id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.641 Rolnummer: A. 104258/IX-2854 Zaak: Arrest 195641 - Organisatie van de dienst - 31/08/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-04 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 03:28 Fiche Arrest nr 195.641 van 31 augustus 2009 Openbaar ambt - Organisatie van de dienst Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.641 van 31 augustus 2009 in de zaak A. 104.258/IX-
- In zake :
- Marc VAN LAETHEM,
- Marnix VERSTICHEL,
- de ACV TRANSPORT EN COMMUNICATIE (ACV Transcom), die woonplaats kiezen bij advocaat E. DE WALSCHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 250 bus 64 tegen : de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS), die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en F. VANDENDRIESSCHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc VAN LAETHEM, Marnix VERSTICHEL en de ACV TRANSCOM op 4 mei 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van
- het bericht nr. 8 PP van 16 februari 2001 uitgaande van de NMBS tot oprichting van functies binnen de SE Information Technology
- de aan dat bericht voorafgaande beslissing van vermoedelijk het directiecomité of de gedelegeerd bestuurder van de NMBS tot oprichting van functies binnen de SE Information Technology, zoals beschreven in dat bericht; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 21 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2854-1/22 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE WALSCHE, die verschijnt voor de verzoekende partijen. Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Op 11 mei 2000 vaardigt de verwerende partij het bericht nr. 21 PP uit dat voorziet in een regeling voor de oprichting bij de NMBS van functies die betrekking hebben op specifieke activiteiten, en die zonder onderscheid kunnen worden uitgeoefend door bedienden van verschillende graden. Het bericht nr. 21 PP bevat algemene regels volgens dewelke zal moeten worden tewerk gegaan bij de oprichting van dergelijke functies. De verzoekende partijen bestrijden de inhoud van het bericht nr. 21 PP in de zaak nr. A. 93.321/IX-
- Bij arrest nr. 195.640 van heden wordt dat beroep verworpen. 1.
- In de loop van 2001 wenst de NMBS van de door het bericht nr. 21 PP gecreëerde mogelijkheid tot oprichting van functies gebruik te maken voor het oprichten van functies binnen de SE (service eenheid) Information Technology. De voorgestelde regeling wordt besproken in de paritaire subcommissie van de NMBS op 20 december 2000 en op 12 januari 2001 en in de Nationale Paritaire IX-2854-2/22 Commissie op 15 februari
- Deze bespreking leidt niet tot een stemming. De eerste verzoekende partij verklaart dat haar organisatie, zijnde de derde verzoekende partij, niet gunstig kan adviseren. 1.
- Op 15 februari 2001 verleent de gedelegeerd bestuurder van de NMBS zijn goedkeuring aan de tekst van bericht nr. 8 PP waarbij de volgende functies worden opgericht binnen de SE Information Technology: IT Manager, IT Center Manager, IT Administrator, IT Architect, IT Senior Engineer, IT Engineer en IT Assistant. Het bericht bevat voorts een beschrijving van de inhoud van elk van deze functies, en bevat bepalingen in verband met de toegangsvoorwaarden (punt B) en “diverse bepalingen” (punt C). Op 16 februari 2001 wordt dit bericht ter kennis gebracht van het personeel. Dat bericht vormt het eerste voorwerp van het voorliggend beroep. De ontvankelijkheid van het beroep 2.
- In een eerste exceptie werpt de verwerende partij op dat het bericht nr. 8 PP van 16 februari 2001 enkel de kennisgeving en de bekendmaking uitmaakt van een daaraan voorafgaande beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de NMBS en als dusdanig slechts een uitvoeringsmaatregel is die niet voor vernietiging vatbaar is. In een tweede exceptie werpt de verwerende partij op dat de aan het bericht nr. 8 PP voorafgaande beslissing genomen werd door de gedelegeerd bestuurder van de NMBS en dat het verzoekschrift bijgevolg zonder voorwerp en dus onontvankelijk is voor zover het gericht is tegen een beslissing van het directiecomité van de NMBS. 2.
- Vermits het voorwerp van het beroep mag worden bepaald aan de hand van alle elementen van het verzoekschrift, meer bepaald ook aan de hand van de aangevoerde middelen, dient te worden vastgesteld dat het beroep slechts één voorwerp heeft, met name de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de NMBS tot oprichting van functies binnen de SE Information Technology, beslissing waarvan de inhoud werd bekendgemaakt door het bericht nr. 8 PP van 16 februari
- Uit de aangevoerde middelen blijkt immers dat wat bestreden wordt de beslissing is van de gedelegeerd bestuurder van de NMBS, waarvan de inhoud door IX-2854-3/22 het bericht nr. 8 PP werd bekendgemaakt, in het bijzonder nu geen enkel middel gericht is tegen de bekendmakingsakte als dusdanig. Voornoemde beslissing maakt het tweede voorwerp uit van het voorliggend beroep. De excepties worden verworpen. De gegrondheid van het beroep 3.
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (hierna: de wet van 23 juli 1926), van de beslissingen van de Nationale Paritaire Commissie omtrent de uitvoering en de betekenis van voormeld artikel 13, van de artikelen 30, 34, § 2, en 35, §§ 1, 2 en 5, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economi- sche overheidsbedrijven (hierna: de wet van 21 maart 1991), van het personeelssta- tuut van de NMBS, van de statutaire reglementen van de NMBS, van het zorgvul- digheidsbeginsel, van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, alsook overschrijding of afwending van macht, doordat de bestreden regels en beslissingen genomen en gepubliceerd werden op grond van een onwettig en voor [de Raad van State] bestreden kaderreglement (opgenomen in bericht nummer 21 PP gedateerd 11 mei 2000) dat vastgesteld werd met schending van de prerogatieven van verzoekers (zaak nr. A 93.321/IX-2456) en zonder dat hun inhoud het voorwerp heeft uitgemaakt van een stemming in de Nationale Paritaire Commissie van de NMBS, waarbij deze stemming resulteerde in een goedkeuring ervan met minimaal 2/3 van de uitgebrachte stemmen of minstens de meerderheid van de stemmen in zoverre wijzigingen aan statutaire reglementen werden doorgevoerd, terwijl de onwettigheid van het kaderreglement (opgenomen in bericht nummer 21 PP gedateerd 11 mei 2000) meebrengt dat ook de uitvoeringsbe- palingen elke wettelijke grondslag missen; de inhoud van bericht nr. 8 PP gedateerd 16 februari 2001 wijzigingen aanbrengt in de regelen van het statuut, in de enge betekenis en in de ruime betekenis, in grondregelen van het statuut en in statutaire reglementen, zonder dat hieromtrent een stemming georganiseerd werd binnen de Nationale Paritaire Commissie, dergelijke wijzigingen slechts aangebracht kunnen worden na een voor IX-2854-4/22 de Raad van Bestuur bindend voorstel vastgesteld door of met toestemming van de Nationale Paritaire Commissie van de NMBS en onder een bindend voorstel of toestemming een regeling dient begrepen te worden die vastgesteld werd met 2/3 van de uitgebrachte stemmen, of in zoverre het om statutaire reglementen gaat met minstens een meerderheid van de stemmen. 3.1.
- In de toelichting stellen de verzoekende partijen dat de overeenkomstig artikel 34, § 2, van de wet van 21 maart 1991 aangeduide grondregelen voor de NMBS bestaan uit alle grondregelen opgenomen in de lijst die in dat artikel vermeld is. Voor de NMBS is immers niet vereist dat het paritair comité vooraf bij 2/3 meerderheid die regelen heeft aangeduid als grondregelen of algemene beginselen volgens de procedure bedoeld in artikel 35, § 3, van die wet. Dit volgt uit het feit dat artikel 35, § 5, enerzijds bepaalt dat artikel 35, § 3, van die wet niet van toepassing is op de NMBS en anderzijds verwijst naar de grondregelen van artikel 34, § 2, zodat noodzakelijkerwijze alle grondregelen bedoeld worden, zonder dat ze vooraf als dusdanig moeten zijn aangeduid. De verzoekende partijen stellen dat het bestreden reglement regels bevat die krachtens voornoemd artikel 34, § 2, aangeduid zijn als grondregels en dat de Nationale Paritaire Commissie zich daarover dus met een stemming had moeten kunnen uitspreken. 3.1.
- De verzoekende partijen menen dat de term “statuut” in artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 niet alleen slaat op de tekst die als zodanig is benoemd (het statuut sensu stricto), maar ook op het geheel van de rechtsverhouding die bestaat tussen de bediende en de instelling. Zij wijzen erop dat de tekst die “statuut van het personeel” wordt genoemd uiterst beperkt is en dat het grootste deel van de regelgeving die toepasselijk is op het personeel opgenomen is in reglementen. De stelling dat alleen wijzigingen die betrekking hebben op het statuut sensu stricto het akkoord van de vakbonden moeten verkrijgen, zou volgens hen tot gevolg hebben dat de NMBS zonder enige werkelijke inspraak van de representatieve organisaties essentiële voorwaarden van de relatie met de bedienden zou kunnen wijzigen. In dat geval zou het voornoemde artikel 13 van nagenoeg elke praktische betekenis ontdaan zijn. Volgens hen moet dan ook eerder een inhoudelijk criterium gehanteerd worden. Deze ruime opvatting van het begrip “statuut” vindt ook steun in de opsomming van de grondregelen in artikel 34, § 2, van de wet van 21 maart 1991, vermits alle daar opgesomde regelen bij de NMBS grondregelen zijn en tot het IX-2854-5/22 personeelsstatuut en het syndicaal statuut behoren, wat duidelijk blijkt uit die bepaling. Volgens de verzoekende partijen wijkt het bestreden reglement op de volgende punten af van het statuut sensu stricto en sensu lato en schendt het op die wijze artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 luidens hetwelk geen wijzigingen kunnen worden aangebracht in het personeelsstatuut zonder tweederde meerderheid in de paritaire commissie:
- de wijze van selecteren van de kandidaten voor een bepaalde functie is in strijd met artikel 8 van hoofdstuk I van het personeelsstatuut, nu overeenkomstig dat artikel de laureaten aangewezen worden op basis van een rangschikking volgens hun puntenaantal, terwijl het bericht nr. 8 PP bepaalt dat het beheerscomité de vrije keuze heeft; bovendien stelt het bericht nergens dat de functies slechts toegankelijk zullen zijn voor reeds eerder statutair aangeworven bedienden - ook de verwijzing in de toegangsvoorwaarden naar graden wijst daar volgens de verzoekende partijen niet op -, daar een graad louter een job- beschrijving is die binnen de NMBS vervuld wordt zowel door statutaire bedienden als door contractuelen en door interim-werknemers;
- - er kan op een andere wijze een einde gesteld worden aan een deel van de verloning, nu overeenkomstig hoofdstuk III van het personeelsstatuut de toeslagen verbonden aan sommige bedieningen of posten en die van bestendige aard zijn deel uitmaken van de wedde (artikel 6), en een bediende niet kan worden overgeplaatst naar een lagere weddeschaal dan die welke hij geniet, noch worden bezoldigd tegen een lager bedrag in dezelfde schaal tenzij op zijn aanvraag of met zijn toestemming, bij wedergeschiktmaking, wederopleiding en herklassering, om tuchtredenen en bij neerlegging van de betrekking (artikel 5), terwijl het bericht nr. 8 PP bepaalt dat een einde kan worden gemaakt aan de uitoefening van de functie, en dus ook aan de weddetoeslagen die eraan verbonden zijn, op vraag van de bediende, door een beslissing van de NMBS op basis van twee ongunstige beoordelingen, in geval van weigering om deel te nemen aan een opleiding en bij het niet voldoen in de proefperiode; - er kan ook op een andere wijze en met andere gevolgen een einde gesteld worden aan de uitoefening van de functie zelf, nu voor een bediende die om gezondheidsredenen de nodige capaciteiten verliest om zijn normale functies uit te oefenen overeenkomstig het bericht nr. 8 PP een einde kan worden gesteld aan de uitoefening van de functie op basis van twee ongunstige beoordelingen, terwijl hoofdstuk XI van het personeelsstatuut bepaalt dat de bediende in dat IX-2854-6/22 geval zou kunnen worden onderworpen aan de regels voor beroepswedergeschiktmaking of -wederopleiding en niet gedwongen kan worden om een andere dan zijn normale functie te aanvaarden en hij in dergelijk geval op pensioen gesteld wordt;
- artikel 3 van hoofdstuk V van het personeelsstatuut bepaalt dat de reglementen inzake de rust- en diensttijden worden opgemaakt in gemeen overleg of mits akkoord tussen de NMBS en de erkende vakorganisaties, terwijl het bericht nr. 8 PP bij de omschrijving van verschillende functies vermeldt dat bijzondere werktijden van toepassing zijn, zonder dat hierover sociaal overleg gepleegd is;
- hoofdstuk II en VI van deel II van “bundel 535”, die deel uitmaakt van het personeelsstatuut, bepalen dat de bedienden behoudens in de daar opgesomde gevallen steeds om overplaatsing kunnen verzoeken, terwijl bericht nr. 8 PP stelt dat het reglement voor overplaatsingen voorzien in deel II van bundel 535 niet van toepassing is op de bedienden die een IT-functie uitoefenen. 3.1.
- Voorts betogen de verzoekende partijen dat naast het statuut sensu stricto en sensu lato er ook statutaire reglementen bestaan die evenzeer ter stemming moeten worden voorgelegd aan de Nationale Paritaire Commissie. Hiervoor verwijzen zij naar de notulen van de Constituerende Paritaire Commissie. Daarin staat te lezen dat de paritaire commissie zich het recht voorbehoudt om voor ieder artikel van het statuut (sensu stricto) dat aanleiding kan geven tot een bijzonder reglement, te beraadslagen of het nodig is dit bijzonder reglement vast te stellen en het artikel waarover moet worden beslist bij het statuut te voegen. Voorts wordt in die notulen gesteld dat het vanuit juridisch oogpunt vereist is om met een meerderheid van twee derden het statuut te wijzigen en met eenvoudige meerderheid een statutair reglement te wijzigen en dat bij de wijziging van een gewoon reglement volstaan kan worden met het advies van de commissie. De verzoekende partijen zijn van mening dat bericht nr. 8 PP regelen bevat die moeten worden beschouwd als statutaire reglementen in de hiervóór bedoelde zin, zodat dit minstens met een gewone meerderheid had moeten worden goedgekeurd door de Nationale Paritaire Commissie. Met name stellen zij dat het bericht betrekking heeft op de selectie van kandidaten, terwijl ook het personeelsstatuut een hoofdstuk “Aanwerving” en een hoofdstuk “Voorwaarden voor indienstneming” bevat; dat het bericht voorziet in de toekenning van geldelijke voordelen overeenkomstig artikel B.6 van hoofdstuk III van het personeelsstatuut; dat het bericht bijzondere werktijden oplegt, terwijl ook het personeelsstatuut een IX-2854-7/22 hoofdstuk “Dienst- en rusttijden” bevat, waarin wordt bepaald dat de verschillende bepalingen die betrekking hebben op de wetgeving op de arbeid voorkomen in reglementen die in gemeen overleg tussen de maatschappij en de erkende organisaties worden opgemaakt. 3.2.
- De verwerende partij antwoordt dat de principiële bevoegdheid om het statuut vast te stellen of te wijzigen bij de raad van bestuur berust, maar dat voor een aantal statutaire regels, met name die welke als grondregels moeten worden beschouwd, deze bevoegdheid ondergeschikt is gemaakt aan de goedkeuring door het paritair comité. Zij stelt dat de bijzondere procedure die voor de wijziging van dergelijke regels moet worden gevolgd, vervat is in artikel 35, §§ 1 en 2, van de wet van 21 maart
- Die procedure bestaat erin dat het voorstel tot wijziging moet worden voorgelegd aan het paritair comité dat, indien dit zich met een tweederde meerderheid uitspreekt ten gunste van de wijziging, een regeling vaststelt die bindend is voor de raad van bestuur. Indien in het paritair comité geen tweederde meerderheid wordt bereikt, kan de wijziging niet doorgevoerd worden. Opdat een statutaire regel als een grondregel zou kunnen worden beschouwd, moet hij volgens de verwerende partij krachtens artikel 34, § 2, van de wet vooraf door het paritair comité bij meerderheid van tweederde van de stemmen als dusdanig worden aangeduid. De verwerende partij stelt dat de NMBS bij haar indeling bij de autonome overheidsbedrijven reeds over een eigen personeelsstatuut beschikte en dat de raad van bestuur op 24 september 1993 beslist heeft om dat statuut vast te stellen als het eerste personeelsstatuut bedoeld in artikel 33, § 1, eerste lid, van de wet van 21 maart
- De verwerende partij merkt op dat de Nationale Paritaire Commissie van de NMBS geen gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om een onderscheid te maken tussen de gewone statutaire regelen en de grondregelen, zodat de bijzondere procedure die vervat is in artikel 34, §§ 1, 2 en 5, van die wet geen toepassing vindt bij de NMBS. De reden waarom er geen grondregelen werden aangeduid is volgens de verwerende partij waarschijnlijk gelegen in het feit dat artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 reeds bepaalt dat de wijziging van de statutaire bepalingen ter goedkeuring moet worden voorgelegd aan de Nationale Paritaire Commissie. De verwerende partij betwist dat zij het niet nodig zou achten dat het paritair comité vooraf de grondregelen moet aanduiden. Vermits artikel 35, § 5, IX-2854-8/22 van de wet van 21 maart 1991 uitdrukkelijk verwijst naar de overeenkomstig artikel 34, § 2, van die wet aangeduide grondregelen, is de aanwijzingsprocedure vervat in artikel 34, § 2, volgens haar in beginsel wel van toepassing op de NMBS. Artikel 35, § 5, sluit bovendien enkel de toepassing van artikel 35, §§ 3 en 4, uit, wat alleen tot gevolg heeft dat bij gebrek aan overeenstemming in het paritair comité van de NMBS het dossier niet kan worden verwezen naar de raad van bestuur of het Comité overheidsbedrijven. Nu er bij de NMBS geen grondregels zijn vastgesteld, kunnen dergelijke regels ook niet geschonden zijn. 3.2.
- Met betrekking tot artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 stelt de verwerende partij dat er naast het statuut ook reglementen zijn die verder uitvoering verlenen aan het statuut maar die zelf niet tot het statuut in de zin van voormeld artikel 13 behoren. Volgens haar moet het tot stand brengen van een algemene regeling voor het creëren van functies niet beschouwd worden als een aangelegenheid die geregeld is in het personeelsstatuut van de NMBS. Het betreft immers een regeling die als dusdanig geen voorwerp uitmaakt van dat statuut, vermits de eerste bestreden beslissing er enkel toe strekt om een algemeen kader te creëren dat het voor de NMBS mogelijk maakt om door het creëren van functies te voldoen aan bepaalde uitzonderlijke, specifieke personeelsbehoeften. Het personeelslid behoudt zowel gedurende het uitoefenen van zijn functies als bij het einde ervan zijn graad en de daaraan verbonden wedde, het uitoefenen van een dergelijke functie geeft geen recht op een snellere statutaire bevordering en indien er aan het uitoefenen van de functie een einde komt, neemt de bediende in de regel opnieuw de post in die beantwoordt aan zijn graad. 3.2.
- Bovendien is volgens de verwerende partij de eerste bestreden beslissing op geen enkele van de door de verzoekende partijen aangehaalde punten strijdig met de bepalingen van het statuut:
- wat de selectie van kandidaten betreft, heeft hoofdstuk I van het personeelsstatuut, anders dan het bericht, sensu stricto betrekking op aanvangsbetrekkingen; blijkens het bericht komen in eerste instantie en bij voorrang statutaire personeelsleden in aanmerking voor die functies; bovendien verzet geen enkele statutaire of wettelijke bepaling zich tegen de aanwerving van contractueel personeel voor specifieke noodwendigheden; IX-2854-9/22
- - de precieze tekst van artikel 6 van hoofdstuk III van het personeelsstatuut luidt als volgt: “Kunnen beschouwd worden als deel uitmakend van de wedden in de mate en onder de voorwaarden in het reglement gesteld, onder meer : a) de toeslagen verbonden aan sommige bedieningen of posten en die van bestendige aard zijn”, waaruit blijkt dat toeslagen niet automatisch deel uitmaken van de wedde en dat in het reglement dat de toeslag instelt bepaald moet worden of deze al dan niet deel uitmaakt van de wedde. Welnu, het bestreden reglement bepaalt dat toeslagen verbonden zijn aan de functie en bijgevolg geen deel uitmaken van de wedde; - bij de beëindiging van de functie wordt de bediende die in die functie was aangesteld geenszins naar een lagere weddeschaal teruggeplaatst; een bediende die een functie uitoefent behoudt de aan zijn graad verbonden wedde maar verkrijgt daar bovenop een functietoelage; bij het beëindigen van de functie vervalt de functietoelage maar behoudt de bediende de wedde die hij vóór de uitoefening van de functie genoot en die verbonden is aan zijn graad; - een bediende aan wiens functie een einde komt op grond van twee negatieve beoordelingen zal in dat geval zijn vroegere statutaire betrekking weer opnemen en wanneer hij dat wegens gezondheidsredenen niet meer zou kunnen, dan is hoofdstuk XI van het personeelsstatuut op hem van toepassing; er is trouwens geen recht op wedergeschiktmaking of wederopleiding;
- de bijzondere werktijden zijn nog niet bepaald; wanneer ze effectief zullen worden ingevuld zal er overeenkomstig het personeelsstatuut sociaal overleg plaatsvinden; de verwijzing in het bericht naar bijzondere werktijden had slechts tot doel de potentiële kandidaten voor die functies te verwittigen van de mogelijkheid van bijzondere werktijden;
- bundel 535 maakt geen deel uit van het personeelsstatuut sensu stricto en een eventuele strijdigheid met regels van dat bundel vormt dan ook geen schending van dat statuut sensu stricto. 3.2.
- De verwerende partij merkt op dat er geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling is die de NMBS ertoe zou verplichten om zogenaamde statutaire reglementen ter goedkeuring aan de Nationale Paritaire Commissie voor te leggen. Er blijkt ook niet dat enig wettelijk of statutair bevoegd orgaan van de NMBS zich ertoe verbonden heeft om dergelijke reglementen ter goedkeuring aan die commissie voor te leggen. IX-2854-10/22 Volgens de verwerende partij is de benadering van de verzoekende partijen in strijd met de bevoegdheidsverdeling zoals uitgewerkt in artikel 17, § 1, van de wet van 21 maart
- Dit artikel kent aan de raad van bestuur, met mogelijkheid tot delegatie, de bevoegdheid toe om alle handelingen te stellen die nodig zijn ter verwezenlijking van het doel van de NMBS. De verwerende partij is van mening dat het toekennen van een beslissingsbevoegdheid of bindende adviesbevoegdheid aan de Nationale Paritaire Commissie, zonder dat er daarvoor een wettelijke grondslag voorhanden is, in strijd zou zijn met die bepaling en derhalve onwettig zou zijn. Indien de NMBS zich in het verleden al rechtsgeldig ertoe had kunnen verbinden om zogenaamde “statutaire reglementen” ter goedkeuring voor te leggen aan de Nationale Paritaire Commissie, dan is dat voorschrift minstens impliciet opgeheven door voormeld artikel 17, §
- De verwerende partij ziet evenmin in waarom de eerste bestreden beslissing een statutair reglement zou zijn. Zij merkt op dat volgens de verzoekende partijen een statutair reglement een reglement is dat wordt aangenomen ter uitvoering van een statutaire bepaling, maar dat het bestreden reglement functies creëert, wat een aangelegenheid is die niet het voorwerp uitmaakt van het personeelsstatuut. 3.
- In hun memorie van wederantwoord voeren de verzoekende partijen op algemene wijze aan dat de opgerichte functies de statutaire toestand van de bediende niet onverlet laten. Met name wijzen zij op de punten B.3 en C.2 van bericht nr. 8 PP die bepalen dat bij het beëindigen van de functie de bediende opnieuw een post van zijn graad inneemt, zo niet zal hij in het belang van de NMBS herbenuttigd worden op een post van een evenwaardige of lagere graad of buiten kader geplaatst worden. Aldus is het volgens hen niet zo dat een bediende na de uitoefening van zijn functie automatisch terug in zijn vorige of hiermee gelijkwaardige werkomstandigheden terechtkomt. Ook op meer concrete wijze betwisten zij dat het bestreden reglement geen schending zou uitmaken van het personeelsstatuut: - wat de selectie van de kandidaten betreft, durft de verwerende partij nergens, ook niet in haar memorie van antwoord, te stellen dat bericht nr. 8 PP uitsluitend van toepassing zal zijn op reeds eerder aangeworven personeelsleden; waar de toegangsvoorwaarden in het bericht verwijzen naar de aankondiging van berichten via operationele eenheden en naar het stellen van kandidaturen via IX-2854-11/22 hiërarchische weg, sluit dit evenmin uit dat ook externe aanwervingen zullen plaatsvinden nadat eerst via interne kanalen de kandidaten zijn opgeroepen; - het bericht nr. 8 PP bepaalt dat de functietoeslag geïndexeerd zal worden zoals de bezoldigingen en op de weddestaten zal voorkomen. Het geeft op die wijze aan dat de functietoeslag wel degelijk deel uitmaakt van de wedde; - voor de bediende die wegens twee negatieve beoordelingen niet meer geschikt wordt geacht voor de functie en zijn functie beëindigd ziet, zal het zinloos zijn te trachten door beroepswedergeschiktmaking of wederopleiding opnieuw geschikt te worden voor die functie want hij zal zich niet meer kandidaat mogen stellen voor die functie; bovendien loopt hij zelfs het risico in een lagere graad te worden tewerkgesteld; - hoewel de NMBS betoogt dat “later”, bij de invulling van de concrete bijzondere werktijden, sociaal overleg zal plaatsvinden, neemt dit niet weg dat dit reeds gebeurd moest zijn bij het vastleggen van het principe van de bijzondere werktijden. 3.
- In hun laatste memorie betwisten de verzoekende partijen de stelling in het auditoraatsverslag dat het statuut zoals bedoeld in artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 in de enge zin dient te worden opgevat. Het argument in het auditoraatsverslag dat de Nationale Paritaire Commissie op 20 september 1993 bij de vastlegging van het eerste statuut en de goedkeuring van de benaming “statuut van het personeel” voormeld artikel 13 voor ogen had, weerleggen zij door erop te wijzen dat die goedkeuring geschiedde in het kader van de wettelijke verplichting voorzien in artikel 33, § 1, van de wet van 21 maart 1991, en niet in het kader van enige wettelijke verplichting tot opsomming van al wat “statuut” is in de zin van voormeld artikel
- Tevens betwisten zij het argument van het auditoraatsverslag dat als alle statutaire bepalingen slechts mits een bijzondere meerderheid in de paritaire commissie zouden kunnen worden gewijzigd het systeem van grondregelen zinloos zou zijn. Enerzijds wijzen zij op voormeld artikel 13 dat krachtens artikel 34, § 1, van de wet van 21 maart 1991, benevens voor de grondregelen, ook voor de andere statutaire bepalingen een tweederde meerderheid binnen de paritaire commissie vereist voor een wijziging daarvan. Anderzijds stellen zij dat de wetgever niet op voorhand kon weten welke tekst de NMBS als eerste statuut zou aanvaarden en hij via het stelsel van grondregelen kon anticiperen op een zeer beperkte eerste tekst, IX-2854-12/22 teneinde de “werkgever” niet de vrije hand te geven bij het bepalen van de arbeidsvoorwaarden. 3.
- Wat betreft de beweerde schending van de statutaire regels inzake de dienst- en rusttijden, wijst de verwerende partij in haar laatste memorie nog op de notulen van de vergadering van 20 december 2000 van de paritaire subcommissie van de NMBS met betrekking tot de creatie van specifieke functies in de schoot van de SE Information Technology. Daaruit blijkt dat de voorzitter van die commissie namens de NMBS uitdrukkelijk gesteld heeft dat “de bijzondere arbeidstijden zullen voorgelegd worden aan de Gewestelijke Paritaire Commissie van het Hoofdbestuur”. Indien in die laatste commissie geen akkoord ter zake zou worden bereikt tussen de NMBS en de vakbonden, dan zou de gewone regeling van toepassing zijn. Het principe van de bijzondere werktijden staat volgens de verwerende partij dan ook geenszins vast, maar is louter vermeld om potentiële kandidaten te informeren over de mogelijkheid ervan. Voorts betoogt zij dat zelfs zonder syndicaal overleg bijzondere werktijden kunnen worden ingevoerd, zij het binnen de grenzen die na overleg werden vastgesteld in “bundel 541”. 4.
- In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat het bestreden reglement elke wettelijke grondslag mist, nu het aangenomen is op grond van een onwettig kaderreglement vervat in het bericht nr. 21 PP van 11 mei 2000 dat werd vastgesteld met schending van hun prerogatieven, dient te worden verwezen naar de zaak nr. A. 93.321/IX-
- Bij arrest nr. 195.640 van heden wordt het beroep van de verzoekende partijen tegen het bedoelde kaderreglement verworpen. De Raad van State gaar er in de voorliggende zaak dan ook van uit dat het kaderreglement wettig is, en dat het aldus een wettige rechtsgrond biedt aan het thans bestreden reglement. In zoverre faalt het middel naar recht. 4.
- Hierna wordt ingegaan op het middel, in zoverre dit is gericht tegen de bepalingen van het bestreden reglement zelf. 4.2.
- Artikel 34 van de wet van 21 maart 1991 luidt als volgt: “§
- Eens het eerste statuut is vastgesteld (...) worden het personeelsstatuut en het syndicaal statuut vastgesteld door de raad van bestuur, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen die het betrokken statuut regelen. IX-2854-13/22 Echter, wat de overeenkomstig §2 aangeduide grondregelen betreft, beslist de raad overeenkomstig de procedure bepaald in artikel
- §
- De volgende regelen van het personeelsstatuut, respectievelijk syndicaal statuut, worden vastgesteld overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 35 indien zij vooraf door het paritair comité bij meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen werden aangeduid als grondregel of als algemeen beginsel zoals bedoeld in artikel 35, §3, 1/: (...).” Paragraaf 2 bevat verder een opsomming van materies die als grondregels kunnen worden aangeduid, opgedeeld in vijf groepen, aangeduid met de cijfers A tot G. Artikel 35 van de genoemde wet luidt als volgt: “§
- De raad van bestuur of de delegatie van een representatieve vakorganisatie die in het paritair comité zetelt, legt elk voorstel tot vaststelling of wijziging van de overeenkomstig artikel 34, § 2, aangeduide grondregelen van het personeelsstatuut of van het syndicaal statuut voor aan het paritair comité. §
- Elke regeling vastgesteld door het paritair comité met tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen betreffende aangelegenheden die het voorwerp uitmaken van een voorstel is bindend voor de raad van bestuur. §
- Bij ontstentenis van een voor de raad van bestuur bindende regeling vastgesteld door het paritair comité binnen een termijn van één maand nadat het voorstel is overgezonden aan de voorzitter van het paritair comité: 1/ kan de raad van bestuur of de delegatie van een representatieve vakorganisatie die in het paritair comité zetelt, het voorstel voorleggen aan het Comité Overheidsbedrijven, ingeval het voorstel strekt tot vaststelling of wijziging van één der grondregelen bedoeld in artikel 34, §2, onderafdelingen B, C, D en E, of van een algemeen beginsel betreffende één van de grondregels bedoeld in onderafdeling A; 2/ (...) §
- (...) §
- De §§3 en 4 zijn niet van toepassing op de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen. Geen wijziging kan in de overeenkomstig artikel 34, § 2, aangeduide grondregelen worden aangebracht dan bij voor de raad van bestuur bindende regeling vastgesteld door de Nationale Paritaire Commissie bij deze Maatschappij.” Uit de bepalingen van artikel 35, § 5, blijkt duidelijk dat ook bij de NMBS grondregelen kunnen bestaan. Volgens de tekst van deze paragraaf zijn het grondregelen die worden aangeduid overeenkomstig artikel 34, §
- De verzoekende partijen kunnen niet gevolgd worden in zoverre zij ervan uitgaan dat er bij de NMBS geen grondregelen zouden kunnen worden aangeduid overeenkomstig artikel 34, §
- De wijze waarop dergelijke grondregelen moeten worden vastgesteld of gewijzigd, is aangegeven in artikel 35, §§ 1 en
- Deze paragrafen gelden ook voor de NMBS. IX-2854-14/22 De verzoekende partijen gaan uit van een verkeerde lezing van artikel 34, § 2, waar zij stellen dat de aldaar vermelde regels pas kunnen worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 35 indien zij vooraf door het paritair comité werden aangeduid, volgens de procedure bedoeld in artikel 35, § 3, 1/, als grondregel of algemeen beginsel. De tussenzin, “zoals bedoeld in artikel 35, § 3 ,1/” staat niet bij het woord “procedure” maar wel bij de woorden “algemeen beginsel”. De bedoelde regels moeten dus niet worden aangeduid volgens de procedure die is uitgewerkt in artikel 35, § 3, 1/. Dit blijkt duidelijk uit de Franse tekst van artikel 34, § 2, die luidt als volgt: “Les réglementations suivantes du statut du personnel, (...) qui au préalable ont été désignées par la commission paritaire, (...) soit comme réglementations de base, soit comme principes généraux visés à l'article 35, § 3, 1/, sont fixées conformément à la procédure visée à l’article 35.” Bijgevolg kunnen bij de NMBS regels van het personeelsstatuut wel degelijk als grondregelen worden aangeduid. De verwerende partij betoogt terecht dat ook bij de NMBS een statutaire regel slechts als een grondregel kan worden beschouwd indien hij overeenkomstig artikel 34, § 2, vooraf door de Nationale Paritaire Commissie bij meerderheid van tweederde van de stemmen als dusdanig werd aangeduid. De partijen zijn het erover eens dat geen enkele regel op deze wijze door de Nationale Paritaire Commissie als grondregel is aangeduid. Dit noopt tot de conclusie dat er bij de NMBS in feite geen grondregels zijn in de zin van artikel
- In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 34, § 2, en 35, §§ 1, 2 en 5, van de wet van 21 maart 1991, faalt het naar recht. 4.2.
- Bij de NMBS kan het personeelsstatuut worden gewijzigd op de wijze bepaald door voormeld artikel 34, § 1, meer bepaald “door de raad van bestuur, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen die het betrokken statuut regelen”. Te dezen betekent dit laatste: met inachtneming van de bepalingen van artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, thans de wet betreffende de N.M.B.S. Holding en haar verbonden vennootschappen. Het vijfde lid van dat artikel luidt als volgt : IX-2854-15/22 “Wanneer het statuut van het personeel eenmaal bepaald is, kunnen er geen wijzigingen meer worden aan toegebracht zonder de toestemming van de paritaire commissie, die bij meerderheid van twee derden beslist.” Het middel doet de vraag rijzen welke de draagwijdte is van dat voorschrift en meer bepaald of het geldt voor alle teksten die de rechtspositie van het personeel betreffen (statuut sensu lato), dan wel alleen voor die teksten die vervat zijn in het document dat “statuut van het personeel” wordt genoemd (statuut sensu stricto). De tekst zelf van voormeld artikel 13 geeft geen verduidelijking ter zake. Er mag evenwel worden aangenomen dat de paritaire commissie, toen zij het eerste statuut vaststelde en een tekst met de benaming “statuut van het personeel” goedkeurde, de tekst van artikel 13 voor ogen had. Wanneer die commissie dan bewust dezelfde terminologie gebruikt als deze van artikel 13, mag er redelijkerwijze van uitgegaan worden dat zij een zekere hiërarchie beoogde, waarbij de tekst genaamd “statuut van het personeel” het statuut van het personeel bevat bedoeld in artikel 13 en de andere teksten reglementen zijn die dit statuut verder uitwerken. Bijgevolg zijn het enkel de regels die zijn opgenomen in de tekst die “statuut van het personeel” is genoemd, die slechts mits een tweederde meerderheid door de paritaire commissie kunnen worden gewijzigd. Dit komt trouwens overeen met de zienswijze die wordt verwoord in de teksten die de verzoekende partijen zelf aanbrengen. Aannemen dat alle statutaire bepalingen slechts kunnen worden gewijzigd mits een tweederde meerderheid binnen de paritaire commissie, zou aan de mogelijkheid om bij de NMBS grondregelen aan te wijzen, elke zin ontnemen. Het is immers juist eigen aan dergelijke regels dat zij, in tegenstelling tot de andere statutaire regels, slechts mits een bijzondere meerderheid kunnen worden gewijzigd. Wat het bestaan van zogenaamde statutaire reglementen betreft, heeft de Nationale Paritaire Commissie op 16 oktober 1926 inderdaad beslist dat er naast het statuut nog andere teksten waren die slechts konden worden vastgesteld of gewijzigd mits akkoord van die commissie. De verzoekende partijen stellen dat het oud artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 aan de commissie destijds de bevoegdheid verleende om in die zin te beslissen. Die bepaling is ondertussen echter opgeheven. Uit artikel 35, § 2, van de wet van 21 maart 1991 volgt thans dat in het statuut van het personeel, vastgesteld door de Nationale Paritaire Commissie, geen wijziging kan worden aangebracht dan met een akkoord van die commissie, bereikt met een 2/3 meerderheid. Nu de wetgever de bevoegdheid van de Nationale Paritaire Commissie heeft bepaald, kwam het niet aan die commissie toe om zelf IX-2854-16/22 bevoegdheidsregelend op te treden en om te bepalen welke teksten haar, naast het statuut, ter goedkeuring moeten worden voorgelegd. Bijgevolg zal artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 te dezen slechts geschonden zijn in zoverre het bestreden reglement bepalingen bevat die afwijken van het statuut sensu stricto. 4.2.
- De verzoekende partijen geven “bij wijze van voorbeeld” een viertal punten aan waarop de bestreden regeling strijdig zou zijn met het personeelsstatuut. Het komt niet toe aan de Raad van State om ambtshalve te onderzoeken of er nog andere gevallen van strijdigheid zouden zijn. Het onderzoek wordt dan ook beperkt tot de punten die de verzoekende partijen zelf aangeven. 4.2.3.
- Volgens de verzoekende partijen is de wijze waarop de keuze tussen de kandidaten voor een functie kan worden gemaakt in strijd met artikel 8 van hoofdstuk I van het statuut, nu dit artikel bepaalt dat bij aanwerving de keuze tussen de kandidaten bepaald wordt door het op de aanwervingsproeven verkregen puntenaantal, terwijl het bericht nr. 8 PP bepaalt dat het beheerscomité de vrije keuze heeft. De verwerende partij werpt terecht op dat hoofdstuk I van het personeelsstatuut betrekking heeft op aanvangsbetrekkingen, terwijl dat niet het geval is voor het bestreden bericht. Het bericht heeft betrekking op het begeven van functies aan personeelsleden die reeds in dienst zijn. Dit blijkt in de eerste plaats uit het feit dat het bericht nr. 8 PP is vastgesteld binnen het algemene kader van het bericht nr. 21 PP, dat betrekking heeft op personeelsleden die reeds in dienst zijn. Ook uit verscheidene bepalingen van het bericht nr. 8 PP zelf blijkt dat in eerste instantie personeelsleden worden bedoeld die als personeelslid bij de NMBS in dienst zijn. Zo wordt in punt B, 1.3, bepaald dat de selectietest wordt aangekondigd door een bericht van de twee betrokken operationele eenheden, waarbij dit bericht uiteraard begrepen moet worden als een bericht aan het personeel. In hetzelfde punt wordt ook bepaald dat de sollicitanten hun kandidatuur “via de hiërarchische weg” moeten indienen. De verzoekende partijen kunnen evenmin gevolgd worden waar zij stellen dat een graad niet meer is dan een jobinhoud. In een statuut is een graad meer dan een jobinhoud. Los van de jobinhoud, die bij “gemene graden” niet voor IX-2854-17/22 alle titularissen van die graad dezelfde kan zijn, geeft een graad recht op een wedde, los van de functie die effectief wordt uitgeoefend, en toegang tot welbepaalde bevorderingsmogelijkheden. Het bestreden bericht houdt dus geen afwijking in van artikel 8 van hoofdstuk I van het statuut van het personeel. 4.2.3.2.
- Volgens de verzoekende partijen zou uit bericht nr. 8 PP volgen dat een einde kan worden gesteld aan de uitoefening van de functie en dus ook aan de weddetoeslagen of andere voordelen die daaraan verbonden zijn op vraag van de bediende zelf maar ook op eenzijdige beslissing van de NMBS. Volgens de verzoekende partijen is die regeling strijdig met hoofdstuk III van het statuut van het personeel, dat onder meer bepaalt dat geen bediende tegen een lagere weddeschaal of tegen een lager bedrag in dezelfde schaal kan worden bezoldigd, tenzij op zijn aanvraag of met zijn toestemming, of in geval van wedergeschiktmaking, tucht of neerlegging der betrekking (artikel 5). Uit bericht nr. 8 PP blijkt dat een bediende die een functie uitoefent de aan zijn graad verbonden wedde behoudt en daarbovenop een functietoelage verkrijgt. Uit dat bericht blijkt voorts dat bij het beëindigen van de functie die toelage weliswaar vervalt, maar de bediende behoudt de wedde die hij reeds vóór de uitoefening van de betrokken functie genoot en die is verbonden aan zijn graad. Aldus komt de bediende niet in een lagere weddeschaal terecht. Evenmin kan worden gesteld dat hij tegen een lager bedrag in dezelfde schaal wordt bezoldigd in de zin van de betrokken bepaling uit hoofdstuk III van het statuut, nu die bepaling betrekking heeft op een eventuele verlaging van de wedde die is verbonden aan de graad. Zelfs wanneer bij gebrek aan een post van zijn graad de betrokkene herbenuttigd zou worden op een post van een lagere graad of zelfs buiten het kader zou worden geplaatst, blijkt geenszins uit het bericht dat dit gepaard zou gaan met de overgang naar een lagere weddeschaal of met de verlaging van de wedde verbonden aan de graad. Het bestreden bericht houdt dus geen afwijking in van hoofdstuk III van het statuut van het personeel. 4.2.3.2.
- Volgens de verzoekende partijen kan de bediende die onbekwaam wordt bevonden om zijn functie verder uit te oefenen in het kader van de eerste IX-2854-18/22 bestreden beslissing, geen beroep doen op de mogelijkheden waarin wordt voorzien in hoofdstuk XI van het statuut van het personeel. Hoofdstuk XI van het statuut heeft onder meer betrekking op de wedergeschiktmaking en de wederopleiding van bedienden die ongeschikt zijn om hun normale functies uit te oefenen. Het is juist dat het bestreden reglement niet bepaalt dat personen die ongeschikt zijn bevonden om hun functie verder uit te oefenen, door middel van wedergeschiktmaking of wederopleiding zouden kunnen proberen om opnieuw geschikt te worden voor die functie. Het systeem van wedergeschiktmaking en wederopleiding is echter bedoeld voor ambtenaren die zonder die mogelijkheid zouden worden afgedankt omdat ze niet meer geschikt zijn om de taak te volbrengen die ze krachtens hun graad moeten verrichten en evenmin in een andere graad kunnen worden benoemd. In het statuut zijn graad en functie immers verbonden, in die zin dat aan een welbepaalde functie een welbepaalde graad is gekoppeld, zodat het niet langer uitoefenen van de functie het verlies van de graad betekent. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat degene die niet opnieuw geschikt gemaakt kan worden en ook een wederopleiding weigert, op pensioen wordt gesteld (artikel 3 van hoofdstuk XI). Het stelsel opgezet bij de bestreden regeling is van een andere aard. Hier staat de functie los van de graad. Indien de betrokkene niet langer in staat is zijn functie uit te oefenen, valt hij terug op zijn vroegere, met zijn graad overeenstemmende taak. Hij is dus geenszins met pensioen bedreigd en er is dus geen reden om de regeling van wedergeschiktmaking en wederopleiding op hem toe te passen. Het feit dat het bestreden bericht hierin niet voorziet, vormt dan ook geen afwijking van hoofdstuk XI van het statuut van het personeel, dat voor een andere situatie in het leven is geroepen. 4.2.3.
- De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden bericht voor sommige functies het principe van bijzondere werktijden vermeldt en dit zonder het akkoord van de vakbonden. Luidens artikel 3 van hoofdstuk V van het statuut moeten bijzondere reglementen inzake de rust- en diensttijden echter tot stand komen in overleg met de vakbonden. Zelfs indien de verwerende partij terecht zou stellen dat ook zonder syndicaal overleg bijzondere werktijden kunnen worden ingevoerd, met name binnen de grenzen van “bundel 541”, dan nog dient te worden vastgesteld dat IX-2854-19/22 voor de invoering van de in het bestreden bericht bedoelde bijzondere werktijden wel degelijk syndicaal overleg vereist was, zoals blijkt uit de door de verwerende partij aangehaalde notulen van de vergadering van 20 december 2000 van de paritaire subcommissie van de NMBS. Het invoeren van bijzondere werktijden behelst twee aspecten. Enerzijds de principiële beslissing om bijzondere werktijden te verbinden aan bepaalde betrekkingen, en anderzijds de uitgewerkte bijzondere werktijden zelf. Te dezen is zonder het vereiste syndicale overleg beslist om bijzondere werktijden te verbinden aan bepaalde betrekkingen. Het bestreden bericht houdt dan ook een afwijking in van artikel 3 van hoofdstuk V van het statuut van het personeel. In die mate is het middel gegrond. 4.2.3.
- De verzoekende partijen voeren ten slotte aan dat het bestreden bericht afwijkt van de bepalingen in verband met de overplaatsing van het personeel, vervat in “bundel 535”, deel II, hoofdstukken II en VI. De verwerende partij werpt terecht op dat bundel 535 geen deel uitmaakt van het statuut van het personeel sensu stricto. De eventuele strijdigheid met regelen van dat bundel kan dan ook geen afwijking uitmaken van het statuut sensu stricto. 4.2.
- In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van artikel 13 van de wet van 23 juli 1926, is het gegrond voor wat betreft het verbinden van bijzondere werktijden aan bepaalde betrekkingen. Voor het overige faalt het middel naar recht. 5.
- In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 34, § 1, en 35, §§ 1, 2 en 5, van de wet van 21 maart 1991, doordat de beslissing tot vaststelling en bekendmaking van het bestreden reglement genomen werd door het directiecomité of de gedelegeerd bestuurder, terwijl enkel de raad van bestuur hiertoe bevoegd was, na een bindend voorstel van de Nationale Paritaire Commissie. IX-2854-20/22 5.
- De verwerende partij antwoordt dat dit middel onontvankelijk is omdat het niet valt binnen het functionele belang van de verzoekende partijen die de bestreden maatregel slechts kunnen aanvechten in zoverre hij afbreuk doet aan hun prerogatieven als syndicaal afgevaardigde of syndicale organisatie.
- De verwerende partij werpt terecht op dat dit middel niet op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd door de verzoekende partijen voor zover erin wordt gesteld dat het bestreden reglement genomen is door het directiecomité of de gedelegeerd bestuurder en niet door de raad van bestuur. De procesbekwaamheid van syndicale afgevaardigden en syndicale organisaties bestaat immers alleen ter bescherming van hun syndicale prerogatieven. Te dezen gaat het om het feit dat ze door een stemming in de Nationale Paritaire Commissie mee kunnen beslissen over het statuut van het personeel. De verzoekende partijen kunnen dus enkel middelen inroepen waarin de schending van de bedoelde prerogatieven wordt aangevoerd. Dit is niet het geval met het tweede middel, waarin de onbevoegdheid wordt aangevoerd van het orgaan dat de bestreden beslissing heeft genomen. De Raad van State kan op dat middel dan ook niet ingaan, zelfs al zou het van openbare orde zijn. Het middel kan niet worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het bericht nr. 8 PP van 16 februari 2001 uitgaande van de NMBS tot oprichting van functies binnen de SE Information Technology, voor zover het bijzondere werktijden verbindt aan bepaalde betrekkingen. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. IX-2854-21/22 Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 augustus 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2854-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.641 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.