← België

Arrest 195837 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.837 Rolnummer: A. 139385/X-11517 Zaak: Arrest 195837 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-17 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 03:31 Fiche Arrest nr 195.837 van 9 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.837 van 9 september 2009 in de zaak A. 139.385/X-11.

  1. In zake : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Archimedesstraat 7 tegen : de deputatie van de provincieraad van LIMBURG. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het Vlaamse Gewest op 18 juli 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 15 mei 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij haar beroep tegen het besluit van 4 november 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heers, houdende weigering van de vergunning voor het bebossen van een aantal percelen grond in agrarisch gebied, kadastraal bekend sectie B, nrs. 41/a, 96/e en 96/f, niet wordt ingewilligd. Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 19 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; X-11.517-1/17 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris T. ROOSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  2. De feiten 1.
  3. Op 18 oktober 2002 vraagt het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Bos en Groen, aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heers “in toepassing van (artikel 35bis, § 5, van het Veldwetboek een) vergunning voor bosaanplanting”, op gronden gelegen te Heers, kadastraal bekend sectie B, nrs. 41/a, 96/e en 96/f. De betrokken percelen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 5 april 1977 vastgestelde gewestplan Sint-Truiden- Tongeren gelegen, grotendeels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en, deels, in natuurgebied. 1.
  4. Bij besluit van 4 november 2002 van het college van burgemeester en schepenen wordt de gevraagde vergunning geweigerd, ondermeer omdat “de bebossing van agrarische gebieden zou neerkomen op een wijziging van de gewestplannen op een wijze die de decreetgever heeft willen uitsluiten en aldus een overtreding zou uitmaken van artikel 2 (van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996)” en omdat de bepalingen van het Veldwetboek desbetreffend impliciet zijn opgeheven volgens het principe “lex posterior derogat proiri”, dat de bepaling van artikel 2 duidelijk stelt dat van de gewestplannen enkel kan afgeweken worden in de gevallen en vormen door het decreet voorzien, en dat afwijking voor bebossing niet voorzien is in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening. Tevens wordt verwezen naar het ruimtelijke structuurplan Vlaanderen waarin “gesteld wordt dat (...) nieuw bos (...) moet worden gerealiseerd in bijkomende bosgebieden en bosuitbreidingsgebieden”. X-11.517-2/17 1.
  5. Op 3 december 2002 stelt het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Bos en Groen te Hasselt, beroep in tegen voormeld weigeringsbesluit bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg. In het beroepsschrift wordt onder meer aangevoerd dat de verwijzing naar het ruimtelijke structuurplan Vlaanderen onvolledig en onjuist is, dat artikel 35bis, § 5 van het Veldwetboek niet impliciet is opgeheven en dat, gelet op de bestemmingsvoorschriften, het onjuist is te stellen dat in een agrarisch gebied bebossing per definitie is uitgesloten. 1.
  6. Bij het thans bestreden besluit van 15 mei 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg wordt het beroep niet ingewilligd. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Gelet op het gunstig advies van 17 januari 2003 van de ingenieur van de afdeling Land van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap te Brussel, overwegende dat: • de betrokken percelen aansluiten bij een bestaand bos, zodat ten aanzien van de externe landbouwstructuren de structurele schade door de voorgestelde bebossing beperkt is; • de bebossing van de percelen van permanente aard is en derhalve past in de doelstellingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen tot de verwezenlijking van 10.000 ha bijkomend bosgebied; • de afbakening van de agrarische en natuurlijke structuren nog aan de gang is. De betrokken structuren zijn weliswaar opgenomen in de gewenste agrarische structuur, doch ten aanzien van de argumentatie van het gemeentebestuur inzake de bescherming van de lokale agrarische structuren kan gesteld worden dat het enerzijds een rationele uitbreiding betreft van een bestaand bosgebied en dat anderzijds de omvang inpasbaar is in een evenwichtige uitbouw van de toekomstige lokale agrarische structuur; Gelet op het verdeelde advies van 28 februari 2003 van de Provinciale Landbouwdienst Limburg, waarbij als elementen pro wordt verwezen naar: • de groene afbakening van de omgeving op het gewestplan; • de gedeeltelijke ligging van het perceel in natuurgebied; • de ligging in de beschermingszone van een waterwinning; en als elementen contra naar: • de agrarische bestemming van het gebied volgens gewestplan; • de indeling van de percelen bij de prioritaire agrarische structuur; • de gunstige landbouwkundige rangschikking volgens de bodemkaarten; • de goede landbouwkundige waarde van het perceel; • de registratie en inventarisatie van de percelen als landbouwgebruik in de agrarische ruimtebalans; • de visie van het Ontwerp Ruimtelijk Structuurplan van Heers; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heers in zijn besluit van 4 november 2002 stelt dat volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) ‘bossen behoren bij de natuurlijke structuur, die moet afgebakend worden in gewestelijke uitvoeringsplannen; dat nieuw bos volgens het structuurplan moet gerealiseerd worden in bijkomende bosgebieden en bosuitbreidingsgebieden’, terwijl de aanvraag gaat over gronden die gelegen zijn in een zone met de bestemming landschappelijk waardevol gebied; X-11.517-3/17 dat dan, volgens het college, de voorgenomen bebossing in strijd is met het bestaande gewestplan, dat nog steeds bindende en verordenende kracht heeft, daar de bebossing van agrarische gebieden zou neerkomen op een wijziging van het gewestplan. Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen in zijn besluit verder stelt dat de bepalingen van het Veldwetboek desbetreffend impliciet zijn opgeheven volgens het principe ‘lex posterior derogat priori’ en dat de bepaling van artikel 2 duidelijk stelt dat van de gewestplannen enkel kan afgeweken worden in de gevallen en vormen door het decreet voorzien; dat afwijking voor bebossing niet voorzien is in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening; dat, zelfs indien de overheid artikel 11 van het K.B. van 28 december 1972 zou inroepen waarin bepaald wordt dat overschakeling naar agrarisch gebied toegestaan is overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek betreffende de afbakening van landbouw- en bosgebieden, de vergunning niet kan worden verleend om volgende redenen: - in het kader van de normenhiërarchie heeft een decreet en meer bepaald artikel 2 van het gecoördineerd decreet van 22 oktober 1996 voorrang op een Koninklijk Besluit; - de verwijzing naar artikel 35 is onjuist en deze bepaling kan dus niet toegepast worden vermits artikel 35 van het Veldwetboek handelt over plantafstanden; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen daarin ook uitdrukkelijk verwijst naar zijn visie die het ontwikkelt in het kader van de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan: de gemeente Heers wil zich als landbouwgemeente uitbouwen en versterken in combinatie met een aangepaste en recreatieve toeristische ontwikkeling; Overwegende dat het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, beroeper, meent dat deze verwijzing naar het RSV opvallend onvolledig is aangezien het schepencollege geen gewag maakt van een bijzonder relevant onderdeel ervan aangezien eveneens in het richtinggevend gedeelte van het RSV, dat de gewenste ruimtelijke structuur bevat, het volgende gesteld wordt: ‘De gebieden van de agrarische structuur worden, in functie van haar economische behoeften, op Vlaams niveau afgebakend in gewestelijke uitvoeringsinstrumenten-en plannen. Uitgaande van de oppervlakte die momenteel effectief in landbouwgebruik is en de huidige agrarische bestemmingen op de plannen van aanleg, wordt de oppervlakte van de bestemming agrarisch gebied op 750.000 ha gebracht, in gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, afgebakend en ruimtelijk bestemd voor beroepslandbouw. Maximaal 70.000 ha van de gebieden van de agrarische structuur wordt in natuurverwervingsgebied gesitueerd en behoort gelijkertijd tot de natuurlijke structuur. Verder zal de overheid zich inspannen om in de gebieden van de agrarische structuur 10.000 ha bosuitbreiding te realiseren in het kader van de EG-verordening 2080/92’; Overwegende dat beroeper meent dat het RSV, definitief vastgesteld bij besluit van 23 september 1997 van de Vlaamse regering en bekrachtigd bij decreet van 17 december 1997, er dus van uitgaat dat bosaanplanting niet per definitie onverenigbaar is met een agrarische bestemming en daar, gelet op de geldende Europeesrechtelijke verplichtingen inzake het nemen van structuurmaatregelen in de landbouw door bebossing van landbouwgronden, zelfs in bepaalde mate (tot de vooropgestelde oppervlaktedoelstelling) dient nagestreefd te worden; dat de ombuiging van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de Europese Unie dan ook gericht is op beheersing van de landbouwproductie X-11.517-4/17 dat dit beleid voor bebossing kan bijdragen tot een verbetering, op termijn, van het bosbouwbestand, tot het natuurbehoud en tot bestrijding van het broeikaseffect; dat het aldus duidelijk is dat de aanvraag tot bebossing van (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied in overeenstemming is met het geciteerde onderdeel uit het richtinggevend gedeelte van het decretaal bekrachtigde RSV en aldus concreet invulling geeft aan een Europeesrechterlijke verplichting inzake het nemen van structuurmaatregelen in de landbouw, aldus beroeper; Overwegende dat beroeper tevens van oordeel is dat uit andere overwegingen van het besluit van het college blijkt dat het er van uitgaat dat de bebossing van agrarische gebieden per definitie in strijd is met de bindende en verordende voorschriften voor deze bestemmingsgebieden van de geldende gewestplannen,) terwijl krachtens art. 2, § 1, derde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, dat nog steeds in voege is, die plannen blijven gelden tot zij door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening en er alleen mag worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald; dat aangezien 1) art. 35 bis, § 5, van de Wet van 7 oktober 1886 houdende het veldwetboek in de mogelijkheid voorziet van bosaanplanting in het agrarisch gebied door het verlenen van een vergunning ervoor, 2) de gemeente Heers een dergelijke aanplanting per definitie beschouwt als in strijd met de bindende en verordenende voorschriften voor het agrarisch gebied en 3) deze afwijking niet voorzien is in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (het coördinatiedecreet ruimtelijke ordening), besluit het college dat de betreffende bepaling impliciet is opgeheven door dat decreet volgens het principe ‘lex posterior derogat priori’; dat de stelling dat art. 35bis, § 5, van het Veldwetboek impliciet is opgeheven door art.
  7. § 2, derde lid, van het coördinatiedecreet 1996 niet correct is; dat art. 2,§ 1, derde lid, van het coördinatiedecreet ruimtelijke ordening immers omzeggens woordelijk de bepalingen van art. 2, derde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, herneemt; dat de bepaling van art. 35bis, § 5, van het reeds van 1886 daterende Veldwetboek zelf pas in dat wetboek werd ingevoerd bij wet van 24 juli 1962 tot aanvulling van de artikelen 35 en 90 van de wet van 7 oktober 1886, houdende het Veldwetboek; dat het rechtsbeginsel ‘lex posterior derogat priori’ hier dan ook alles behalve tot de conclusie kan leiden dat de bepalingen van art. 35bis van het Veldwetboek impliciet zijn opgeven door de bepalingen die thans vervat zijn in art. 2, § 1, derde lid, van het coördinatiedecreet 1996, aangezien deze laatste bepalingen immers reeds bestaan van vóór deze van het Veldwetboek; dat bovendien het Parlement er zich ten tijde van de behandeling van het voorstel van wet tot aanvulling van artikel 35 van het Veldwetboek zeer goed van bewust was dat dit voorstel op het terrein trad van de nieuwe stedenbouwwet 1962, maar dat men desondanks het wetsvoorstel noodzakelijk achtte; Overwegende dat beroeper er ook op wijst dat waar de wetgever met de tekst van de huidige paragraaf 4 van artikel 35bis een coördinatie beoogde tot stand te brengen tussen enerzijds de plannen waarvan sprake in dat artikel en anderzijds de plannen van aanleg uit de stedenbouwwet 1962, hij er duidelijk van uitgegaan is-zo blijkt uit de samenlezing van paragraaf 4 met paragraaf 5- dat ook na het in voege treden van een plan van aanleg dat agrarisch gebied en bosgebied aanduidt, er voor bosaanplanting in de eerstgenoemde zone een vergunning van het schepencollege vereist is (net als voor bosaanplanting in de tweede zone indien gelegen langsheen de eerste zone); X-11.517-5/17 dat indien de wetgever er was van uitgegaan dat in de zones die de plannen van aanleg tot het agrarisch gebied zouden bestemmen, bosaanplanting per definitie uitgesloten is, de vergunningsplicht van art. 35bis voor die zones niet langer zin zou hebben gehad en art. 35bis, § 5, een heel andere inhoud zou gekregen hebben; dat het ministerie van de Vlaamse gemeenschap ook opmerkt dat de rechtskracht van art. 35bis, § 5, Veldwetboek nog bij het Bosdecreet van 13 juni 1990 is bevestigd geworden en wel in zijn art. 87, vierde en vijfde lid, dat, wat betreft de beplanting met houtachtige gewassen van privé-gronden in het agrarisch gebied, enerzijds adviesplichten verbindt aan de vergunningsplicht van art. 35bis, § 5, Veldwetboek, en anderzijds de rooiing van die aanplanting vrijstelt van de stedenbouwkundige vergunningsplicht voor ontbossing, indien deze rooiing binnen een bepaalde termijn na de aanplanting of laatste exploitatie plaats vindt; dat zelfs nog bij decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, dat het zesde lid van art. 87 van het Bosdecreet heeft vervangen, werd uitgegaan van de gelding van art. 35bis, § 5, van het Veldwetboek; Overwegende dat beroeper van oordeel is dat de verwijzing door de gemeente Heers naar haar in opmaak zijnde gemeentelijk structuurplan ongewettigd is om volgende redenen: allereerst krijgt een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan pas rechtskracht 14 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad (bij uittreksel) van het besluit waarbij hetzij de bestendige deputatie (als er een provinciaal ruimtelijk structuurplan bestaat), hetzij de Vlaamse regering het door de gemeenteraad definitief vastgesteld ruimtelijk structuurplan heeft goedgekeurd (art. 34, eerste lid, decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening). Bij ontstentenis, ook na rappel, van een beslissing van de bestendige deputatie of van de Vlaamse regering treedt het plan in werking 14 dagen na de bekendmaking (bij uittreksel) in het Belgisch Staatsblad van de gemeenteraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van het plan (art. 34, tweede lid); dat het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Heers duidelijk nog niet definitief is vastgesteld door de gemeenteraad, laat staan dat het reeds zou zijn goedgekeurd; dat vervolgens wordt opgemerkt dat zelfs indien het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan reeds definitief zou zijn vastgesteld, goedgekeurd en in werking getreden, een vergunning niet kan geweigerd of verleend worden op grond van zelfs de bindende bepalingen van dergelijk plan; dat een ruimtelijk structuurplan immers een beleidsdocument is, maar geen ruimtelijk uitvoeringsplan waarvan de bepalingen verordenende kracht hebben; dat de onderdelen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan die door de gemeenteraad bij de definitieve vaststelling van het plan aangeduid zijn als bindend, enkel bindend zijn voor de gemeente en de instellingen die eronder ressorteren (art. 19, § 2, laatste lid, van het decreet van 18 mei 1999). Maar dat structuurplannen dus geen plaats hebben in het legaliteitsluik bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen; ze kunnen op zich geen grond zijn voor vergunning of weigering; Overwegende dat ons College de in het beroepschrift aangevoerde argumentatie als volgt apprecieert: Overwegende dat in de bindende bepaling 64 van het Ruimtelijk Structuurplan Provincie Limburg (RSPL), goedgekeurd door de Vlaamse regering d.d. 12 februari 2003, aan de Vlaamse overheid gevraagd wordt om snel en gelijktijdig de grote eenheden natuur, de grote eenheden natuur in ontwikkeling en de natuurverwevingsgebieden alsook de agrarische structuur en de bosstructuur op Vlaams niveau af te bakenen. X-11.517-6/17 dat in de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) wordt aangegeven dat er tegen 2007 125.000 ha grote eenheden natuur en grote eenheden natuur in ontwikkeling worden afgebakend, 750.000 ha agrarisch gebied en 10.000 ha bijkomend bosgebied of bosuitbreidingsgebied wordt afgebakend. In het richtinggevend gedeelte van het RSV (...) wordt aangehaald dat ‘Een gedeelte van de gebieden van de natuurlijke structuur overlapt met de gebieden van de agrarische structuur: natuurverwevingsgebieden en natuurverbindingsgebieden. Onder meer om deze reden is het essentieel dat de afbakening van de gebieden van de natuurlijke structuur en de gebieden van de agrarische structuur in ruimtelijke uitvoeringsplannen op gelijkwaardige basis en gelijktijdig gebeurt.’ dat aangezien de bindende bepaling 64 van het RSPL goedgekeurd is door de Vlaamse regering, en deze zich daarom nogmaals verbindt om snel en gelijktijdig de grote eenheden natuur, de grote eenheden natuur in ontwikkeling en de natuurverwevingsgebieden alsook de agrarische structuur en de bosstructuur op Vlaams niveau af te bakenen, het voor ons College vraag is waarom deze afbakeningen door het Vlaams gewest niet gelijktijdig gebeuren. Overwegende dat niet kan worden bijgetreden dat eerst de natuurlijke structuur op Vlaams niveau uitgewerkt wordt, zonder tegelijkertijd over te gaan tot de afbakening van de agrarische structuur; de betrokken percelen zijn immers volgens de Gewenste Agrarische Structuur (31 maart 1998) prioritair agrarisch gebied; dat daarom geen inschatting gemaakt kan worden van een gewenste buitengebiedstructuur. Overwegende dat de betrokken percelen deel uitmaken uit van de grote aaneengesloten landbouwgebieden van minstens provinciaal belang in het RSPL. Deze aanduiding geeft de visie weer van de provincie Limburg aan de Vlaamse overheid omtrent de afbakening van de agrarische structuur. Daarom vraagt de provincie in bindende bepaling nummer 66 van het RSPL, goedgekeurd door de Vlaamse regering d.d. 12 februari 2003, dat de Vlaamse overheid minstens de geselecteerde grote aaneengesloten agrarische gebieden van provinciaal belang opneemt in de agrarische structuur. Overwegende dat daar het VEN eerste fase (Vlaams Ecologisch Netwerk) nog niet definitief goedgekeurd is, en daarom zelfs over deze consensusgebieden nog geen zekerheid bestaat betreffende de opname in het VEN, het voorbarig is om nu reeds bebossingen door te voeren die nadien via een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) onderdeel zullen uitmaken van de bosstructuur. Overwegende dat in de omgeving van de percelen waar de Vlaamse gemeenschap bebossing wil doorvoeren, op het gewestplan Tongeren - Sint-Truiden bij de laatste gewestplanwijziging d.d. 7 september 2001 ‘uitbreidingsgebieden voor bos’ aangeduid werden; dat de voorgestelde bebossing van deze landschappelijke waardevolle agrarische gewestplanbestemmingen niet spoort met deze wijziging”. Met een op 16 mei 2003 ter post aangetekend verzonden en op 19 mei daarna ontvangen brief wordt dit besluit aan de aanvrager ter kennis gebracht. X-11.517-7/17
  8. Ten gronde De verzoekende partij voert twee middelen aan, die hierna samen worden onderzocht. 2.
  9. Uiteenzetting van de middelen 2.1.
  10. Eerste middel In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 35bis, § 4 en § 5 van het Veldwetboek, van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van artikel 11.4.
  11. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen, van het materieel motiveringsbeginsel, evenals van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij zet dit middel uiteen als volgt: “
  12. Een norm bestaat vanaf het moment dat hij door de bevoegde organen is tot standgebracht. Hij krijgt zijn datum op de dag waarop hij voltrokken is, dat is in de regel de dag waarop hij wordt ondertekend door de daartoe bevoegde organen. Vanaf dat moment doet hij zijn intrede in de rechtsorde. Dat is ook het referentiemoment voor de controle voor de wettigheid van de norm, die wordt beheerst door de regelgeving die op dat ogenblik gelding had. Het verdwijnen van een norm uit de rechtsorde kan op verschillende manieren gebeuren. Een norm kan zelf bepalen tot op welk ogenblik hij gelding zal hebben, zijn gelding kan afhangen van een ontbindende voorwaarde of een hogere norm kan bepalen dat een lagere norm slechts tijdelijk gelding zal hebben. Indien de termijn niet vooraf is vastgesteld, geldt de norm voor onbepaalde tijd. Hij kan dan nog uit de rechtsorde verdwijnen door zijn wijziging, opheffing, intrekking of vernietiging. Elke modaliteit beïnvloedt het moment vanaf wanneer de norm zijn geldingskracht verliest. Een wijziging van een norm kan overeenkomen met een gehele of gedeeltelijke opheffing of met een gehele of gedeeltelijke intrekking. De term opheffing verwijst naar de overheidshandeling die slechts voor de toekomst een einde maakt aan de gelding van de norm. De term intrekking verwijst naar de overheidshandeling die ook voor het verleden een norm teniet doet. De intrekking of opheffing van de norm gaat in principe uit van het overheidsorgaan dat de ingetrokken of opgeheven beslissing had genomen. De vernietiging is de handeling waarmee een ander orgaan, na een beoordeling van de voorliggende norm, een einde maakt aan het bestaan van deze norm. Ze gaat uit van een toezichthoudende overheid, de Raad van State indien het een X-11.517-8/17 bestuurshandeling betreft of van het Arbitragehof indien het gaat om een wet, decreet of ordonnantie. Een norm kan dan ook niet op impliciete noch stilzwijgende wijze uit de rechtsorde verdwijnen.
  13. Artikel 35bis §5 Veldwetboek, ingevoerd bij wet van 24 juli 1962 tot aanvulling van de artikelen 35 en 90 van de wet van 7 oktober 1886, houdende het Veldwetboek, bepaalt dat: ‘In de voor de landbouw bestemde gedeelten van het grondgebied is bosaanplanting verboden op minder dan zes meter van de scheidingslijn tussen twee erven; bovendien is vergunning van het college van burgemeester en schepenen vereist. Het college beslist binnen dertig dagen na de indiening van de aanvraag. Doet het dit niet binnen die termijn, dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn. De weigering van de vergunning is met redenen omkleed; binnen een maand na de kennisgeving kan beroep worden ingesteld bij de bestendige deputatie.’ Artikel 2 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw stelt: ‘§
  14. De Koning verleent bindende kracht aan de streek-, gewest- en gemeenteplannen. Alle voorschriften van de plannen van aanleg hebben dezelfde bindende kracht, ongeacht of ze grafisch zijn voorgesteld of niet. De plannen hebben verordenende kracht. Zij blijven gelden totdat zij door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening. er mag alleen worden van afgeweken in de gevallen en de vormen door deze wet bepaald.’ Dit principe wordt in het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 hernomen onder, opnieuw, artikel 2 van het decreet: ‘§
  15. De Vlaamse regering verleent bindende kracht aan de streek-, gewest- en gemeenteplannen. Alle voorschriften van de plannen van aanleg hebben dezelfde bindende kracht, ongeacht of ze grafisch zijn voorgesteld of niet. De plannen hebben verordenende kracht. Zij blijven gelden totdat zij door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening. Er mag alleen van worden afgeweken in de gevallen en de vormen door dit decreet bepaald.’ Artikel 11.4.
  16. van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen verduidelijkt hierbij: ‘De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in ruime zin. (...) De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden.’
  17. Krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 dienen de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk te worden gemotiveerd. De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moeten afdoende zijn. Wat dit betekent verwoordde de Raad van State onder meer in het arrest nr.(...), dd. 25 maart 1999, in volgende termen: ‘Overwegende dat, naar luid van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd; dat artikel 3 bepaalt dat de motivering de juridische en feitelijke X-11.517-9/17 overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en de motivering ‘afdoende’ moet zijn; dat het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering ‘pertinent’ moet zijn, dat wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing moet te maken hebben, en dat zij ‘draagkrachtig’ moet zijn, dat wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing.’ De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn, en die daarom, naar aanleiding van het wettigheidstoezicht, moeten kunnen worden gecontroleerd.
  18. Ten deze kan worden vastgesteld dat het bestreden besluit bestaat uit vier onderdelen: vooreerst worden de adviezen van de afdeling Land van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap te Brussel en van de Provinciale Landbouwdienst in Limburg weergegeven, vervolgens komen de argumenten uit het bestreden besluit van het College van Burgemeester en Schepenen aan bod, daarna volgt een samenvatting van de argumenten van verzoekende partij zoals verwoord in het beroepsschrift en vervolgens geeft het bestreden besluit de eigen argumentatie van de Bestendige Deputatie weer, zoals hierboven in het feitenrelaas vermeld. Met betrekking tot de argumenten van verzoekende partij wordt onder meer vermeld: (...)
  19. Verwerende partij weerlegt in het laatste deel van het bestreden besluit, -waarin zij haar overwegingen verwoordt-, de aangevoerde schending van artikel 35 bis van het Veldwetboek in het geheel niet. In de door haar gegeven ‘appreciatie’ van de in het beroepsschrift aangevoerde argumentatie, wordt deze uiteenzetting nopens de rechtsgeldig toepassing van artikel 35 bis Veldwetboek zelfs nergens ontmoet. De door verwerende partij naar voor gebrachte, uiterst summiere, motivering bevat enkel een eigen en nieuwe argumentatie, gestoeld op artikel 64 van de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Provincie Limburg.
  20. Dergelijke motivering is niet draagkrachtig, want vooreerst niet volledig. Ze kan geen voldoende grondslag zijn voor alle onderdelen van de bestreden beslissing. De motivering in het bestreden besluit houdt slechts rekening met bepaalde elementen in het dossier, ten nadele van de verzoekende partij, en niet met het fundamentele probleem, te weten of in casu nu al dan niet op grond van een aanvraag ex artikel 35§5 Veldwetboek een vergunning dient te worden verleend, en zoniet, op welke rechtsgrond de toepassing van deze nog steeds van kracht zijnde rechtsnorm zou kunnen worden geweigerd.
  21. Het instellen van een georganiseerd administratief beroep bood aan verzoekende partij de mogelijkheid de onterechte weigering om artikel 35§5 Veldwetboek toe te passen, onder de aandacht van verwerende partij te brengen. Het was aan verwerende partij om aandacht aan deze grieven te besteden en om, -meer dan ze enkel op te sommen-, ook blijk te geven dat bij het nemen van haar beslissing de argumentatie van verzoekende partij daadwerkelijk in haar besluitvorming werd betrokken. In casu blijkt dit in het geheel niet uit het bestreden besluit, waarin de uiteenzetting van verzoekende partij enkel wordt vermeld, om vervolgens, zonder enige repliek noch weerlegging, een volledig losstaande, en bovendien onjuiste eigen motivering naar voor te brengen. X-11.517-10/17 Dergelijke motivering door een beroepsinstantie is onvoldoende, nu zij zelfs niet stelt dat geen van de middelen uiteengezet in de beroepsakte een reden kan zijn om de beroepen beslissing te hervormen, laat staan enig duidelijk antwoord hierop geeft. Nochtans stelt Uw Raad dat als de betwisting over een precies punt gaat en de betrokkenen hierover bepaalde argumenten laat gelden, de motivering pas afdoende is indien de beslissing op dit punt ingaat”. 2.1.
  22. Tweede middel In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van “de bindende bepalingen 64 en 66 van het Ruimtelijk Structuurplan Provincie Limburg”, goedgekeurd door de Vlaamse regering op 12 februari 2003, van de artikelen 18 en 19, § 6 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, definitief vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 en bekrachtigd bij decreet van 17 december 1997, van het besluit van 16 februari 2001 van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing, van het materieel motiveringsbeginsel, alsmede machtsoverschrijding, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, het verbod van willekeur en de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. Zij zet dit middel uiteen als volgt: “
  23. De materiële motiveringsplicht houdt in dat de motieven moeten kenbaar zijn, feitelijk juist zijn en draagkrachtig zijn, dit is de beslissing effectief rechtens kunnen dragen en verantwoorden. Een bestuurshandeling moet dan ook zowel vanuit inhoudelijk als vanuit formeel oogpunt wettig zijn. De bestuurshandeling die naar inhoud en motieven onwettig is, houdt machtsoverschrijding in. De formele motiveringsplicht houdt in dat de in het besluit opgegeven motieven moeten juist en pertinent zijn. De Raad van State vereist overigens niet dat onomstotelijk vaststaat dat de motivering niet feitelijk correct is. Het volstaat hierbij dat er een ernstig reden is om te twijfelen aan de feitelijke correctheid van het besluit. De motivering moet ook pertinent zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing moet te maken hebben. Bovendien moet de motivering concreet, precies en relevant zijn, toegespitst op de concrete situatie, en een voldoende grondslag zijn voor alle onderdelen van de beslissing.
  24. In casu wordt in het bestreden besluit op grond van de bindende bepaling 64 van het Ruimtelijke Structuurplan Provincie Limburg besloten dat de gevraagde vergunning niet kan worden verleend omdat, volgens verwerende partij: X-11.517-11/17 • deze bindende bepaling 64 goedgekeurd is door de Vlaamse regering en deze zich daarom nogmaals zou verbinden om snel en gelijktijdig de grote eenheden natuur, de grote eenheden natuur in ontwikkeling en de natuurverwevingsgebieden alsook de agrarische structuur en de bosstructuur op Vlaams niveau af te bakenen; • de betrokken percelen deel uitmaken van de grote aaneengesloten landbouwgebieden van minstens provinciaal belang in het Ruimtelijk Structuurplan Provincie Limburg. Deze aanduiding zou de visie weergeven van de Provincie Limburg aan de Vlaamse overheid omtrent de afbakening van de agrarische structuur. Daarom zou de Provincie in de bindende bepaling 66 vragen dat de Vlaamse overheid minstens de geselecteerde grote aaneengesloten agrarische gebieden van provinciaal belang zou opnemen in de agrarische structuur; • het voorbarig is om nu reeds bebossingen door te voeren die nadien een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) onderdeel zullen uitmaken van de bosstructuur; • er in de omgeving van de percelen waar de Vlaamse gemeenschap bebossingen wil doorvoeren, op het gewestplan Tongeren-Sint-Truiden bij de laatste gewestplanwijziging dd. 7 september 2001 ‘uitbreidingsgebieden voor bos’ aangeduid werden; dat de voorgestelde bebossing van deze landschappelijk waardevolle agrarische gewestplanbestemmingen niet spoort met deze wijziging. Uit wat hierna volgt zal blijken dat voormelde redeneringen onjuist, niet-relevant en bovendien naar inhoud en motieven onwettig zijn.
  25. Immers wordt vooreerst bij de inleiding tot het Ruimtelijk Structuurplan Provincie Limburg, op pagina 3 sub 2.
  26. gesteld dat ‘concepten die niet tot het beleidsniveau van de Provincie Limburg behoren, slechts als een suggestie moeten worden beschouwd voor andere beleidsniveaus’. Verder wordt er op correcte wijze gesteld dat de bindende bepalingen van het provinciaal ruimtelijk structuurplan bindend zijn voor de provincie en de gemeenten op haar grondgebied en de instellingen die eronder ressorteren, en dus niet voor het Vlaamse Gewest. Eveneens wordt terecht opgemerkt dat het structuurplan geen basis is voor de verlening of weigering van een vergunning. Het heeft geen verordenende kracht tegenover de burgers. Het verandert ook niet de geldende bestemmingen van een plan van aanleg noch de sectorale wetgeving.
  27. Het Ruimtelijk Structuurplan Provincie Limburg bepaalt op p. 271, bindend gedeelte, onder punt 4 ‘Overleg en onderhandelingen’: ‘
  28. De provincie vraagt aan de Vlaamse overheid om snel en gelijktijdig de grote eenheden natuur, de grote eenheden natuur in ontwikkeling en de natuurverwevingsgebieden alsook de agrarische structuur en de bosstructuur op Vlaams niveau af te bakenen. (...)
  29. De provincie vraagt aan de Vlaamse overheid om minstens de geselecteerde grote aaneengesloten agrarische gebieden van provinciaal belang op te nemen in de agrarische structuur.’
  30. Verwerende partij kan bezwaarlijk argumenten halen uit voormelde bindende bepalingen 64 en 66 RSPL om artikel 35 bis §5 Veldwetboek buiten werking te stellen. Deze artikelen handelen immers over de taken die niet tot de bevoegdheid van de provincie behoren. Het enig verbindende aan de desbetreffende bepalingen is het engagement van de provincie om aan de Vlaamse overheid te vragen om snel en gelijktijdig de grote eenheden natuur, de grote eenheden natuur in ontwikkeling en X-11.517-12/17 de natuurverwevingsgebieden alsook de agrarische structuur en de bosstructuur op Vlaams niveau af te bakenen, en om aan de Vlaamse overheid te vragen om minstens de geselecteerde grote aaneengesloten agrarische gebieden van provinciaal belang op te nemen in de agrarische structuur. Voormelde artikelen 64 en 66 vormen trouwens onderdeel van het laatste hoofdstuk ‘Overleg en onderhandelingen’ en niet van de werkelijke belangrijke onderdelen 2 of 3 van de bindende bepalingen, bevattende respectievelijk ‘De gewenste ruimtelijke structuren’, zoals daar zijn de ruimtelijk-natuurlijke structuur, nederzettingsstructuur, ruimtelijk-economische structuur, toeristisch-recreative en landschappelijke structuur, en anderzijds de ‘Maatregelen en acties’.
  31. Bovendien bepaalt artikel 18 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening dat een ruimtelijk structuurplan enkel een beleidsdocument is dat alleen het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur. Artikel 19§6 van dit decreet bepaalt dat een goedgekeurd structuurplan geen beoordelingsgrond vormt voor bouw- en verkavelingsvergunnningen. Verwerende partij trad dan ook buiten het haar wettelijke toegekende beoordelingskader om louter op grond van bepalingen uit een structuurplan de gevraagde vergunning te weigeren.
  32. Zelfs indien de afbakeningen waarvan sprake in bepaling 64 zouden zijn gebeurd, dan nog kan op basis van die afbakeningen niet worden gesteld dat een bebossing op de terreinen per definitie is toegelaten of uitgesloten. Immers, niet alleen voorziet het Veldwetboek nog steeds in de mogelijkheid van bosaanplanting in het agrarisch gebied, maar bovendien bepaalt het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen dat de Vlaamse overheid zich moet inspannen om in de gebieden van agrarische structuur 10.000 ha bosuitbreiding te realiseren. Ook voorziet het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen in een overlap tussen de agrarische structuur en natuurlijke structuur: tot 70.000 ha van de agrarische structuur kan in natuurverwevingsgebied, behorende tot de natuurlijke structuur, liggen.
  33. Tenslotte worden in het bestreden besluit, bij de verwijzing naar het ruimtelijke structuurplan provincie Limburg, geen uitgewerkte, op zich staande argumenten aangevoerd die zouden kunnen aantonen dat op de locaties waarvoor een vergunning voor bosaanplanting wordt aangevraagd, die bosaanplanting ongewenst is. Integenteel vormen voormelde aangekochte uitbreidingspercelen, waarvoor de weigering tot bebossing werd afgeleverd, een belangrijke verbindingsmogelijkheid tussen enerzijds het domeinbos ‘Homebos’ en anderzijds het noordelijk daarvan gelegen complex ‘Sterbos’. Op heden gebeurde nog geen afbakening van dit gebied in het kader van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, en zijn deze percelen nog niet opgenomen in hetzij de agrarische hetzij de natuurlijke structuur, -waarbij trouwens de mogelijkheid bestaat dat de percelen deel uitmaken van de maximum 70.000 ha natuurverwevingsgebieden, zijnde agrarisch structuur die natuurlijke structuur overlapt-. Deze bepalingen in het Ruimtelijke Structuurplan Vlaanderen kunnen dan ook geen afbreuk doen aan de toepassing van artikel 35bis §5 Veldwetboek en zijn in casu zelfs niet relevant. Bovendien, zelfs nadat dergelijke afbakening zou zijn gebeurd, dan nog hoeft deze niet bepalend te zijn voor de beoordeling van een vergunningsaanvraag ex artikel 35bis §5 Veldwetboek. Ook indien de gronden opgenomen worden in de agrarische structuur, al dan niet in een gedeelte dat overlapt met de natuurlijke structuur, -en zij dus nog steeds X-11.517-13/17 één of andere vorm van agrarische bestemming zullen hebben-, zal bosaanplanting mogelijk zijn, mits, zoals ook thans in agrarisch gebied wordt vereist, een vergunning ex artikel 35bis §5 Veldwetboek wordt bekomen en de plaatafstand uit deze bepaling wordt in acht genomen. Indien de gronden zouden worden opgenomen in een gedeelte van de natuurlijke structuur dat niet met een andere (in het bijzonder: de agrarische) structuur overlapt, is er uiteraard helemaal geen probleem: de gronden zullen dan een of andere ‘groene’ bestemming hebben en dus geen agrarisch gebied zijn, waardoor artikel 35 bis §5 gewoon niet van toepassing is. Dat de percelen op heden gelegen zijn in agrarisch gebied of in de toekomst deel zullen uitmaken van de agrarische structuur kan dan ook geen juridische hinderpaal vormen voor het vergunnen van een bosaanplanting, zoals voorzien in het Veldwetboek. Bosaanplanting kan krachtens het Veldwetboek namelijk enkel worden vergund in het agrarisch gebied of in het bosgebied grenzend aan het agrarisch gebied. Ook beleidsmatig kan de gevraagde bebossing geen hinderpaal vormen. Wat de gebieden van de agrarische structuur betreft, bepaalt het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen dat de overheid moet streven naar 10.000 ha bosuitbreiding. Daarnaast wordt nog eens 10.00 ha bosuitbreiding voorzien in bijkomende bos- en bosuitbreidingsgebieden.
  34. Bosaanplanting op de bewuste percelen, verworven door het Vlaamse Gewest, houdt aldus geen onbezonnen onttrekking van landbouwgronden aan hun bestemming in, noch brengt het de agrarische structuur aldaar in het gedrang, gelet op onder meer de situering van de percelen en de relatieve oppervlakte in verhouding tot de totale oppervlakte van het agrarisch gebied aldaar. Ook hieromtrent geeft het bestreden besluit een foutieve motivering weer. De bestreden beslissing van verwerende partij impliceert niet enkel dat het doel van de aankoop van de betrokken percelen niet kan worden gerealiseerd. De aan die beslissing ten grondslag liggende argumentatie verhindert bovendien elk toekomstig initiatief van verzoekende partij tot bosaanplanting binnen het agrarisch gebied in de provincie Limburg, minstens stelt zij deze in vraag. Door de argumentatie die aan deze beslissing ten grondslag ligt, wordt de uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing deels onmogelijk gemaakt gezien dit besluit compenserende bebossing eveneens toelaat in het agrarisch gebied. Immers, indien deze argumentatie, -dat een voorafgaande afbakening van de natuurlijke en agrarische structuur zou noodzakelijk zijn-, zou kunnen worden gevolgd, -quod non-, dan zou dit in de toekomst kunnen inhouden dat dergelijke argumentatie door de Bestendige Deputatie ook wordt gebruikt in het kader van andere aanvragen tot bosaanplanting ex art.35bis§5 Veldwetboek, met name wanneer dergelijke aanvragen worden ingediend in het kader van een compensatie in natura (een compenserende bebossing) in agrarisch gebied, voor een ontbossing (elders) waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd. De principes van deze compensatieregeling zijn bepaald in art.90bis van het Bosdecreet, zoals gewijzigd bij decreet van 17 juli 2000 (B.S. 17 augustus 2000), en uitgewerkt bij besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 (B.S., 23 maart 2001). Bij dit besluit heeft de Vlaamse regering de ruimtelijke bestemmingen bepaald waarin de compenserende bebossing kan worden uitgevoerd. Zij heeft daarbij ook het agrarisch gebied aan in de ruime zin, aangeduid op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen, vermeld. Deze keuze is X-11.517-14/17 logisch: het is daar dat de meeste beschikbare gronden te vinden zijn en dat volgens de ruimtebalans uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen het leeuwenaandeel van de nieuwe bossen moet komen”. 2.
  35. Onderzoek van de middelen 2.2.
  36. Artikel 35bis van de wet van 24 juli 1886 houdende het Veldwetboek, ingevoegd bij de wet van 24 juli 1962 tot aanvulling van artikel 35 en 90 van de wet van 7 oktober 1886 houdende het Veldwetboek, gewijzigd bij de wetten van 15 april 1965, 30 juni 1967 en 8 april 1969, bepaalt: “§
  37. Wanneer ten minste de helft van de eigenaars of exploitanten die op het gebied van een gemeente gronden bezitten of in bedrijf hebben, er uit eigen beweging of op vraag van het college van burgemeester en schepenen om verzoeken, is de gemeenteraad gehouden binnen twaalf maanden de gedeelten van het gemeentelijk grondgebied af te bakenen, die in beginsel onderscheidelijk voor landbouw en voor bosbouw worden bestemd. Het college moet die vraag stellen wanneer erom verzocht wordt door ten minste drie eigenaars of exploitanten die op het gebied van de gemeente samen ten minste tien hectaren bezitten of in bedrijf hebben. Het college draagt zorg dat de Rijkslandbouwkundig ingenieur en de Rijksingenieur van waters en bossen van het gebied worden geraadpleegd. Het afbakeningsplan wordt gedurende vijftien dagen aan eenieder ter inzage gelegd. De bezwaren en opmerkingen worden schriftelijk gemaakt, door het college in ontvangst genomen en bij het proces-verbaal gevoegd, dat wordt opgemaakt de dag na de sluiting van de terinzagelegging. De gemeenteraad is gehouden van de uitslag van de terinzagelegging kennis te nemen en, binnen een maand na sluiting van het proces-verbaal, hetzij de bezwaren en opmerkingen af te wijzen, hetzij het met in achtneming ervan gewijzigd plan goed te keuren. Het besluit treedt in werking nadat het door de bestendige deputatie is goedgekeurd. §
  38. Wanneer in de landelijke gemeenten ten zuiden van Samber en Maas en in de andere landelijke gemeenten van het land waarvan ten minste één tiende van het grondgebied bebost is, de gemeenteraad de afbakening van het gedeelte van het gemeentelijk grondgebied dat voor landbouw en van het gedeelte dat voor bosbouw bestemd wordt, niet heeft uitgevoerd binnen de bij de wet van 15 april 1965 bepaalde termijn, wordt zij ambtshalve gedaan door de arrondissementscommissaris, onder het gezag van de Minister van landbouw. De arrondissementscommissaris wint vooraf het advies in van de Rijkslandbouwingenieur en van de Rijksingenieur van water en bossen van het gebied. Daarna zendt hij het ontwerp van afbakening aan de burgemeester, die het gedurende vijftien dagen ter inzage legt. Na verloop van die termijn zendt de burgemeester het ontwerp terug, samen met de schriftelijke bezwaren en opmerkingen die tijdens de terinzagelegging zijn ingekomen. In geval van betwisting omtrent het landelijk karakter van een gemeente beslist de bestendige deputatie van de provincieraad. De door de arrondissementscommissaris bepaalde afbakening wordt aan de bestendige deputatie voor goedkeuring voorgelegd. §
  39. Er wordt op de bij § 2 bepaalde wijze gehandeld als een gemeenteraad in gebreke blijft de voorschriften van § 1, eerste en tweede lid, van dit artikel na te komen. §
  40. Indien een plan van aanleg, opgemaakt ter uitvoering van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de X-11.517-15/17 stedebouw, bindende kracht heeft verkregen na het besluit tot afbakening van de onderscheidenlijk voor landbouw of voor bosbouw bestemde gedeelten, treedt het plan, voor zover het landbouw- en bosbouwzones vaststelt, volledig in de plaats van dit besluit. §
  41. In de voor landbouw bestemde gedeelten van het grondgebied is bosaanplanting verboden op minder dan zes meter van de scheidingslijn tussen twee erven; bovendien is vergunning van het college van burgemeester en schepenen vereist. Het college beslist binnen dertig dagen na de indiening van de aanvraag. Doet het dit niet binnen die termijn, dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn. De weigering van de vergunning is met redenen omkleed; binnen een maand na de kennisgeving kan beroep worden ingesteld bij de bestendige deputatie. De bepalingen van het vorige lid zijn eveneens van toepassing op de bosbouw bestemde zone, langs de voor landbouw bestemde zone”. 2.2.
  42. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg, wanneer zij als orgaan van het actief bestuur uitspraak doet over een georganiseerd administratief beroep, om te voldoen aan de op haar rustende motiveringsverplichting, er niet toe gehouden is alle door de beroepster ingeroepen argumenten te beantwoorden, maar ertoe kan volstaan de redenen aan te geven waarop zij haar beslissing steunt. 2.2.
  43. Uit de hiervoor geciteerde motivering van het bestreden besluit blijkt dat de weigering van de in voormeld artikel 35bis van het Veldwetboek bedoelde vergunning is gesteund op de overweging dat door het Vlaamse Gewest nog niet is voldaan aan het gestelde in de bindende bepalingen nrs. 64 en 66 van het Ruimtelijk Structuurplan Provincie Limburg, goedgekeurd door de Vlaamse regering, dat het VEN eerste fase nog niet is goedgekeurd, en dat het derhalve voorbarig is nu reeds bebossingen door te voeren, en dat in de omgeving van de betrokken percelen op het gewestplan “uitbreidingsgebieden voor bos zijn aangeduid”, en de voorgestelde bebossing in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden hiermee niet spoort. 2.2.
  44. De laatste twee weigeringsmotieven worden door de verzoekende partij als zodanig niet in vraag gesteld. De eventuele gegrondheid van het middel met betrekking tot het weigeringsmotief gesteund op de bindende bepalingen nrs. 64 en 66 van het Ruimtelijk Structuurplan Provincie Limburg kan derhalve niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. De door de verzoekende partij ontwikkelde argumentatie geput uit de bepalingen van het bosdecreet en het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van de nadere regels inzake ontbossing en X-11.517-16/17 ontheffing van het verbod op ontbossing, doet aan de voormelde vaststelling geen afbreuk. 2.2.
  45. De middelen worden verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  46. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  47. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.517-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.837 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.