← België

Arrest 195767 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.767 Rolnummer: A. 168611/X-12613 Zaak: Arrest 195767 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-09 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:29 Fiche Arrest nr 195.767 van 7 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.767 van 7 september 2009 in de zaak A.168.611/X-12.613. In zake : 1. Henri D’HAENENS, 2. Anne FRANCOIS (overleden), Rechtsgeding hervat door : 1. Louis D’HAENENS, vertegenwoordigd door Henri D’HAENENS, 2. Julie D’HAENENS, die woonplaats kiezen bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : de stad GENT, die woonplaats kiest bij advocaat S. KEMPINAIRE, kantoor houdende te 9051 GENT, Putkapelstraat 105. tussenkomende partij : 1. Bert DE GREVE, 2. Barbara HEIJSE, die woonplaats kiezen bij advocaat B. SCHUTYSER, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 99. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Henri D’HAENENS en Anne FRANCOIS op 14 december 2005 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 augustus 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent waarbij aan Bert DE GREVE en Barbara HEIJSE de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een eengezinswoning op een terrein gelegen te Gent-Mariakerke, Gerard Willemotlaan, kadastraal bekend sectie A, nr. 770/k; Gelet op het arrest nr. 160.228 van 16 juni 2006 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-12.613-1/11 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 30 juni 2006 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 1 september 2006 ingediend door Bert DE GREVE en Barbara HEYSE; Gelet op de beschikking van 26 september 2006 die de tussenkomst van Bert DE GREVE en Barbara HEYSE toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur W. DE COCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gezien het uittreksel uit het register der overlijdensakten van de stad Gent waaruit blijkt dat de tweede verzoekende partij is overleden op 16 november 2007; Gelet op de beschikking van 6 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 april 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verzoekende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-12.613-2/11 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging Met een verzoekschirft van 16 december 2008 verklaren Louis D’HAENENS en Julie D’HAENENS het geding te hervatten voor de tweede verzoekende partij. 2. Ontvankelijkheid van de tussenkomst De verzoekende partijen doen in hun laatste memorie afstand van de exceptie die zij in hun memorie van wederantwoord hadden opgeworpen met betrekking tot het belang bij de tussenkomst. 3. De gegevens van de zaak 3.1. Op 6 juli 2005 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de tussenkomende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een eengezinswoning op een perceel gelegen te Gent-Mariakerke, Gerard Willemotlaan, sectie A, nr. 770/k. Dit perceel paalt zijdelings aan de eigendom van de verzoekende partijen die uitgeeft op de Marcus Van Vaernewijckstraat. 3.2. Blijkens het inplantingsplan heeft het bouwperceel aan de Gerard Willemotlaan een breedte van ongeveer 100 m en een diepte tot 8,10 m. De inplanting van de ontworpen woning wordt voorzien uiterst links. De ontworpen woning heeft een lengte van 31,60 m en een diepte op het gelijkvloers van 4,50 m en op de verdieping van 5,67 m met inbegrip van de uitkraging. De kroonlijsthoogte bedraagt volgens de plannen 6,50 m. Tussen de ontworpen woning en de perceelsgrens, grenzend aan het perceel van de verzoekende partijen, is een bouwvrije strook voorzien van 3 m. 3.3. Blijkens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone is het bouwperceel gelegen in woongebied. X-12.613-3/11 Het is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bestaat, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 3.4. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent heeft over de thans voorliggende aanvraag geen advies ingewonnen bij de gemachtigde ambtenaar omdat “de in de aanvraag vermelde werkzaamheden en handelingen omwille van hun omvang en/of ligging (zijn) vrijgesteld van het voorafgaand eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar”. 3.5. Bij besluit van 25 augustus 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent de gevraagde vergunning. Dit is het thans bestreden besluit. Het is als volgt gemotiveerd : “2.1 Beschrijving van de omgeving, de bouwplaats en het project De omgeving van de bouwplaats wordt gekenmerkt door een randstedelijke dichtheid waar uitsluitend de woonfunctie aanwezig is onder de vorm van open, gekoppelde en halfopen bebouwing. De bouwplaats is een smal terrein dat zich over een lengte van +/- 100 m uitstrekt langs de Gérard Willemotlaan, het perceel heeft een diepte van 8,00 m. De aanvraag heeft betrekking op het oprichten van een vrijstaande eengezinswoning met grondafmetingen 4,50 m x 31,60 m. De afstand tot de rooilijn bedraagt 0,50 m en 3,00 m tot de achterperceelsgrens. De totale hoogte van het gebouw bedraagt 6,90 m. Het geheel wordt opgetrokken in zwart bruine gevelsteen in combinatie met wit groen gevelpleisterwerk en wordt afgedekt met een hellend dak. 2.2 Beoordeling 2.2.1. De juridische aspecten De aanvraag is in overeenstemming met de planologische bestemming en de voorschriften van het geldend gewestplan, zoals hoger omschreven. De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het algemeen bouwreglement. Het ontwerp is in overeenstemming met de voorschriften van dit algemeen bouwreglement. 2.2.2. De goede ruimtelijke ordening Wat vormgeving, materialengebruik en afmetingen betreft integreert de ontworpen woning zich in het straatbeeld en omgeving. De sobere, eigentijdse vormgeving kadert binnen de rustige woonomgeving die kenmerkend is voor deze buurt terwijl dit project een volwaardige invulling is met respect voor de volumes van de overwegende woningen in de omgeving. 2.2.3. De watertoets De aangevraagde eengezinswoning heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied. Door de toename van de bebouwde oppervlakte wordt de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Dit wordt echter gecompenseerd door de plaatsing van een hemelwaterput met een inhoud van 5200 l. Overeenkomstig de normen vastgelegd in het geldend algemeen bouwreglement moet de volledige dakoppervlakte op die put aangesloten worden. X-12.613-4/11 Het nuttige gebruik van hemelwater door de aansluiting van de hemelwaterput op de wc’s, bepaalde sanitaire installaties, dienstkranen e.d. moet maximaal worden voorzien. Door dit hergebruik zal het hemelwater enigszins gebufferd worden; Zodoende wordt in alle redelijkheid geoordeeld dat het schadelijk effect op de waterhuishouding beperkt is. 2.3. Conclusie De aanvraag is stedenbouwkundig aanvaardbaar en komt voor vergunning in aanmerking”. 3.6. De verzoekende partijen stelden tegen dit besluit tevens een vordering tot schorsing in bij de Raad van State. De vordering tot schorsing werd verworpen bij arrest nr. 160.228 van 16 juni 2006 wegens het niet voorhanden zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. 4. De ontvankelijkheid 4.1. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie op ten aanzien van de verzoekende partijen : “4 Ontvankelijkheid - belang Verwerende partij verwijst naar de overwegingen van het arrest (nr. 160.228 van 16.06.2006) waarbij duidelijk werd weerlegd dat de verzoekende partijen geen nadeel zullen hebben van de op te trekken constructie : S het aangevoerde verlies van licht en zicht, de beleving van het groen en de privacy; in het arrest wordt overwogen dat dit niet bewezen wordt, integendeel in het arrest wordt duidelijk overwogen aan de hand van de feitelijke gegevens (inplanting van de woning van de verzoekende partijen en inplanting van de ontworpen woning) dat er geen verlies van licht en zicht is of schending van de privacy en de beleving van het groen; S de zogenaamde ‘blinde muur’, in het arrest wordt overwogen dat dit inherent is aan het wonen in een ‘woongebied’; S wat betreft de gedeeltelijke belemmering van het zicht van de haag, in het arrest wordt overwogen dat er slechts een minimaal aan verlies is en dat de verzoekende partijen nog een uitzicht op de haag zullen behouden. In het arrest (nr. 160.228 van 16.06.2006) waarin de schorsing werd verworpen werd als conclusie het volgende overwogen: ‘..., het aldus aangevoerde nadeel uitsluitend betrekking heeft op het al dan niet bestaan van burgerlijke rechten; dat het al dan niet schorsen van de (ten)uitvoerlegging van het bestreden besluit echter geen weerslag kan hebben op de mogelijke burgerrechtelijke aanspraken van de verzoekster; ...’ en ‘Overwegende dat het bestaan van een ernstig nadeel ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit niet bewezen is.’ Uit het verzoekschrift van de verzoekende partijen blijkt tevens dat de eigenlijke betwisting louter betrekking heeft op een burgerrechtelijke betwisting: X-12.613-5/11 ‘De verzoekers maken uitdrukkelijk voorbehoud om hun eigendomsaanspraken op het betrokken perceel voor de gewone rechter af te dwingen.’ Tot op heden blijven verzoekende partijen in gebreke desbetreffend enig initiatief te nemen. Verzoekende partijen hebben geen belang vermits verzoekende partijen niet aantonen welke voordeel zij zullen hebben bij een annulatie van de vergunning. De vernietiging van de bestreden beslissing moet aan de verzoekende partijen enig voordeel verschaffen en een nuttig effect hebben (...). Verzoekende partij(

  1. en)hebben ook geen nadeel (zie hiervoor) (...) Verzoekende partijen tonen evenmin aan dat er rechtstreeks verband zou bestaan tussen (hun) zogenaamd nadeel (wat zelfs niet bewezen wordt, zie schorsingsarrest) en de bestreden beslissing. (...) Tenslotte wordt niet aangetoond dat het belang zeker is, de verzoekende partij(
  2. en)moeten aantonen, minstens met elkaar overeenstemmende vermoedens dat het nadeel zeker voorkomt. (...). Vermits de verzoekende partijen niet aantonen welk belang ze hebben bij een vernietiging is het beroep onontvankelijk (...)”. 4.2. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partijen eigenaar en bewoner zijn van een woning gelegen op een perceel dat paalt aan het perceel waarop de bestreden stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft. Zij doen hierdoor alleen reeds blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. De door de verwerende partij aangehaalde overwegingen uit het arrest nr. 160.228 van 16 juni 2006 hebben geen betrekking op het belang, maar op het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Zij kunnen bijgevolg geen andersluidende conclusie wettigen. De exceptie wordt verworpen. 5. De gegrondheid 5.1. De verzoekende partijen voeren in het eerste onderdeel van het enige middel onder meer het volgende aan : “Enig middel: schending van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; artikel 4 van het decreet van 19 (lees : 18) mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek; artikel 5.1.0 en 19, laatste lid van het besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen; het gewestplan Gentse en Kanaalzone; besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning; de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, m.n. het zorgvuldigheids- en belangenafwegings-, het vertrouwens- en rechtszekerheids- X-12.613-6/11 het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de materiële motiveringsverplichting, en uit machtsoverschrijding Eerste onderdeel 1. Gelet op de ontstentenis van gedetailleerde stedenbouwkundige voorschriften voor het gebied waarin het betrokken perceel is gelegen, diende de verwerende partij de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag te onderwerpen aan een beoordeling van de goede plaatselijke ordening (...). Artikel 19, derde lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen stelt uitdrukkelijk dat, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, een vergunning slechts afgegeven kan worden zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. Een stedenbouwkundige vergunning die met de voorschriften van het gewestplan overeenstemt, kan dus worden geweigerd indien zij de goede plaatselijke ordening in het gedrang brengt (...). 2. Luidens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, moet elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en de feitelijke overwegingen (...) vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en deze moeten afdoende zijn. Een motivering is dus slechts afdoende wanneer deze de bestuurde redelijkerwijze in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen. Beslissingen inzake stedenbouwkundige vergunningen moeten krachtens de voormelde formele en materiële motiveringsplicht gesteund zijn op motieven die verband houden met de goede plaatselijke aanleg of een degelijke ruimtelijke ordening (...). Bij de uitoefening van het wettigheidstoezicht op deze motiveringsplicht houdt de Raad van State enkel rekening met de feiten en de beoordeling ervan die in de bestreden beslissing zelf zijn vermeld (...). Indien de overheid zich voor de bestreden beslissing in overwegende mate heeft gesteund op motieven die ondeugdelijk zijn, is de Raad van State gehouden tot schorsing of vernietiging van de bestreden beslissing daar hij in het andere geval bij het handhaven van de bestreden beslissing op grond van wat nog aan motieven overblijft, zich een oordeel zou aanmatigen dat aan de overheid toekomt. (...) 3. Het bestreden besluit stelt enerzijds dat de aanvraag in overeenstemming is met de planologische bestemming en is, wat de beoordeling van de goede plaatselijke ordening betreft, enkel gemotiveerd als volgt : ‘Wat vormgeving, materialengebruik en afmetingen betreft, integreert de ontworpen woning zich in het straatbeeld en omgeving. De sobere, eigentijdse vormgeving kadert binnen de rustige woonomgeving die kenmerkend is voor deze buurt terwijl dit project een volwaardige invulling is met respect voor de volumes van de overwegende woningen in de omgeving’. Deze motivering beperkt zich tot de vaststelling dat de ontworpen woning zich in het straatbeeld en omgeving integreert wat vormgeving, materialengebruik en afmetingen betreft en dat de woning kadert binnen de rustige woonomgeving. Als beschrijving van de omgeving wordt hoger in de bestreden beslissing vermeld : X-12.613-7/11 ‘De omgeving van de bouwplaats wordt gekenmerkt door een randstedelijke dichtheid waar uitsluitend de woonfunctie aanwezig is onder de vorm van open, gekoppelde en halfopen bebouwing’. De motivering bevat geen verder concreet gegeven omtrent deze omgeving. Uit deze redengeving blijkt niet afdoende dat de vergunningverlenende overheid de vergunningsaanvraag heeft getoetst aan de goede plaatselijke ordening en indien dit wel het geval zou zijn geweest, op grond van welke gegevens zij tot haar besluit is gekomen. Uit geen enkel element in de bestreden beslissing blijkt waarom de vormgeving, de materialen en/of de afmetingen van de ontworpen woning in de omgeving zouden integreren. Dat er in de omgeving van de bouwplaats enkel open, gekoppelde en halfopen woningen aanwezig zouden zijn, verduidelijkt niet waarom de op te richten woning hierin (qua vormgeving, materialen en afmetingen) zou integreren. De bestreden vergunning bevat geen enkel concreet feitelijk gegeven met betrekking tot de aard, de inplanting en het gebruik van de aanpalende gebouwen, waaronder de gezinswoning van de verzoekers. Dit had de vergunningverlenende overheid ertoe kunnen brengen om de vergunde aanvraag daadwerkelijk te toetsen aan de goede plaatselijke ordening. De overheid moet nagaan in hoeverre een ontwerp concreet in de bestaande omgeving kan worden geïntegreerd (...). Zij moet daarbij allereerst rekening houden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Uiteraard speelt het meest aanpalende perceel met woning hierbij een grote rol. Uw Raad oordeelde reeds dat een gelijkaardige motivering niet concreet genoeg is en dus niet afdoende (...). Het feit dat de vormgeving volgens de overheid kadert binnen de woonomgeving en het project de volumes van de ‘overwegende’ woningen in de omgeving zou respecteren, voegt hieraan niets concreet toe om de goede plaatselijke ruimtelijke ordening te beoordelen. Wat meer is, de vergunde constructie is -gelet op deze feitelijke elementen- stedenbouwkundig niet integreerbaar in zijn onmiddellijke omgeving. Dit volgt trouwens ook uit de aard van het perceel (langgerekt en ondiep) en de ligging ervan ten opzichte van de andere percelen, wat de koopprijs (in geen geval een prijs voor bouwgrond in een woongebied) ten andere ook verantwoordt. De bestreden vergunning stelt eveneens dat de ontworpen woning zich integreert in het straatbeeld. Over het straatbeeld wordt bij de beschrijving van de bouwplaats en omgeving al helemaal geen melding gemaakt, zodat de verzoekers niet in staat zijn te begrijpen waarom de ontworpen woning zich in dit beeld zou integreren”. 5.2.1. Artikel 19, laatste lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bepaalt : “De vergunning wordt evenwel, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, slechts afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening”. X-12.613-8/11 Het is de taak van de vergunningverlenende overheid om geval per geval te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van de goede plaatselijke ordening. 5.2.2. Luidens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Die motivering moet ‘afdoende’ zijn. Wat betreft de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede plaatselijke ordening volgt uit de voornoemde bepalingen dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt. Wat die beoordeling betreft, dient de vergunningverlenende overheid op de eerste plaats rekening te houden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Deze beoordeling dient in concreto te geschieden en uit te gaan van de bestaande toestand. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling van de eisen van een goede plaatselijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht, heeft hij echter wel tot opdracht aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de overheid de feiten waarop haar beoordeling steunt correct heeft vastgesteld en of zij op grond van die feiten in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen bouwwerken verenigbaar zijn met de goede plaatselijke ordening. 5.2.3. Het bestreden besluit is te dezen als volgt gemotiveerd : “2.1 Beschrijving van de omgeving, de bouwplaats en het project De omgeving van de bouwplaats wordt gekenmerkt door een randstedelijke dichtheid waar uitsluitend de woonfunctie aanwezig is onder de vorm van open, gekoppelde en halfopen bebouwing. De bouwplaats is een smal terrein dat zich over een lengte van +/- 100 m uitstrekt langs de Gérard Willemotlaan, het perceel heeft een diepte van 8,00 m. De aanvraag heeft betrekking op het oprichten van een vrijstaande eengezinswoning met grondafmetingen 4,50 m x 31,60 m. De afstand tot de rooilijn bedraagt 0,50 m en 3,00 m tot de achterperceelsgrens. De totale hoogte van het gebouw bedraagt 6,90 m. Het geheel wordt opgetrokken in zwart bruine X-12.613-9/11 gevelsteen in combinatie met wit groen gevelpleisterwerk en wordt afgedekt met een hellend dak. (...) 2.2.2. De goede ruimtelijke ordening Wat vormgeving, materialengebruik en afmetingen betreft integreert de ontworpen woning zich in het straatbeeld en omgeving. De sobere, eigentijdse vormgeving kadert binnen de rustige woonomgeving die kenmerkend is voor deze buurt terwijl dit project een volwaardige invulling is met respect voor de volumes van de overwegende woningen in de omgeving”. Deze motivering beperkt zich tot een omschrijving van de bouwplaats en het voorwerp van de aanvraag en de vaststelling dat de ontworpen woning zich integreert in “het straatbeeld en (
  3. de)omgeving”, wat vormgeving, materialengebruik en afmetingen betreft. Evenwel ontbreekt in het bestreden besluit elke concrete omschrijving van dat straatbeeld of van de specifieke elementen die dat straatbeeld kenmerken, terwijl de beschrijving van de omgeving wordt beperkt tot een algemene verwijzing naar “een randstedelijke dichtheid waar uitsluitend de woonfunctie aanwezig is onder de vorm van open, gekoppelde en halfopen bebouwing”. Met de verzoekende partijen dient dan ook te worden gesteld dat uit deze redengeving niet afdoende blijkt dat de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening in concreto is geschied. De bewering van de verwerende partij dat de “beschrijvende nota van de bouwheer ook gedetailleerd en duidelijk (is)”, vermag daar niets aan te veranderen. Het eerste onderdeel van het enige middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 25 augustus 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent waarbij aan Bert DE GREVE en Barbara HEIJSE de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een eengezinswoning op een terrein gelegen te Gent-Mariakerke, Gerard Willemotlaan, kadastraal bekend sectie A, nr. 770/k. X-12.613-10/11 Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.613-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.767 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.228 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.