id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.836 Rolnummer: A. 124233/X-11053 Zaak: Arrest 195836 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:30 Fiche Arrest nr 195.836 van 8 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.836 van 8 september 2009 in de zaak A. 124.é/X-11.
- In zake : Nicole DE PUE, die woonplaats kiest bij advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Nicole DE PUE op 22 juli 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 18 januari 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening waarbij aan Nadia TRIAU namens VAN CAUTER-VITS de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het inrichten van een bestaande hoeve voor hoevetoerisme aan de Delestraat 17 te Erpe-Mere, kadastraal bekend sectie B, nr. 1251; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekster; X-11.053-1/11 Gelet op de beschikking van 17 februari 2009 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 13 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. DE MAERSCHALCK, die loco advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten. 1.
- Op 17 april 2000 (datum van het ontvangstbewijs) vragen Luc en Magda Van Cauter-Vidts aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Erpe-Mere een stedenbouwkundige vergunning voor het inrichten van hoevetoerisme-kamers in een boerderij aan de Delestraat 17 te Erpe-Mere, kadastraal gekend sectie B, nr.
- Het perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst-Ninove- Geraardsbergen gelegen in agrarisch gebied. Het is niet gelegen in een gebied waarvoor een bijzonder plan van aanleg bestaat, noch binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. Volgens de nota gevoegd bij de aanvraag wordt het voorwerp van de aanvraag omschreven als het “inrichten, in bestaande stalling van een bestaande vierkantshoeve, van 3 logeerkamers voor hoevetoerisme”. Met betrekking tot de overeenstemming en verenigbaarheid met de wettelijke en ruimtelijke context wordt in de nota het volgende gesteld: X-11.053-2/11 “Waarbij volgende bemerkingen: in het kader van het Decreet van 06/05/1999 houdende ‘de organisatie van de Ruimtelijke Ordening’ en van art.166 meer bepaald, kan in landbouwgebied voor een bestaand landbouwbedrijf een functiewijziging bekomen worden, op voorwaarde dat landbouw in nevenfunctie aanwezig blijft. hier behelst de functiewijziging het inrichten in een bestaande hoevestalling, die één geheel vormt met de overige hoevegebouwen, van 3 kamers met gemeenschappelijk lokaal voor tijdelijk verblijf in het kader van de promotie van hoevetoerisme in Oost-Vlaanderen”. 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek worden vijf bezwaren ingediend, waaronder één door de verzoekster, in haar hoedanigheid van afgevaardigd bestuurder van de n.v. Culkin. 1.
- Op 23 mei 2000 onderzoekt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Erpe-Mere de ingediende bezwaren en bevindt deze “ontvankelijk en ongegrond”. 1.
- Op 31 juli 2000 geeft de afdeling Land het volgende ongunstige advies: “Voor de afdeling Land kan hoevetoerisme in het agrarisch gebied enkel als nevenactiviteit aanvaard worden in het kader van een functionerend beroepslandbouwbedrijf (hoofd- of nevenberoep). Indien dit niet het geval is wordt de landbouwfunctie te sterk uitgehold en zelfs bedreigd door de nieuwe functie zodat dit niet langer verenigbaar is met een duurzame basis (landbouw) bestemming. Om in aanmerking te komen heeft het bedrijf minstens een omvang van een half volwaardig landbouwbedrijf. Uit het oogpunt van een goede landinrichting is een landbouwbedrijf half volwaardig als voldaan wordt aan de drie volgende voorwaarden: S het betreft een landbouwbedrijf met een arbeidsbehoefte van 0,5 volle arbeidskracht (VAK) - het arbeidsinkomen uit de landbouwactiviteit bedraagt minstens de helft van het vergelijkbaar arbeidsinkomen; - de bedrijfsleider beschikt over de nodige bekwaamheid door ervaring of door beroepsopleiding. Het ons voorgelegde dossier voldoet momenteel niet aan deze voorwaarden zodat de aanvraag op dit ogenblik vanuit een landbouwkundige benadering niet kan beoordeeld worden in het kader van hoevetoerisme”. 1.
- Op 9 augustus 2000 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies. 1.
- Op 22 augustus 2000 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Erpe-Mere de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. X-11.053-3/11 1.
- Op 7 december 2000 willigt de bestendige deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen het administratief beroep in dat werd ingesteld door de aanvragers en verleent ze de gevraagde vergunning. De bestendige deputatie overweegt onder meer het volgende: “dat uit het onderzoek is gebleken dat de landbouwactiviteit momenteel relatief beperkt aanwezig is en dat het mogelijk is op relatief korte termijn een belangrijke landbouwactiviteit uit te bouwen die als een volwaardig nevenberoep zou kunnen beschouwd worden”. 1.
- Op 10 januari 2001 stelt de gemachtigde ambtenaar administratief beroep in tegen voormeld besluit van de bestendige deputatie. In zijn beroepschrift stelt de gemachtigde ambtenaar het volgende: “Het hoevetoerisme zal hier niet als nevenaktiviteit worden beoefend, doch als hoofdactiviteit; Er kan niet worden aangetoond dat het hier gaat om een volwaardig (bestaand) agrarisch bedrijf, een noodzakelijke voorwaarde om hoevetoerisme als nevenaktiviteit te beoefenen”. 1.
- Op 4 september 2001 geeft de afdeling Land een tweede ongunstig advies, waarin ze het volgende stelt: “De betrokken hoeve is gelegen in agrarisch gebied, en ruimtelijk gesitueerd buiten een kleine bewoningscluster. De aanvrager is een niet-agrariër met een kleine landbouwactiviteit. De landbouwactiviteit is naar omvang en inhoud een hobbylandbouwactiviteit. De leefbaarheidsstudie geeft een overschatting van de reële inkomsten die op 5,7 ha (3 ha weiland en 2,7 ha akkerbouw in rotatieteelt) kunnen behaald worden. Uit landbouwkundig standpunt en uit het oogpunt van een goede landinrichting is de aanwezige landbouwactiviteit onvoldoende omvangrijk om te voldoen aan de voorwaarde van artikel 145bis, §2, 1/ (‘maar met inbegrip van tijdelijke verblijfsgelegenheden op voorwaarde dat de landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft’). Een gedoogzaamheid in deze aangelegenheid is, afgezien van de situering van de inplanting, schadelijk voor de externe landbouwstructuren en zou aanleiding geven tot een te mijden voorgaande”. 1.
- Bij besluit van 18 januari 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening wordt het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingewilligd op volgende gronden: “Overwegende dat, luidens art. 145bis § 2, de vergunningverlenende overheid, bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning die betrekking heeft op een vergunningsplichtige wijziging van de hoofdfunctie van een onroerend bebouwd goed met het oog op een nieuwe functie in de zin van X-11.053-4/11 artikel 99, § 1, eerste lid, 6/, alleen mag afwijken van de voorschriften van een gewestplan of een algemeen plan van aanleg in de volgende gevallen: - het wijzigen van het gebruik van een bestaand, vergund, eventueel leegstaand, landbouwbedrijf, dat volgens het gewestplan niet gelegen is in een recreatiegebied of een ruimtelijk kwetsbaar gebied, behoudens parkgebied, met als nieuw gebruik uitsluitend wonen, én op voorwaarde dat de volgende voorschriften nageleefd worden: 1/ de bedrijfswoning en de bijgebouwen die er fysisch één geheel mee vormen, krijgen als nieuw gebruik wonen met uitsluiting van meergezinswoningen, maar met inbegrip van tijdelijke verblijfsgelegenheden op voorwaarde dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft; 2/ de bedrijfsgebouwen van dit landbouwbedrijf mogen niet afgesplitst worden van de bedrijfswoning en kunnen enkel een nieuw gebruik krijgen als woningbijgebouwen, of als accommodatie voor tijdelijke verblijfsgelegenheden op voorwaarde dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft; - het wijzigen van het gebruik van een bestaand, vergund gebouw voor zover deze wijziging is opgesomd in een door de Vlaamse regering vast te leggen lijst; dat al de hierboven vermelde afwijkingen slechts kunnen worden verleend op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad; Overwegende dat de appellant in zijn stavingsstukken enkele intenties vermeldt aangaande de uitbreiding van zijn landbouwactiviteiten in de toekomst, dat de landbouwactiviteiten dermate zullen toenemen dat zij in alle redelijkheid als een voldoende omvangrijke landbouwactiviteit in nevenbestemming kunnen worden beschouwd; dat appellant een aantal paarden, runderen en varkens bezit, hiervoor is 3 ha graasland beschikbaar; dat tevens konijnen, kippen, eenden en ganzen worden gekweekt; dat 2 ha akkerland wordt aangewend voor de teelt van biologische aardappelen; dat verder op 0.7 ha gerst wordt verbouwd; Overwegende dat de vierkantshoeve zich situeert aan de rand van een cluster van zonevreemde woningen in het agrarisch gebied, de dichtstbijzijnde woning bevindt zich aan de overzijde van de straat op een afstand van ongeveer 16 m; dat de woning op het links aanpalende perceel zich op ongeveer 26 m bevindt; dat de activiteiten zijn georiënteerd naar het nog relatief open en homogeen agrarisch gebied, zuidoostelijk gesitueerd; dat de kleinschalige ingreep op zich, wat de ruimtelijke impact betreft, aanvaardbaar is; Overwegende dat de aanvraag resulteert in een gebruikswijziging van een deel van de hoeve; dat voor de toepassing van het uitzonderingsartikel, artikel 145bis, de landbouwactiviteiten als nevenbestemming moeten blijven bestaan; dat gezien de specifieke inplanting, bij een cluster van zonevreemde bebouwing eerder geopteerd dient te worden voor een beperkte agrarische activiteit, net om de verenigbaarheid met de omgevende bebouwing te stimuleren; dat eveneens beperkte toeristische activiteit in die doelstelling kan bijdragen; dat juist hierdoor, binnen een ruime visie, de zuiver homogene landbouwgebieden eerder ontlast blijven van dergelijke activiteiten; Overwegende dat de aanvraag bijgevolg in overeenstemming kan gebracht worden met het artikel 145bis zodat vergunning kan worden verleend; dat evenwel als voorwaarden wordt opgelegd dat de toerisme-activiteit niet verder mag uitgebreid worden en dat parkeerplaatsen, ten behoeve van de gevraagde activiteiten, niet kunnen worden toegestaan buiten de hoeve, net om de lasten op de omgeving beperkt te houden; dat wegens het ontbreken van deze voorwaarden de beslissing d.d. 7 december 2000 van de bestendige deputatie dient te worden vernietigd door het beroep van de gemachtigde ambtenaar in te willigen”. X-11.053-5/11 Het bestreden besluit verleent de gevraagde vergunning “onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de toerisme-activiteit niet verder mag uitgebreid worden en dat de parkeerplaatsen, ten behoeve van de gevraagde activiteit, zich allen binnen de vierkantshoeve, op de koer, dienen te bevinden”.
- De ontvankelijkheid. 2.1.
- Met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione temporis stelt de verzoekster dat zij pas op 29 mei 2002, na het lezen van een artikel in de lokale krant “De Beiaard” waarin sprake was van toekomstige activiteiten van hoevetoerisme in de betrokken boerderij, kon vermoeden dat er een stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd en dat zij binnen een redelijke termijn kennis heeft genomen van het bouwdossier. 2.1.
- In haar memorie van antwoord maakt de verwerende partij “enig voorbehoud voor de eventuele laattijdigheid van het annulatieberoep”. Ze stelt dat indien de werkzaamheden reeds zijn aangevat vóór 29 mei 2002, niet de berichtgeving in een lokale krant, maar wel het tijdstip van het aanvatten van de werkzaamheden relevant is als uitgangspunt. 2.2.
- De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij liggen, wanneer zij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van de administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de X-11.053-6/11 noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning, bijvoorbeeld van de mogelijkheid die hem door het toentertijd geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw werd geboden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat. Het is dan weer zaak van de verzoekende partij in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn, via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning heeft proberen in te winnen. 2.2.
- In zoverre het “voorbehoud voor de eventuele laattijdigheid van het annulatieberoep” van de verwerende partij al als een exceptie kan worden begrepen, moet worden vastgesteld dat de verwerende partij faalt in de bewijslast die op haar rust. De aanvang van de werken vóór die datum voert ze als een loutere hypothese aan zonder aan te tonen dat de werken wel degelijk eerder zijn aangevat en dat die werken de verzoekster niet konden zijn ontgaan. Ze toont in die omstandigheden niet aan dat de verzoekster eerder dan 29 mei 2002 kennis had of kon hebben gekregen van het bestreden besluit. 2.
- De exceptie is niet gegrond.
- Ten gronde. 3.1.
- In een tweede middel voert de verzoekster de schending aan van artikel 145bis, § 2, eerste lid DRO en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht. X-11.053-7/11 Ze stelt dat de twee negatieve adviezen van de afdeling Land zonder deugdelijke motivering terzijde werden geschoven in het bestreden besluit en dit op grond van onduidelijke intenties en louter toekomstgerichte intentieverklaringen. Uit het bezitten van paarden, runderen en varkens en het kweken van konijnen, kippen, eenden en ganzen zonder aanduiding van het aantal en zonder aan te tonen of deze bestemd zijn voor de verkoop, valt niet af te leiden of er sprake is van een landbouwactiviteit of enkel van een hobbylandbouw. Tot slot is 2 ha akkerland aangewend tot het verbouwen van biologische aardappelen en gerst te beperkt om een relevant inkomen te genereren. 3.1.
- De verwerende partij repliceert dat de voorwaarde in artikel 145bis, § 2 DRO dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft niet alleen betrekking heeft op reeds bestaande landbouwbedrijven. Voor de beoordeling van deze voorwaarde moet enkel worden nagegaan of landbouwactiviteiten “afdoende bestaande zijn en/of in de toekomst reëel als nevenbestemming kunnen bestaan”. Ze citeert uit de nota “weerlegging van de beroepsmotieven van de Gemachtigde Ambtenaar: hoorzitting van 28/05/2001”, waarin de aard, de opbrengst en de toekomstplannen met betrekking tot de landbouwactiviteiten worden beschreven. Tevens wijst ze erop dat de beperkte agrarische activiteit wordt voorgestaan omwille van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving, zijnde een nog relatief open en homogeen agrarisch gebied. Om die reden werden ook de toeristische activiteiten beperkt middels een voorwaarde bij de bestreden vergunning. 3.1.
- De verzoekster dupliceert dat artikel 145bis, § 2 DRO een uitzonderingsbepaling is die strikt geïnterpreteerd moet worden. Zij stelt dat niet voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat een landbouwexploitatie zal worden uitgebaat. Een mededeling met betrekking tot toekomstige intenties volstaat niet als bewijs dat er reeds landbouw als nevenbestemming aanwezig is of aanwezig zal blijven. Tot slot wijst de verzoekster nog op de twee negatieve adviezen van de afdeling Land die de verwerende partij naast zich heeft neergelegd. 3.
- Artikel 145bis, § 2, eerste en tweede lid DRO, zoals van toepassing ten tijde van de uitvaardiging van het bestreden besluit, luidt als volgt: “§
- De vergunningverlenende overheid mag, bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning die betrekking heeft op een vergunningsplichtige wijziging van de hoofdfunctie van een onroerend bebouwd goed met het oog op een nieuwe functie in de zin van artikel 99, § 1, X-11.053-8/11 eerste lid, 6/, alleen afwijken van de voorschriften van een gewestplan of een algemeen plan van aanleg in de volgende gevallen : - het wijzigen van het gebruik van een bestaand vergund, eventueel leegstaand, landbouwbedrijf, dat volgens het gewestplan niet gelegen is in een recreatiegebied of een ruimtelijk kwetsbaar gebied, behoudens een parkgebied, met als nieuw gebruik uitsluitend wonen, én op voorwaarde dat de volgende voorschriften nageleefd worden : 1/ de bedrijfswoning en de bijgebouwen die er fysisch één geheel mee vormen, krijgen als nieuw gebruik wonen met uitsluiting van meergezinswoningen, maar met inbegrip van tijdelijke verblijfsgelegenheden op voorwaarde dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft; 2/ de bedrijfsgebouwen van dit landbouwbedrijf mogen niet afgesplitst worden van de bedrijfswoning en kunnen enkel een nieuw gebruik krijgen als woningbijgebouwen, of als accommodatie voor tijdelijke verblijfsgelegenheden op voorwaarde dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft; - het wijzigen van het gebruik van een bestaand, vergund gebouw voor zover deze wijziging is opgesomd in een door de Vlaamse regering vast te leggen lijst. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor deze wijzigingen van gebruik. (...)”. 3.
- In tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, gaat de verzoekster er niet vanuit dat voor de toepassing van artikel 145bis, §2 een bestaande landbouwbedrijvigheid aanwezig moet zijn, maar argumenteert ze dat de vereiste nevenbestemming landbouw niet voldoende bewezen en aannemelijk werd gemaakt. 3.
- Met betrekking tot de gelijkluidende vereiste in het voordien geldende artikel 43, § 2, twaalfde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, werd in de parlementaire voorbereiding gesteld dat het gaat “om een uitzonderingregel, wat betekent dat deze bepaling strict geïnterpreteerd moet worden. De nevenbestemming landbouw moet dus wel degelijk aanwezig zijn en bewezen worden. Bij discussie zal het advies van de voor landbouw bevoegde administratie uitsluitsel geven.” (Parl. St. Vl. Parl., 1998-99, nr. 1332/1, 76). 3.
- De afdeling Land stelde in haar tweede advies dat de aanwezige landbouwactiviteit onvoldoende omvangrijk is om als leefbare nevenactiviteit bestempeld te worden. De afdeling Land baseerde zich daarvoor op de stelling dat de omvang en de inhoud van de landbouwactiviteit gelijkstaat met een “hobbylandbouwactiviteit” en dat de reële inkomsten die uit 3 ha weiland en 2,7 ha akkerbouw kunnen worden gehaald, worden overschat in de leefbaarheidsstudie. X-11.053-9/11 In het bestreden besluit wordt deze stelling als dusdanig niet betwist, maar wordt de vergunning verleend op grond van “enkele intenties” die de aanvrager vermeldt aangaande de uitbreiding van zijn landbouwactiviteiten in de toekomst, waardoor “de landbouwactiviteiten dermate zullen toenemen dat zij in alle redelijkheid als een voldoende omvangrijke landbouwactiviteit in nevenbestemming kunnen worden beschouwd”. Door aldus een toekomstige en onzekere activiteit, waarvan de omvang en de aard niet nader wordt verduidelijkt, in aanmerking te nemen voor de gunstige beoordeling van een wezenlijke voorwaarde voor het verlenen van de bestreden vergunning, is het bestreden besluit in essentiële mate gesteund op in feite niet vaststaande en onduidelijke gegevens. Er ligt bijgevolg een schending voor van de materiële motiveringsplicht. 3.
- Het tweede middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 18 januari 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening waarbij aan Nadia TRIAU namens VAN CAUTER-VITS de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het inrichten van een bestaande hoeve voor hoevetoerisme aan de Delestraat 17 te Erpe-Mere, kadastraal bekend sectie B, nr.
- Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-11.053-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.053-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.836 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div