← België

Arrest 195600 - Bewakingsondernemingen - 21/08/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.600 Rolnummer: A. 175349/XII-4829 Zaak: Arrest 195600 - Bewakingsondernemingen - 21/08/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-01 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:28 Fiche Arrest nr 195.600 van 21 augustus 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.600 van 21 augustus 2009 in de zaak A. 175.349/XII-

  1. In zake : de BVBA ARGON, die woonplaats kiest bij advocaat J. Van Overberghe, kantoor houdende te Deinze, Guido Gezellelaan 109 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de bvba Argon op 28 juli 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “[h]et ministerieel besluit van 17 mei 2006 van de Minister van Binnenlandse Zaken tot wijziging en weigering van uitbreiding van het ministerieel besluit van 01 september 2005 tot vergunning van Argon bvba voor het exploiteren van een bewakingsonderneming, [m]eer bepaald artikel 2 van dit besluit overeenkomstig hetwelk de uitbreiding van het ministerieel besluit van 01 september 2005 tot vergunning van Argon bvba als bewakingsonderneming met de activiteiten van toezicht op en bescherming bij het vervoer van waarden wordt geweigerd”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-4829-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. De Keyser, die loco advocaat J. Van Overberghe verschijnt voor verzoekster, en van attaché B. Verschaeve, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  2. Verzoekster verkrijgt bij ministerieel besluit van 1 september 2005 een vergunning tot het exploiteren van een bewakingsonderneming voor het uitoefenen van activiteiten van 1/ toezicht op en bescherming van roerende of onroerende goederen met inbegrip van mobiele bewaking en met uitsluiting van interventie na alarm, 2/ bescherming van personen, en 3/ toezicht op en controle van personen met het oog op het verzekeren van de veiligheid op al dan niet voor het publiek toegankelijke plaatsen met inbegrip van winkelinspecteurs en portiers. Op 16 november 2005 dient verzoekster een aanvraag in tot wijziging van de vergunning in die zin dat portiersactiviteiten ervan zouden worden uitgesloten. Op 17 november 2005 dient verzoekster een aanvraag in om haar vergunning voor het exploiteren van een bewakingsonderneming te mogen uitbreiden met activiteiten van toezicht op en bescherming bij het vervoer van waarden.
  3. Bij ministerieel besluit van 17 mei 2006 wordt het ministerieel besluit van 1 september 2005 tot vergunning van de BVBA Argon voor het exploiteren van een bewakingsonderneming gewijzigd in die zin dat portiersactiviteiten ervan worden uitgesloten. Bij het thans betreden artikel 2 van hetzelfde besluit wordt de uitbreiding met activiteiten van toezicht op en bescherming bij het vervoer van waarden evenwel geweigerd. Die weigering wordt als volgt gemotiveerd : XII-4829-2/12 “Gelet op het feit dat Argon BVBA op 17 november 2005 een aanvraag heeft ingediend om zijn vergunning voor het exploiteren van een bewakings- onderneming te mogen uitbreiden met de activiteiten van toezicht op en bescherming bij het vervoer van waarden; Overwegende dat de heer Bebel Bouten het enige leidinggevende personeelslid is van de bewakingsonderneming Argon BVBA; Overwegende dat de heer Bebel Bouten gelijktijdig ook opgegeven is als enig leidinggevend personeelslid van de bewakingsonderneming Bouten Bebel VOF, vergund bij ministerieel besluit van 12 juni 2001 voor onder andere de activiteiten van toezicht op en controle van personen met het oog op het verzekeren van de veiligheid op al dan niet voor het publiek toegankelijke plaatsen; Overwegende dat ook de maatschappelijke zetel van Argon BVBA en Bouten Bebel VOF identiek is, met name Kortrijksestraat 2 te 8501 Heule; Overwegende dat uit de gegevens die de bewakingsonderneming Bouten Bebel VOF aan de administratie van Binnenlandse Zaken heeft overgemaakt, waaronder een activiteitenverslag op 14 september 2005, blijkt dat Bouten Bebel VOF in uitvoering van deze activiteit een groot deel van zijn personeel voor portiersdiensten in het uitgangsleven tewerkstelt. Dat het bekend is dat het crimineel milieu actief is in het dancing- en portiersmilieu. Dat zelfs in het verleden gebleken is dat een aantal securitydiensten die er actief zijn ‘uitgegroeid zijn tot structuren via dewelke klaarblijkelijk illegale, maar zeer lucratieve activiteiten gevoerd en/of gecontroleerd worden’ (Parl. Doc., Kamer, Memorie van Toelichting, 98-99, 2027/1, 2). Dat zonder enige uitspraak te doen aangaande Bouten Bebel VOF in het bijzonder, er moet worden vastgesteld dat ondernemingen die portiersdiensten aanbieden, een hoge risicograad vertonen voor, vaak onbewuste, maar directe of indirecte contacten met personen behorend tot criminogene milieus. Dat de uitoefening van portiersactiviteiten sinds 1999 weliswaar wettelijk geregeld is, en dat de overheid sindsdien inspanningen heeft geleverd om portiersorganisaties te saneren, maar dat deze maatregelen nochtans niet kunnen beletten dat de aard van de activiteiten met zich meebrengt dat dit bijzondere risico blijft bestaan; Overwegende dat daartegenover staat dat de activiteiten van toezicht op en bescherming bij het vervoer van waarden een opdracht uitmaakt, waarbij zeer grote hoeveelheden geld en andere waarden circuleren, zowel binnen als buiten de onderneming. Dat er hierdoor een hoog veiligheidsrisico ontstaat. Dat de bewakingsagenten die er werkzaam zijn dagelijks geconfronteerd worden met vertrouwelijke veiligheidsmaatregelen bij de klanten. Dat deze sector in het bijzonder geviseerd wordt door het crimineel milieu. Dat dit zonder meer blijkt uit het feit dat waardetransporten geregeld het doelwit zijn van gewapende overvallen. Dat overvallen, inbraken en gijzelingen in deze deelsector en bij de klanten ervan, in de regel slechts met succes kunnen worden uitgevoerd in de mate dat de daders over voldoende achtergrondinformatie beschikken. Dat een van de middelen om dit te voorkomen erin bestaat de interne bedrijfs- procedures, planningen van waardetransport en de interne werking van het bedrijf in het algemeen voor buitenstanders zo goed mogelijk geheim te houden. Dat het voor de veiligheid van het personeel dat er werkt, de klanten en het publiek, het de plicht is van de overheid er alles aan te doen om dit te bewerkstelligen en er dus nauwlettend op toe te zien geen handelingen te stellen die op dit vlak ongewenste situaties zouden kunnen opleveren; Overwegende dat uit het voorgaande niet anders kan geconcludeerd worden dan dat, vanuit het zorgvuldigheidsprincipe bij het stellen van bestuurshandelingen, directe of indirecte vermengingen tussen portiers- en XII-4829-3/12 waardetransport-activiteiten moeten vermeden worden. Dat hieruit volgt dat een leidinggevende die werkzaam is in een dienst of onderneming die portiersdiensten organiseert, niet tegelijk werkzaam kan zijn in een onderneming of dienst die activiteiten van toezicht op en bescherming bij het vervoer van waarden organiseert; Overwegende dat artikel 2, tweede lid, van de wet de minister van Binnenlandse Zaken in de mogelijkheid stelt de vergunning van bepaalde activiteiten uit te sluiten en deze bepaling, gecombineerd met de discretionaire bevoegdheid waarover de minister van Binnenlandse Zaken beschikt bij het toekennen van vergunningen vanuit het oogpunt van de algemene doelstelling van de wetgever, daarvoor de juridische grondslag biedt”. De grond van de zaak Standpunt van de partijen
  4. In een enig middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 2 en 5 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (hierna: de bewakingswet), artikel 3 van het koninklijk besluit van 14 mei 1991 betreffende de technische uitrusting van bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Naar verzoekster toelicht, voldoen zij en haar zaakvoerder aan alle wettelijke en reglementaire voorwaarden om als bewakings- en beveiligings- onderneming voor het vervoer van waarden te worden erkend. Hoewel Bebel Bouten inderdaad zowel zaakvoerder van de bvba Argon als van de VOF Bebel Bouten is, fungeren beide vennootschappen zowel juridisch als economisch onafhankelijk van elkaar. Verzoekster acht het bijgevolg onbegrijpelijk dat verwerende partij de gevraagde vergunning weigert om de enkele reden dat de zaakvoerder van verzoekster tevens werkzaam is in een onderneming die portiersactiviteiten organiseert. Eveneens voegt zij, door te stellen dat de zaakvoerder van verzoekster een verhoogd risico zou uitmaken wegens vermeende affiniteiten met criminogene milieus en te wijzen op de activiteiten die de zaakvoerder van verzoekster uitoefent binnen de VOF Bebel Bouten om dan te concluderen dat aan verzoekster geen vergunning kan worden verleend voor het vervoer van waarden, ten onrechte een voorwaarde toe waarin de wet niet voorziet, met name de afwezigheid van directe vermenging tussen portiers- en waardetransportactiviteiten. Het staat de verwerende partij evenwel niet vrij om op grond van haar vermeende discretionaire bevoegdheid een dergelijke bijkomende XII-4829-4/12 voorwaarde te stellen, nu zij zich immers de uitoefening van iedere verdere discretionaire bevoegdheid heeft ontzegd, aangezien ze heeft vastgesteld dat de zaakvoerder van verzoekster voldoet aan de objectieve voorwaarde van artikel 5, 4/, van de bewakingswet. Bijgevolg kon ze niet meer vaststellen dat de beroepsactiviteit van de zaakvoerder van verzoekster binnen de VOF Bebel Bouten als potentieel gevaarlijk voor de veiligheid en orde moet worden aangezien. Verzoekster acht voorts de bestreden beslissing minstens kennelijk onredelijk en onzorgvuldig doordat wordt vastgesteld, enerzijds, dat de zaakvoerder van verzoekster aan alle voorwaarden gesteld in artikel 5 van de bewakingswet voldoet, ook wat betreft de uitoefening van enige andere werkzaamheid die een gevaar zou kunnen opleveren voor de openbare orde of de veiligheid van de staat, maar, anderzijds, dat de zaakvoerder van verzoekster die werkzaam is in een dienst of onderneming die portiersactiviteiten organiseert, niet tegelijk werkzaam kan zijn in een onderneming of dienst die activiteiten van toezicht op en bescherming bij het vervoer van waarden organiseert. Het ontbreekt de bestreden beslissing, in dezelfde optiek, aan een afdoende, pertinente en draagkrachtige motivering.
  5. De verwerende partij antwoordt dat de vermenging tussen de verzoekster en de VOF Bouten Bebel en hun activiteiten niet ondenkbaar en zelfs hoogst waarschijnlijk is, ook al gaat het om twee afzonderlijke juridische entiteiten. Zij steunt zich hierbij op de volgende overwegingen: beide ondernemingen hebben dezelfde zaakvoerder en dezelfde maatschappelijke zetel, het voltallige leiding- gevend en uitvoerend personeel van verzoekster is tewerkgesteld bij de VOF Bouten Bebel, uit een aantal gegevens blijkt dat de zaakvoerder van verzoekster zelf niet in staat is om beide ondernemingen en hun activiteiten strikt gescheiden te houden. Een groot deel van de omzet van de VOF Bouten Bebel is afkomstig uit portiersactiviteiten. Bij ministerieel besluit van 12 oktober 2005 werd aan de VOF Bouten Bebel de gevraagde uitbreiding tot activiteiten van waardetransport geweigerd. Bij ministerieel besluit van 17 mei 2006 werd aan verzoekster de vergunning verleend voor activiteiten van persoonscontrole met uitsluiting van portiers, maar werd de vergunning geweigerd voor activiteiten van waardetransport. Deze weigering werd gesteund op dezelfde argumenten als in het XII-4829-5/12 ministerieel besluit van 12 oktober 2005 tot weigering van de uitbreiding van de vergunning van de VOF Bouten Bebel, omdat in de opinie van de verwerende partij er niet veel veranderd is en het risico op vermenging nog steeds aanwezig is. Verwerende partij betoogt voorts dat het gegeven dat de zaakvoerder van verzoekster de voorwaarden vervult om een leidinggevende functie uit te oefenen in een erkende bewakingsonderneming, niet belet dat zij van oordeel mag zijn dat een bewakingsonderneming van bepaalde activiteiten kan worden uitgesloten omdat haar zaakvoerder ook zaakvoerder is van een andere bewakings- onderneming die een vergunning heeft voor hiermee onverenigbare activiteiten. Gezien het portiersmilieu een risicosector is, meent zij dat moet worden vermeden dat een leidinggevende die werkzaam is in een onderneming die portiersdiensten organiseert tegelijk werkzaam is in een onderneming die activiteiten van toezicht op en bescherming bij het vervoer van waarden organiseert. Bovendien heeft zij geen uitspraak gedaan over de zaakvoerder van verzoekster, maar heeft ze vastgesteld dat er in het algemeen een verhoogd risico bestaat wanneer er vermenging mogelijk is tussen ondernemingen of diensten die portiersdiensten aanbieden enerzijds en ondernemingen of diensten die activiteiten van waardetransport organiseren anderzijds. Verwerende partij voert ook aan dat uit de parlementaire voorbereiding van artikel 2, § 1, tweede lid, van de bewakingswet blijkt dat de wetgever aan de minister van Binnenlandse Zaken een discretionaire bevoegdheid heeft toegekend, dat de minister bijgevolg redelijkerwijze van mening kan zijn dat het niet verantwoord is een vergunning te verlenen wanneer dit een verhoogd veiligheidsrisico met zich meebrengt, dat hij aldus geen voorwaarde toevoegt maar slechts gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid, en dat, nu de minister van die bevoegdheid op een redelijke en gemotiveerde wijze gebruik van heeft gemaakt, het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel niet werden geschonden.
  6. Verzoekster herhaalt in de memorie van wederantwoord dat zowel zij als haar zaakvoerder en personeel alle voorwaarden vervullen om een vergunning voor activiteiten van toezicht op en bescherming bij het vervoer van waarden te verkrijgen, dat de verwerende partij, door te stellen dat de zaakvoerder niet mag verbonden zijn aan een andere vennootschap die zich onder meer met portiers-activiteiten inlaat, een niet voorziene voorwaarde aan de geldende wetgeving en reglementering toevoegt, en dat de bestreden beslissing kennelijk XII-4829-6/12 onredelijk is doordat zij enerzijds vaststelt dat de zaakvoerder van verzoekster aan alle voorwaarden van de bewakingswet voldoet, ook wat betreft de uitoefening van andere werkzaamheden die een gevaar voor de openbare orde of de veiligheid van de staat zouden kunnen opleveren, en anderzijds dan wel stelt dat de zaakvoerder die werkzaam is in een dienst of onderneming die portiersdiensten organiseert niet tegelijk werkzaam kan zijn in een onderneming of dienst die activiteiten van toezicht op en bescherming bij het vervoer van waarden organiseert. Verzoekster repliceert tevens, betreffende de effectieve vermenging tussen portiers- en waardetransportactiviteiten, dat daar geen sprake van kan zijn, nu zij werd opgericht om een scheiding met de activiteiten van de VOF Bebel Bouten door te voeren, waarbij uitdrukkelijk werd voorzien dat binnen haar vennootschap geen portiersactiviteiten worden gevoerd, dat, aangezien zij nog niet in dezelfde mate actief is als de VOF Bebel Bouten, er voorlopig nog onbewust activiteiten gebeuren vanuit de VOF Bebel Bouten, maar dat eens de beoogde activiteiten werkelijk van start gaan de werkingsstructuur zal worden aangepast en dat dit ook geldt met betrekking tot het feit dat bepaalde personeelsleden thans nog werkzaam zijn binnen de VOF Bebel Bouten. De bestreden beslissing houdt daarnaast volgens de verzoekende partij ook geen rekening met de concrete omstandigheden van de zaak en met de reglementaire gradatie van waardetransporten, nu zij een vergunning wou verkrijgen voor het vervoer van waardevolle documenten en het vervoer van geldbiljetten met zogenaamd neutralisatiesysteem A en het dus niet gaat om transporten zoals met betrekking tot het vervoer van waarden voor grote bankinstellingen, waarbij voertuigen met zware bepantsering en de aanwezigheid van minstens drie agenten en nog eens de begeleiding door minstens twee escortewagens vereist is.
  7. In de laatste memorie herhaalt verzoekster in hoofdzaak wat zij reeds in haar verzoekschrift en in haar memorie van wederantwoord heeft uiteengezet. Teneinde de effectieve vermenging tussen haar en de VOF Bebel Bouten alsook het bestaan van een uitgesproken link van laatstgenoemde met het portiersmilieu te weerleggen, brengt zij nog volgende elementen naar voren,: beide vennootschappen voeren een gescheiden boekhouding, met aparte BTW- en rekeningnummers, de kantoren van verzoekster bevinden zich inmiddels op een ander adres dan de vennootschapszetel, binnen de beide vennootschappen oefenen XII-4829-7/12 twee natuurlijke personen leidinggevende functies uit, met name naast Bebel Bouten ook David Lippens, beide personen voldoen aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden waaraan dergelijke personen dienen te voldoen teneinde als persoon die de werkelijke leiding heeft binnen een erkende bewakingsonderneming te kunnen fungeren, één van de voornoemde personen zal, eens de activiteit van het waardetransport binnen verzoekster zou kunnen worden aangevat, de werkelijke en dagelijkse leiding binnen verzoekster op zich nemen, op dat ogenblik zal ook het speciaal daartoe opgeleid personeel binnen de VOF Bebel Bouten worden overgebracht naar verzoekster, deze personeelsleden betreffen personen die hoofdzakelijk voor onbepaalde duur zijn tewerkgesteld, in tegenstelling tot het personeelsbestand dat portiersdiensten uitoefent, en zij verrichten diensten welke in hoofdzaak geen uitstaans hebben met horeca-activiteiten, tenslotte stelt de VOF Bebel Bouten steeds minder werkelijke portiers binnen het uitgangsleven tewerk en ondergaan haar activiteiten een verschuiving van loutere portiersdiensten binnen de horecasector naar portiersdiensten in het kader van evenementen. Daarnaast argumenteert verzoekster nog dat de stelling van de bestreden beslissing dat personen die tewerkgesteld zijn binnen de portiersdiensten een hoge risicograad vertonen voor vaak onbewuste, maar directe of indirecte contacten met personen behorende tot criminogene milieus, een geheel subjectieve bewering blijft. Bovendien is de algemene stelling dat er sprake is van een verhoogde risicograad wanneer een vermenging mogelijk wordt gemaakt tussen ondernemingen die portiersdiensten aanbieden en ondernemingen die waardevervoer aanbieden, achterhaald aangezien de toegang tot de sector van de persoons- en toegangscontrole ten gevolge de wet van 9 juni 1999 tot wijziging van de bewakingswet heel wat verscherpt is. Verzoekster formuleert verder nog de kritiek dat de houding van verwerende partij inzake het uitsluiten van bepaalde activiteiten of het stellen van specifieke voorwaarden in het kader van het verlenen van vergunningen aan bewakingsondernemingen, inconsequent en willekeurig te noemen valt. Immers zijn er heel wat grotere spelers als vergunde ondernemingen actief, die zowel “event- security” als diensten van waardetransport aanbieden. Beoordeling XII-4829-8/12
  8. De bestreden beslissing is genomen op grond van artikel 2, § 1, tweede lid, van de bewakingswet. Luidens die bepaling kan de vergunning het uitoefenen van bepaalde activiteiten en het aanwenden van bepaalde middelen en methodes uitsluiten of aan specifieke voorwaarden verbinden. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat tot de wet van 10 april 1990 heeft geleid, werd die bepaling als volgt toegelicht (Parl. St. Kamer, 1988-1989, 775-1, 8) : “Bovendien kan de vergunning de uitvoering van bepaalde activiteiten en het gebruik van bepaalde middelen en methodes uitsluiten of aan specifieke voorwaarden onderwerpen. Daar waar bij koninklijk besluit algemeen geldende toelatingsvoorwaarden zullen bepaald worden om de financiële draagkracht en de technische mogelijkheden van de ondernemingen en diensten te garanderen en ook de algemeen geldende regels inzake gebruikte middelen en methodes zullen kunnen bepaald worden, moet het immers ook mogelijk zijn de draagwijdte van de vergunning om bewakingsactiviteiten uit te oefenen af te stemmen op de specifieke toestand van elke aanvrager. Er moet onder meer vermeden worden dat elke bewakingsdienst meteen toelating krijgt om elke vorm van activiteit vermeld in artikel 1 uit te oefenen. [...] De vergunning moet trouwens ook in functie van de kenmerken van de onderneming bepaalde risicovolle of vertrouwelijke activiteiten kunnen uitsluiten of aan specifieke voorwaarden inzake gebruikte personeelsleden (veiligheidsattest), middelen en methodes kunnen onderwerpen teneinde een maximale veiligheid en beveiliging te garanderen”. Het feit dat verzoekster en haar zaakvoerder aan alle wettelijke en reglementaire voorwaarden voldoen om een uitbreiding van haar vergunning te verkrijgen, sluit derhalve niet uit dat de minister van Binnenlandse Zaken een discretionaire bevoegdheid heeft om op grond van specifieke redenen die uitbreiding voor bepaalde activiteiten te weigeren.
  9. Het bestreden besluit weigert de uitbreiding van de vergunning van verzoekster met activiteiten van toezicht op en bescherming bij het vervoer van waarden omdat haar zaakvoerder tevens zaakvoerder is van een bewakings- onderneming die portiersdiensten aanbiedt. Tevens was -toen- de maatschappelijke zetel van beide ondernemingen op dezelfde plaats gevestigd. Daarbij gaat het niet om de persoon van de zaakvoerder maar wel om de mogelijke verstrengeling van beide ondernemingen, waarbij de minister in de bestreden beslissing vaststelt “dat ondernemingen die portiersdiensten aanbieden, een hoge risicograad vertonen voor, vaak onbewuste, maar directe of indirecte contacten met personen behorend tot criminogene milieus”, terwijl de sector van het waardetransport gekenmerkt wordt door “een hoog veiligheidsrisico” en “in het bijzonder geviseerd wordt door het crimineel milieu”. Zijn conclusie luidt dat XII-4829-9/12 “directe of indirecte vermengingen tussen portiers- en waardetransportactiviteiten moeten vermeden worden” en dat bijgevolg “een leidinggevende die werkzaam is in een dienst of onderneming die portiersdiensten organiseert, niet tegelijk werkzaam kan zijn in een onderneming of dienst die activiteiten van toezicht op en bescherming bij vervoer van waarden organiseert”. Door aldus te oordelen voegt de minister geen voorwaarde aan de wet toe, maar voert hij, overeenkomstig de discretionaire bevoegdheid die hem door het voormeld artikel 2, § 1, tweede lid, van de bewakingswet is toegekend, specifieke redenen aan om de uitbreiding van de vergunning van verzoekster te weigeren.
  10. Het argument van verzoekster dat de beide ondernemingen “zowel juridisch als economisch gezien” onafhankelijk van elkaar staan en de portiers- activiteiten enkel deel uitmaken van de taken van de VOF Bebel Bouten, doet aan het voorgaande niet af. Immers staat het feit dat de portiersdiensten en het waardetransport in afzonderlijke ondernemingen werden ondergebracht er niet aan in de weg dat tussen beide activiteiten “directe of indirecte vermengingen” kunnen bestaan. Verwerende partij merkt trouwens in de memorie van antwoord terecht op dat de zaakvoerder de vermenging of verwarring zelf in de hand werkt. Zo blijkt dat het voltallig leidinggevend en uitvoerend personeel van verzoekster tewerkgesteld is bij de VOF Bouten Bebel. Voor beide ondernemingen worden hetzelfde logo en dezelfde handelsbenaming “Argon Security” gebruikt. De zaakvoerder slaagt er niet in, hoewel hem tot tweemaal toe daarom gevraagd is, een attest van de verzekeringsmaatschappij voor te leggen dat alleen op naam van de bvba Argon is gesteld en niet ook op naam van de VOF. Onder de naam “Argon Security Service” is er één website zonder dat tussen beide ondernemingen een onderscheid wordt gemaakt. De omstandigheid dat een en ander ondertussen -zo goed als- verholpen is, doet voor de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing, die immers geruime tijd voordien is genomen, niet terzake. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing de gegevens van de zaak niet foutief of onzorgvuldig beoordeeld wanneer zij vaststelt dat, ook XII-4829-10/12 al gaat het om verschillende juridische entiteiten, er een risico op directe of indirecte vermenging van portiers- en waardetransportactiviteiten kan bestaan.
  11. Evenmin valt de Raad van State het argument van verzoekster bij dat de stelling van de verwerende partij als zou directe of indirecte vermenging tussen portiersdiensten en waardetransport vermeden moeten worden, achterhaald is. In verband met dit argument wordt in de bestreden beslissing opgemerkt “dat de uitoefening van portiersactiviteiten sinds 1999 weliswaar wettelijk geregeld is, en dat de overheid sindsdien inspanningen heeft geleverd om portiersorganisaties te saneren, maar dat deze maatregelen nochtans niet kunnen beletten dat de aard van de activiteiten met zich meebrengt dat dit bijzondere risico blijft bestaan”. Ook verzoeksters kritiek dat de stelling van verwerende partij volgens dewelke personen tewerkgesteld binnen de portiersdiensten een hogere risicograad vertonen voor contacten met het criminogene milieu, een geheel subjectieve, ongeoorloofde bewering uitmaakt, wordt niet gevolgd. Het komt de Raad van State, als rechter van de legaliteit, niet toe om zich betreffende de beoordeling van de risico’s die de portiersdiensten meebrengen in de plaats van het bestuur te stellen. Weliswaar zou verwerende partij onwettig handelen indien zij in haar beoordeling de grenzen van de redelijkheid te buiten ging. Dat is evenwel niet het geval.
  12. In de memorie van wederantwoord laat verzoekster ook gelden dat in de bestreden beslissing geen rekening werd gehouden met de aard van de waardetransporten die de verzoekende partij wenst te organiseren. Er is echter geen reden om aan te nemen dat er met betrekking tot die waardetransporten geen hoog veiligheidsrisico zou bestaan.
  13. De bestreden beslissing geeft duidelijk, dat wil zeggen op een voor de betrokkenen begrijpelijke wijze, de determinerende motieven aan op grond waarvan ze werd genomen. Die motieven zijn pertinent zijn en, in het licht van artikel 2, § 1, tweede lid, van de bewakingswet, toereikend. Het blijkt niet dat verwerende partij in het kader van de haar toekomende discretionaire bevoegdheid de feitelijke gegevens van de zaak niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft afgewogen of dat zij bij de beoordeling van die gegevens de grenzen van de redelijkheid zou hebben overschreden. XII-4829-11/12
  14. In zoverre verzoekster voor het eerst in de memorie van wederantwoord, en dan ook in de laatste memorie, bij het middel de schending te pas brengt van de gelijkheid ten opzichte van andere bewakingsondernemingen -de groep “Falk”, Group 4, Securitas, Cobelguard-, voert zij in wezen een nieuw en onontvankelijk middel aan. Immers kon het ook al in het verzoekschrift zijn aangevoerd en is het niet van openbare orde is.
  15. Het enig middel in het verzoekschrift is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig augustus 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4829-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.600 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.