin wordt onder meer aangevoerd dat verzoeker de feiten steeds heeft betwist en dat hij nooit veroordeeld werd. Op 15 september 2006 beslist de minister van Binnenlandse Zaken de identificatiekaart te weigeren. Die beslissing steunt op de volgende motivering : “Dat het onderzoek naar veiligheidsvoorwaarden dat, op vraag van de door mij aangewezen ambtenaren door de politiediensten werd uitgevoerd, een aantal inlichtingen van gerechtelijke en bestuurlijke aard, alsook beroepsgegevens uit Uwen hoofde aan het licht heeft gebracht die van belang zijn in het kader van de beoordeling van de naleving van de veiligheidsvoorwaarden, bedoeld in XII-4925-2/11 artikel 6, eerste lid, 8/ en die het voorwerp uitmaken van een verslag opgesteld door de heer Rudi Rotsaert, verbindingsambtenaar van de federale politie (federale recherche); Overwegende dat het veiligheidsrapport, opgesteld overeenkomstig artikel 7 van de voornoemde wet, gewag maakt van onder meer volgende feiten: Proces-verbaal n/ DE.43.51-103461/2000 betreffende opzettelijke slagen en verwondingen De feiten vinden plaats in een woning om 00.50 uur. Er wordt aangebeld bij de woning van klager. U bent het die er zich over beklaag[t] dat de hond van klager de ganse avond aan het blaffen was. U bedreigde klager zijn hond te zullen neersteken. Vervolgens zou U enkele vuistslagen op het linkeroog van klager gegeven hebben. U geeft de bedreigingen toe doch zou niet geslagen hebben. • Proces-verbaal n/ DE .43.55-100518/1999 betreffende opzettelijke slagen en verwondingen De feiten vinden plaats in een horecazaak. Volgens getuigen zou U zonder enige aanleiding de kebabzaak zijn binnengekomen en met de volle vuist in het aangezicht van klager geslagen hebben. U zou daarbij gezegd hebben ‘U moet mijn vrouw met rust laten en van haar afblijven’. Volgens de getuige zou U gekend zijn als een vechtersbaas en U zou kickboksen gevolgd hebben. U ontkent de feiten van de slagen. [...] Overwegende dat u in uw verweer aanhaalt dat vermelde processen-verbaal nooit aanleiding hebben gegeven tot enige veroordeling en derhalve nooit bewezen zijn verklaard door een rechtbank. U trekt hieruit de conclusie dat het geenszins is bewezen dat er feiten zouden zijn gepleegd die een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken in het vertrouwen in u; Dat u zich tevens afvraagt hoe dergelijke oude feiten (i.c. 2000 en 1999) de basis kunnen vormen om de identificatiekaart te weigeren; Echter, dat een elementaire voorzorgsmaatregel van de Minister van Binnenlandse die omtrent de aanvraag moet beslissen, er in bestaat erover te waken dat de mensen die tewerkgesteld worden in de bewakingssector een profiel vertonen van terughoudendheid en over de kwaliteit beschikken om op een geweldloze wijze en met respect voor de rechten en de vrijheden van de medeburgers deze functies uit te oefenen; Dat de Minister derhalve kan nagaan of betrokkene in het verleden geen feiten heeft begaan of gedrag aan de dag heeft gelegd dat van die aard is dat er gerede twijfel bestaat of betrokken wel over de ingesteldheid en integriteit beschikt die verwacht mag worden van een persoon die toegang wenst te verkrijgen tot de uitoefening van veiligheidstaken via de private sector; Dat artikel 6, eerste lid, 8/ van de bewakingswet vooreerst uitdrukkelijk bepaalt dat personen die een uitvoerende functie uitoefenen in een bewakingsfirma moeten voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden, noodzakelijk voor de uit te oefenen bewakingsactiviteit en geen feiten mogen hebben gepleegd die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene; Dat het daarom de taak is van de overheid een afweging te maken van de feiten die van die aard zijn dat zij een ernstige tekortkoming kunnen uitmaken aan het vertrouwen dat door de maatschappij in deze personen wordt gesteld; Dat artikel 7 van de wet bepaalt dat de Minister van Binnenlandse Zaken, teneinde de appreciatiebevoegdheid in het kader van de beoordeling van de naleving van de moraliteitsvoorwaarde uit te oefenen, kan beschikken over gegevens van gerechtelijke en bestuurlijke aard, alsook beroepsdeontologische XII-4925-3/11 gegevens, die hem toelaten te beoordelen of de betrokkene, benevens de minimale objectieve wettelijke voorwaarden, ook voldoen aan de veiligheidsvereiste, die inhoudt dat betrokkene geen feiten mag hebben begaan die twijfel kunnen doen rijzen betreffende zijn algemene moraliteit of die een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in betrokkene, zelfs indien ze niet hebben geleid tot enige veroordeling op strafrechtelijk vlak; Dat er immers een belangrijk onderscheid dient gemaakt te worden tussen de manier waarop de feiten moeten bekeken worden op deontologisch vlak en op strafrechtelijk vlak. Dezelfde feiten vertonen een andere orde van belangrijkheid naargelang ze op strafrechtelijk vlak of op deontologisch vlak bekeken worden. Feiten die niet het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke veroordeling of die door het parket zonder gevolg worden gerangschikt, bijvoorbeeld omwille van andere prioriteiten of omwille van hun beperkte maatschappelijke weerslag, kunnen een weigering rechtvaardigen wanneer ze bekeken worden op deontologisch vlak; De Minister kan derhalve nagaan of betrokkene in het verleden, zonder beperking in tijd, geen feiten heeft begaan of gedrag aan de dag heeft gelegd dat van die aard is dat er gerede twijfel bestaat of betrokkene wel over de ingesteldheid en integriteit beschikt die verwacht mag worden van een persoon die toegang wenst te verkrijgen tot de uitoefening van veiligheidstaken via de private sector; Dat het proces-verbaal DE.43.51-103461/2000 dd. 08/10/2000 melding maakt van slagen gegeven bij een discussie met uw buurman. Klaarblijkelijk stoorde u zich aan het geblaf van de hond van uw buurman en ging bij deze verhaal halen. In de daaropvolgende discussie dreigde u ermee de hond neer te steken, wat door u bekend wordt, en zou er door u vuistslagen gegeven zijn aan de buurman. Een medisch attest getuigt van kneuzingen aan de linkerkaak en bepaalde 6 dagen werkonbekwaamheid. U ontkende slagen te hebben gegeven maar was desalniettemin bereid alle schade te vergoeden. Dat de feiten vermeld in het proces-verbaal DE.43.55-100518/1999 dd. 14/02/1999 als volgt kunnen samengevat worden : Bij een conflict in een horecazaak zou u een vuistslag in het aangezicht van de klager hebben gegeven. Uzelf beweerde enkel de persoon een duw te hebben gegeven. Reden voor de ruzie was een conflict tussen uw toenmalige partner en de broer van het slachtoffer. Verscheidene getuigen wensten onbekend te blijven of geen verklaringen af te leggen uit angst van wraakmaatregelen. Dat deze feiten van opzettelijke slagen en verwondingen voldoende ernstig zijn om met reden te twijfelen aan Uw geschiktheid om uw taak als bewakingsagent uit te oefenen met het nodige respect voor de rechten van medeburgers en dat dit doorslaggevende elementen zijn in het vormen van een oordeel met betrekking tot de moraliteit van een persoon die een gereglementeerd en delicaat beroep wenst uit te oefenen; Dat u in uw verweer beweert sedert 2004 het beroep als veiligheidsagent uit te oefenen zonder enig deontologisch of tuchtrechtelijk probleem en kans maakt op een bevordering tot supervisor. Dat deze bewering geen enkele positieve bijdrage levert aan uw verdediging aangezien er op geen enkel ogenblik een identificatiekaart werd afgeleverd voor het uitoefenen van enige bewakingsactiviteiten. U bent dus helemaal niet gerechtigd om het beroep van veiligheidsagent uit te oefenen en bent in overtreding met artikel 8 §3 van de bewakingswet. Dit artikel bepaalt uitdrukkelijk dat het leidinggevend en het uitvoerend personeel van een bewakingsonderneming of een interne bewakingsdienst houder dient te zijn van een identificatiekaart, dewelke zij tijdens de uitoefening van de bewakingsactiviteiten ten allen tijde bij zich dienen te hebben. XII-4925-4/11 Overwegende dat het de bedoeling was van de wetgever de bewakingssector niet alleen te reguleren maar ook te saneren. Op deze manier moet de bewakingssector gevrijwaard worden van personen die reeds inbreuken hebben gepleegd die indruisen tegen de beroepsdeontologie van een bewakingsagent; Dat van een bewakingsagent mag verwacht worden in te staan voor de uitoefening van delicate taken waaronder het er op toezien dat anderen de reglementen en regelgevingen respecteren, en dat dit niet voor de hand ligt wanneer de bewakingsagent zelf de bestaande regelgeving met voeten treedt; Gelet op de wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos worden uitgeoefend, is het belangrijk na te gaan, voor elke bewakingsagent afzonderlijk, of hij in geval van conflict geneigd zal zijn terug te vallen op geweld of bedreiging; Dat echter uit de feiten blijkt dat u reeds meerdere malen uw toevlucht zocht tot het gebruik van geweld daar waar van een bewakingsagent verwacht wordt om in conflictsituaties de kalmte en zelfbeheersing te bewaren; Dat voornoemde feiten in uwen hoofde wijzen op een algemene ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector; Om deze redenen, stel ik vast dat u niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8/ van de bewakingswet”. De grond van de zaak Eerste middel
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij stelt dat de beslissing enkel en alleen steunt op een aantal “vermeende” feiten van 1999, 2000 en 2003, die nooit zijn bewezen, en dat het bestuur is voortgegaan op eenzijdige verklaringen die hij steeds heeft ontkend. Volgens verzoeker heeft het bestuur de zorgvuldigheidsplicht geschonden door zijn beslissing zonder verder onderzoek te steunen op onbewezen vermoedens. Bovendien situeren deze “zogezegde feiten” zich binnen de privésfeer van verzoeker en wordt er niet aangetoond dat verzoeker niet aan de beroepsdeontologie van bewakingsagent zou voldoen. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (hierna: de bewakingswet), zoals die bepaling ten tijde van de bestreden beslissing luidde, moeten de personen die een uitvoerende functie uitoefenen in een bewakingsonderneming voldoen aan de moraliteitsvoorwaarden noodzakelijk voor de uit te oefenen functie en mogen ze “geen feiten gepleegd hebben die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt XII-4925-5/11 van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene”. De betrokkene mag derhalve, ook al heeft hij geen veroordeling opgelopen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, 1/, van de bewakingswet, geen feiten hebben gepleegd die uitwijzen dat hij niet over de ingesteldheid en integriteit beschikt die mag worden verwacht van een moreel en professioneel betrouwbaar bewakingsagent. Uit de woorden “zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling” in artikel 6, eerste lid, 8/,van de wet blijkt afdoende dat rekening mag worden gehouden met feiten die door het parket werden geseponeerd of waarvoor de rechter de gunst van de opschorting van uitspraak heeft toegestaan. De omstandigheid dat de feiten die verzoeker in de bestreden beslissing ten laste worden gelegd door het parket werden geseponeerd, belet bijgevolg niet dat de minister die feiten in ogenschouw mocht nemen bij de beoordeling van verzoekers morele en professionele betrouwbaarheid voor een uitvoerende functie in een bewakingsonderneming.
- Het door verzoeker ingeroepen zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden en dient te steunen op een correcte feitenvinding. Te dezen weigert de bestreden beslissing verzoeker de gevraagde identificatiekaart vanwege twee feiten van opzettelijke slagen en verwondingen. Het eerste feit maakt het voorwerp uit van een proces-verbaal DE.43.51-103461/2000 van 8 oktober 2000 en wordt in de bestreden beslissing als volgt samengevat : “Klaarblijkelijk stoorde u zich aan het geblaf van de hond van uw buurman en ging bij deze verhaal halen. In de daaropvolgende discussie dreigde u ermee de hond neer te steken, wat door u bekend wordt, en zou er door u vuistslagen gegeven zijn aan de buurman. Een medisch attest getuigt van kneuzingen aan de linkerkaak en bepaalde 6 dagen werkonbekwaamheid. U ontkende slagen te hebben gegeven maar was desalniettemin bereid alle schade te vergoeden”. XII-4925-6/11 Het tweede feit maakt het voorwerp uit van een proces-verbaal DE.43.55-100518/1999 van 14 februari 1999 en wordt in de bestreden beslissing als volgt samengevat : “Bij een conflict in een horecazaak zou u een vuistslag in het aangezicht van de klager hebben gegeven. Uzelf beweerde enkel de persoon een duw te hebben gegeven. Reden voor de ruzie was een conflict tussen uw toenmalige partner en de broer van het slachtoffer. Verscheidene getuigen wensten onbekend te blijven of geen verklaringen af te leggen uit angst van wraakmaatregelen.”
- Anders dan verzoeker in het middel beweert, is verwerende partij bij de beoordeling van de feiten niet zonder meer voortgegaan op eenzijdige verklaringen en vermoedens. Wat het eerste feit betreft, geeft verzoeker toe dat hij bij zijn buurman heeft aangebeld, dat er woorden zijn gevallen en dat hij ermee dreigde de hond neer te steken. Tevens heeft een dokter bij de buurman een kneuzing ter hoogte van de linkerkaak vastgesteld en is de betrokkene zes dagen werkonbekwaam geweest. Verzoeker heeft via zijn advocaat meegedeeld dat hij onder alle voorbehoud bereid was de schade te vergoeden. De handtastelijkheden op 14 februari 1999 bleven volgens verzoeker zelf beperkt tot een duw waardoor de betrokkene “terug op zijn stoel terecht kwam”. Volgens de verbalisant vertoonde de laatste als sporen “Buiten dikke lippen nihil”. Een vriend van de betrokkene, die wil dat zijn naam geheim blijft uit schrik voor wraak, getuigt dat verzoeker zonder aanleiding in het gezicht sloeg. Verzoeker zelf vraagt aanvankelijk zijn vriendin en een kameraad als getuige te verhoren. Naderhand vraagt hij de vriendin niet te horen omdat hij met haar in onmin is geraakt en hij ervan overtuigd is dat ze een valse verklaring zal afleggen. Uiteindelijk wordt de vriendin toch gehoord, zegt zij dat er “feiten” gebeurd zijn, maar wil zij niet toelichten welke “uit schrik van wraakmaatregelen”. De kameraad van verzoeker getuigt dat verzoeker aan de man, die hen beschimpte, een duw gaf waardoor deze “terug op zijn stoel terecht kwam”. Naar het oordeel van de Raad van State is verwerende partij niet onzorgvuldig geweest door in de gegeven omstandigheden te hebben gemeend dat uit de feiten blijkt dat verzoeker reeds meerdere malen zijn toevlucht zocht tot het gebruik van geweld, terwijl van een bewakingsagent juist verwacht wordt om in conflictsituaties zijn kalmte en zelfbeheersing te bewaren. XII-4925-7/11
- In zoverre verzoeker meent dat met de feiten geen rekening mag worden gehouden omdat zij zich binnen de privésfeer zouden situeren, merkt de bestreden beslissing pertinent op dat het, gelet op de wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos worden uitgeoefend, belangrijk is na te gaan of de bewakingsagent in geval van conflict geneigd zal zijn terug te vallen op geweld of bedreiging. Uit het feit dat verzoeker reeds meerdere malen zijn toevlucht zocht tot het gebruik van geweld, daar waar van een bewakingsagent verwacht wordt om in conflictsituaties de kalmte en zelfbeheersing te kunnen bewaren, kon de minister wettig afleiden dat verzoeker blijk geeft van een algemene ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector.
- Het middel is niet gegrond. Tweede middel
- In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de schending van het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Volgens verzoeker is de bestreden weigeringsbeslissing volkomen onredelijk, omdat zij gebaseerd is op feiten die dateren van drie tot vier jaar vóór de aanvraag tot het verkrijgen van een identificatiekaart. Bovendien gaat het om feiten binnen de privésfeer en werden de feiten nooit bewezen, maar gaat het enkel om niet vaststaande vermoedens uit een ver verleden. Beoordeling
- In de mate dat verzoeker aanvoert dat het gaat om feiten uit de privésfeer en de feiten niet bewezen zijn, kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel. Het middel is alvast wat dat betreft ongegrond.
- De feiten die de minister in aanmerking heeft genomen om de identificatiekaart aan de verzoeker te weigeren, dagtekenen van 1999 en
- Dat ze bijgevolg niet zeer recent waren, betekent nog geenszins dat ze, zoals verzoeker meent, “van geen enkele waarde” zouden zijn of dat ze namelijk uit een zo ver verleden dateren dat het de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat om er nog rekening mee te houden. XII-4925-8/11 Kan de zienswijze van verwerende partij weliswaar streng worden bevonden, streng is geen synoniem van onwettig. Waar de opdracht en de methodes van de bewakingsagent de openbare orde en veiligheid, en het privéleven van de burgers raken, heeft de wet van 10 april 1990 de bewakingssector willen saneren door hem te onderwerpen aan een zeer specifieke en beperkende regeling en door de uitoefening ervan voor te behouden aan personen van wie mag worden aangenomen dat zij in ieder opzicht voldoende waarborgen bieden. Terzake beschikt de verwerende partij over een zeer ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Naar het oordeel van de Raad van State is de verwerende partij niet de grenzen van die bevoegdheid te buiten gegaan door bij haar beoordeling in 2006 ook nog feiten uit 1999 en 2000 te betrekken. Het middel is in zijn geheel niet gegrond. Derde middel
- In een derde middel voert verzoeker wezenlijk de schending aan van het gelijkheidsbeginsel en van de redelijke termijn. Hij wijst er op dat hij pas twee jaar na de eerste aanvraag een reactie ontving van de directie Private Veiligheid. Omdat hij er op vertrouwde dat de aanvraag zou worden goedgekeurd, werkte hij reeds vanaf augustus 2004 bij een bewakingsfirma. Ten gevolge van de bestreden beslissing moest hij zijn ontslag aanbieden en zag hij zijn kansen op promotie verloren gaan. Het bestuur had veel eerder een beslissing kunnen treffen vermits de gegevens waarop de bestreden beslissing steunt, dateren van voor de aanvraag en er derhalve geen bijzonder onderzoek vereist was. Bovendien werd bij verzoeker het vertrouwen gewekt dat hij een identificatiekaart zou verkrijgen. Hij merkt op dat collega’s die strafrechtelijk veroordeeld werden, toch een identificatiekaart hebben verkregen. Beoordeling
- De bewakingswet bepaalt niet binnen welke termijn de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken over een aanvraag tot het verkrijgen van een identificatiekaart dient te worden genomen. Wanneer geen wettelijke of reglementaire bepaling een termijn oplegt voor het nemen van een beslissing, moet een redelijke termijn in acht worden genomen. XII-4925-9/11 Zelfs indien zou worden aangenomen dat te dezen de redelijke termijn overschreden werd, zou moeten worden vastgesteld dat verzoeker zonder belang erbij is om de overschrijding van de redelijke termijn als annulatiemiddel aan te voeren. Een nieuwe uitspraak over verzoekers aanvraag zal noodzakelijkerwijze van een nóg latere datum zijn. Mocht dus de aangevochten beslissing onwettig zijn omdat ze te laat is, dan zou dat a fortiori gelden voor de beslissing die, na een eventuele nietigverklaring, nog moet worden genomen. Een vernietiging op die grond wijst met andere woorden uit dat er niet op wettige wijze nog een uitspraak over verzoekers aanvraag kan worden gedaan. Volledigheidshalve is op te merken dat de overschrijding van de redelijke termijn voor verzoeker geen recht op het verkrijgen van de gevraagde identificatiekaart zou openen. Evenmin kan verzoeker terzake aanspraken ontlenen aan het feit dat hij sedert 2004 bij een bewakingsonderneming werkzaam was zonder over de vereiste identificatiekaart te beschikken.
- Wat de schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, voert verzoeker slechts aan dat collega’s die wel een strafrechtelijke veroordeling opliepen toch een identificatiekaart van bewakingsagent verkregen. De met het onderzoek van de zaak belaste auditeur komt in zijn verslag tot de vaststelling dat verzoeker geen enkele concrete informatie aanreikt omtrent de aard van de feiten waarvoor de betrokkenen veroordeeld werden. Niettemin komt verzoeker er zelfs in de laatste memorie niet toe om hierover enige verduidelijking te verschaffen. Het middel leent zich dan ook niet tot een toetsing aan het gelijkheidsbeginsel.
- Het middel wordt in zijn geheel afgewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XII-4925-10/11 Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig augustus 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4925-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.583 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div