← België

Arrest 195642 - Organisatie van de dienst - 31/08/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.642 Rolnummer: A. 90764/IX-2308 Zaak: Arrest 195642 - Organisatie van de dienst - 31/08/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-08 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 03:28 Fiche Arrest nr 195.642 van 31 augustus 2009 Openbaar ambt - Organisatie van de dienst Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.642 van 31 augustus 2009 in de zaak A. 90.764/IX-

  1. In zake : Joseph VANPARYS, wonende te KNOKKE-HEIST, Jonckheerestraat 20 tegen : de POST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joseph VANPARYS op 5 april 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 1 december 1999 van de raad van bestuur van De POST waarbij naar aanleiding van de invoering van een “poolvorming opstellers/onderpostontvangers” artikel 21 van het administratief statuut van de postambtenaren vervangen wordt en een artikel 20bis, een artikel 23bis en een nieuw artikel 68, § 2, ingevoegd worden in dat statuut; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 12 april 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 mei 2009, datum waarop de zaak voor behandeling wordt uitgesteld naar de openbare terechtzitting van 8 juni 2009; IX-2308-1/15 Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van adviseur P. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  2. Verzoeker was op het tijdstip van de bestreden beslissing eerstaanwezend opsteller bij De Post. 1.
  3. Met een nota van 5 november 1999 gericht aan de postmeesters en bestemd voor de onderpostontvangers en de opstellers kondigt de directeur Human Resources van De Post de oprichting aan van een “pool” voor de betrekkingen van opsteller en van onderpostontvanger als één van de stappen in de omvorming van de procedures tot het begeven van de loketdiensten. In die nota wordt de poolvorming als volgt uiteengezet : “Deze stap bestaat in de vorming van een algemene pool, dat wil zeggen één grote groep waarin alle betrekkingen van onderpostontvanger en opsteller worden samengebracht. Op die manier wordt één grote familie van onderpostontvangers en opstellers gecreëerd, waarbinnen de poolanciënniteit de onderlinge rangschikking zal bepalen. De poolanciënniteit wordt berekend vanaf de datum van benoeming in één van de graden die tot de pool behoren. Bij gelijke poolanciënniteit wordt de rangschikking net zoals vroeger verder bepaald door de twee gekende statutaire criteria, namelijk de dienstanciënniteit en in laatste instantie de leeftijd.” Er wordt verder uiteengezet dat eens de pool gevormd is, de bedienden die van de pool deel uitmaken, zowel opstellers als onderpostontvangers, naar diensten zullen kunnen postuleren en dat de poolanciënniteit bepalend zal zijn voor de toekenning van de diensten. IX-2308-2/15 1.
  4. Op 1 december 1999 worden de volgende wijzigingen aan het administratief statuut van de postambtenaren die nodig zijn om de poolvorming te realiseren, goedgekeurd door de raad van bestuur van de Post: - een artikel 20bis wordt ingevoegd, dat luidt als volgt: “De rangschikking van de ambtenaren van de pool opsteller/onderpostontvanger wordt als volgt vergeleken : 1/ De ambtenaar met de grootste poolanciënniteit; 2/ Bij gelijke poolanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstan- ciënniteit; 3/ Bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.” - artikel 21 wordt vervangen als volgt: “Voor het berekenen van de graad-, niveau- en poolanciënniteit komen alleen in aanmerking de diensten die de ambtenaar als stagedoend of statutair personeelslid, of als kandidaat heeft verricht, zonder vrijwillige onderbreking en als titularis van een ambt met volledige prestaties, zoals bepaald in artikel 27, § 3, bij het Bestuur der Posterijen, de Regie der Posterijen of De Post.” - een artikel 23bis wordt ingevoegd, dat luidt als volgt: “Voor het berekenen van de poolanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar benoemd is in een graad van de pool.” - een nieuw artikel 68, § 2, wordt ingevoegd, dat luidt als volgt: “Voor de ambtenaren van de pool opsteller/onderpostontvanger wordt de mutatie toegestaan in volgorde van de rangschikking zoals bepaald in artikel 20bis van dit statuut.” Dit zijn de bestreden bepalingen. 1.
  5. Deze nieuwe bepalingen worden aan het personeel medegedeeld bij dienstorder van 7 februari
  6. Voorts wordt in dat dienstorder gesteld dat elk kantoor zo spoedig mogelijk de poolrangschikking van de eigen ambtenaren zal meegedeeld krijgen en dat daarna alle vacante diensten van de pool ter keuze zullen worden gesteld. 1.
  7. Volgens de verwerende partij zijn de bestreden bepalingen, met ingang van 1 januari 2007, opgeheven en geldt voor de statutaire postambtenaren een nieuw stelsel van anciënniteit en rangschikking, de zogenaamde “functieclassificatie”, gebaseerd op de dienst-, klasse- en bedrijfsanciënniteit. IX-2308-3/15 De verzoeker voert aan dat, ondanks de invoering van de functieclassificatie, de principes van de poolvorming nog steeds gelden. Zo blijft de “poolanciënniteit”, naast de graadanciënniteit, nog steeds relevant. Ontvankelijkheid 2.
  8. Uit de vaststellingen in het auditoraatsverslag blijkt, in overeenstemming met de zienswijze van de verzoeker, dat de bestreden bepalingen tot gevolg hebben dat de verzoeker (van het vroegere niveau 2) in de rangschikking van de personeelsleden in de pool opsteller/onderpostontvanger wordt voorafgegaan door een aantal personeelsleden van het vroegere niveau 3 met een grotere poolanciënniteit. Hierdoor zal de verzoeker mogelijk niet meer in nuttige orde worden gerangschikt wanneer hij zich voor een terkeuzestelling of mutatie kandidaat stelt. In haar laatste memorie sluit de verwerende partij zich aan bij dit verslag en derhalve ook bij deze zienswijze. 2.2.
  9. In haar brief van 22 mei 2009 stelt de verwerende partij dat de verzoeker sinds de inwerkingtreding van de regeling inzake poolanciënniteit nooit gepostuleerd heeft naar een functie of een ambt waardoor hij in concurrentie zou komen met ambtenaren van het vroegere niveau 3 en waardoor hij ingevolge de poolvorming zou zijn voorbijgestreefd door een ambtenaar van een lager niveau met een grotere anciënniteit. 2.2.
  10. Ter zitting heeft de verzoeker verklaard niet te hebben willen postuleren naar een andere functie of ambt, precies omdat hij wist in toepassing van de bestreden regeling niet langer in nuttige orde te zullen worden gerangschikt. 2.2.
  11. De vraag of de verzoeker nog steeds over een actueel belang beschikt, kan te dezen opengelaten worden. Zoals uit de hiernavolgende bespreking zal blijken, moet het beroep immers in elk geval verworpen worden wegens de ongegrondheid van de middelen. IX-2308-4/15 Ten gronde 3.
  12. In een eerste middel voert de verzoeker aan dat de beslissing van 1 december 1999 van de raad van bestuur houdende de vorming van de pool opsteller/onderpostontvanger geen melding maakt van de motieven op grond waarvan zij werd genomen. 3.
  13. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden poolvorming besproken en goedgekeurd is in het paritair comité, dat haar werknemers- vertegenwoordigers derhalve kennis konden nemen van de motieven voor het invoeren ervan, en dat er mag worden van uitgegaan dat de vakorganisaties de beslissing tot poolvorming en de motieven die eraan ten grondslag liggen aan hun leden hebben toegelicht. Bovendien stelt de verwerende partij zelf informatie te hebben verstrekt, zoals in de nota van 5 november 1999 bestemd voor de postontvangers, waarin de planning en uitvoering inzake terkeuzestelling, mutatie, poolvorming en bevordering omstandig uiteengezet zijn. In subsidiaire orde wijst zij erop dat na de publicatie van het dienstorder van 7 februari 2000, aan de personeelsleden die schriftelijk hun ongenoegen over de poolvorming kenbaar hadden gemaakt, een antwoord is medegedeeld waarin de motieven voor de poolvorming uitvoerig werden toegelicht. 3.
  14. De verzoeker repliceert dat de motieven in de beslissing zelf moeten worden vermeld en dat het niet kan dat niet-gesyndiceerden geen informatie zouden ontvangen. De door de verwerende partij verspreide informatie betrof volgens hem louter de planning en de uitvoering van een aantal praktische zaken. Hij stelt zich de vraag of een antwoord op de bezwaarschriften kon volstaan om de beslissing te verantwoorden. 3.
  15. De verzoeker voert klaarblijkelijk de schending aan van de formele motiveringsplicht vervat in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Deze wet is slechts van toepassing op rechtshandelingen met individuele strekking (artikel 1). IX-2308-5/15 De bestreden wijzigingen aan het administratief statuut van de postambtenaren zijn van reglementaire aard en vallen derhalve buiten het toepassingsgebied van voormelde wet van 29 juli
  16. Het middel is niet gegrond. 4.
  17. In een tweede middel voert de verzoeker aan dat de bestreden beslissing niet berust op rechtsgeldige en deugdelijke motieven en strijdig is met het redelijkheidsbeginsel. Hij betoogt dat het door de bestreden artikelen 20bis en 23bis bepaalde criterium van de poolanciënniteit niet pertinent is voor de rangschikking binnen de pool, aangezien aldus wordt voorbijgegaan aan een aantal objectieve en relevante criteria, zoals diplomavereisten, bevorderingsexamens en de aard van de functies, waarbij een onderscheid dient te worden gemaakt tussen toezichthoudende en uitvoerende functies. Bovendien is door de bestreden beslissing een plotse en abrupte beleidswijziging doorgevoerd, zo stelt hij, waarbij de belangen van de opstellers volledig zijn miskend. 4.
  18. De verwerende partij antwoordt dat het criterium van de poolanciënniteit een pertinent criterium is, omdat de twee functies gelijklopend en onderling inwisselbaar zijn en steeds meer functies van onderpostontvanger worden uitgeoefend door opstellers. De verzoeker maakt volgens haar ten onrechte een onderscheid tussen toezichthoudende en uitvoerende functies, vermits zowel de functie van opsteller als deze van onderpostontvanger uitvoerend is. Zij voegt daaraan toe dat haar niet verweten kan worden geen rekening te hebben gehouden met de specificiteit van beide functies. Voorts betwist de verwerende partij dat de beslissing tot poolvorming een plotse en abrupte wijziging van het beleid zou inhouden. De poolvorming is immers een gevolg van het feit dat haar beambtendiensten moesten geherwaardeerd worden en aangepast aan de hedendaagse evoluties, en het wordt hierbij volgens haar steeds moeilijker om een onderscheid te maken tussen de twee genoemde functies. Zij is van mening dat bij de overgang naar de poolvorming IX-2308-6/15 geenszins abrupt te werk is gegaan, maar integendeel in verschillende stappen is gewerkt. Dat de belangen van de onderpostontvangers en de opstellers objectief werden afgewogen, blijkt volgens haar uit het feit dat een grotere ervaring wordt gehonoreerd door de anciënniteit verworven binnen de pool, uit het feit dat binnen dezelfde pool sprake is van een betere verloning en een verruimde mogelijkheid tot mutatie en affectatie voor de opstellers en uit het feit dat de opstellers voordelen blijven behouden in verband met de toewijzing van hogere functies en de mogelijkheden tot bevordering. 4.
  19. De verzoeker repliceert dat het niet duidelijk is waarom enkel voor deze categorie een pool werd gecreëerd. Hij houdt staande dat de bestreden beslissing onevenwichtig is en tot stand is gekomen zonder een objectieve afweging van de betrokken belangen. De verruimde mogelijkheid voor de opstellers tot mutatie en affectatie is niet gewaarborgd en wordt door de feiten tegengesproken. De verzoeker erkent dat in theorie de bestreden poolvorming meer betrekkingen beschikbaar maakt voor personeelsleden met de graad van opsteller, maar stelt dat in praktijk de kansen op mutatie of terkeuzestelling zwaar zijn afgenomen voor opstellers en voor hem in het bijzonder. Ingevolge het grote aantal onderpostontvangers waarvan slechts een klein deel minder anciënniteit heeft dan hijzelf, werd zijn gunstige rangschikking in de groep van opstellers immers omgebogen tot een zeer ongunstige rangschikking in de nieuwe pool. Bovendien betwist hij dat de functies van opsteller en onderpostontvanger gelijklopend zouden zijn, nu de diensten met de grootste verantwoordelijkheid steeds diensten van opsteller waren. Hij schetst de situatie in zijn vroegere aanhechtingskantoren, die erop neerkomt dat de opstellers vooral de functie van ontvanger/rekenplichtige uitoefenden en de onderpostontvangers in hoofdzaak de functie van loketbediende. Hij voegt daaraan toe dat hij op zijn vraag om gedurende vier maanden de vacante hulpdienst op zijn oud kantoor te mogen uitoefenen, een negatieve reactie heeft gekregen met als reden dat hij niet beneden zijn graad mocht werken. Met betrekking tot het feit dat er een overschot aan opstellers zou zijn enerzijds, en een aantal vacante betrekkingen van onderpostontvanger IX-2308-7/15 anderzijds, betoogt hij dat dit laatste het gevolg is van een wervingsstop voor onderpostontvangers ingevolge de nood aan beter geschoold personeel. De vervanging bij verlof of ziekte door opstellers is volgens hem te wijten aan het gevoerde wervingsbeleid waardoor vele “waarnemers” opstellers zijn en aan het niet opwaarderen van de diensten van onderpostontvangers tot de graad van opsteller. Voorts ziet hij niet in hoe de bestreden beslissing tegemoet komt aan de door de verwerende partij eraan verbonden motieven van stabiliteit van het personeel, van kennis van producten en diensten en van vertrouwensrelatie tussen loketbedienden en het cliënteel. Met name zou de bestreden regeling de kans op vertrek van een titularis van een bestaande post vergroten en zou de kennis van producten en diensten niet via poolvorming, maar enkel via een betere scholing kunnen worden bevorderd, of door de opwaardering van de loketdiensten tot de graad van opsteller. 4.
  20. De bestreden regeling houdt in dat personeelsleden met de graden van opsteller en van onderpostontvanger, die tot een verschillend niveau behoren, in één pool worden samengebracht en dat binnen deze pool één enkele rangschikking wordt opgemaakt, waarbij de poolanciënniteit determinerend is om de rangorde te bepalen op grond waarvan de betrekkingen bij mutaties en terkeuzestellingen worden toegekend. Met een brief van 4 april 2000 wordt aan een aantal personeelsleden die tegen deze regeling bezwaar indienden, waaronder de verzoeker, deze regeling als volgt toegelicht : “De Post wil zijn cliënten kwalitatief hoogstaande diensten bieden met respect voor de rechten en het welzijn van zijn personeel. Het laatste kaderakkoord voorzag in de organisatie van een bevorderings- examen voor opsteller; wat gebeurd is. Maar hoe zouden we de laureaten benoemen? Een paritaire werkgroep bestaande uit afgevaardigden van DE POST en de vakbonden van haar personeel heeft zich beraden over die vraag, rekening houdend met een aantal elementen die essentieel leken. 1/ de functies van onderpostontvanger en opsteller zijn veelal gelijklopend, vandaar de moeilijkheid om op correcte wijze de diensten van de twee families te localiseren. 2/ de onderneming werft sedert geruime tijd geen onderpostontvangers meer en heel wat van hun diensten zijn vacant of worden verzekerd door opstellers (niet getitulariseerd). IX-2308-8/15 3/ de dienst aan de cliënteel vereist: - een maximum inzake stabiliteit van het personeel; - een grote kennis van producten en diensten; - een vertrouwensrelatie tussen loketbedienden en de cliënteel, relatie die opgebouwd wordt met de jaren. Aldus leek de poolvorming onderpostontvanger/opsteller de gunstigste oplossing om ons contract met de cliënteel te respecteren en het meest evenwichtige voor al het personeel. De voor- en nadelen voor de twee families waaruit de pool is samengesteld, lijken ons niet onevenwichtig : enerzijds wordt een grotere ervaring gehonoreerd door de poolanciënniteit, wat in de praktijk hoofdzakelijk in het voordeel is van de familie onderpostontvanger; anderzijds is er voor de opstellers binnen dezelfde pool een betere verloning en een verruimde mogelijkheid tot mutatie en affectatie. Wij hebben gemeend dat op deze wijze het juiste evenwicht werd gevonden tussen beide families en rekenen op uw verdere inzet.” De bestreden regeling gaat derhalve uit van de vaststelling dat de functies van opsteller en van onderpostontvanger veelal gelijklopend zijn en een aantal functies van onderpostontvanger door opstellers worden ingevuld. De verzoeker betwist in zijn laatste memorie het gelijklopend karakter van beide functies door erop te wijzen dat de diensten met de meeste verantwoordelijkheid, zoals deze van rekenplichtige, steeds worden uitgeoefend door opstellers, terwijl de loketdiensten worden toegekend aan de onderpost- ontvangers. Hij voegt hier nog aan toe dat “na de opwaardering van de dienst bijzonder rekenplichtige tot sectiechef (...) de zwaarste loketdienst opgewaardeerd (werd) tot opsteller”. Uit dit laatste blijkt evenwel de tendens om de bestaande diensten te herwaarderen en hierbij de functies van opsteller en van onderpostontvanger zo nauw mogelijk bij elkaar te laten aansluiten. De bestreden regeling beoogt een oplossing te bieden voor het probleem dat is ontstaan doordat, enerzijds, er een overschot is aan personeelsleden met de graad van opsteller, en anderzijds, een aantal betrekkingen van onderpost- ontvanger vacant zijn. De regeling leidt ertoe dat voor de personeelsleden met de graad van opsteller meer betrekkingen beschikbaar zijn voor mutatie en affectatie. Dat dit voor sommige opstellers, zoals de verzoeker, ingevolge het criterium van de poolanciënniteit gepaard gaat met een veel ongunstigere rangschikking binnen de pool in vergelijking met de vroegere rangschikking binnen hun graad, is een ernstig nadeel. De verwerende partij was zich hiervan bewust, aangezien zij erkent dat de IX-2308-9/15 poolanciënniteit in de praktijk hoofdzakelijk in het voordeel is van de onderpost- ontvangers. Zij is evenwel van mening dat de bestreden regeling de meest evenwichtige oplossing was voor het geheel van het personeel. In dit verband wijst zij ook op de betere verloning voor de opstellers binnen de pool en op de voordelen die de opstellers blijven behouden in verband met de toewijzing van hogere functies en de mogelijkheden tot bevordering, hetgeen door de verzoeker niet wordt betwist. In tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, kan de bestreden regeling wel degelijk bijdragen tot de stabiliteit van het personeel, de kennis van de producten en diensten en de vertrouwensrelatie tussen de loketbedienden en het cliënteel. Een eerste invulling van alle beschikbare betrekkingen met toepassing van die regeling zal er immers toe leiden dat de loketdiensten die voorheen slechts waargenomen werden door opstellers, thans getitulariseerd zullen worden en dit door personeelsleden met de grootste poolanciënniteit. Gelet op het voorgaande, kan de beleidskeuze om de personeelsleden binnen de pool van opstellers en onderpostontvangers te rangschikken op basis van de poolanciënniteit, niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd, in acht genomen dat de functies van opsteller en van onderpostontvanger nauw bij elkaar aansluiten en dat het criterium van de poolanciënniteit de ervaring verworven in beide graden in aanmerking neemt. Evenmin kunnen de motieven waarop die beleidskeuze berust als ondeugdelijk worden beschouwd. Bijgevolg faalt het middel naar recht. 5.
  21. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van het vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat hij erop mocht vertrouwen dat zijn inspanningen om een diploma te behalen of te slagen in een examen zouden worden gehonoreerd. Hij betoogt dat het beleid voorzag in een onderscheid tussen opstellers en onderpostontvangers, op basis van specificiteiten. Dit beleid wordt volgens hem bruusk gewijzigd, zonder dat daarvoor in redelijkheid aanvaardbare motieven kunnen worden ingeroepen. IX-2308-10/15 5.
  22. De verwerende partij antwoordt dat de beslissing tot poolvorming niet willekeurig werd genomen en dat een paritaire werkgroep bestaande uit haar afgevaardigden en de vakbonden van haar personeel zich hierover grondig heeft beraden. Zij stelt dat de invoering van de pool van onderpostontvangers en opstellers de meest gunstige oplossing bleek, en dat die niets verandert aan de verwachtingen inzake loopbaan (bevordering, wedde) van de betrokken personeelsleden. Andere individuele belangen wogen volgens haar niet op tegen het algemeen belang dat bij het nemen van de beslissing tot poolvorming werd beoogd. 5.
  23. De verzoeker repliceert dat de verwerende partij niet aantoont dat de poolvorming noodzakelijk was om de diensten aan het publiek te verzekeren. Hij stelt dat de diplomavereisten, de bevorderingsexamens en de aard van de functies aantonen dat beide categorieën verschillend zijn en dat een tekort aan personeels- leden van één categorie niet kan worden opgelost “door alles in een pot te gooien”. Hij meent reeds aan de hand van het tweede middel te hebben aangetoond dat er geen redelijke argumenten ten grondslag liggen aan de wijziging van de statuten die betrekking heeft op de rechten van de personeelsleden. 5.
  24. Het vertrouwensbeginsel staat er niet aan in de weg dat de bevoegde overheid een personeelsstatuut, en meer bepaald de regels betreffende de rangschikking van de personeelsleden, wijzigt. Uit de aard zelf van een personeelsstatuut volgt dat de rechten die zijn toegekend aan de personeelsleden waarop dat statuut betrekking heeft, voor de toekomst bij wege van algemene maatregel kunnen worden gewijzigd. Bovendien is bij de bespreking van het tweede middel gebleken dat de motieven die aan de bestreden regeling ten grondslag liggen, niet ondeugdelijk zijn. Het middel is niet gegrond. 6.
  25. In een vierde middel voert de verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel. Hij stelt dat een rangschikking op basis van de poolanciënniteit en bij ontstentenis van andere objectieve criteria een ongelijke behandeling inhoudt IX-2308-11/15 van de opstellers ten aanzien van de onderpostontvangers. Met name is het tijdstip van werving van beide categorieën personeelsleden dermate verschillend -de werving van opstellers situeerde zich eind de jaren’70, de werving van onderpostontvangers werd stopgezet halfweg de jaren ’80- dat een gelijke behandeling op basis van dit anciënniteitscriterium volgens hem onmogelijk is. Hij betoogt dat te dezen twee categorieën van personeelsleden die fundamenteel verschillen wat betreft aanwervingsvoorwaarden, diplomavereisten en taakuitoefening, op dezelfde wijze behandeld worden, zonder dat met dit onder- scheid rekening wordt gehouden. Door de bestreden beslissing zullen immers opstellers die behoren tot niveau 2, met hogere kwalificaties en met een leiding- gevende functie, lager gerangschikt worden dan onderpostvangers met objectief lagere kwalificaties, omdat laatstgenoemden langer in dienst zijn. De verzoeker is van mening dat deze ongelijke behandeling niet in een redelijke verhouding kan staan tot het doel van de bestreden beslissing. 6.
  26. De verwerende partij antwoordt dat de oprichting van een pool van opstellers en onderpostontvangers niet zonder meer nadelig is voor de eerstgenoemden, aangezien opstellers die eerder werden aangeworven dan onderpostontvangers een grotere poolanciënniteit genieten. Voorts zet de verwerende partij uiteen dat de onderpostontvangers en de opstellers inderdaad op gelijke wijze worden gerangschikt op basis van de poolanciënniteit met het oog op een eventuele mutatie of terkeuzestelling, maar dat ook een onderscheid blijft bestaan tussen beide functies, met name met betrekking tot het loon, de verruimde mogelijkheid tot mutatie en affectatie, de mogelijke toewijzing van hogere functies en de bevorderingsmogelijkheden. Hieruit blijkt volgens haar dat de opstellers en de onderpostontvangers niet op volledig identieke wijze worden behandeld en dat er wel degelijk een objectief onderscheid blijft bestaan tussen de twee niveaus. De verwerende partij merkt op dat de verzoeker ten onrechte een onderscheid maakt tussen toezichthoudende en uitvoerende functies, nu het in beide gevallen om uitvoerende functies gaat en bovendien steeds meer functies van onderpostontvanger worden uitgeoefend door opstellers. IX-2308-12/15 6.
  27. De verzoeker repliceert dat de ongelijke behandeling wordt beklemtoond door het niet invoeren van overgangsbepalingen, die volgens hem zeer noodzakelijk zijn, gelet op de wervingspolitiek van de verwerende partij met betrekking tot beide categorieën. Hij is van mening dat de bestreden regeling onevenredig veel schade berokkent aan de opstellers, nu alle vroegere diensten van opsteller waarvoor een hogere scholing vereist was wegens de grotere verantwoordelijkheid, kunnen worden ingenomen door vroegere postontvangers, wat zeer waarschijnlijk is gelet op hun meestal grotere anciënniteit. 6.4.
  28. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet- discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten zich ertegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de bestreden maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 6.4.
  29. Bij de bespreking van het tweede middel is geoordeeld dat de beslissing van de verwerende partij om binnen de pool van opstellers en onderpostontvangers de rangschikking met het oog op mutaties en affectaties te laten steunen op de poolanciënniteit, op deugdelijke motieven berust. Aldus lijkt er een redelijke verantwoording te bestaan voor de gelijke toepassing, in het kader van mutaties en affectaties, van het criterium van de poolanciënniteit op beide categorieën van personeelsleden, ook al zijn die categorieën van een verschillend niveau. Het doel van de bestreden regeling is tegemoet te komen, enerzijds, aan het overschot aan personeelsleden met de graad van opsteller en, IX-2308-13/15 anderzijds, aan het niet ingevuld geraken van een aantal betrekkingen van onderpost-ontvanger. Hoewel een aantal opstellers, zoals de verzoeker, ingevolge de bestreden regeling hun kansen op mutatie en affectatie op ernstige wijze verminderd zien, wordt door de bestreden regeling niet geraakt aan het bestaande onderscheid tussen de graden van opsteller en van onderpostontvanger wat de bezoldiging en de bevorderingsmogelijkheden betreft. De bestreden regeling is dan ook niet onevenredig met het beoogde doel ervan. In het licht van het voorgaande moet geconcludeerd worden dat er een redelijke verantwoording bestaat voor de bedoelde gelijke behandeling van opstellers en onderpostontvangers. 6.4.
  30. Het middel faalt naar recht. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  31. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  32. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-2308-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 augustus 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2308-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.642 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.