← België

Arrest 195644 - Organisatie van de dienst - 31/08/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.644 Rolnummer: A. 90811/IX-2313 Zaak: Arrest 195644 - Organisatie van de dienst - 31/08/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:28 Fiche Arrest nr 195.644 van 31 augustus 2009 Openbaar ambt - Organisatie van de dienst Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.644 van 31 augustus 2009 in de zaak A. 90.811/IX-

  1. In zake : Erika VANLERBERGHE, die woonplaats kiest bij advocaat T. PEETERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : De Post. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Erika VANLERBERGHE op 7 april 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 1 december 1999 van de raad van bestuur van De POST waarbij naar aanleiding van de invoering van een “poolvorming opstellers/onderpostontvangers” artikel 21 van het administratief statuut van de postambtenaren vervangen wordt en een artikel 20 bis, een artikel 23 bis en een nieuw artikel 68, § 2, ingevoegd worden in dat statuut, alsook van de daaruit voortvloeiende rangschikking van de personeelsleden van de pool “opsteller-onderpostontvanger” van 4 februari 2000; Gelet op het arrest nr. 88.326 van 27 juni 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 17 augustus 2000 door verzoekster; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-2313-1/14 Gelet op de beschikking van 26 februari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 mei 2009, datum waarop de zaak werd uitgesteld naar de openbare terechtzitting van 8 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. PEETERS, die verschijnt voor de verzoekster, en van adviseur P. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  2. De verzoekster was op het tijdstip van de bestreden beslissing eerstaanwezend opsteller bij De Post. 1.
  3. Met een nota van 5 november 1999 gericht aan de postmeesters en bestemd voor de onderpostontvangers en de opstellers kondigt de directeur Human Resources van De Post de oprichting aan van een “pool” voor de betrekkingen van opsteller en van onderpostontvanger als één van de stappen in de omvorming van de procedures tot het begeven van de loketdiensten. In die nota wordt de poolvorming als volgt uiteengezet : IX-2313-2/14 “Deze stap bestaat in de vorming van een algemene pool, dat wil zeggen één grote groep waarin alle betrekkingen van onderpostontvanger en opsteller worden samengebracht. Op die manier wordt één grote familie van onderpostontvangers en opstellers gecreëerd, waarbinnen de poolanciënniteit de onderlinge rangschikking zal bepalen. De poolanciënniteit wordt berekend vanaf de datum van benoeming in één van de graden die tot de pool behoren. Bij gelijke poolanciënniteit wordt de rangschikking net zoals vroeger verder bepaald door de twee gekende statutaire criteria, namelijk de dienstanciënniteit en in laatste instantie de leeftijd.” Er wordt verder uiteengezet dat eens de pool gevormd is, de bedienden die van de pool deel uitmaken, zowel opstellers als onderpostontvangers, naar diensten zullen kunnen postuleren en dat de poolanciënniteit bepalend zal zijn voor de toekenning van de diensten. 1.
  4. Op 1 december 1999 worden de volgende wijzigingen aan het administratief statuut van de postambtenaren die nodig zijn om de poolvorming te realiseren, goedgekeurd door de raad van bestuur van de Post: - een artikel 20 bis wordt ingevoegd, dat luidt als volgt: “De rangschikking van de ambtenaren van de pool opsteller/onderpostontvanger wordt als volgt vergeleken : 1/ De ambtenaar met de grootste poolanciënniteit; 2/ Bij gelijke poolanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit; 3/ Bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.” - artikel 21 wordt vervangen als volgt: “Voor het berekenen van de graad-, niveau- en poolanciënniteit komen alleen in aanmerking de diensten die de ambtenaar als stagedoend of statutair personeelslid, of als kandidaat heeft verricht, zonder vrijwillige onderbreking en als titularis van een ambt met volledige prestaties, zoals bepaald in artikel 27, § 3, bij het Bestuur der Posterijen, de Regie der Posterijen of De Post.” - een artikel 23 bis wordt ingevoegd, dat luidt als volgt: “Voor het berekenen van de poolanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar benoemd is in een graad van de pool.” - een nieuw artikel 68, § 2, wordt ingevoegd, dat luidt als volgt: IX-2313-3/14 “Voor de ambtenaren van de pool opsteller/onderpostontvanger wordt de mutatie toegestaan in volgorde van de rangschikking zoals bepaald in artikel 20 bis van dit statuut.” Deze bepalingen maken het voorwerp uit van het voorliggende beroep. 1.
  5. Deze nieuwe bepalingen worden aan het personeel medegedeeld bij dienstorder van 7 februari
  6. Voorts wordt in dat dienstorder gesteld dat elk kantoor zo spoedig mogelijk de poolrangschikking van de eigen ambtenaren zal meegedeeld krijgen en dat daarna alle vacante diensten van de pool ter keuze zullen worden gesteld. Uit de rangschikking van de personeelsleden van de pool “opsteller-onderpostontvanger” van 4 februari 2000 blijkt dat de verzoekster gerangschikt is als 108ste. Ook deze rangschikking wordt door de verzoekster bestreden. 1.
  7. Volgens de verwerende partij zijn de bestreden bepalingen, met ingang van 1 januari 2007, opgeheven en geldt voor de statutaire postambtenaren een nieuw stelsel van anciënniteit en rangschikking, de zogenaamde “functieclassificatie”, gebaseerd op de dienst-, klasse- en bedrijfsanciënniteit. Ontvankelijkheid 2.
  8. Uit de vaststellingen in het auditoraatsverslag blijkt, in overeenstemming met de zienswijze van de verzoekster, dat de bestreden bepalingen tot gevolg hebben dat de verzoekster (van het vroegere niveau 2) in de rangschikking van de personeelsleden in de pool opsteller/onderpostontvanger terugvalt van de 26ste naar de 108ste plaats, omdat zij door een aantal personeelsleden van het vroegere niveau 3 met een grotere poolanciënniteit wordt voorbijgegaan. Hierdoor zal de verzoekster mogelijk niet meer in nuttige orde worden gerangschikt wanneer zij zich voor een terkeuzestelling of mutatie kandidaat stelt. In haar laatste memorie sluit de verwerende partij zich aan bij dit verslag en derhalve ook bij deze zienswijze. IX-2313-4/14 2.2.
  9. In haar brief van 22 mei 2009 stelt de verwerende partij dat de verzoekster sinds de inwerkingtreding van de regeling inzake poolanciënniteit nooit gepostuleerd heeft naar een functie of een ambt waardoor zij in concurrentie zou komen met ambtenaren van het vroegere niveau 3 en waardoor zij ingevolge de poolvorming zou zijn voorbijgestreefd door een ambtenaar van een lager niveau met een grotere anciënniteit. 2.2.
  10. Ter zitting heeft de verzoekster verklaard niet te hebben willen postuleren naar een andere functie of ambt, precies omdat zij wist in toepassing van de bestreden regeling niet langer in nuttige orde te zullen worden gerangschikt. Hetzelfde had zij reeds gesteld in haar brief van 14 mei
  11. 2.2.
  12. De vraag of de verzoekster nog steeds over een actueel belang beschikt, kan te dezen opengelaten worden. Zoals uit de hiernavolgende bespreking zal blijken, moet het beroep immers in elk geval verworpen worden wegens de ongegrondheid van de middelen. Ten gronde 3.
  13. In een eerste middel voert de verzoekster de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. In een eerste onderdeel betoogt zij dat in het statuut wel bepalingen zijn opgenomen die de gevolgen van de poolvorming regelen, maar geen bepalingen die de pool zelf instellen. Hierdoor ontstaat volgens haar de grootste onduidelijkheid en onzekerheid inzake de vraag wat nu eigenlijk onder de pool moet worden verstaan en hoever die reikt op personeel en temporeel vlak. In een tweede onderdeel stelt de verzoekster dat door de poolvorming tegenstrijdigheden zijn ontstaan in het statuut. Precies omdat de eigenlijke beslissing tot poolvorming niet in het statuut zelf is opgenomen, zijn de bestreden bepalingen volgens haar strijdig met de basiskrachtlijnen van het administratief statuut. Deze zouden erin bestaan dat het personeel onderverdeeld is in niveaus die het belang van de daarin opgenomen graden bepalen en op basis waarvan de personeelsleden worden gerangschikt. Zij stelt dat bij gebrek aan de IX-2313-5/14 opname in het statuut van de beslissing tot poolvorming, die krachtlijnen onverkort van toepassing blijven op de personeelsleden van de pool, terwijl te dezen de rangschikking geenszins rekening houdt met het belang van de niveaus. 3.
  14. De verwerende partij antwoordt dat het principe van de poolvorming werd goedgekeurd in het paritair comité, nadat alle elementen ernstig in overweging werden genomen, en dat de draagwijdte ervan aan het personeel werd toegelicht, onder meer in een nota voor de postontvangers van 5 november
  15. Bovendien stelt zij dat aan personeelsleden, zoals de verzoekster, die hun ongenoegen over de poolvorming hadden kenbaar gemaakt een uitvoerige toelichting is medegedeeld. Voorts is volgens de verwerende partij niet vereist dat in het statuut de inhoud wordt uitgelegd van alle bepalingen die erin voorkomen. 3.
  16. Met betrekking tot het eerste onderdeel repliceert de verzoekster dat de inhoud van het statuut niet uit informatiebrochures en briefwisseling moet blijken, maar uit de tekst zelf van het statuut. 3.4.
  17. Wat het eerste onderdeel betreft, dient te worden vastgesteld dat dit niet gericht is tegen de bestreden bepalingen, maar tegen het ontbreken van een bepaling die de pool van opstellers en onderpostontvangers instelt. Bovendien blijkt uit het bestreden artikel 20 bis op afdoende wijze het bestaan van een pool van opstellers en onderpostontvangers. Uit het verzoekschrift blijkt overigens dat de verzoekster een voldoende kennis heeft van de draagwijdte van de bestreden bepalingen. 3.4.
  18. Wat het tweede onderdeel betreft, kan worden opgemerkt dat het administratief statuut van de postambtenaren inderdaad een onderscheid maakt tussen ambtenaren van de niveaus 2 en 3, maar dat niets eraan in de weg staat dat de bevoegde overheid door middel van bijzondere bepalingen afwijkt van de “basiskrachtlijnen” van het statuut. Aan de bestreden bepalingen, die dergelijke afwijking inhouden, wordt geen afbreuk gedaan door in het statuut de eigenlijke beslissing tot poolvorming niet op te nemen, zoals is gebleken bij de bespreking van het eerste onderdeel. IX-2313-6/14 3.4.
  19. Het middel is niet gegrond. 4.
  20. In een tweede middel voert de verzoekster de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat de poolvorming blijkbaar werd ingevoerd om de discrepantie tussen de beschikbare personeelsleden en de beschikbare functies in de niveaus 2 en 3 op te lossen, maar dat daartoe geenszins vereist is dat de personeelsleden van niveau 3 enkel en alleen omwille van hun anciënniteit voorrang zouden krijgen op de personeelsleden van niveau
  21. Wanneer men de niveaus laat bestaan, kan men volgens haar in redelijkheid niet beslissen dat personeelsleden van niveau 3 bij een eventuele mutatie of terkeuzestelling voorrang krijgen op personeelsleden van niveau 2, hoewel men blijvend erkent dat deze laatsten beter gekwalificeerd zijn. Voorts betoogt zij dat algemeen aanvaard is dat bij individuele benoemingen de anciënniteit nooit een beslissend element kan zijn en wijst zij erop dat ook volgens artikel 68, § 1, van het statuut een mutatie wordt toegekend op basis van minstens twee criteria, met name de vereiste specialisatie omwille van de aard van de functie en de statutaire rangschikking. 4.
  22. De verwerende partij antwoordt dat het bewaren van het onderscheid tussen de niveaus verantwoord is, indien men rekening houdt met het feit dat de opstellers de bestaande voordelen inzake loon, de mogelijke toewijzing van hogere functies en de bevorderingsmogelijkheden behouden. Bovendien stelt zij dat de opstellers sinds het invoeren van de pool kunnen genieten van een verruimde mogelijkheid tot mutatie en affectatie. Door daarnaast een grotere ervaring te honoreren via de poolanciënniteit, is er volgens haar sprake van een objectieve afweging van de respectieve belangen van onderpostontvangers én opstellers. De reden waarom het bestreden artikel 68, § 2, geen melding maakt van het vereiste van specialisatie omwille van de aard van de functie, is er volgens de verwerende partij in gelegen dat de betrekkingen van onderpostontvanger en van opsteller van dezelfde soort zijn en er dus voor die betrekkingen geen specialisatie vereist is. 4.
  23. De verzoekster repliceert dat de bestreden regeling geenszins nodig was om het probleem van de invulling van de vacatures op te lossen en dat de IX-2313-7/14 verwerende partij er niet in slaagt de meerwaarde van deze regeling aan te tonen, terwijl zij voor de verzoekster nadelig is. Bovendien stelt de verzoekster dat de functies van opsteller en van onderpostontvanger slechts gelijklopend zijn sedert het in werking treden van de pool. Voorts betoogt zij dat voor de personeelsleden met gelijke poolanciënniteit de dienstanciënniteit doorslaggevend is, terwijl destijds evenwel niet dezelfde functies openstonden voor beide categorieën en personeelsleden van niveau 2 toen op grond van hogere kwalificaties en een vergelijkend examen dit niveau bereikt hebben. Zij stelt dat niet wordt geantwoord op de vraag op grond waarvan personeelsleden van het lagere niveau 3 louter op basis van hun dienstanciënniteit in dit lager niveau hoger gerangschikt kunnen worden dan de hoger gekwalificeerde personeelsleden van niveau
  24. Waar wordt voorgehouden dat het onderscheid in niveaus zou blijven bestaan, onder meer voor wat betreft de verdere loopbaanplanning, is dit volgens haar in strijd met de werkelijkheid. 4.
  25. De bestreden regeling houdt in dat personeelsleden met de graden van opsteller en van onderpostontvanger, die tot een verschillend niveau behoren, in één pool worden samengebracht en dat binnen deze pool één enkele rangschikking wordt opgemaakt, waarbij de poolanciënniteit, en bij gelijke poolanciënniteit, de dienstanciënniteit, determinerend is om de rangorde te bepalen op grond waarvan de betrekkingen bij mutaties en terkeuzestellingen worden toegekend. Met een brief van 4 april 2000 wordt aan een aantal personeelsleden die tegen deze regeling bezwaar indienden, waaronder de verzoekster, deze regeling als volgt toegelicht : “De Post wil zijn cliënten kwalitatief hoogstaande diensten bieden met respect voor de rechten en het welzijn van zijn personeel. Het laatste kaderakkoord voorzag in de organisatie van een bevorderings- examen voor opsteller; wat gebeurd is. Maar hoe zouden we de laureaten benoemen? IX-2313-8/14 Een paritaire werkgroep bestaande uit afgevaardigden van DE POST en de vakbonden van haar personeel heeft zich beraden over die vraag, rekening houdend met een aantal elementen die essentieel leken. 1/ de functies van onderpostontvanger en opsteller zijn veelal gelijklopend, vandaar de moeilijkheid om op correcte wijze de diensten van de twee families te localiseren. 2/ de onderneming werft sedert geruime tijd geen onderpostontvan- gers meer en heel wat van hun diensten zijn vacant of worden verzekerd door opstellers (niet getitulariseerd). 3/ de dienst aan de cliënteel vereist: - een maximum inzake stabiliteit van het personeel; - een grote kennis van producten en diensten; - een vertrouwensrelatie tussen loketbedienden en de cliënteel, relatie die opgebouwd wordt met de jaren. Aldus leek de poolvorming onderpostontvanger/opsteller de gunstigste oplossing om ons contract met de cliënteel te respecteren en het meest evenwichtige voor al het personeel. De voor- en nadelen voor de twee families waaruit de pool is samengesteld, lijken ons niet onevenwichtig : enerzijds wordt een grotere ervaring gehonoreerd door de poolanciënniteit, wat in de praktijk hoofdzakelijk in het voordeel is van de familie onderpostontvanger; anderzijds is er voor de opstellers binnen dezelfde pool een betere verloning en een verruimde mogelijkheid tot mutatie en affectatie. Wij hebben gemeend dat op deze wijze het juiste evenwicht werd gevonden tussen beide families en rekenen op uw verdere inzet.” De bestreden regeling gaat derhalve uit van de vaststelling dat de functies van opsteller en van onderpostontvanger veelal gelijklopend zijn en een aantal functies van onderpostontvanger door opstellers worden ingevuld. De verzoekster schrijft in haar laatste memorie dat de functies van opsteller en van onderpostontvanger slechts gelijklopend zijn sedert de inwerkingtreding van de pool. Zij brengt echter geen gegevens aan waaruit zou blijken dat beide functies, zoals deze vóór de poolvorming bestonden, ten onrechte door de verwerende partij als veelal gelijklopend zouden worden beschouwd. De bestreden regeling beoogt een oplossing te bieden voor het probleem dat is ontstaan doordat, enerzijds, er een overschot is aan personeelsleden met de graad van opsteller, en anderzijds, een aantal betrekkingen van onder- postontvanger vacant zijn. De regeling leidt ertoe dat voor de personeelsleden met de graad van opsteller meer betrekkingen beschikbaar zijn voor mutatie en affectatie. Dat dit voor sommige opstellers, zoals de verzoekster, ingevolge het criterium van de poolanciënniteit gepaard gaat met een veel ongunstigere IX-2313-9/14 rangschikking binnen de pool in vergelijking met de vroegere rangschikking binnen hun graad, is een ernstig nadeel. De verwerende partij was zich hiervan bewust, aangezien zij erkent dat de poolanciënniteit in de praktijk hoofdzakelijk in het voordeel is van de onderpostontvangers. Zij is evenwel van mening dat de bestreden regeling de meest evenwichtige oplossing was voor het geheel van het personeel. In dit verband wijst zij ook op de betere verloning voor de opstellers binnen de pool en op de voordelen die de opstellers blijven behouden in verband met de toewijzing van hogere functies en de mogelijkheden tot bevordering. De verzoekster betwist deze voordelen voor zover zij betrekking hebben op de verdere loopbaanplanning, maar laat na dit op enige concrete wijze te staven. Gelet op het voorgaande, kan de beleidskeuze om de personeelsleden binnen de pool van opstellers en onderpostontvangers te rangschikken op basis van de poolanciënniteit, en bij gelijke poolanciënniteit, op basis van de dienstanciënniteit, niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd, in acht genomen dat de functies van opsteller en van onderpostontvanger gelijklopend zijn, minstens nauw bij elkaar aansluiten en dat het criterium van de poolanciënniteit de ervaring verworven in beide graden in aanmerking neemt. Bijgevolg faalt het middel naar recht. 5.
  26. In een derde middel voert de verzoekster de schending aan van het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij betoogt dat de personeelsleden van de niveaus 2 en 3 krachtens het statuut hiërarchisch niet op dezelfde hoogte staan en dat beide niveaus aan verschillende toelatingsvoorwaarden, kwalificaties, bevorderingsmogelijkheden en verloningsvoorwaarden onderworpen zijn. Toch worden die personeelsleden in één pool samengebracht en daarin op gelijke wijze gerangschikt op grond van hun anciënniteit met het oog op een eventuele mutatie of terkeuzestelling. Volgens de verzoekster kan de verwerende partij de verschillende benadering van deze niveaus niet zonder redelijk motief opzij schuiven wat die rangschikking betreft. 5.
  27. De verwerende partij antwoordt dat de personeelsleden van beide niveaus inderdaad op gelijke wijze worden gerangschikt op basis van de anciënniteit met het oog op een eventuele mutatie of terkeuzestelling, maar dat ook een IX-2313-10/14 onderscheid blijft bestaan tussen beide families, met name met betrekking tot het loon, de verruimde mogelijkheid tot mutatie en affectatie, de mogelijke toewijzing van hogere functies en de bevorderingsmogelijkheden. Hieruit blijkt volgens haar dat de opstellers en de onderpostontvangers niet op identieke wijze worden behandeld en dat er wel degelijk een objectief onderscheid blijft bestaan tussen de twee niveaus. 5.
  28. De verzoekster repliceert dat de verwerende partij niet aantoont waarom personeelsleden van een lager niveau voorrang kunnen krijgen op personeelsleden van een hoger niveau, louter en alleen op basis van hun anciënniteit. 5.4.
  29. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet- discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten zich ertegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de bestreden maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 5.4.
  30. Uit de bespreking van het tweede middel kan worden afgeleid dat de motieven die ten grondslag liggen aan de beslissing van de verwerende partij om binnen de pool van opstellers en onderpostontvangers de rangschikking met het oog op mutaties en affectaties te laten steunen op de poolanciënniteit, niet ondeugdelijk zijn. Aldus lijkt er een redelijke verantwoording te bestaan voor de gelijke toepassing, in het kader van mutaties en affectaties, van het criterium van de poolanciënniteit op beide categorieën van personeelsleden, ook al zijn die categorieën van een verschillend niveau. IX-2313-11/14 Het doel van de bestreden regeling is tegemoet te komen, enerzijds, aan het overschot aan personeelsleden met de graad van opsteller en, anderzijds, aan het niet ingevuld geraken van een aantal betrekkingen van onder- postontvanger. Hoewel een aantal opstellers, zoals de verzoekster, ingevolge de bestreden regeling hun kansen op mutatie en affectatie op ernstige wijze verminderd zien, wordt door de bestreden regeling niet geraakt aan het bestaande onderscheid tussen de graden van opsteller en van onderpostontvanger wat de bezoldiging en de bevorderingsmogelijkheden betreft. De bestreden regeling is dan ook niet onevenredig met het beoogde doel ervan. In het licht van het voorgaande moet geconcludeerd worden dat er een redelijke verantwoording bestaat voor de bedoelde gelijke behandeling van opstellers en onderpostontvangers. 5.4.
  31. Het middel faalt naar recht. 6.
  32. In een vierde middel voert de verzoekster de schending aan van het vertrouwensbeginsel. Zij betoogt dat een personeelslid van niveau 2 mag verwachten dat de inspanningen om een rang van dat niveau te bereiken, meer bepaald het slagen in een vergelijkend examen met hogere deelnemingsvereisten dan voor een examen van niveau 3, zouden resulteren in een evenredige waardering bij de toegang tot bepaalde functies, ook wanneer die functies evenzeer toegankelijk zouden zijn verklaard voor ambtenaren van niveau 3, zodat dit personeelslid niet door die ambtenaren van niveau 3 zou kunnen worden voorbijgegaan. 6.
  33. De verwerende partij antwoordt dat het rechtszekerheidsbeginsel het fundament vormt van het vertrouwensbeginsel en dat de eis van rechtszekerheid mede het gewicht bepaalt van het belang van de burger bij de honorering van de door het bestuur gewekte verwachtingen. Per concreet geval zal volgens haar moeten worden nagegaan of dit belang voldoende zwaar weegt om het algemeen belang ervoor opzij te zetten. De verwerende partij is van mening dat de beslissing tot poolvorming niet willekeurig is genomen. Er zijn volgens haar belangrijke redenen die deze beslissing verantwoorden, met name het gelijklopend karakter van de functies van onderpostontvanger en van opsteller, het feit dat sedert geruime tijd geen onderpostontvangers meer worden aangeworven en heel wat van hun diensten IX-2313-12/14 vacant zijn of verzekerd worden door opstellers, en de vereiste van maximale stabiliteit van het personeel, van grote kennis van producten en diensten en van een vertrouwensrelatie tussen loketbedienden en het cliënteel. Zij stelt dat de bestreden poolvorming het best tegemoet kwam aan de verwachtingen van zowel haar cliënteel als haar personeel en dat andere individuele belangen, zoals examens en de honorering van diploma’s, niet opwogen tegen het algemeen belang dat zij beoogde bij het invoeren van die poolvorming. 6.
  34. De verzoekster repliceert dat zij geen probleem heeft met het feit dat personen van een lager niveau toegang krijgen tot dezelfde ambten als personen van een hoger niveau, maar wel met het feit dat personen van een lager niveau voorrang krijgen op personen van een hoger niveau, en dit louter op basis van hun anciënniteit. Zij meent in de uiteenzetting van de verwerende partij hiervoor geen redelijke uitleg terug te vinden. 6.
  35. Het vertrouwensbeginsel staat er niet aan in de weg dat de bevoegde overheid een personeelsstatuut, en meer bepaald de regels betreffende de rangschikking van de personeelsleden, wijzigt. Uit de aard zelf van een personeelsstatuut volgt dat de rechten die zijn toegekend aan de personeelsleden waarop dat statuut betrekking heeft, voor de toekomst bij wege van algemene maatregel kunnen worden gewijzigd. Bovendien kan uit de bespreking van het tweede middel worden afgeleid dat de motieven die aan de bestreden regeling ten grondslag liggen, niet onredelijk zijn. Het middel is niet gegrond. IX-2313-13/14 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  36. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  37. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 augustus 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2313-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.644 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.88.326 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.