← België

Arrest 195599 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 21/08/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.599 Rolnummer: A. 104149/XII-3086 Zaak: Arrest 195599 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 21/08/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-02 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:28 Fiche Arrest nr 195.599 van 21 augustus 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.599 van 21 augustus 2009 in de zaak A. 104.149/XII-

  1. In zake : Nora HEYLEN, wonende te Herentals, Acacialaan 42 tegen : de STAD HERENTALS. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Nora Heylen op 2 mei 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 februari 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Herentals waarbij haar definitief een negatieve evaluatie wordt toegekend; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag, opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 4 april 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 16 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat S. Cauwenberghs, die loco advocaat N. Devos verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur D. Mareen; XII-3086-1/13 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  2. Verzoekster is vastbenoemd als bibliotheekassistent in de bibliotheek van de stad Herentals. In die hoedanigheid is zij onderworpen aan de evaluatie- en beoordelingsprocedure van het administratief statuut voor het statutair gemeentepersoneel, waarvan de voor deze zaak relevante bepalingen voorschrijven, -artikel 58, eerste lid : “Het functioneringsgesprek is een gesprek tussen chef en medewerker dat de begeleiding van de medewerker naar de optimale uitoefening van de functie beoogt. Het functioneringsgesprek is een essentieel onderdeel van het personeelsbeleid”; -artikel 65, eerste en tweede lid : “Elk vastbenoemd personeelslid wordt om de twee jaar geëvalueerd. De evaluatie gebeurt binnen de 6 maanden na het einde van elke evaluatieperiode. Het resultaat van de evaluatie is gunstig of ongunstig”; -artikel 70 : “Over elk personeelslid wordt een tweejaarlijks individueel evaluatieverslag aangelegd. Het evaluatiedossier omvat : [...]
  3. De persoonlijke nota’s van de chef betreffende het personeelslid en de opmerkingen van het personeelslid ter zake en de persoonlijke nota’s van het personeelslid en de opmerkingen van de chef ter zake; [...]
  4. De concrete taakafspraken naar aanleiding van de functioneringsgesprekken. De persoonlijke nota’s bedoeld in punt
  5. van vorig lid betreffen de ambtsuitoefening en eventueel gebeurtenissen en gedragingen die de ambtsuitoefening kunnen beïnvloeden of in het gedrang brengen. Het personeelslid, c.q. de chef, viseert de nota en voegt er eventueel binnen de vijtien kalenderdagen zijn opmerkingen aan toe”; XII-3086-2/13 - artikel 75 : “Als de evaluatie van een vastbenoemd personeelslid ongunstig is, wordt met de betrokkene een functioneringsgesprek gevoerd, tussen de derde en de zesde maand na overhandiging van het evaluatieverslag”. Naar aanleiding van een op 14 mei 1998 gehouden functioneringsgesprek wordt een door verzoekster ondertekende afsprakennota opgesteld. Op 11 juni 1999 vullen beoordelaars M. Van Rompaey, assistent- dienstleider, en J. Tegenbos, bibliothecaris, met betrekking tot verzoekster een evaluatieformulier in, voor de (verkorte) evaluatieperiode van 1 juli 1997 tot 31 december
  6. De eindevaluatie is “ongunstig”. De “motivering van de totaalindruk” luidt: “Het is, met de beste wil van de wereld, onmogelijk blind te zijn voor de vele negatieve scores. Hoewel de medewerker verschillende keren (ook in het functioneringsgesprek in mei ’98) gewezen werd op tekortkomingen op het gebied van tact, nauwkeurigheid, taalgebruik,... is geen echte verbetering merkbaar. Kortom, er is nog veel werk aan de winkel!!”. Na het aanbrengen van aanmerkingen, ondertekent verzoekster dit formulier voor kennisname. Een tweede (verkorte) evaluatieperiode loopt van 1 januari 1999 tot 30 juni
  7. Op 21 december 2000 stellen de beoordelaars een evaluatieformulier op, waarin verzoekster voor die periode opnieuw globaal “ongunstig” wordt beoordeeld. Dit keer luidt de “motivering van de totaalindruk” onder meer: “Tegenover de vorige evaluatieperiode werd geen enkele verbetering vastgesteld. Integendeel, haar motivatie en medewerking bleken tot het nulpunt te zijn gedaald. Zij bleek geen enkele vorm van kritiek te aanvaarden en toonde niet de minste goede wil om aan de pijnpunten van de vorige periode te willen werken. Bewijs daarvan waren o.a. haar zeer weigerachtige houding om een baliecursus te volgen (‘da’s voor vakidioten; gelle (= leidinggevende zou da beter gaan volgen’) en haar aanvankelijke weigering om aan een functioneringsgesprek deel te nemen. [...] Kortom, deze medewerker had een heel negativistische houding tegenover het hele bibliotheekgebeuren, collega’s en leidinggevenden”. Na het aanbrengen van aanmerkingen, ondertekent verzoekster dit formulier voor kennisname op 3 januari
  8. XII-3086-3/13 Verzoekster tekent op 16 januari 2001 overeenkomstig artikel 76 van het administratief statuut schriftelijk beroep aan bij het college van burgemeester en schepenen. Het college hoort op 19 februari 2001 verzoekster en haar raadsman, evenals haar beoordelaars, en gaat vervolgens op 26 februari 2001 over tot geheime stemming over het al of niet behouden van de negatieve evaluatie van verzoekster als bibliotheekassistente. Het college beslist : “Dat de ongunstige evaluatie behouden blijft. De schending van artikel 58 van het administratief statuut is te wijten aan overmacht en aan niet-meewerken van mevrouw Heylen aan de procedures. Er werd wel degelijk een functioneringsgesprek gehouden op 13.1.2001 [lees: 13.1.2000], maar er werden geen concrete taakafspraken gemaakt gelet op de slechte verstandhouding tussen beide partijen. De Beoordelaars hebben echter wel mondelinge opmerkingen gemaakt en de taakafspraken van 14.5.1998 werden nog steeds niet nageleefd. Het laattijdig plaatsvinden van het functioneringsgesprek is niet te wijten aan de beoordelaars, maar wel aan overmacht en het niet-meewerken van mevrouw Heylen aan de procedures. Zowel in het evaluatieverslag als tijdens het verhoor van 19.2.2001 werden er voldoende voorbeelden aangehaald. De blokkering in de weddeschaal C2 is het normale gevolg van de ongunstige evaluatie”. Eerste middel Standpunt van verzoekster
  9. Verzoekster beklaagt er zich in een eerste middel in eerste instantie over dat het functioneringsgesprek slechts op 13 januari 2000 heeft plaatsgevonden, ruim zeven maanden na de overhandiging van het vorige ongunstige evaluatieformulier op 11 juni 1999, terwijl artikel 75 van het administratief statuut vereist dat dit gesprek plaatsvindt tussen de derde en de zesde maand na voormelde overhandiging, terwijl deze termijn van dwingend recht is en terwijl in het statuut geen bepaling is opgenomen volgens welke de termijn zou worden geschorst en/of verlengd bij afwezigheid wegens ziekte. In tweede instantie beklaagt verzoekster er zich over dat het functioneringsgesprek haar niet de kans heeft geboden om haar functioneren bij te sturen, aangezien het een éénrichtingsgesprek was, zij niet de kans kreeg haar visie kenbaar te maken en geen taakafspraken gemaakt konden worden, nu het gesprek door haar diensthoofd werd afgebroken. Hierdoor is volgens verzoekster artikel 58 van het administratief statuut geschonden. XII-3086-4/13 Ten derde voert zij in het middel aan dat nooit persoonlijke nota’s werden opgesteld, met als gevolg dat men haar niet kan verwijten niet te hebben voldaan aan voor haar onbekende verwachtingen, dat tijdens de evaluatieprocedure een planningsgesprek, een functioneringsgesprek en een opvolgingsgesprek moet plaatsvinden, dat er geen verslag is opgemaakt van het functioneringsgesprek van 13 januari 2000 en dat geen taakafspraken werden gemaakt. Hierdoor is volgens verzoekster artikel 70 van het administratief statuut geschonden.
  10. In de memorie van wederantwoord blijft verzoekster er bij dat zij vóór de uitnodiging van 10 januari 2000 voor een functioneringsgesprek op 13 januari 2000 nooit concreet, met vermelding van een datum en een exact uur, voor een functioneringsgesprek werd uitgenodigd. De overheid is verplicht de termijn die ze zichzelf heeft opgelegd, na te leven. Aangezien het doel van die termijn het verschaffen van rechtszekerheid is voor de betrokkene, meent verzoekster dat het gaat om een vervaltermijn. Zelfs indien het een termijn van orde zou zijn, kan deze slechts met een redelijke termijn worden overschreden. Voorts doet zij gelden dat zij wel degelijk mocht verwachten dat haar diensthoofd na het functioneringsgesprek een kort verslag of een afsprakennota zou meedelen, dat artikel 70 bepaalt dat het evaluatiedossier alle stukken “omvat” en niet “kan omvatten”, dat persoonlijke nota’s wel degelijk een meerwaarde zouden bieden en bovendien statutair verplicht zijn.
  11. In de laatste memorie stelt verzoekster nog dat de termijn van drie maanden na de overhandiging van het ongunstige evaluatieverslag over de periode van 1 juli 1997 tot 31 december 1998 een aanvang neemt op 11 juni 1999 en dus verstrijkt op 11 september 1999, “hetgeen betekent dat er nog meer dan twee maanden overbleven, voor het voeren van een functioneringsgesprek”, dat zij bovendien uit ziekteverlof terugkeerde op 27 december 1999 met als gevolg dat het functioneringsgesprek op 13 januari 2000, niet onmiddellijk maar wel “meer dan twee weken nadien” plaatsvond, dat verwerende partij verzoekster tijdens dit gesprek veel beschuldigingen ten laste legt maar nooit het bewijs heeft geleverd van hetgeen zij aanvoert. XII-3086-5/13 Beoordeling
  12. Verzoekster betoogt vooreerst dat na de overhandiging van de eerste ongunstige evaluatie op 11 juni 1999 het bij artikel 75 van het statuut vereiste functioneringsgesprek slechts plaatsvond op 13 januari 2000 en hierdoor de in voormeld artikel bepaalde termijn waarbinnen dit gesprek moest plaatsvinden, werd overschreden. Verwerende partij roept ter verantwoording van de laattijdigheid van het functioneringsgesprek onder andere aan dat verzoekster van 16 november 1999 tot 27 december 1999 afwezig was wegens ziekte, dat zij op 27 december 1999 één dag is komen werken, waarna ze verlof had tot 4 januari 2000, en dat vervolgens beoordelaar M. Van Rompaey één week met vakantie was, zodat verzoekster pas op 10 januari 2000 schriftelijk werd uitgenodigd voor een functioneringsgesprek op 13 januari
  13. Anders dan verzoekster meent, is de termijn waarin het eerder aangehaalde artikel 75 voorziet niet van die aard dat, eens verstreken, het erin bedoelde functioneringsgesprek hoe dan ook niet meer rechtsgeldig kan plaatshebben en een toekomstige regelmatige evaluatie per definitie uitgesloten is doordat de termijnoverschrijding deze evaluatie in alle gevallen noodzakelijk zou aantasten. Waar artikel 75 van het administratief statuut bepaalt dat een ongunstige evaluatie een functioneringsgesprek dient plaats te vinden tussen de derde en de zesde maand na overhandiging van het evaluatieverslag, kan het verwerende partij niet a priori kwalijk genomen worden dat zij daarmee tot de laatste van de drie maanden wacht. Dat te dezen verzoekster juist in het begin van die laatste maand ziek valt voor een periode van bijna anderhalve maand, en verwerende partij derhalve met haar tijdens die laatste maand, gelet op haar afwezigheid wegens ziekte, geen functioneringsgesprek meer kan voeren, kan haar bezwaarlijk ten kwade worden geduid, nu niet aannemelijk wordt gemaakt dat zij had moeten voorzien dat verzoekster ziek zou vallen. Wanneer dan verzoekster uit ziekteverlof terugkeert, gaat zij, na één dag werken, een week met vakantie, tot 4 januari
  14. XII-3086-6/13 Overigens blijkt uit het administratief dossier dat verzoekster wel minstens eenmaal vóór haar ziekteverlof mondeling werd uitgenodigd voor een functioneringsgesprek. Dit blijkt in het bijzonder uit haar antwoord op hetgeen haar beoordelaar J. Tegenbos hieromtrent heeft gezegd tijdens de hoorzitting van 19 februari 2001, namelijk dat “eerst [...] mondeling [...] aan mevrouw Heylen [werd gevraagd] om een functioneringsgesprek te houden”, doch dat zij “dit heeft [...] geweigerd”, waarna “de beoordelaars de uitnodiging schriftelijk [hebben] vernieuwd” en “dit is gebeurd in januari 2000”. Verzoekster reageerde : “Toen de heer Van Rompaey voor de eerste keer aan haar gevraagd had om een functioneringsgesprek te houden heeft zij geantwoord dat het de bedoeling is dat een functioneringsgesprek een tweerichtingsgesprek is i.p.v. een éénrichtingsgesprek. De heer Van Rompaey heeft dit verkeerd geïnterpreteerd en heeft hieruit afgeleid dat zij geen functioneringsgesprek wenste te houden”. In de gegeven omstandigheden kan met verwerende partij in de bestreden beslissing wordt aangenomen dat de overschrijding met één maand van de termijn van artikel 75 van het administratief statuut verschoond wordt door het ziekteverlof en de vakantie van verzoekster. Er is des te minder reden om daar anders over te denken aangezien niet blijkt dat verzoeksters belangen door de termijnoverschrijding werden geschaad. Verzoekster stelt terecht dat “het opzet van een functioneringsgesprek erin bestaat [haar] de kans te geven één en ander [...] bij te sturen teneinde het functioneren optimaal te laten verlopen”. Te dezen kan evenwel niet worden aangenomen dat haar, door het laattijdig plaatsvinden van het functioneringsgesprek op 13 januari 2000, die kans zou zijn ontnomen. Met verwerende partij wordt aangenomen dat verzoekster, gelet op het feit dat de evaluatie de periode tot 30 juni 2000 betrof, na voormeld gesprek nog vijf en half maanden de tijd had om haar functioneren bij te sturen.
  15. Wat de beweerde schending van het sub 1 geciteerde artikel 58 van het administratief statuut betreft, stelt de Raad van State vast dat geen van beide partijen betwist dat er op 13 januari 2000 een -kort- gesprek plaatsvond dat vervolgens werd afgebroken, en dat geen taakafspraken werden gemaakt. Uit de ontstentenis van (nieuwe) concrete taakafspraken volgt echter niet ipso facto dat verzoekster per definitie onwetend was over welke de verwachtingen te haren aanzien waren en in het bijzonder op welke punten haar XII-3086-7/13 functioneren diende te worden bijgestuurd. Deze moesten haar al bekend zijn uit het evaluatieformulier van 11 juni 1999 waarin verschillende tekortkomingen op het gebied van onder meer tact, nauwkeurigheid, orde, taalgebruik, werden geformuleerd en waarin tevens werd vastgesteld dat zij daar ook al in een eerder functioneringsgesprek in mei 1998 op werd gewezen, doch dat geen echte verbetering merkbaar is. Dit functioneringsgesprek in mei 1998 gaf wél aanleiding tot concrete taakafspraken omtrent minpunten inzake onder meer nauwkeurigheid, discretie en taalvolume, welke punten werden herhaald in het evaluatieformulier van 11 juni
  16. Verliep het functioneringsgesprek op 13 januari 2000 klaarblijkelijk niet in een al te beste sfeer, het belet niet dat verzoekster eruit kon en moest begrijpen dat haar functioneren nog altijd aanleiding gaf tot ernstige bezwaren, die dienden te worden verbeterd.
  17. Tenslotte betoogt verzoekster in het middel nog dat gezien nooit persoonlijke nota’s werden opgesteld, noch een verslag van of een taakafsprakennota naar aanleiding van het functioneringsgesprek van 13 januari 2000, artikel 70 van het administratief statuut werd geschonden en haar niet kan worden verweten “niet te hebben voldaan aan voor haar onbekende verwachtingen”. Luidens artikel 70, eerste en tweede lid, van het administratief statuut wordt over elk personeelslid een individueel evaluatiedossier aangelegd, en omvat dat dossier onder meer de persoonlijke nota’s betreffende het personeelslid en de opmerkingen van het personeelslid terzake alsook de concrete taakafspraken naar aanleiding van de functioneringsgesprekken. In tegenstelling tot wat verzoekster beweert, kan uit dat artikel niet worden afgeleid dat persoonlijke nota’s “statutair verplicht” zouden zijn. Vereist weliswaar het artikel dat de erin bedoelde stukken in het evaluatiedossier worden opgenomen, het is een verplichting die slechts geldt voor zoveel die stukken bestaan. Er volgt niet als zodanig uit dat bij afwezigheid in het evaluatiedossier van niet-bestaande stukken de evaluatie gevitieerd is. De vraag of verzoekster beoordelaars, spijts de afwezigheid van persoonlijke nota’s en concrete taakafspraken naar aanleiding van het functioneringsgesprek van 13 januari 2000, terecht tot een ongunstige beoordeling zijn gekomen, valt buiten het raam van het besproken middel. XII-3086-8/13
  18. Het middel is in zijn geheel ongegrond. Tweede middel Standpunt van verzoekster
  19. Verzoekster voert in een tweede middel de schending van de formele-motiveringswet aan, stellend dat in de motivering van de bestreden beslissing geen enkel van haar argumenten wordt weerlegd. De motivering beperkt zich tot de conclusie “dat tijdens het beroep is aangetoond dat de beoordelaars genoeg concrete voorbeelden konden aanhalen die ook gestaafd kunnen worden”. De elementen door Van Rompaey opgeworpen zijn door geen enkel bewijs gestaafd, en worden door verzoekster ontkend. De motivering is derhalve gebaseerd op subjectieve indrukken en uitspraken van de beoordelaars. Bovendien kwam het functioneringsgesprek veel te laat zodat verzoekster niet meer kon bijsturen.
  20. Verzoekster stelt in de memorie van wederantwoord dat de bestreden beslissing in hoofdzaak is gesteund op de overweging dat “tegenover de vorige evaluatieperiode geen enkele verbetering werd vastgesteld” en “dat ze geen enkele vorm van kritiek aanvaardt” en “niet de minste goede wil betoont”. Er is echter in het dossier geen concreet bewijs voorhanden van het gebrek aan goede wil en van verzoeksters negatieve houding in het algemeen. Er wordt verwezen naar een aantal klachten niettegenstaande daarvan geen enkel concreet bewijs voorhanden is en verzoekster ze ontkent.
  21. In de laatste memorie voert verzoekster nog aan dat de formele- motiveringswet voorschrijft dat de motieven die de beslissing schragen in de beslissing zelf moeten worden opgenomen, dat de motivering niet in een ander stuk mag worden vermeld, en dat de vraag rijst, wanneer haar in algemene bewoordingen wordt verweten dat ze tekortschiet bij de uitoefening van haar taken en zij niet eens weet welke concrete feiten haar worden verweten, hoe zij moet bewijzen dat de feiten zich onmogelijk kunnen hebben voorgedaan. Beoordeling
  22. Artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat de bestuurshandelingen van de XII-3086-9/13 besturen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. Artikel 3 van dezelfde wet voegt eraan toe dat de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn. Deze formele-motiveringsplicht vergt niet dat in de akte uitvoerig wordt geantwoord op alle argumenten die de bestuurde ten aanzien van het bestuur heeft laten gelden. Wel moeten de vermelde motieven laten verstaan waarom de argumenten die de bestuurde ten aanzien van het bestuur heeft laten gelden, in het algemeen niet werden aangenomen. Te dezen antwoordt de bestreden beslissing, zoals uit de lezing ervan blijkt, op elk van de vijf elementen die verzoekster tijdens de hoorzitting heeft aangevoerd ter verdediging. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoekster vooral kritiek heeft op het antwoord van de bestreden beslissing aangaande het “vierde element van verdediging, nl. dat het dossier weinig concrete en tastbare bewijzen bevat”. In de bestreden beslissing wordt hieromtrent overwogen dat “dat tijdens het beroep is aangetoond dat de beoordelaars genoeg concrete voorbeelden konden aanhalen die ook gestaafd kunnen worden” en “dat in het evaluatieverslag ook duidelijke voorbeelden worden vermeld o.m. over slordigheid, medewerkingsgerichtheid”. Uit die overweging blijkt dat het college van burgemeester en schepenen de voorbeelden die worden weergegeven in het proces- verbaal van verhoor van 22 februari 2001 en in het evaluatieformulier van 21 december 2000, en die dus door verzoekster gekend zijn, tot de zijne maakt.
  23. Wat de draagkracht van de motieven betreft, kan de Raad van State alvast niet buiten de vaststelling dat het evaluatieformulier van 21 december 2000 geheel in de lijn ligt van het evaluatieformulier van 1999, waartegen geen beroep werd ingesteld en dat definitief is. Voorts is vast te stellen dat de twee beoordelaars bij de redactie van het evaluatieformulier van 21 december 2000 hun quoteringen nader, hoewel niet altijd even precies en concreet, hebben toegelicht Zo verwijst het evaluatieformulier wat het subcriterium nauwkeurigheid en juistheid betreft naar: “ontleende materialen werden niet ingenomen, frankeringen gebeurden meermaals verkeerd, chaos op het bureau (o.a. half afgewerkte boeken, interne dienstnota’s die bleven rondslingeren, kopie van eerste functioneringsgesprek was spoorloos,...) enz.”; wat het criterium van de medewerkingsgerichtheid betreft naar “het in eerste instantie weigeren van een functioneringsgesprek” en naar het “problemen XII-3086-10/13 doorschuiven, weigeren bij te springen bij drukte, weigeren boeken op orde te zetten, ...”; wat het criterium van de rechtstreekse communicatie betreft naar haar voortdurend “getater”, haar “plat” taalgebruik tegenover het publiek. Bovendien zijn er ook nog “feitelijkheden” aan de oppervlakte gekomen tijdens de hoorzitting op 19 februari
  24. Verzoeksters raadsman bij dat verhoor geeft het zelf toe : “Pas nu haalt men concrete voorbeelden aan”. Deze voorbeelden mogen dan wel te laat komen om de initiële evaluatie te staven, maar ze zijn wel degelijk nog tijdig ter schraging van de collegebeslissing over het beroep ertegen. In de gegeven omstandigheden mag verzoekster niet ermee volstaan, teneinde de deugdelijkheid van de redengeving te betwisten, om de betrokken klachten en elementen zonder meer als subjectieve indrukken en als totaal uit de lucht gegrepen te bestempelen, namelijk zonder zelfs maar een minimum aan gegevens bij te brengen die er kunnen op wijzen dat de aangevoerde voorbeelden en feitelijkheden niet aan de werkelijkheid beantwoorden.
  25. Het middel wordt in zijn geheel verworpen. Derde middel Standpunt van verzoekster
  26. Verzoekster voert in een derde middel de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Toegelicht wordt dat het evaluatiedossier geen persoonlijke nota bevat, dat van het functioneringsgesprek van 13 januari 2001 geen verslag werd opgemaakt, en dat het bijgevolg allerminst van behoorlijk bestuur getuigt dat er dus gedurende de evaluatieperiode geen formele negatieve opmerking is gemaakt en verzoekster er nooit op gewezen werd dat bijsturing nodig was. Ook heeft de overheid volgens haar geen zorgvuldige belangenafweging gedaan. Het belang dat het stadsbestuur er bij heeft om verzoekster via een ongunstige evaluatie een signaal te geven weegt niet op tegen het nadeel dat zij hierdoor ondervindt. Een zorgvuldige overheid zou eerst via persoonlijke nota’s een signaal geven. XII-3086-11/13
  27. Verzoekster herhaalt in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie hetgeen zij in haar verzoekschrift heeft aangebracht en benadrukt dat er geen concrete afspraken werden gemaakt of toch niet in die mate dat daar een schriftelijk bewijs van bestaat. Beoordeling
  28. Reeds via de afsprakennota van 14 mei 1998 en het evaluatieformulier van 11 juni 1999 is verzoekster erop gewezen dat en waarom haar functioneren verbeterd moest worden. Deze stukken bevatten voldoende concrete informatie waaruit verzoekster kon afleiden op welke punten dat precies diende te gebeuren. De afwezigheid van persoonlijke nota’s of een verslag van het functioneringsgesprek van 13 januari 2000 doet hieraan geen afbreuk. Voor zoveel overigens verzoekster wil laten uitschijnen dat zij bij gebrek aan persoonlijke nota’s tijdens de evaluatieperiode van 1 januari 1999 tot 31 december 2000 niet kon weten dat de vroegere minpunten nog altijd niet verholpen waren, wordt vastgesteld dat er toch in elk geval het functioneringsgesprek van 13 januari 2000 is geweest, waarbij er naar het eigen zeggen van verzoekster jegens haar “verwijten” en “beschuldigingen” zijn geuit.
  29. Het middel maakt niet aannemelijk dat verwerende partij, door in de precieze omstandigheden van deze zaak tot het behoud van de negatieve evaluatie te hebben besloten, de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan of onvoldoende zorgvuldig heeft geoordeeld. Het middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  30. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  31. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-3086-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig augustus 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3086-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.599 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.