id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.825 Rolnummer: A. 177539/VII-36635 Zaak: Arrest 195825 - Milieuvergunningen - 08/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-11 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:30 Fiche Arrest nr 195.825 van 8 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.825 van 8 september 2009 in de zaak A. 177.539/VII-36.635. In zake : Tommy VAN DEN BROECK, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : de deputatie van de provincie Antwerpen. tussenkomende partijen : 1. Louis ANTHONISSEN, 2. Raf VERHEYEN, die woonplaats kiezen bij advocaat J. SURMONT, kantoor houdende te TURNHOUT, de Merodelei 112. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Tommy VAN DEN BROECK op 9 oktober 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 13 juli 2006 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merksplas van 21 maart 2006, houdende het verlenen aan Louis ANTHONISSEN van de milieuvergunning voor het exploiteren van een inrichting voor het houden van vleeskalveren, gelegen aan de Steenweg op Turnhout 150 te Merksplas, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing -mits aanpassing- wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 167.888 van 15 februari 2007 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeker; VII-36.635-1/15 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 24 april 2007 ingediend door Louis ANTHONISSEN en Raf VERHEYEN; Gelet op de beschikking van 26 april 2007 die de tussenkomst van Louis ANTHONISSEN en Raf VERHEYEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van verzoeker en van de tussenkomende partijen; Gelet op de beschikking van 15 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 juni 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. SACREAS die, loco advocaat J. GHYSELS verschijnt voor verzoeker, van bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. SURMONT, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-36.635-2/15 1.1. De eerste tussenkomende partij exploiteert een rundveebedrijf aan de Kerkstraat 2 te Kalmthout. Op grond van de lopende vergunningen mogen 56 grote runderen op de inrichting gehouden worden. 1.2. Op 12 december 2005 dient de eerste tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merksplas een aanvraag in voor de verplaatsing en de omvorming van zijn inrichting. De exploitatie te Kalmthout zou stopgezet en verplaatst worden naar een nieuwe locatie aan de Steenweg op Turnhout 150 te Merksplas waar 466 vleeskalveren in plaats van 56 runderen gehouden zouden worden. In bijlage 10 van de milieuvergunningsaanvraag verklaart Frans VERHEYEN, eigenaar van de hiernavermelde gronden, aan de eerste tussenkomen- de partij het recht te verlenen "voor het exploiteren van het bedrijf gelegen op de percelen gelegen te Merksplas, Steenweg op Turnhout 150, Sectie E perceelnummer 235 a, 236 a". In het door de gemeente Merksplas opgemaakte ontvangstbewijs staat te lezen dat de tweede tussenkomende partij, wonende aan de Steenweg op Turnhout 150 te Merksplas, de vergunningsaanvraag aan de diensten van het gemeentebestuur heeft overhandigd. Op 20 december 2005 wordt de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard door de gemeente Merksplas. 1.3. Op 21 maart 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merksplas aan de eerste tussenkomende partij de gevraagde vergunning voor "vroegtijdige hernieuwing en verplaatsing van de vergunning van de inrichting, gelegen te Kerkstraat 2, 2920 Kalmthout voor : -56 runderen Gepaard gaande met de stopzetting van deze inrichting, naar: é0 Merksplas, Steenweg op Turnhout 150, kadastraal gekend: sectie E, nummer 236a, en omvorming, zodat de inrichting omvat: -9.4.2.c)1/ 466 vleeskalveren -28.2.c).1/ 4200 m³ dierlijke mestopslag". 1.4. Op 29 maart 2006 stelt verzoeker bij de verwerende partij beroep in tegen voornoemde vergunning. In het beroepschrift voert verzoeker aan dat de nieuw op te richten stallen aanleiding zullen geven tot visuele hinder voor de omwonenden. Tevens wordt overlast verwacht door vliegen, ongedierte, geur en lawaai. VII-36.635-3/15 1.5. Op 24 april 2006 tekent de Vlaamse Landmaatschappij (hierna : VLM) eveneens beroep aan. De VLM voert aan dat de aanvraag niet verenigbaar is met artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet) omdat "de aanvraag geen nieuwe inrichting betreft maar de samenvoeging van 2 inrichtingen zodat de te verplaatsen vergunde mestproductie met 25 % dient gereduceerd te worden en de aanvraag een stijging van de vergunde mestproductie behelst". 1.6. Op 12 mei 2006 meldt de tweede tussenkomende partij de overname van het zopas op 21 maart 2006 vergunde vleeskalverenbedrijf. 1.7. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht : (
- a)op 26 mei 2006 verleent de VLM ongunstig advies over de aanvraag. De VLM verwijst naar de bestaande vergunningsbeslissingen met betrekking tot het inrichtingsadres Steenweg op Turnhout 150 te Merksplas en stelt dat "uitgaande van de gekende gegevens is het echter niet de bedoeling dat de bestaande vergunningen op Steenweg op Turnhout 150 te Merksplas zullen stopgezet worden en dat de aanvraag derhalve een samenvoeging van 2 vergunningen betreft, zodat de huidige aanvraag niet voldoet aan de bepalingen van artikel 33ter, § 1, 1/,
- c)van het mestdecreet"; (
- b)op 15 juni 2006 verleent de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Monumenten en Landschappen gunstig advies over de aanvraag; de nieuw op te richten kalverstallen zijn volgens het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, gelegen in een agrarisch gebied en de geplande inrichting is verenigbaar met de geldende bestemmingsvoorschriften; (
- c)op 19 juni 2006 adviseert de afdeling Milieuvergunningen om de gevraagde vergunning te weigeren; (
- d)op 20 juni 2006 wordt door de Provinciale Milieuvergunningscommissie voorgesteld om de beroepen gegrond te verklaren "overeenkomstig de ongunstige adviezen van de AMV en de VLM", de beroepen beslissing op te heffen en de gevraagde vergunning te weigeren. 1.8. Op 13 juli 2006 besluit de verwerende partij de beroepen ongegrond te verklaren en wordt de beroepen beslissing bevestigd mits wijziging van het voorwerp van de vergunning. VII-36.635-4/15 De overwegingen van het bestreden besluit luiden als volgt : "Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de vergunning tot hernieuwing en verplaatsing werd aangevraagd door de heer L. Anthonissen; dat het naastgelegen melkveebedrijf wordt geëxploiteerd door en is vergund op naam van de gebroeders Verheyen; dat hieruit blijkt dat het 2 verschillende exploitanten betreft en dat de aanvraag derhalve niet kan beschouwd worden als een uitbreiding van het bestaande bedrijf op naam van de gebroeders Verheyen; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier en uit de verklaringen afgelegd door betrokkene (in de PMVC) voldoende blijkt dat in de toekomst, de heer Raf Verheyen, na overname deze inrichting zal exploiteren en dat de heer Ben Verheyen het bestaande melkveebedrijf alleen zal blijven verder exploiteren; dat de PMVC er derhalve ten onrechte van uit gaat dat het een samenvoeging betreft; Overwegende dat de bedrijven elk een aparte toegang hebben; dat het melkveebedrijf, vergund op naam van Ben Verheyen, gelegen is aan de Steenweg op Turnhout; dat het mestkalverenbedrijf, gelegen achter het bestaande bedrijf, toegankelijk zal zijn via een servitudeweg; dat deze weg in de toekomst verhard wordt en er thans een voorlopige verharding met steenslag is; dat het hier dus duidelijk twee afzonderlijke exploitaties betreft; Overwegende dat uit het verleende stedenbouwkundig attest blijkt dat het hier twee leefbare bedrijven zijn; dat het stedenbouwkundig attest werd gevraagd en verleend op naam van Ben Verheyen (de enige exploitant van het bestaande melkveebedrijf) geen enkele belemmering vormt voor een latere exploitatie door diens broer, de heer Raf Verheyen; dat het evenwel aangeeft dat beide broers inderdaad de intentie hebben en hadden om ieder een bedrijf zelfstandig uit te baten; dat het feit dat nu Raf Verheyen het kalverenbedrijf wenst over te nemen van L. Anthonissen en niet Ben Verheyen aan deze vaststelling geen afbreuk doet; Overwegende dat bij het melkveebedrijf een woning werd gebouwd en ook bij het nieuwe bedrijf een bedrijfswoning wordt voorzien; dat de stedenbouw- wetgeving de inplanting van andere dan bedrijfsgebouwen in agrarisch gebied enkel toelaat onder de dubbele voorwaarde dat het een exploitantenwoning betreft en dat ze ruimtelijk geïntegreerd is in het bedrijf; dat het aantal bedrijfswoningen bovendien dient te worden beperkt tot 1 per bedrijf; dat uit het feit dat voor beide bedrijven de toelating werd (melkveebedrijf) of kan worden verleend (mestkalverenbedrijf o.b.v. stedenbouwkundig attest) nogmaals blijkt dat de bedrijven als afzonderlijke entiteiten dienen te worden beschouwd; Overwegende dat het melkveebedrijf en kalverenbedrijf zouden kunnen uitgebaat worden als één bedrijf, doch uit bekomen informatie blijkt dat dit niet de intentie is van de heer L. Anthonissen of de gebroeders Verheyen, zodat de aanvraag ook niet als dusdanig kan beschouwd worden, maar dient geëvalueerd in functie van de exploitatie van een nieuwe inrichting zoals aangevraagd in het dossier; Overwegende dat de vergunning werd aangevraagd voor de exploitatie van een nieuwe inrichting én tevens voor de vroegtijdige hernieuwing en verande- ring van de inrichting door omvorming van rundvee door vleeskalveren; dat aangezien het evenwel de exploitatie van een nieuwe inrichting betreft, er helemaal geen vroegtijdige hernieuwing of verandering van de vergunning aangevraagd kan worden; dat tevens, behoudens een uitdrukkelijke motivering, voor de exploitatie van een nieuwe inrichting steeds een vergunning dient verleend te worden voor een termijn van 20 jaar; VII-36.635-5/15 Overwegende dat een vergunning derhalve niet verleend kan worden voor de vroegtijdige hernieuwing of verplaatsing van een inrichting, maar enkel voor de exploitatie van een nieuwe inrichting of desgevallend voor het veranderen of hernieuwen van een vergunning van een bestaande inrichting (eventueel i.k.v. de volledige stopzetting van een andere bestaande veeteeltinrichting); dat een vergunning immers gebonden is aan een exploitatieplaats en bijgevolg niet verplaatst kan worden; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat op basis van de bovenvermelde argumenten, de ingediende beroepen ongegrond worden verklaard en het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Merksplas van 21 maart 2006 wordt bevestigd, evenwel mits wijziging van de omschrijving van het voorwerp van de vergunning"; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de tussenkomende partijen het in rechte vereiste belang in hoofde van verzoeker ontkennen; dat volgens hen de uiteenzetting van verzoeker bijzonder vaag en algemeen is met betrekking tot de hinder die hij zou ondervinden van vliegen en ongedierte, geur- en lawaaihinder alsook zichtschade ingevolge het feit dat vanuit de achterliggende slaapkamer het zicht op het open agrarisch gebied zou worden ontnomen, dat het ook tekenend is dat verzoeker zich moet baseren op een aantal "pertinente onjuistheden"; dat zij hierbij verwijzen naar het tussenarrest nr. 167.888 van 15 februari 2007 van de Raad van State waarin gewezen is op de omstandigheid dat verzoeker gedeeltelijk steunt "op onjuiste feitelijke gegevens"; dat zij voorts toelichten dat verzoeker het perceel 237n een achttal jaren geleden gekocht heeft en dat er twee percelen verder, op het perceel 238x, reeds sedert vele tientallen jaren een melkveebedrijf gevestigd is, dat verzoeker dit uiteraard wist op het ogenblik dat hij zijn perceel kocht, dat verzoeker op zijn perceel slechts in 2002 een nieuwe woning gebouwd heeft en daar sindsdien woont, dat dit perceel niet gelegen is in woongebied, doch wel in agrarisch gebied, dat het voornoemde arrest nr. 167.888 in dat opzicht heeft gesteld dat : "de tolerantiedrempel voor hinder veroorzaakt door de exploitatie van agrarische bedrijven hoger ligt voor de personen die zelf beslissen om zich in agrarisch gebied te vestigen"; dat zij met betrekking tot de ligging van de gronden als volgt argumenteren : - de woning van verzoeker is gelegen vlak tegen de Steenweg op Turnhout, een druk bereden verbindingsweg tussen Turnhout en Merksplas, waarlangs ook zeer veel vracht- en landbouwverkeer passeert; VII-36.635-6/15 - tussen het perceel van verzoeker en het reeds vele jaren bestaande melkveebedrijf ligt slechts één perceel; de woning van verzoeker staat heel wat dichter bij dit melkveebedrijf dan ten opzichte van de door het bestreden besluit vergunde inrichting; - in tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt, is de nieuw te bouwen stal niet vlak achter zijn woning gelegen, zijn woning ligt vlak tegen de Steenweg op Turnhout; achter zijn woning is er een tuin van circa 50 meter diep, tussen zijn perceel en het perceel waarop de nieuwe stal vergund is, ligt een weide van meer dan 1 ha groot (perceel 236d); de breedte van deze weide bedraagt 50 meter (zijnde de afstand tussen de achterste perceelsgrens van verzoeker en de grens van het perceel waarop de stal vergund is); tussen de achtergevel van zijn woning en het dichtste punt van de vergunde stal ligt circa 125 meter; deze grote afstand doet te dezen dan ook grote twijfels rijzen aangaande het vereiste belang dat verzoeker zou kunnen laten gelden; Overwegende dat de tussenkomende partijen er voorts ook op wijzen dat ook tijdens de milieuvergunningsprocedure verzoeker naliet enige argumentatie of een degelijk uitgewerkt standpunt te laten gelden, dat deze houding dan ook haaks staat op het beweerd voorhanden zijn van enig persoonlijk en actueel belang, dat wat de beweerde visuele schade betreft, die hinder enkel kan voort- vloeien uit de stedenbouwkundige vergunning, en niet uit de milieuvergunning, dat verzoeker ook geen vrij uitzicht heeft aangezien op de achterste perceelsgrens van zijn perceel er zich over de volledige breedte een hoge en dichtgegroeide haag met klimop bevindt en dat daarachter een rij met hoge bomen staat waardoor het zicht naar achteren quasi integraal belemmerd wordt en dat ook aan de zijkant van zijn perceel elk zicht ontnomen is, dat bovendien rekening moet worden gehouden met het feit dat de stallen nagenoeg aan het zicht zullen worden onttrokken door het voorziene en aan te brengen hoge en dichte groenscherm; dat wat de beweerde verkeershinder betreft, de tussenkomende partijen betwisten dat de vergunde inrichting enkel toegankelijk zou zijn via een erfdienstbaarheid die loopt over het perceel 238y vlak naast dat van verzoeker, dat wat de beweerde geurhinder betreft, verzoeker geen enkel concreet gegeven naar voor brengt inzake beweerde geurhinder en/of ingevolge ongedierte, laat staan dat hij aannemelijk maakt dat hij meer dan in agrarisch gebied normale en aanvaardbare hinder zou ondervinden, dat verzoeker ten onrechte stelt dat de overheersende windrichting noordelijk zou zijn, dat de windrichting noordoostelijk is, tengevolge waarvan eventuele geur achter het perceel van verzoeker in oostelijke richting zal wegtrekken; VII-36.635-7/15 2.2. Overwegende dat de omstandigheid dat de woning van verzoeker eveneens in het agrarisch gebied gelegen is, zijn belang niet wegneemt en dat het ogenblik waarop een omwonende zich in de omgeving is komen vestigen, niet relevant is; dat de tussenkomende partijen ten slotte geen nuttig argument kunnen putten uit het arrest nr. 167.888 van 15 februari 2007 van de Raad van State waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden milieuvergunning werd verworpen wegens het niet-bewezen zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat de ontstentenis van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet betekent dat een verzoeker geen belang kan hebben; dat de exceptie wordt verworpen; 3. Ten gronde 3.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet samengelezen met de artikelen 1, 5/ en 6/ en 5, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van artikel 50, 3/, b), van Vlarem I en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en machtsafwending; dat hij, eerste onderdeel, uiteenzet dat de ratio legis van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet er precies uit bestaat dat exploitanten in nood, die weg moeten van hun bestaande locatie, de mogelijkheid hebben te verhuizen naar een andere locatie, dat de overduidelijke afwending van deze bepaling precies blijkt uit het feit dat de vergunning werd aangevraagd op naam van de eerste tussenkomende partij terwijl blijkens het bestreden besluit zonder meer wordt bevestigd dat het eigenlijk de bedoeling is dat de inrichting van de eerste tussenkomende partij wordt overgenomen door een jongere landbouwer, de tweede tussenkomende partij, die deze dan op de nieuwe locatie zal uitbaten, dat er onomwonden aan wordt toegevoegd dat de vergunning wel aangevraagd moest worden op naam van de eerste tussenkomende partij aangezien artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet precies stelt dat de aanvrager van de vergunning vijf jaar vergunninghouder moet zijn, hoewel de aanvrager, opnieuw blijkens het bestreden besluit, geen enkele intentie heeft de inrichting zelf te exploiteren, dat de verwerende partij vervolgens deze argumentatie tot haar eigen overweging maakt in het besluit en daarbij machtsafwending pleegt aangezien de betrokken bepaling wordt afgewend van het eigenlijke doel; dat verzoeker voorts stelt dat overeenkomstig de artikelen 1, 5/ en 6/, en 5, § 1, van Vlarem I in elk geval de vergunningsaanvraag dient uit te VII-36.635-8/15 gaan van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de inrichting daadwerkelijk in werking stelt of houdt, gebruikt, installeert of in stand houdt, dat indien het de tweede tussenkomende partij is die de vergunde inrichting daadwerkelijk zal exploiteren, hij de aanvraag moest indienen tot het exploiteren van een dergelijke hinderlijke inrichting, dat, tweede onderdeel, op grond van artikel 50, 3/, b), van Vlarem I en de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet de verwerende partij de feitelijke en juridische elementen moet aangeven die het besluit kunnen schragen, dat op basis van de hierboven aangehaalde argumentatie de door de verwerende partij aangehaalde juridische elementen falen; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat op het ogenblik van de aanvraag, de eerste tussenkomende partij de eigenaar en vergun- ninghouder was van bedoelde inrichting, zodat de eerste tussenkomende partij volgens de Vlarem-reglementering ook de enige persoon was die de vroegtijdige hernieuwing en verplaatsing, zoals weergegeven in het dossier, van de bedoelde inrichting kon vragen, dat artikel 18 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) uitdrukkelijk bepaalt dat tussen de achttiende en twaalfde maand voor het verstrijken van de lopende vergunning een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd door de exploitant en dat deze milieuvergunning voor de verdere exploitatie vroeger dan deze termijn kan worden aangevraagd wanneer een overname van de vergunde inrichting door een andere exploitant is gepland, dat de toepasselijke Vlarem-reglementering dus uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van een vergunning voor verdere exploitatie door een andere exploitant na overname, wat te dezen is gebeurd, zodat geen sprake kan zijn van enige machtsafwending, dat de verwerende partij te dezen aldus toepassing heeft gemaakt van de geldende Vlarem-reglementering; dat met betrekking tot het tweede onderdeel de verwerende partij naar haar antwoord op het tweede onderdeel van het eerste middel verwijst en opmerkt dat de zogenaamde machtsafwending niet werd aangehaald als beroepsargument zodat hieromtrent ook geen expliciete motivering werd gegeven, dat deze evenwel impliciet blijkt uit de motivering en dat zij te dezen enkel toepassing maakte van de toepasselijke Vlarem- reglementering; 3.3. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de verwijzing naar artikel 18 van het milieuvergunningsdecreet niet overtuigt, dat uiteraard vóór het verstrijken van de lopende vergunning bij de bevoegde overheid een nieuwe vergunning kan worden gevraagd wanneer de overname van de vergunde inrichting door een andere exploitant is gepland, dat in dezen een vergunning wordt aan- VII-36.635-9/15 gevraagd door de eerste tussenkomende partij terwijl, op dat ogenblik, reeds geweten is dat hij de inrichting nooit zal exploiteren doch wel dat dit zal gebeuren door de tweede tussenkomende partij, dat daarom precies op grond van artikel 18 samen-gevoegd met artikel 4 van het milieuvergunningsdecreet de vergunning ab initio moest worden aangevraagd door de tweede tussenkomende partij, dat de enige reden dat dat niet is gebeurd, is dat men heeft willen vermijden dat de opgezette constructie gekwalificeerd zou worden als een samenvoeging in de zin van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4), van het meststoffendecreet met de bijhorende reductie van de mestquota tot gevolg, dat de stellingname "dat in casu eenvoudigweg toepassing is gemaakt van de geldende Vlaremreglementering" dan ook van iedere ernst ontbloot is; 3.4. Overwegende dat de tussenkomende partijen aangaande het eerste onderdeel argumenteren dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet erin voorziet dat een vergunning kan worden verleend voor de exploitatie van een nieuwe veeteeltinrichting in agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied in combinatie met de volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrich- ting, die beschikt over een nutriëntenhalte, gelegen in een ander gebied dan agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat de aanvrager van de nieuwe veeteeltinrichting tevens sinds vijf jaar houder moet zijn van de milieuver- gunning van de stop te zetten veeteeltinrichting en dat de stop te zetten inrichting geen stopzettingsvergoeding gekregen mag hebben, dat de aanvraag te dezen aan alle voorwaarden voldoet en de verwerende partij de vergunning dan ook niet op wettige wijze kon weigeren, dat de verwerende partij uiteraard gebonden is aan de geldende wettelijke voorschriften en geen rekening kan houden met wat de wetgever al dan niet bedoeld zou hebben wanneer de wettelijke bepaling duidelijk is en geen ruimte laat voor beoordelingsmarge, dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffen-decreet nergens bepaalt dat de aanvrager de nieuwe veeteeltinrich- ting gedurende een bepaalde periode zelf zou moeten exploiteren en/of dat hij de vergunning met betrekking tot de nieuwe inrichting niet zou mogen overdragen, dat artikel 42 van Vlarem I onverkort blijft gelden, dat het toekennen van een vergunning toelaat te exploiteren, doch geenszins een verplichting inhoudt om te exploiteren, dat voornoemd artikel bepaalt dat de aanvrager van de nieuwe inrichting minstens vijf jaar houder moet zijn van de vergunning met betrekking tot de stop te zetten inrichting, dat dit te dezen het geval is, dat het milieuvergunningsdecreet expliciet erkent dat een nieuwe vergunning kan worden aangevraagd op een ogenblik dat men weet dat deze zal worden overgedragen, dat artikel 18 van het milieuvergunnings-decreet immers in de mogelijkheid voorziet om vroeger een VII-36.635-10/15 hernieuwing aan te vragen indien een overname gepland is, dat er van machtsafwen- ding geen sprake kan zijn, dat aangaande het tweede onderdeel de feitelijke en juridische elementen waarop de beslissing gesteund is, correct en pertinent zijn; 3.5. Overwegende dat de tussenkomende partijen in hun laatste memorie nog argumenteren dat de voorwaarde uit artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet dat de aanvrager van de nieuwe veeteeltinrichting sinds vijf jaar houder moet zijn, logischerwijze beoordeeld moet worden op het ogenblik van het indienen van de aanvraag met betrekking tot de nieuwe inrichting, en niet op het ogenblik van het nemen van de beslissing door de vergunningverlenende overheid, dat dit onder meer duidelijk blijkt uit het feit dat in de tekst van voormeld artikel gesproken wordt over "de aanvrager van de nieuwe veeteeltinrichting", dat het niet ter discussie staat dat de eerste tussenkomende partij de vergunningsaanvraag met betrekking tot de nieuwe inrichting heeft ingediend en evenmin dat hij op zulk ogenblik sinds vijf jaar houder was van de vergunning betreffende de stop te zetten inrichting, dat er aldus voldaan was aan de voorwaarden uit artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet, dat voorts de overname door de tweede tussen- komende partij nog niet voltrokken was op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, dat de melding van overname van 12 mei 2006 dateert, dat een melding van overname slechts gevolgen ressorteert vanaf het ogenblik van de schriftelijke ontvangstmelding van de melding door de bevoegde overheid in de zin van artikel 42, § 4, van Vlarem I, dat artikel 42, § 4, van Vlarem I bepaalt dat de overnemer slechts geacht wordt in de rechten te zijn getreden van de exploitant voor de in de ontvangstmelding vermelde nog geldende vergunningen, dat de aktename van de melding van overname slechts dateert van 26 september 2006 en aldus van na het nemen van het bestreden besluit, dat de verwerende partij dan ook niet anders kon dan op het ogenblik van het bestreden besluit de eerste tussenkomende partij te beschouwen als aanvrager van de nieuwe inrichting, dat zij geen rekening kon houden met de melding van overname en alleszins niet op wettige wijze kon besluiten dat de aanvrager de tweede tussenkomende partij zou zijn, dat dan ook meteen vast staat dat de voorwaarde dat de aanvrager van de nieuwe inrichting sinds vijf jaar houder moet zijn van de milieuvergunning van de stop te zetten inrichting, enkel kon en moest worden beoordeeld in hoofde van de eerste tussenkomende partij en niet in hoofde van de tweede tussenkomende partij, dat deze voorwaarde vervuld was in hoofde van de eerste tussenkomende partij, dat zelfs indien het zo zou zijn dat de overname van de milieuvergunning met betrekking de nieuwe inrichting rechtsgevolgen sorteerde vanaf de melding van de overname op 12 mei 2006, het nog zo blijft dat zulks geen enkel gevolg kan hebben met betrekking tot de VII-36.635-11/15 voorwaarden uit artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet en de beoordeling daarvan aangezien het feit dat de tweede tussenkomende partij de toegekende milieuvergunning overnam enkel maakt dat hij de houder is geworden van de desbetreffende milieuvergunning, dat zulke overname vanzelfsprekend niet met zich meebrengt dat de aanvrager van de milieuvergunning met betrekking tot de nieuwe inrichting ineens en ingevolge de overname de tweede tussenkomende partij zou zijn, dat de aanvrager van de milieuvergunning met betrekking tot de nieuwe inrichting hoe dan ook de eerste tussenkomende partij blijft, ook na de overname van de desbetreffende vergunning, dat er in artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet enkel een voorwaarde wordt gesteld op het vlak van de periode waarover men houder was van de vergunning met betrekking tot de stop te zetten inrichting op het ogenblik van het indienen van de aanvraag voor de nieuwe inrichting, dat het in dat verband volstrekt irrelevant is of de aanvrager van de milieuvergunning voor de nieuwe inrichting op enig ogenblik hangende de administratieve procedure de vergunning met betrekking tot de nieuwe inrichting overdraagt; dat de tussenkomende partijen benadrukken dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet nergens voorzag in enige voorwaarde dat de aanvrager van de nieuwe inrichting gedurende welkdanige periode dan ook de vergunning met betrekking tot de nieuwe inrichting niet zou mogen overdragen, dat dit een bijkomende voorwaarde zou zijn welke de decreetgever niet heeft gesteld, dat ten slotte de verwijzing naar de ratio legis van voornoemd artikel niet relevant is, dat de decreetgever wenste te verhinderen dat grote bedrijven inrichtingen zouden opkopen om deze nadien te verplaatsen en aldus misbruik zouden maken van deze gunst, dat daarom als voorwaarde werd gesteld dat de aanvrager minstens vijf jaar houder moet zijn van de vergunning betreffende de stop te zetten inrichting hetgeen een voorwaarde naar het verleden toe is, dat dergelijke situatie dewelke de decreetgever voor ogen had, met name de opkoop door grote bedrijven, te dezen echter helemaal niet aan de orde is; 3.6. Overwegende dat in bijlage 2.01 van de vergunningsaanvraag het doel van de vergunningsaanvraag als volgt toegelicht is : "Doel van deze aanvraag is de verplaatsing van de inrichting gelegen Kerkstraat 2 in Kalmthout naar de Steenweg op Turnhout 150 in Merksplas. Het vergunde rundvee wordt omgevormd naar vleeskalveren. Na de verplaat- sing wordt de inrichting in Kalmthout stopgezet. Omwille van de nieuwbouw die na deze verplaatsing zal gebeuren wordt nu ook een hernieuwing van de te verplaatsen vergunning aangevraagd"; VII-36.635-12/15 dat in bijlage 8 de eerste tussenkomende partij op eer verklaart dat hij de veeteeltin- richting gelegen aan de Kerkstraat 2 te Kalmthout zal stopzetten uiterlijk twaalf maanden na ingebruikname van de nieuwe inrichting en dat de dieren verplaatst zullen worden naar de inrichting aan de Steenweg op Turnhout 150 te Merksplas; dat hij in bijlage 9 verklaart dat hij voor de stop te zetten inrichting te Kalmthout geen stopzettingsvergoeding heeft gevraagd noch heeft gekregen in het kader van het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest; dat uit wat voorafgaat blijkt dat het voorwerp van de vergunningsaanvraag bestaat uit de verplaatsing van een bestaande vergunde veeteeltinrichting en de omvorming ervan van rundveebedrijf naar vleeskalverenbedrijf; dat de verwerende en de tussenkomende partijen niet betwisten dat de vergunningsaanvraag getoetst moest worden aan artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet; dat deze bepaling als volgt luidt : "5) de exploitatie van een nieuwe veeteeltinrichting in agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied in combinatie met de volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrichting, die beschikt over een nutriëntenhalte, gelegen in een ander gebied dan agrarisch gebied of landschap- pelijk waardevol agrarisch gebied. De aanvrager van de nieuwe veeteeltinrich- ting moet tevens sinds 5 jaar houder zijn van de milieuvergunning van de stop te zetten veeteeltinrichting. De stop te zetten inrichting mag geen stopzettings- vergoeding verkregen hebben in het kader van het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest"; dat daaruit blijkt dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet aan de exploitant van een veeteeltinrichting de mogelijkheid biedt om de bestaande inrichting volledig te verplaatsen naar een voor het milieu en de ruimtelijke ordening meer gunstige locatie en dit zonder dat wordt beknot op het aantal dieren dat op de nieuwe inrichting gehouden mag worden; dat in dezen de tweede tussenkomende partij de nieuwe veeteeltinrichting heeft overgenomen op 12 mei 2006, met andere woorden op een datum die het thans bestreden besluit voorafgaat, zodat de verwerende partij op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit de eerste tussenkomende partij niet vermocht te beschouwen als aanvrager van de nieuwe veeteeltinrichting; dat de tussenkomende partijen er verkeerdelijk van uitgaan dat een overname "slechts gevolgen ressorteert vanaf het ogenblik van de schriftelijke ontvangstmelding van de melding door de bevoegde Overheid"; dat de aktename van de melding van overname geen constitutieve, rechtscheppende rechtshandeling is die in hoofde van de overnemer bepaalde rechten creëert; dat immers door de aktename van de melding van overname niet meer wordt gedaan dan kennisnemen van het feit dat de inrichting werd overgenomen door een nieuwe exploitant; dat de schriftelijke ontvangstmelding waarvan sprake is in artikel 42, § 4, van Vlarem I de overname VII-36.635-13/15 niet doet ingaan en evenmin rechten creëert in verband met de overname; dat het slechts om de mededeling gaat van de concrete omvang van de rechten die de overnemer rechtstreeks put uit de overname op basis van de geldende vergunningen en de gebeurlijke inperkingen ervan van rechtswege; dat de tussenkomende partijen dan ook ten onrechte stellen dat de overname dateert van na het bestreden besluit; dat nu artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet als voorwaarde stelt dat de aanvrager van de nieuwe veeteeltinrichting sinds vijf jaar houder is van de milieuvergunning van de stop te zetten veeteeltinrichting, vastgesteld wordt dat de overname door de tweede tussenkomende partij dateert van 12 mei 2006 en dat bijgevolg het verlenen van de bestreden verplaatsingsvergunning geschiedde toen de tweede tussenkomende partij niet sinds vijf jaar houder was van de milieuvergun- ning van de stop te zetten veeteeltinrichting; dat het tweede middel in de aangegeven mate gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 13 juli 2006 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merksplas van 21 maart 2006, houdende het verlenen aan Louis ANTHONISSEN van de milieuver- gunning voor het exploiteren van een inrichting voor het houden van vleeskalveren, gelegen aan de Steenweg op Turnhout 150 te Merksplas, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing -mits aanpassing- wordt bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. VII-36.635-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht september tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.635-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.825 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.888 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div