← België

Arrest 195772 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.772 Rolnummer: A. 147180/X-11744 Zaak: Arrest 195772 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:29 Fiche Arrest nr 195.772 van 7 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.772 van 7 september 2009 in de zaak A. 147.180/X-11.

  1. In zake :
  2. Patrick FELLER,
  3. Patricia ROUSSEL, die woonplaats kiezen bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick FELLER en Patricia ROUSSEL op 2 februari 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 19 november 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar en vernietiging van de beslissing van 14 november 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende verlening van de vergunning voor het vernieuwen van een schuur en stal op een perceel gelegen te Overijse, Terhulpsesteenweg, kadastraal bekend sectie I, nr. 302/n4; Gelet op het arrest nr. 133.447 van 2 juli 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 4 augustus 2004 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; X-11.744-1/7 Gelet op de beschikking van 12 februari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GHYSELS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN DEN BROECK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. De feiten De feiten werden uiteengezet in ’s Raads arrest nr. 133.447 van 2 juli
  6. Ten gronde 2.1.
  7. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), de ministeriële omzendbrief van 11 maart 1996 R.O. 96/2 betreffende het instellen van hoger beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie door het college van burgemeester en schepenen of de gemachtigde ambtenaar en het zorgvuldigheidsbeginsel. X-11.744-2/7 De verzoekende partijen betogen dat het bestreden besluit ten onrechte het beroep van de gemachtigde ambtenaar ontvankelijk heeft verklaard, zonder te antwoorden op de tijdens de hoorzitting neergelegde nota waarin de onontvankelijkheid van dit beroep werd opgeworpen omdat het hen niet volledig, meer bepaald zonder de bijlagen, werd meegedeeld en het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar vermeldt dat een “dossier” in bijlage wordt gevoegd. 2.1.
  8. De verwerende partij repliceert dat aan de bepalingen van artikel 53, § 2 van het gecoördineerde decreet werd voldaan, het administratief dossier samen met het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar aan de Vlaamse regering werd overgemaakt, deze stukken geen noodzakelijke bijlagen vormen die het beroepschrift zouden moeten ondersteunen, de vereisten van een gelijke behandeling niet tot gevolg hebben dat deze stukken tezelfdertijd ter kennis moeten worden gebracht aan de aanvrager, en deze stukken steeds met een afzonderlijke zending kunnen worden overgemaakt aan de beroepsinstantie in welk geval er geen wettelijke verplichting bestaat om een kopie van deze stukken te zenden aan de aanvrager. Indien het middel gegrond is, verzoekt de verwerende partij de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Voorts argumenteert zij dat de verzoekende partijen tijdens de hoorzitting hebben nagelaten aan te duiden welke stukken van het administratief dossier hen niet bekend waren, de verzoekende partijen tijdig de ontbrekende stukken die zij noodzakelijk achtten voor hun verweer dienden op te vragen, de verzoekende partijen niet de nodige fair play hebben gehad om haar tijdig en onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift te melden dat de bijlagen ontbraken of om in de loop van de beroepsprocedure inzage te nemen van deze stukken, de verzoekende partijen niet aangeven of verduidelijken welke ontbrekende bijlagen noodzakelijk waren om een adequaat verweer te kunnen voeren, en artikel 53 van het gecoördineerde decreet werd gewijzigd bij decreet van 21 november 2003 zodat de verzoekende partijen geen belang meer hebben bij het inroepen van de schending van dit artikel. 2.1.
  9. De verzoekende partijen dupliceren dat het onderscheid tussen noodzakelijke en niet noodzakelijke bijlagen geen wettelijke grondslag heeft, de verwerende partij niet het rechtens vereiste belang heeft om de prejudiciële vragen te doen stellen en het decreet van 21 november 2003 geen afbreuk doet aan de reeds bestaande verplichting voor de gemachtigde ambtenaar om de bijlagen van het beroepschrift mee te delen aan de verzoekende partijen. X-11.744-3/7 2.1.
  10. In de laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat het voorleggen van de stukken van het administratief dossier losstaat van het indienen door de gemachtigde ambtenaar van een beroep bij de minister en vraagt zij rekening te houden met het arrest nr. 69/2007 van 26 april 2007 van het Grondwettelijk Hof dat haar verzoek tot prejudiciële vraagstelling “overbodig” heeft gemaakt. 2.1.
  11. Artikel 53, § 2, eerste lid van het gecoördineerde decreet, zoals dit van toepassing was op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, luidt als volgt: “Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college”. De voormelde decreetsbepaling schrijft voor dat de gemachtigde ambtenaar het beroep terzelfder tijd aan de aanvrager ter kennis brengt. Hiermee is bedoeld het beroep zelf, dit is de integrale tekst van het aangetekend schrijven met al zijn bijlagen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1970 tot wijziging van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, die onder meer artikel 55 van de voornoemde wet van 29 maart 1962 grondig heeft gewijzigd -welke bepaling nadien is opgenomen als artikel 53 in het gecoördineerde decreet-, blijkt dat het verhoor van de aanvrager, van het college van burgemeester en schepenen en van de gemachtigde ambtenaar bedoeld is als een middel om in de twee trappen van beroep “de gelegenheid te geven tot een behandeling van de aanvraag op tegenspraak”, waarbij de genoemde partijen “op gelijke voet worden gesteld”. Hieruit volgt dat de aanvrager, wat de aanzegging van het beroep betreft, volgens de toen geldende regelgeving, over dezelfde stukken diende te beschikken als deze die aan de minister waren toegezonden, dit wil zeggen het beroepschrift met al zijn bijlagen. Er wordt niet betwist dat noch het “dossier”, dat is vermeld onder de hoofding “bijlagen” in het ter post aangetekend verzonden beroepschrift van 9 januari 2003 dat aan de bevoegde Vlaamse minister werd bezorgd, noch een inventaris ervan was gevoegd bij het eensluidend afschrift van het beroepschrift, verzonden aan de verzoekende partijen. Deze laatsten bleven aldus in het ongewisse over de inhoud van de stukken die deel uitmaakten van het “dossier” dat was X-11.744-4/7 overgemaakt aan de bevoegde minister. De omstandigheid dat deze stukken “geen noodzakelijke bijlagen (vormen) die het beroepschrift zouden moeten ondersteunen” of “steeds met een afzonderlijke zending overgemaakt (kunnen) worden aan de beroepsinstantie” of “enkel betrekking hebben op het bestaande administratief dossier (t.e.m. de beslissing van de Bestendige Deputatie) zonder nieuwe stukken” heeft niet tot gevolg dat zij, ten aanzien van de aanzegging van het beroep op gelijke voet werd gesteld met de minister. Dezelfde vaststelling geldt voor de omstandigheid dat de verzoekende partijen tijdens de hoorzitting niet hebben “aangeduid welke stukken van het administratief dossier hen niet bekend waren” of de “ontbrekende stukken (die zij) noodzakelijk achtten voor het voeren van hun verweer” niet hebben opgevraagd of “niet de nodige fair play hebben gehad om de verwerende partij tijdig en onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift te melden dat de bijlagen ontbraken noch om in de loop van de beroepsprocedure inzage te nemen van deze stukken” of niet “verduidelijken welke ontbrekende bijlagen noodzakelijk waren om een adequaat verweer te kunnen voeren”. Het beroep van de gemachtigde ambtenaar bij de bevoegde Vlaamse minister werd derhalve ingesteld met schending van een substantiële vormvereiste. 2.1.
  12. Artikel 53, § 2 van het gecoördineerde decreet, zoals gewijzigd bij artikel 67 van het decreet van 21 november 2003, luidt als volgt : “Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van de vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college. De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens: 1/ op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; 2/ een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; 3/ welke instantie het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse regering of haar gemachtigde, om het dossier in te kijken en om er afschriften uit te bekomen. Indien de aanvrager, de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, vaststelt dat aan de verplichting van het eerste lid, 2/ en 3/, niet is voldaan, kan hieraan alsnog worden verholpen. Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, is het voorgaand lid eveneens van X-11.744-5/7 toepassing op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State. (...)”. Het genoemde decreet van 21 november 2003 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 januari 2004 en het nieuwe tweede en derde lid van artikel 53, § 2 van het gecoördineerde decreet zijn dienvolgens in werking getreden op 8 februari
  13. Zonder dat de Raad van State zich te dezen moet uitspreken over de vraag of de minister, na een eventuele nietigverklaring van het thans bestreden besluit, het bij hem door de gemachtigde ambtenaar ingestelde beroep op grond van de genoemde bepalingen al dan niet onontvankelijk zou mogen verklaren, hebben de nieuwe bepalingen van artikel 53, § 2, tweede en derde lid van het gecoördineerde decreet in elk geval niet tot gevolg dat de minister dit beroep noodzakelijk ontvankelijk en gegrond zal moeten verklaren. De verzoekende partijen zullen integendeel de gelegenheid hebben om hun standpunt ten aanzien van de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het beroep uiteen te zetten en de minister zal de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het beroep aan een nieuwe beoordeling moeten onderwerpen. De verzoekende partijen behouden dus een belang bij het eerste middel. De exceptie van onontvankelijkheid van dat middel dient te worden verworpen. 2.1.
  14. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  15. Vernietigd wordt het besluit van 19 november 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar en vernietiging van de beslissing van 14 november 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende verlening van de vergunning voor het vernieuwen van een schuur en stal op een perceel gelegen te Overijse, Terhulpsesteenweg, kadastraal bekend sectie I, nr. 302/n
  16. X-11.744-6/7 Artikel
  17. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.744-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.772 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.447 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.