← België

Arrest 195647 - Tucht (openbaar ambt) - 31/08/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.647 Rolnummer: A. 82290/IX-1620 Zaak: Arrest 195647 - Tucht (openbaar ambt) - 31/08/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-08 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:28 Fiche Arrest nr 195.647 van 31 augustus 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.647 van 31 augustus 2009 in de zaak A. 82.290/IX-

  1. In zake : Paul CLAEYS, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 89 tegen :
  2. de gemeente WATERMAAL-BOSVOORDE, die woonplaats kiest bij advocaat J. BOURTEMBOURG, kantoor houdende te BRUSSEL, Zwitserlandstraat 24,
  3. het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, die woonplaats kiest bij advocaat M. UYTTENDAELE, kantoor houdende te BRUSSEL, Bronstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul CLAEYS op 1 februari 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: - het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Watermaal-Bosvoorde van 6 oktober 1998 waarbij hij van ambtswege ontslagen wordt; - het besluit van de Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bevoegd voor Plaatselijke Besturen, Werkgelegenheid, Huisvesting en Monumenten en Landschappen, van 4 december 1998 waarbij voormeld besluit van 6 oktober 1998 wordt goedgekeurd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; Gelet op de beschikking van 1 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1620-1/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 januari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. COLOGNE, die loco advocaat Ph. DECLERCQ, verschijnt voor de verzoeker, van advocaat F. VANDEVOORDE, die loco advocaat J. BOURTEMBOURG, verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat V. DE SCHEPPER, die loco advocaten M. UYTTENDAELE en J.-F. DE BOCK, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur D. MAREEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  5. De verzoeker is architect. Sinds januari 1983 is hij tewerkgesteld als hoofd van de dienst Stedenbouw, Leefmilieu en Hygiëne bij de gemeente Watermaal-Bosvoorde. 2.
  6. Met brieven van 15 en 17 april 1998 dient een stagedoend personeelslid, waarvan de overeenkomst met de gemeente ten einde loopt, een klacht in tegen de verzoeker, die haar diensthoofd is. Zij verwijt hem een hele reeks denigrerende, onbetamelijke en racistische uitspraken te hebben gedaan, meestal in het bijzijn van andere personeelsleden. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Watermaal-Bosvoorde belast de dienstdoende gemeentesecretaris met een administratief onderzoek. In het kader van dat onderzoek hoort de IX-1620-2/14 gemeentesecretaris verscheidene getuigen. Op 8 juni 1998 legt hij een verslag neer. Dit verslag bestaat uit een beschrijving van alle feiten die door de indienster van de klacht en andere personeelsleden van de gemeente aan de verzoeker worden verweten. De gemeentesecretaris concludeert dat alle getuigenissen gelijklopend zijn, en dat de grieven tegen de verzoeker betrekking hebben op tekortkomingen aan zijn professionele verplichtingen. Hij nodigt het college van burgemeester en schepenen uit om tegen de verzoeker een tuchtprocedure in te stellen en om hem te verhoren over de hem ten laste gelegde feiten. Op 8 juni 1998 beslist het college van burgemeester en schepenen om een tuchtprocedure tegen de verzoeker op te starten. 2.
  7. Bij brief van 15 juni 1998 wordt de verzoeker opgeroepen voor een verhoor door de gemeenteraad, op 3 juli
  8. Op vraag van de verzoeker wordt de hoorzitting verdaagd naar 1 september
  9. Op 31 augustus 1998 dient hij een omstandig verweerschrift in. Op 1 september 1998 wordt hij gehoord. 2.
  10. Van het verhoor wordt een stenografisch verslag opgesteld. De Nederlandse tekst van dit verslag wordt aan de verzoeker meegedeeld; op zijn verzoek ontvangt hij ook de Franse tekst ervan. Met een op 22 september 1998 gedateerde brief deelt de raadsman van de verzoeker zijn opmerkingen op de twee versies van het verslag mee. Op 23 september 1998 worden de twee versies van het stenografisch verslag van het verhoor door de verzoeker voor akkoord ondertekend, onder voorbehoud van de opmerkingen gemaakt in de brief van 22 september
  11. 2.
  12. Bij besluit van 6 oktober 1998 beslist de gemeenteraad met 13 stemmen vóór, 4 tegen en 3 onthoudingen, om aan de verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. IX-1620-3/14 Dit besluit, dat met een aangetekende brief van 13 oktober 1998 aan de verzoeker ter kennis wordt gebracht, is het eerste bestreden besluit.
  13. Het besluit van de gemeenteraad wordt met het oog op het administratief toezicht aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering meegedeeld. Op 17 en 23 november 1998 richt de verzoeker brieven aan de Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, waarin hij vraagt om de beslissing van de gemeenteraad niet goed te keuren. Bij besluit van 4 december 1998 keurt de Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bevoegd voor Plaatselijke Besturen, Werkgelegenheid, Huisvesting en Monumenten en Landschappen, de beslissing van de gemeenteraad van 6 oktober 1998 goed. Dit besluit, dat dezelfde dag aan de verzoeker en de gemeente ter kennis wordt gebracht, is het tweede bestreden besluit. Onderzoek van de middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  14. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de rechten van de verdediging . Hij wijst erop dat bij de kennisgeving van de tuchtvervolging aan de verzoeker enkel is meegedeeld: “Wij vestigen er uw aandacht op dat een disciplinaire sanctie wordt overwogen”. De verzoeker voert aan dat hij aan de hand van deze mededeling geen adequate verdediging heeft kunnen voorbereiden en de voorgenomen sanctie niet aan het proportionaliteitsbeginsel heeft kunnen toetsen. In de toelichting bij het middel legt de verzoeker uit dat het recht op verdediging slechts behoorlijk gevrijwaard is wanneer de ambtenaar die ondervraagd wordt weet wat de overheid hem ten laste legt en welke tuchtstraf zij hem wil opleggen en wanneer hem van de ten laste gelegde tekortkomingen en de voorgenomen tuchtstraf schriftelijk en voorafgaandelijk kennis is gegeven. Hij wijst erop dat deze regel uitdrukkelijk is vastgelegd in de tuchtregeling vervat in het IX-1620-4/14 statuut van het Rijkspersoneel. Alhoewel de Nieuwe Gemeentewet niet expliciet bepaalt dat ook voor gemeenteambtenaren een concreet strafvoorstel moet worden geformuleerd, is dit naar analogie met de regeling voor het Rijkspersoneel wel degelijk vereist. In zijn memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie wijst de verzoeker er nog op dat indien het van meet af aan duidelijk was geweest dat hem een ontslag van ambtswege boven het hoofd hing, hij zeker gebruik gemaakt zou hebben van zijn recht om getuigen te laten oproepen. De verzoeker noemt onder meer “de werknemers van de dienst Stedenbouw die samengespannen hebben met het gemeentelijk gezag tegen verzoeker, collega's-diensthoofden, moraliteitsgetuigen, ...”, alsmede zijn hiërarchische overste. Bespreking 5.
  15. De uitoefening van het recht van verdediging door personeelsleden van de gemeenten wordt uitdrukkelijk geregeld in de Nieuwe Gemeentewet. In dit verband moet met name rekening worden gehouden met artikel 301 van die wet, dat specifiek betrekking heeft op de oproeping van de tuchtrechtelijk vervolgde persoon voor de gemeenteraad: “Ten minste twaalf werkdagen vóór zijn verschijning wordt de betrokkene opgeroepen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door afgifte van de oproepingsbrief tegen ontvangstbewijs. De oproeping dient melding te maken van: 1/ al de ten laste gelegde feiten; 2/ het feit dat een tuchtstraf wordt overwogen en dat een tuchtdossier is aangelegd; 3/ plaats, dag en uur van de hoorzitting; 4/ het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een verdediger van zijn keuze; 5/ de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien; 6/ het recht van de betrokkene de openbaarheid van de hoorzitting te vragen, indien hij voor de gemeenteraad dient te verschijnen; 7/ het recht om het horen van getuigen te vragen alsmede de openbaarheid van dat verhoor.” Noch uit deze bepaling, noch uit enige andere bepaling van de Nieuwe Gemeentewet blijkt dat aan de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar een concreet strafvoorstel dient te worden overgemaakt. Artikel 301, tweede lid, 2/, vereist enkel dat aan de betrokkene wordt meegedeeld dat “een” tuchtstraf wordt overwogen. IX-1620-5/14 Te dezen is de verzoeker bij schrijven van het college van burgemeester en schepenen van 15 juni 1998 uitgenodigd voor een verhoor door de gemeenteraad, en is hem uitdrukkelijk meegedeeld “dat een disciplinaire sanctie wordt overwogen”. Aldus is voldaan aan het vereiste van artikel 301, tweede lid, 2/, van de Nieuwe Gemeentewet. 5.
  16. Ten overvloede dient opgemerkt te worden dat het genoemde schrijven van 15 juni 1998 voldoende gegevens bevatte om het voor de verzoeker mogelijk te maken zijn verdediging naar behoren voor te bereiden. De verzoeker werd immers in kennis gesteld van het feit dat hij door de gemeenteraad gehoord zou worden in verband met 46 nader omschreven feiten die hem werden verweten, en dat een disciplinaire sanctie werd overwogen. Hem werd voorts meegedeeld dat het tuchtdossier geraadpleegd kon worden, dat hij zich tijdens het verhoor kon laten bijstaan door een verdediger naar keuze, dat hij de openbaarheid van het verhoor kon vragen, en dat hij het recht had om het verhoor van getuigen te vragen. Uit het administratief dossier blijkt overigens dat de verzoeker effectief gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om zich tegen de tenlasteleggingen te verdedigen. Vóór de hoorzitting heeft hij een omvangrijk verweerschrift ingediend, en tijdens de hoorzitting heeft hij, bijgestaan door zijn raadsman, zijn standpunt aan de leden van de gemeenteraad kunnen uiteenzetten. Uit niets blijkt dat door de afwezigheid van een schriftelijk strafvoorstel verzoekers recht van verdediging geschonden zou zijn. 5.
  17. Weliswaar voert de verzoeker aan dat hij, indien hij geweten had dat een ontslag van ambtswege overwogen werd, zeker gebruik gemaakt zou hebben van zijn recht om getuigen op te roepen. In dit verband moet opgemerkt worden dat de burgemeester, voorzitter van de gemeenteraad, de verzoeker bij het begin van de hoorzitting uitdrukkelijk gevraagd heeft of hij getuigen wenste op te roepen, en dat verzoekers raadsman daarop geantwoord heeft dat zijn cliënt geen getuigen zou oproepen, tenzij de gemeentelijke overheid getuigen zou oproepen. Voorts moet worden vastgesteld dat de verzoeker in zijn verzoekschrift voor de Raad van State niet aangeeft op welke wijze het oproepen van getuigen hem nog van enig nut had kunnen zijn. In zijn memorie van IX-1620-6/14 wederantwoord maakt hij melding van “de werknemers van de dienst Stedenbouw die samengespannen hebben met het gemeentelijk gezag tegen verzoeker, collega's- diensthoofden, moraliteitsgetuigen, ...”. In zijn laatste memorie noemt hij ook zijn hiërarchische overste. Een aantal van de getuigen die de verzoeker opgeroepen zou hebben, indien hij wist dat een ontslag van ambtswege overwogen werd, hadden eerder al verklaringen tegen hem afgelegd en hadden, zoals hij het stelt, “samengespannen [...] met het gemeentelijk gezag”. Wat de andere getuigen betreft, toont de verzoeker niet aan op welke wijze zijn recht van verdediging geschonden is doordat hij die getuigen niet zou hebben kunnen oproepen. 5.
  18. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  19. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit machtsoverschrijding en dwaling. Hij voert aan dat het bestreden besluit van de gemeenteraad mede genomen is op grond van officieuze Franse vertalingen van de Nederlandse procedurestukken en dat de gebrekkige Franse vertalingen dan weer werden omgezet in krom Nederlands, waardoor de leden van het tuchtcollege zich niet op een juiste weergave van de materialiteit van de feiten hebben kunnen steunen. Wanneer de overheid zich bij het nemen van een administratieve handeling steunt op feiten die werden verdraaid, is de handeling onwettig. In de toelichting bij het middel verwijst de verzoeker naar “de vele incidenten die zich bij het vertalen en vertolken hebben voorgedaan en naar de opmerkingen die hij dienaangaande aan de tuchtoverheid liet toekomen”. Hij voert aan dat het inschakelen van voldoende tolken en beëdigde vertalers een minimumwaarborg had moeten zijn voor het correct verloop van de procedure. In antwoord op het verweer van de verwerende partijen, die stellen dat het beroep op tolken toelaatbaar was, voert de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aan dat hij niet het recht om tolken in te schakelen betwist, maar dat hij wel de gebrekkige organisatie aanklaagt, met name het feit dat slechts één tolk aanwezig was die de hele avond heeft moeten vertalen. IX-1620-7/14 Waar de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord de gebrekkige vertaling van het verweerschrift van de verzoeker vergoelijkt door erop te wijzen dat de vennootschap die voor de vertaling instond enkel een beroep doet op gediplomeerde vertalers, tolken en filologen, merkt de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord op dat dit niet wegneemt dat de tekst onvolledig werd vertaald en voor wat de tenlasteleggingen 17 en 20 betreft gewoon niet werd vertaald. Voorts stelt de verzoeker dat de kwaliteit van de vertaling ondermaats is, terwijl het die vertaling is die aan de gemeenteraadsleden werd overgemaakt en waarop zij zich dus hebben gesteund bij de besluitvorming. Ten slotte betoogt de verzoeker dat de vertaling hem niet werd medegedeeld en hij er op geen enkel ogenblik inzage van kreeg, ook niet bij controle van het proces-verbaal van de hoorzitting. Waar de eerste verwerende partij stelt dat de verzoeker gedurende de hoorzitting had moeten tussenkomen indien hij vond dat het vertalen gebrekkig verliep, repliceert de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dat dit kant noch wal raakt aangezien hij bij een simultaanvertaling niet tegelijkertijd naar de spreker en de tolk kan luisteren. Bespreking 7.
  20. Krachtens artikel 17, § 1, b, 1/, van de gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken (hierna: de bestuurstaalwet), moet iedere plaatselijke dienst die in Brussel-Hoofdstad is gevestigd in zijn binnendiensten de Nederlandse taal gebruiken voor niet-lokaliseerbare zaken die een ambtenaar van de Nederlandse taalgroep betreffen, hetgeen inhoudt dat de tuchtprocedure tegen een ambtenaar van de Nederlandse taalgroep in het Nederlands moet worden gevoerd en dat de procedurestukken in deze taal moeten zijn gesteld. De bestuurstaalwet stelt geen eisen in verband met de talenkennis van politieke mandatarissen die in de uitoefening van hun mandaat bestuurshandelingen in de beide landstalen moeten verrichten, zoals dat het geval is voor de leden van de gemeenteraad van de gemeente Watermaal-Bosvoorde. De taalwetgeving legt meer bepaald geen verplichting op aan deze mandatarissen om de twee officiële talen van Brussel-Hoofdstad te kennen. De wet heeft ook niet het vermoeden ingesteld dat die raadsleden de twee talen kennen. Daaruit volgt noodzakelijk dat het bestuur de verplichting heeft, enerzijds, de in één taal afgelegde verklaringen van een geadministreerde voor een wettelijk tweetalig collectief orgaan IX-1620-8/14 door tolken te doen vertalen teneinde die verklaringen voor de leden van de beide taalgroepen begrijpbaar te maken, en anderzijds, de in één taal gestelde stukken die als informatie of als overtuigingsstukken ter beschikking van de leden van dat orgaan worden gesteld in vertaling voorhanden te houden. Zulks geldt des te meer ingeval een persoon zich voor tuchtfeiten moet verantwoorden voor een wettelijk tweetalig collectief orgaan. Overigens heeft elk lid van dat wettelijk tweetalig collectief orgaan niet alleen het recht, maar tevens de plicht te begrijpen wat hem wordt medegedeeld door een personeelslid dat voor dat orgaan verschijnt, ook al gebruikt dat personeelslid een van de landstalen welke het lid van dat tweetalig collectief orgaan niet begrijpt. 7.
  21. In zoverre het middel betrekking heeft op de simultaanvertaling tijdens de hoorzitting voor de gemeenteraad, wordt niet betwist dat één tolk gedurende de hele zitting vertaald heeft. Geen bepaling of geen beginsel vereist dat er gewerkt wordt met meer dan één tolk, optredend volgens een beurtrol. Enkel is vereist dat de verzoeker door de leden van het tuchtorgaan begrepen wordt. Uit niets blijkt, en de verzoeker voert ook niet aan, dat de tolk niet tijdens de hele hoorzitting effectief vertaald heeft. Aldus blijkt dat voldaan is aan het vereiste dat de leden van het tuchtorgaan de verzoeker hebben kunnen begrijpen. 7.
  22. In zoverre het middel betrekking heeft op de vertaling in het Frans van het door de verzoeker ingediende verweerschrift, verwijt de verzoeker aan de vertaling met name het verschil in tekstopmaak tussen de Nederlandse en de Franse tekst, de onvolledigheid van de vertaling, het ontbreken van een vertaling van het verweer tegen de tenlasteleggingen 17 en 20, en meer algemeen de ondermaatse kwaliteit van de vertaling. Wat betreft de volledigheid van de vertaling, moet worden vastgesteld dat het verweer tegen de tenlastelegging 20 wel degelijk vertaald is. Het verweer tegen de tenlastelegging 17 lijkt daarentegen inderdaad te ontbreken. Evenwel werd met geen van die twee tenlasteleggingen rekening gehouden bij het nemen van de bestreden beslissing. Het eerste bestreden besluit stelt hieromtrent immers: “In overweging nemende dat gezien de uitleg verschaft door de heer Paul Claeys en de stukken die hij, voor bepaalde feiten, heeft voorgelegd om zijn uitleg te staven, namelijk de feiten opgenomen onder punten 2, 7, 10, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23 en 29, [de bedoelde feiten] niet in aanmerking moeten worden genomen.” IX-1620-9/14 De eventuele gebreken in de vertaling hebben de verzoeker op dit punt dus niet kunnen benadelen. 7.
  23. In zoverre het middel geacht moet worden betrekking te hebben op de twee versies van het stenografisch verslag van de hoorzitting, volstaat het op te merken dat de verzoeker, alvorens het eerste bestreden besluit is genomen, aan de gemeentelijke overheid de juiste versie, zowel in het Nederlands als in het Frans, van zijn verklaringen op de hoorzitting heeft kunnen bezorgen. Uit het bestreden besluit blijkt bovendien dat met de opmerkingen van de verzoeker op het verslag rekening is gehouden. In de aanhef van het besluit wordt immers verwezen naar “het verslag van het verhoor, dat op 8 september 1998 werd overhandigd aan de heer Paul Claeys en dat door de raadsman van deze laatste werd teruggestuurd, ondertekend door betrokkene, bij brief van 22 september 1998, en de opmerkingen die deze brief bevat aangaande bovengenoemd verslag”. 7.
  24. Uit het voorgaande moet worden besloten dat alle relevante elementen van het dossier en alle ter hoorzitting afgelegde verklaringen in beide talen ter beschikking waren van de leden van de gemeenteraad. De verzoeker maakt dan ook niet aannemelijk dat de eerste verwerende partij zijn recht van verdediging heeft geschonden. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  25. De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van het evenredigheidsbeginsel. Hij voert aan dat een door de tuchtoverheid opgelegde straf niet buiten elke redelijke verhouding mag staan tot de ten laste gelegde en bewezen feiten. Te dezen wordt hem de maximumstraf opgelegd, terwijl hem geen enkele professionele fout kan worden aangerekend. Het openbaar ministerie heeft de strafklacht tegen de verzoeker, die gebaseerd was op dezelfde feiten, geseponeerd, hetgeen volgens de verzoeker betekent dat de ernst van de feiten gerelativeerd moet worden. De verzoeker meent dat de gemeente, “door het tuchtonderzoek op een geniepige manier gedurende een half jaar te voeren [in plaats van] meteen in te IX-1620-10/14 grijpen wanneer [hij] zich aan laakbaar gedrag te buiten zou zijn gegaan”, als het ware medeplichtig is. Hij besluit dat de gevolgen van de sanctie, gelet op zijn leeftijd en zijn jaren dienst, buiten alle verhouding staan. In zijn memorie van wederantwoord beklemtoont de verzoeker dat de sepotbeslissing niet geminimaliseerd moet worden. Het parket heeft kennis genomen van alle 46 tenlasteleggingen en alle getuigen hebben een verklaring afgelegd bij de gemeentepolitie van Watermaal-Bosvoorde, dit wil zeggen “op bekend terrein” en in “beschermd milieu”. Voorts wijst de verzoeker erop dat hij, in het kader van een door hem ingesteld beroep tegen een beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, volgende verklaring in het verslag van een inspecteur van de Rijksdienst van 17 december 1998 gelezen heeft: “Je suis reçu par monsieur le sécretaire f.f. [...] [zijnde de gemeentesecretaris die met het administratief onderzoek in de tuchtzaak van de verzoeker belast was]. Ce dernier veut remettre tous les propos tenus par l’intéressé [zijnde de verzoeker] dans leur contexte...” De verzoeker besluit hieruit dat de gemeentesecretaris bewust is van het feit dat hij in een “montage” heeft meegespeeld waarbij het enige doel was het verwijderen van een al te toegewijd ambtenaar uit de politiek gevoelige dienst Stedenbouw. Bespreking 9.
  26. In tuchtzaken beschikt de overheid bij het bepalen van de strafmaat over een bijzonder ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. De Raad van State heeft bij de toetsing van de redelijkheid van de opgelegde tuchtstraf slechts een marginale bevoegdheid, hetgeen betekent dat hij zich niet in de plaats van de tuchtoverheid kan stellen, maar enkel kan nagaan of de overheid geen straf heeft opgelegd die in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. 9.
  27. Te dezen wordt aan de verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd, dit is de tweede zwaarste straf. Ter verantwoording van die straf wordt in het eerste bestreden besluit het volgende overwogen: IX-1620-11/14 “In overweging nemende [...] dat het als vaststaand kan worden beschouwd dat de heer Paul Claeys zich, tegenover verscheidene leden van zijn dienst of in hun aanwezigheid, schuldig heeft gemaakt aan ontoelaatbare uitlatingen, zoals de publieke uiting van racistische, xenofobe, seksistische, discriminerende en beledigende gevoelens, die bovendien een schending uitmaken van artikelen 34, 45.2 en 62 van het arbeidsreglement vastgesteld door de Gemeenteraad van Watermaal-Bosvoorde; Dat hij houdingen heeft aangenomen die voorzien zijn in [het koninklijk besluit van 9 maart 1995 ter bescherming van de personeelsleden tegen ongewenst seksueel gedrag op het werk bij de besturen en andere diensten van de federale ministeries, evenals in sommige instellingen van openbaar nut], en die indruisen tegen het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens; Dat dit gedrag en deze houdingen zeer ernstig van aard zijn, te meer daar zij gericht zijn tegen personen die hiërarchisch ondergeschikt zijn aan de comparant; Dat deze aard geenszins wordt verzacht door de omstandigheid dat vóór dit dossier feiten van dezelfde aard ter kennis van de tuchtoverheid werden gebracht; In overweging nemende dat het zou worden toegegeven [sic] dat, bij de uitoefening van zijn functies, een openbare agent getuigt van een zodanig misprijzen voor de menselijke waardigheid, die tot uiting komt door een zodanige systematische houding jegens vrouwelijke agenten en door afkeurende uitlatingen betreffende de religieuze en praktische overtuigingen en meer in het algemeen de nationale herkomst van de personen; [...] In overweging nemende dat betrokkene de ernst van de feiten duidelijk niet begrijpt; dat de tuchtsanctie er helaas niet toe geleid heeft dat betrokkene zich over zijn daden is gaan bezinnen; In overweging nemende dat de extreme ernst van de feiten en de omstandigheid dat ze werden gepleegd in het kader van de uitoefening van een leidinggevende functie het uitspreken van een maximumsanctie rechtvaardigen; Dat er evenwel reden is om de carrière van betrokkene in overweging te nemen en te benadrukken dat het uitspreken van de straf van ontslag [lees: afzetting] bovendien het verlies van het recht op openbaar pensioen met zich zou brengen.” Aldus wijst de gemeenteraad op de “extreme ernst” van de feiten en op de omstandigheden die de op één na zwaarste straf verantwoorden. De Raad van State kan er niet toe komen om de strafmaat, in het licht van de aangehaalde overwegingen, als kennelijk onevenredig met de bewezen verklaarde feiten te beschouwen. 9.
  28. Het feit dat de strafrechtelijke klacht tegen de verzoeker geseponeerd werd doet aan het voorgaande geen afbreuk. Het sepot betekent immers niet dat de feiten als niet-bestaande moeten worden beschouwd of dat de beoordelingsbevoegdheid van de tuchtoverheid op het stuk van de strafmaat beperkt wordt. IX-1620-12/14 In zoverre de verzoeker aanvoert dat de gemeente “medeplichtig” is door het tuchtonderzoek gedurende een half jaar te voeren in plaats van meteen in te grijpen, moet worden opgemerkt dat het tuchtonderzoek in werkelijkheid van 15 april 1998 tot 8 juni 1998 geduurd heeft. De verzoeker legt overigens niet uit hoe de houding van de gemeenteoverheid tot de conclusie zou moeten leiden dat de hem opgelegde tuchtstraf kennelijk onevenredig is met de hem ten laste gelegde feiten. Ook wat betreft de verklaring die de dienstdoende gemeentesecretaris na de tuchtprocedure aan een inspecteur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening heeft afgelegd, toont de verzoeker niet aan welke invloed die verklaring zou hebben op de evenredigheid van de aan de verzoeker opgelegde straf. 9.
  29. Het middel kan niet worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  30. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  31. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-1620-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 augustus 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1620-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.647 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.