← België

Arrest 195770 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.770 Rolnummer: A. 147667/X-11768 Zaak: Arrest 195770 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-15 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:29 Fiche Arrest nr 195.770 van 7 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.770 van 7 september 2009 in de zaak A. 147.667/X-11.768. In zake : de MAATSCHAPPIJ VOOR HET INTERCOMMUNAAL VERVOER TE BRUSSEL (MIVB), die woonplaats kiest bij advocaat J. BOUCKAERT, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de MAATSCHAPPIJ VOOR HET INTERCOMMUNAAL VERVOER TE BRUSSEL op 16 februari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 december 2003 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar houdende weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor het verlengen van tramlijn 91 op percelen gelegen te Drogenbos, Verlengde Stallestraat, kadastraal bekend sectie B2, deels zonder nummer (openbare weg) en deels nrs. 50/a, 92/g3, 20/a, 22/f en 86/f; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 16 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-11.768-1/9 Gelet op de beschikking van 6 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VANDENHEEDE, die loco advocaat J. BOUCKAERT verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 6 juli 2001 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoekende partij bij de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar een stedenbouwkundige vergunning aan voor “Verlengde Stallestraat - verlenging van tramlijn nr 91 tot ‘Grote Baan’ te Drogenbos”. De bij die aanvraag gevoegde “beschrijvende nota” bevat geen beschrijving van “de ruimtelijke context van de geplande werken of handelingen, meer bepaald : (...) de zoneringsgegevens van het goed” en “de overeenstemming en de verenigbaarheid van de aanvraag met de wettelijke en ruimtelijke context”, zoals voorgeschreven in artikel 7, eerste lid, 2/ van het - bij besluit van 28 mei 2004 van de Vlaamse regering opgeheven - besluit van de Vlaamse regering van 4 november 1997 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning. 1.2. De percelen waarop de aanvraag betrekking heeft zijn, volgens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, deels gelegen in een als hoofdverkeersvoorziening aangegeven snelverkeersweg en deels in een bufferzone. De percelen zijn niet X-11.768-2/9 gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. 1.3. Het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium deelt op 19 juli 2001 mee “geen bezwaar (

  1. te)hebben”. 1.4. De afdeling Bos en Groen geeft op 10 augustus 2001 het volgende advies: “Volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, ligt de in betreft vermelde aanvraag in buffergebied. Principieel kan de afdeling niet akkoord gaan met het verwezenlijken van dergelijke bouwwerken in een bufferzone. Volgens het KB van 28-12-72 en de daaropvolgende aanpassingen is dit in strijd met artikel 14 punt 4.5 voor wat de buffergebieden betreft. Deze zone ligt links van een drukke invalsweg beginnende aan de oprit van de Ring om Brussel te Drogenbos en verbinding gevend richting Ukkel tot aan het eindstation Stalle. Langs beide zijden is deze verkeersader geflankeerd met industriegebouwen, winkelcentra en opslaggebouwen. Het laatste gedeelte, vanaf de gemeentegrens van Drogenbos, ligt op het grondgebied van het Brussels Gewest en valt bijgevolg buiten onze bevoegdheid. Gezien de geringe breedte is de huidige bufferzone maar op enkele plaatsen met een aantal groepen struiken en nog jonge bomen beplant. Over de volledige lengte, langs het fietspad, is een rij lindebomen aangeplant die een gemiddelde stamomtrek hebben van 22 cm. Gezien de plaatselijk moeilijke en drukke verkeerstoestanden, het feit dat deze voorziene bufferstrook te smal is om in deze omstandigheden zijn daadwerkelijke functies uit te voeren en tussen twee bebouwde stroken ligt met ongeveer dezelfde bestemming, kunnen wij akkoord gaan met deze aanvraag op voorwaarde dat: 1. Er een volwaardig groenscherm aangeplant wordt ter hoogte van het eindstation aan de oprit van de Ring om Brussel. Hiertoe dient voorafgaandelijk een gedetailleerd beplantingsplan opgemaakt dat ter goedkeuring dient voorgelegd aan de afdeling. 2. De bestaande rij lindebomen langs het fietspad ten volle bewaard blijft”. 1.5. De Lijn geeft op 16 augustus 2001 een voorwaardelijk gunstig advies. 1.6. Op 4 september 2001 brengt de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant een ongunstig advies uit “gezien de verkeersveiligheid onvoldoende bestudeerd is ten gevolge van de impact van de bus/tramlijn op de bestaande infrastructuur”. X-11.768-3/9 1.7. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 20 augustus 2001 tot 22 september 2001, wordt er één bezwaarschrift ingediend door de n.v. Koralbo, waarin wordt geprotesteerd tegen het feit dat de geplande werken deels worden uitgevoerd op haar eigendom. 1.8. Naar aanleiding van dit bezwaar en van het voormelde ongunstig advies beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Drogenbos op 17 januari 2002, “een overlegvergadering te organiseren met de verschillende partijen teneinde de mogelijkheid te onderzoeken alsnog het voorgestelde project mits de nodige aanpassingen te kunnen verwezenlijken”. 1.9. Na dit overleg dient de verzoekende partij op 28 januari 2003 aangepaste plannen in. De bij die aangepaste plannen gevoegde “beschrijvende nota” bevat evenmin een beschrijving van “de ruimtelijke context van de geplande werken of handelingen, meer bepaald : (...) de zoneringsgegevens van het goed” en “de overeenstemming en de verenigbaarheid van de aanvraag met de wettelijke en ruimtelijke context”. De gewijzigde plannen worden niet opnieuw onderworpen aan een openbaar onderzoek. 1.10. Op 22 april 2003 geeft de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams- Brabant een gunstig advies. 1.11. Met het bestreden besluit van 16 december 2003 weigert de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar de stedenbouwkundige vergunning te verlenen op de volgende gronden: “Historiek Mede gelet op het advies van het Schepencollege en het eerste advies van de Afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant werd de aanvrager uitgenodigd voor overleg. Een licht aangepast ontwerp met datum 15/10/2002 werd ingediend. Op 21/5/2003 werd een tweede overlegvergadering met alle partijen en met de aanpalende gemeente Sint-Pieters-Leeuw georganiseerd teneinde het ontwerp aan te passen aan alle wettelijke bepalingen en aan de gemeentelijke en gewestelijke visie op mobiliteit en verkeersveiligheid, conform de mobiliteitsplannen en regeringsdoelstellingen inzake verkeersveiligheid. Dit houdt in dat de tramzate derwijze moet geconcipeerd worden dat ze op een verkeersveilige wijze het traject doorkruist en op dezelfde wijze kan doorgetrokken worden tot aan de treinhalte Ruisbroek. Tot op heden heeft de aanvrager nog niet positief gereageerd op de besluiten van deze vergadering. Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en het project De bouwplaats is deels een gewestweg en deels een bufferzone tussen een dienstverleningsgebied en de gewestweg. De omgeving wordt bepaald door een X-11.768-4/9 woonstraat (Langestraat), een grootschalige supermarktzone (het dienstverleningsgebied), de gewestweg (Verlengde Stallestraat) en het op/afrittencomplex van de autosnelweg E19 (ter hoogte van de voorgestelde terminus). Dit complex en inzonderheid de zeer drukke tak richting Brussel is gelegen naast de Grote Baan, een bovenlokale weg met hoge intensiteit, en ontsluit op de Verlengde Stallestraat. Het project voorziet de verlenging van de trambaan tot aan het hogervernoemde kruispunt. Deze trambaan zou tevens dienst doen als vrije busbaan voor bussen vanuit het Brusselse Gewest naar het hinterland, wat diagonaal dwarsen van het aanliggende kruispunt zou vereisen. Gezien de buffer voor de wachtende trams naast de Grote Baan wordt ingeplant, zal de verkeerszichtbaarheid vanuit deze weg geregeld onbestaande zijn. In bijkomende orde wordt in verschillende goedgekeurde mobiliteitsplannen voorzien om tramterminussen steeds in te planten aan spoorweghaltes, zodat een ononderbroken openbaar vervoerssyteem ontstaat, wat de reissnelheid en het comfort ervan beduidend doet toenemen. Gelet op de zeer grote verkeersdrukte ter plaatse is het aanbieden van een geïntegreerd volwaardig openbaar vervoersalternatief noodzakelijk. Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening De goede ruimtelijke ordening wordt ernstig in het gedrang gebracht door: -de gedeeltelijke ligging in een bufferzone, -de gedeeltelijke strijdigheid met de voorwaarden van het advies van de Afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant, -het in het gedrang brengen van de mogelijkheid om deze tramlijn te verlengen tot aan de spoorweghalte Ruisbroek, gezien het onmogelijk is om op deze plaats het autosnelwegcomplex op een verkeerskundig verantwoorde wijze te dwarsen”. 2. Ontvankelijkheid 2.1. De verwerende partij voert aan dat het annulatieberoep onontvankelijk is omdat “de verzoekende partij geen melding maakt van haar ondernemingsnummer in het verzoekschrift tot nietigverklaring”. 2.2. Uit de artikelen 13, eerste lid en 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen volgt dat er geen sanctie staat op het ontbreken van het ondernemingsnummer op akten en stukken van de verzoekende partij en dat het ontbreken van het ondernemingsnummer op het inleidend verzoekschrift geenszins als zodanig de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg heeft. Deze onregelmatigheid kan worden geregulariseerd. De verzoekende partij heeft in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie haar ondernemingsnummer wel vermeld. X-11.768-5/9 2.3. De exceptie wordt verworpen. 3. Ten gronde 3.1.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 14.4.5 en 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het motiverings-, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij betoogt dat het terrein waarop de geweigerde aanvraag betrekking heeft “gedeeltelijk in bufferzone (
  2. is)gelegen”, “het project betrekking heeft op een ‘gemeenschapsvoorziening of openbare dienst’” en “de bestreden beslissing de aanvraag niettemin weigert (...) op grond van de overweging dat de gedeeltelijke ligging in een bufferzone de goede ruimtelijke ordening ernstig in het gedrang brengt, zonder na te gaan of toepassing kan worden gemaakt van artikel 20 van het KB van 28 december 1972 en zonder dat in de bestreden beslissing zelf of in het dossier enig concreet element wordt aangebracht dat de stelling dat het project de goede ruimtelijke ordening zou schaden, zou kunnen staven”. 3.1.2. Artikel 14.4.5 van het inrichtingsbesluit bepaalt : “De bufferzones dienen in hun staat bewaard te worden of als groene ruimte ingericht te worden, om te dienen als overgangsgebied tussen gebieden waarvan de bestemmingen niet met elkaar te verenigen zijn of die ten behoeve van de goede plaatselijke ordening van elkaar moeten gescheiden worden”. De met het bestreden besluit geweigerde aanvraag is niet in overeenstemming met dit voorschrift van het geldende gewestplan. 3.1.3. Artikel 20 van het inrichtingsbesluit luidt als volgt: “Bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen kunnen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied”. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen op te richten buiten de daarvoor volgens het gewestplan speciaal bestemde gebieden, voor zover aan de bepaalde X-11.768-6/9 voorwaarden is voldaan. Het vereiste van de verenigbaarheid van een bouwwerk met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied moet zo worden begrepen dat het ontworpen bouwwerk, gelet op zijn functie en zijn omvang, niet in strijd mag zijn met de algemene bestemming van het betrokken gebied, te dezen een bufferzone, en met het daarmee gepaard gaande architectonisch karakter van dat gebied. Met andere woorden mag het oprichten van het ontworpen bouwwerk de realisatie van de algemene bestemming van het betrokken gebied, met inbegrip van het architectonisch karakter dat uit die bestemming voortvloeit, niet teniet doen of de verdere realisatie ervan niet onmogelijk maken. 3.1.4. Artikel 7, eerste lid, 2/ van het - bij besluit van 28 mei 2004 van de Vlaamse regering opgeheven - besluit van de Vlaamse regering van 4 november 1997 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning, bepaalt wat volgt: “Onverminderd de eventueel door de gemeentelijke en/of algemene bouwverordening voorgeschreven bescheiden en gegevens, en onverminderd de bepalingen van de artikelen 21, 22 en 23, moet het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning voor de in artikel 6 bedoelde werken of handelingen, de volgende stukken in viervoud bevatten: (...) 2/ een nota, ondertekend door de aanvrager, waarin wordt beschreven : - het voorwerp van de aanvraag; - de ruimtelijke context van de geplande werken of handelingen, meer bepaald : - het feitelijke uitzicht en de toestand van de plaats waar de werken of handelingen worden gepland; - de zoneringsgegevens van het goed; - de overeenstemming en de verenigbaarheid van de aanvraag met de wettelijke en ruimtelijke context; - de integratie van de geplande werken of handelingen in de omgeving”. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de met het bestreden besluit geweigerde aanvraag van de verzoekende partij weliswaar zo’n nota bevatte, doch zonder beschrijving van de ruimtelijke context van de geplande werken, de zoneringsgegevens van het terrein en de overeenstemming en de verenigbaarheid van de aanvraag met de wettelijke en ruimtelijke context. Dezelfde vaststelling geldt voor de nota die door de verzoekende partij werd gevoegd bij de aangepaste plannen die zij in de loop van de procedure heeft ingediend. X-11.768-7/9 3.1.5. Uit geen enkel gegeven van het dossier blijkt dat de verzoekende partij de vergunningverlenende overheid heeft gevraagd haar de stedenbouwkundige vergunning te verlenen met toepassing van artikel 20 van het inrichtingsbesluit. Wanneer de vergunningverlenende overheid vaststelt dat de aanvraag niet in overeenstemming is met een toepasselijk gewestplanvoorschrift, geldt er geen regel die haar er in de gegeven omstandigheden toe verplicht om ambtshalve te onderzoeken of de aanvraag van de verzoekende partij alsnog zou kunnen worden vergund met toepassing van het voormelde artikel 20 van het inrichtingsbesluit. Deze vaststelling geldt des te meer wanneer, zoals te dezen, de aanvraag aan een openbaar onderzoek moet worden onderworpen. De aard van de aangevraagde bouwwerken doet hieraan geen afbreuk. 3.1.6. Het argument van de verzoekende partij dat de vergunning kon worden verleend met toepassing van artikel 20 van het inrichtingsbesluit is te dezen dan ook niet dienend. Het komt overigens aan de Raad van State niet toe om in de plaats van de vergunningverlenende overheid te onderzoeken of de aanvraag op grond van artikel 20 van het inrichtingsbesluit kon worden ingewilligd. 3.1.7. Het middel is ongegrond. 3.2.1. Vermits het in het tweede middel betwiste weigeringsmotief, meer bepaald de gedeeltelijke ligging in een bufferzone, volstaat om het bestreden besluit te gronden, is er geen aanleiding om het eerste middel dat bijkomende weigeringsgronden bekritiseert, te onderzoeken. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-11.768-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.768-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.770 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.