← België

Arrest 195843 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.843 Rolnummer: A. 140967/X-11558 Zaak: Arrest 195843 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:30 Fiche Arrest nr 195.843 van 9 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.843 van 9 september 2009 in de zaak A. 140.967/X-11.558. In zake : 1. de n.v. HELUPO, 2. Herman GEENS, die woonplaats kiezen bij advocaat M. VAN PASSEL, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat E. PLAVSIC, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Huidevettersstraat 22-24. tussenkomende partij : de c.v.b.a. ELECTRABEL GREEN PROJECTS FLANDERS, die woonplaats kiest bij advocaten T. VANDENPUT en P. DE MAEYER, kantoor houdende te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan 7. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. HELUPO en Herman GEENS op 29 augustus 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar te Antwerpen d.d. 2 juli 2003, waarbij aan de C.V.B.A. WIND- EN WATERKRACHT VLAANDEREN een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het oprichten van een windturbinepark (zes windturbines) te Hoogstraten-Meer, met als kadastrale omschrijving : afdeling 3 - sectie F, nrs. 237f, 243e, 249c, 225a, 203c, 503a, sectie A, nrs. 472l, 435g, 435f en 435e (...)”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; X-11.558-1/9 Gelet op de beschikking van 27 november 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 29 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DERIDDER, die loco advocaat M. VAN PASSEL verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat S. CALLENS, die loco advocaat E. PLAVSIC verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. DE MAEYER, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 15 juli 2002 (datum van het ontvangstbewijs) dient de c.v.b.a. Wind- en Waterkracht Vlaanderen (thans: de c.v.b.a. Electrabel Green Projects Flanders) bij de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar een aanvraag in tot het oprichten van 6 windturbines te Hoogstraten-Meer. 1.2. Het gevraagde is volgens het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, gedeeltelijk gelegen in agrarisch gebied en gedeeltelijk in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is tevens gelegen binnen het beheersingsgebied van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Zone voor windturbines Meer-Hoogstraten”, goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse regering van 24 januari 2003. X-11.558-2/9 1.3. De stedenbouwkundige voorschriften van het voormelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bepalen, wat de bestemming betreft, wat volgt : “De ‘zone voor windturbines’ is een bestemming in overdruk waarbij de basisbestemming de in grondkleur aangeduide bestemming is. De ‘zone voor windturbines’ is bestemd voor de inplanting en exploitatie van windturbines en bijbehorende noodzakelijke infrastructuur met het oog op het optimaal winnen van hernieuwbare energie. Alle handelingen en werken die overeenstemmen met de bestemming in overdruk ‘zone voor windturbines’ kunnen worden uitgevoerd in zoverre zij de redelijke benutting van de in grondkleur aangegeven bestemming mogelijk maakt. In deze zone mogen ook alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemmingen in zoverre de redelijke benutting (aanleg en optimale uitbating van de zone voor windturbines) mogelijk wordt gemaakt. De in grondkleur aangegeven bestemming dient begrepen te worden als de bestemming aangegeven door de grondkleur in de bestaande verordenende plannen van aanleg. Alle vergunningsaanvragen worden voor advies voorgelegd aan de gewestelijke administratie bevoegd voor het energiebeleid”. 1.4. Onder de hoofding “Inrichting” bepaalt het voormelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan het volgende : “De aanvragen voor realisatie van windturbines worden beoordeeld op basis van het principe van optimaal gebruik van het gebied en vanuit een visueel samenhangend totaalbeeld dat wordt vastgesteld op basis van de gebiedsgebonden bepalingen. Het eerste windturbineproject (aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning) voor het aansnijden van de ‘zone voor windturbines’ is naar vorm en uitzicht bepalend voor het te realiseren visueel samenhangend totaalbeeld. Nieuwe projecten (latere aanvragen) sluiten aan bij het gerealiseerde of vergunde geheel van windturbines en vormen samen een visueel samenhangend totaalbeeld. De aanvrager levert bij zijn aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning een verantwoording waarin wordt aangetoond dat het project kadert in het vastgestelde visueel samenhangend totaalbeeld. Elk project wordt binnen dit totaalbeeld afgewogen op basis van de in de zone voorkomende ritmiek in tussenafstand, hoogte, vorm en uitzicht van de windturbines ten opzichte van elkaar”. 1.5. Tijdens het openbaar onderzoek wordt één bezwaarschrift ingediend, door de gemeente Zundert (Nederland). 1.6. Bij besluit van 2 juli 2003 verleent de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar de gevraagde vergunning, nadat over het gevraagde verschillende adviezen werden verstrekt. Dit is het bestreden besluit. X-11.558-3/9 2. De ontvankelijkheid van het beroep 2.1. De aangevoerde excepties - standpunt van de partijen 2.1.1. In hun verzoekschrift zetten de verzoekende partijen hun belang bij het beroep als volgt uiteen : “Verzoekende partijen hebben een rechtstreeks, zeker, actueel en geoorloofd belang om op te komen tegen de bestreden beslissing. De bestreden beslissing kent aan de CVBA WIND- EN WATERKRACHT VLAANDEREN een stedenbouwkundige vergunning toe voor het realiseren van een windturbinepark voor zes windturbines te MEER (HOOGSTRATEN). Het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Zone voor windturbines Meer-Hoogstraten’, zoals definitief goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse regering d.d. 24 januari 2003 (...), bepaalt in de stedenbouwkundige voorschriften dat het eerste windturbineproject (aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning) voor het aansnijden van de ‘zone voor windturbines’ naar vorm en uitzicht bepalend is voor het te realiseren visueel samenhangend totaalbeeld (tussenafstand, hoogte, vorm, uitzicht,...) en dat latere, nieuwe projecten moeten aansluiten bij het gerealiseerde of vergunde geheel van windturbines door de eerste verleende stedenbouwkundige vergunning. Dit maakt dat verzoekers, die, zo blijkt voldoende uit de stukken, reeds sinds 1996 concrete plannen hebben omtrent de realisatie van een windturbinepark te Hoogstraten, bij het indienen van hun project voortaan zullen beoordeeld worden aan de hand van de thans verleende en bestreden vergunning. Dit resulteert dan weer in het feit dat verzoekers niet langer vrij zijn bij het indienen van projecten in het bepalen van de vorm, het uitzicht, de hoogte, het type edm. van de windturbines, doch dat zij zich voortaan hebben te richten op de windturbines die door CVBA WIND- EN WATERKRACHT VLAANDEREN zullen worden geplaatst en waarvoor deze laatste conform de bestreden beslissing, een stedenbouwkundige vergunning heeft verkregen. Bovendien heeft eerste verzoeker reeds opstalrechten verkregen in de transportzone aan de overkant van de autosnelweg E19, waarlangs de thans vergunde windturbines geplaatst zullen worden, en dit met de uitdrukkelijke bedoeling er windturbines op te richten. Verzoekers zullen bovendien hinder ondervinden van de waarschijnlijke plaatselijke reactie tegen de inplanting van windmolens in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, reactie die zich tegen windmolens in het algemeen kan verder zetten. Tevens vrezen verzoekers een feitelijke monopolisering van de windenergie. Het spreekt derhalve voor zich dat, gelet op deze elementen, moet besloten worden dat verzoekende partijen over het bij wet vereiste belang beschikken”. 2.1.2. De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partijen als volgt: “Opdat een verzoekschrift tot nietigverklaring ontvankelijk zou zijn moet de verzoekende partij een actueel, zeker, rechtstreeks en wettig belang hebben bij de nietigverklaring van de betwiste rechtshandeling. X-11.558-4/9

  1. a)Geen rechtstreeks belang Verzoekers moeten aantonen dat zij een rechtstreeks belang hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissing, d.w.z. dat er een direct of rechtstreeks verband bestaat tussen het ingeroepen nadeel en de bestreden beslissing (...). Uit de omschrijving van hun belang volgt dat het nadeel van verzoekers in de eerste plaats voortvloeit uit het aannemen van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Zone voor windturbines Meer-Hoogstraten’. Immers, de voorschriften van dit gewestelijk RUP bepalen dat de eerste stedenbouwkundige vergunning in het kader van een windturbinepark bepalend is voor vorm en uitzicht van latere projecten. Bijgevolg heeft niet de bestreden stedenbouwkundige vergunning voor gevolg dat verzoekers hun latere plannen zullen moeten aanpassen aan deze vergunning, maar dat dit laatste voortvloeit uit het gewestelijk RUP. Verzoekers tonen bijgevolg geen rechtstreeks verband aan tussen hun nadeel en de bestreden beslissing. Het nadeel van verzoekers vloeit verder onrechtstreeks enkel en alleen voort uit het feit dat de huidig bestreden stedenbouwkundige vergunning toevallig als eerste werd toegekend. Niets verhinderde dat verzoekers na het totstandkomen van het gewestelijk RUP zelf dadelijk een nieuwe aanvraag indienden, teneinde zelf als eersten een vergunning te bekomen. Tot op dit ogenblik hebben verzoekers nog steeds geen dergelijk verzoek ingediend, zodat zij zelf hun ingeroepen nadeel mee hebben veroorzaakt.
  2. b)Geen actueel belang Eveneens zullen verzoekers moeten aantonen dat het ingeroepen belang bestaat op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring (...). Zoals hier net uiteengezet volgt het nadeel van verzoekers eerder (...) uit het inwerkingtreden van het gewestelijk RUP ‘Zone voor windturbines Meer-Hoogstraten’. Verzoekers hebben hun plannen ingediend op een ogenblik dat het voornoemde gewestelijk RUP nog niet bestond en zij over plannen beschikten, die niet conform waren met de toen vastgestelde bestemming op het gewestplan. Op het gewestplan waren de percelen namelijk ingekleurd als landschappelijk waardevol agrarisch gebied, met welke bestemming windturbines niet verenigbaar zijn. Als gevolg van het gewestelijk RUP waren verzoekers alleszins verplicht om nieuwe plannen in te dienen conform dit gewestelijk RUP. Bijgevolg moesten deze plannen sowieso aangepast worden. In die zin is het belang van verzoekers niet actueel”. 2.1.3. De verzoekende partijen beantwoorden deze exceptie in hun memorie van wederantwoord als volgt : “In haar Memorie van Antwoord werpt verwerende partij op dat verzoekende partijen geen belang zouden hebben bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Meer bepaald stelt verwerende partij dat verzoekende partijen geen rechtstreeks en actueel belang zouden hebben om op te komen tegen de bestreden beslissing. Verzoekende partijen betwisten dit standpunt ten zeerste. i. Wat het rechtstreeks karakter van het belang betreft X-11.558-5/9 Het rechtstreeks karakter van het belang heeft betrekking op de relatie tussen het nadeel en de bestreden beslissing en houdt in dat er een rechtstreeks causaal verband tussen beide dient te bestaan (...). In casu hebben verzoekende partijen wel degelijk een rechtstreeks belang bij de vordering tot nietigverklaring. Het is niet zo, zoals verweerster ten onrechte tracht voor te houden, dat het nadeel zou voortvloeien uit het aannemen van het ter plaatse geldende GRUP ‘Zone voor windturbines Meer-Hoogstraten’. Het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Zone voor windturbines Meer-Hoogstraten’, zoals definitief goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse regering d.d. 24 januari 2003 (...), bepaalt dan wel in de stedenbouwkundige voorschriften dat het eerste windturbineproject (aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning) voor het aansnijden van de ‘zone voor windturbines’ naar vorm en uitzicht bepalend is voor het te realiseren visueel samenhangend totaalbeeld (tussenafstand, hoogte, vorm, uitzicht,...) en dat latere, nieuwe projecten moeten aansluiten bij het gerealiseerde of vergunde geheel van windturbines door de eerste verleende stedenbouwkundige vergunning, doch an sich houdt dit geen nadeel in voor verzoekende partijen. Laten we immers maar eens uitgaan van de hypothese dat verzoekende partijen zélf de eerste stedenbouwkundige vergunning aldaar hadden bekomen, dan zouden alle latere vergunningsaanvragers zich te gedragen hebben naar de vorm en het uitzicht van het project van verzoekende partijen. Het is pas door de toekenning van de eerste stedenbouwkundige vergunning aan de tussenkomende partij, dat verzoekende partijen een daadwerkelijk, en dus rechtstreeks nadeel lijden. Daarbij is het volkomen irrelevant dat verzoekende partijen op dit ogenblik nog geen nieuwe aanvraag hebben ingediend voor die zone. Immers, tussenkomende partij had haar aanvraag reeds ingediend voor de totstandkoming en goedkeuring van het GRUP, t.t.z. medio juli 2002, daar waar het GRUP pas werd bekrachtigd op 24 januari 2003. Het is een illusie te denken dat een eventuele aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning vanwege verzoekende partijen ná 23 januari 2004 nog zou zijn afgehandeld vóór 2 juli 2004, datum waarop door verwerende partij aan tussenkomende partij de eerste stedenbouwkundige vergunning in de betrokken zone werd verleend. De exceptie van verwerende partij moet dus worden verworpen en er moet worden geoordeeld dat verzoekende partijen wel degelijk doen blijken van een voldoende rechtstreeks belang. ii. Wat het actueel karakter van het belang betreft Verwerende partij stelt dat het belang van verzoekende partijen niet actueel zou zijn, nu verzoekers hoe dan ook verplicht zijn nieuwe plannen in te dienen. Verzoekers begrijpen niet in welke zin dit zijn implicaties zou hebben op het actueel karakter van hun belang. Bij gebreke aan duidelijkheid hieromtrent door het relaas van verwerende partij, is het hen volkomen onmogelijk hierop een antwoord te bieden. In die zin maken zij voorbehoud voor hun eventuele latere reactie, mocht verwerende partij op dit punt blijven insisteren en toch nog duidelijkheid scheppen in de door haar opgeworpen exceptie. Alleen reeds om reden van onduidelijkheid in de opgeworpen exceptie, moet deze worden verworpen. Bijkomend doen verzoekende partijen opmerken dat zij inderdaad niet langer vrij zijn bij het indienen van projecten in het bepalen van de vorm, het uitzicht, de hoogte, het type edm. van de windturbines, doch dat zij zich voortaan hebben te richten op de windturbines die door verwerende partij zullen worden geplaatst en waarvoor deze laatste conform de bestreden beslissing, een stedenbouwkundige vergunning heeft verkregen. X-11.558-6/9 Bovendien heeft eerste verzoeker reeds opstalrechten verkregen in de transportzone aan de overkant van de autosnelweg E19, waarlangs de thans vergunde windturbines geplaatst zullen worden, en dit met de uitdrukkelijke bedoeling er windturbines op te richten. Verzoekers zullen bovendien hinder ondervinden van de waarschijnlijke plaatselijke reactie tegen de inplanting van windmolens in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, reactie die zich tegen windmolens in het algemeen kan verder zetten. Tevens vrezen verzoekers een feitelijke monopolisering van de windenergie. Op deze laatste elementen wordt overigens helemaal niet geantwoord door verwerende partij, zodat, besluitend, kan worden gesteld dat verzoekende partijen wel degelijk over het bij wet vereiste belang beschikken”. 2.1.4. De tussenkomende partij betwist het belang van de verzoekende partijen als volgt : “Tussenkomende partij ondersteunt op dit punt ten volle het standpunt van de verwerende partij, zoals verwoord in de memorie van antwoord. Tussenkomende partij herhaalt aldus dat een verzoekschrift tot nietigverklaring slechts ontvankelijk is indien de verzoekende partij van een actueel, zeker, rechtstreeks en wettig belang doet blijken bij de nietigverklaring van de betwiste rechtshandeling. De verzoekende partijen dienen aan te tonen dat zij een rechtstreeks belang hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissing, d.w.z. dat er een direct of rechtstreeks verband bestaat tussen het ingeroepen nadeel en de bestreden beslissing (...). Uit de omschrijving van hun belang volgt evenwel dat het nadeel louter voortvloeit uit het aannemen van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Zone voor windturbines Meer-Hoogstraten’, inzonderheid de voorschriften van dit gewestelijk RUP die bepalen dat de eerste stedenbouwkundige vergunning in het kader van een windturbinepark bepalend is voor vorm en uitzicht van de latere projecten. Bijgevolg heeft niet de bestreden stedenbouwkundige vergunning voor gevolg dat de verzoekende partijen hun latere plannen zullen moeten aanpassen aan deze vergunning, doch dit laatste vloeit louter voort uit het kwestieuze gewestelijk RUP. Bijgevolg is er geen rechtstreeks verband tussen het nadeel en de bestreden beslissing. Het nadeel van de verzoekende partijen vloeit verder op onrechtstreekse wijze voort uit het feit dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning toevallig als eerste werd toegekend. Niets verhinderde de verzoekende partijen evenwel dat zij na het totstandkomen van het gewestelijk RUP zelf dadelijk een nieuwe aanvraag zouden indienen, teneinde zelf als eersten een vergunning te bekomen. Tot op dit ogenblik hebben zij evenwel nog steeds geen dergelijk verzoek ingediend, zodat zij zelf hun ingeroepen nadeel mee hebben veroorzaakt. In elk geval kan uit het voorgaande worden geconcludeerd dat de verzoekende partijen niet over een rechtstreeks belang beschikken om de bestreden beslissing ontvankelijk aan te vechten. Evenmin kunnen verzoekers aantonen dat het ingeroepen belang bestond op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring. Zoals hiervoor uiteengezet volgt het door verzoekers vooropgesteld nadeel immers uit het gewestelijk RUP ‘Zone voor windturbines Meer-Hoogstraten’ - X-11.558-7/9 en hebben de verzoekende partijen op dit ogenblik geen aanvraag m.b.t. een project ingediend. De verzoekende partijen hebben hun plannen ingediend op een ogenblik dat het voornoemde gewestelijk RUP nog niet bestond en zij over plannen beschikten, die niet conform waren met de toen vastgestelde stedenbouwkundige voorschriften. In de mate er thans nog geen nieuwe aanvraag voor het bekomen van een nieuwe vergunning werd ingediend door de verzoekende partijen, lijkt het belang waarvan zij doen blijken eerder hypothetisch te zijn en derhalve onvoldoende zeker. Bovendien waren de verzoekende partijen sowieso verplicht om nieuwe plannen op te stellen en een nieuwe aanvraag in te dienen gelet op het nieuwe GRUP. In de mate die nieuwe aanvraag rechtstreeks gevolgen zou kunnen ondergaan van de thans aangevochten beslissing - quod non - lijkt het belang bij onderhavig beroep thans evenwel evenmin actueel te zijn. Conclusie : de verzoekende partijen doen niet van het rechtens vereiste rechtstreekse, zekere en actuele belang blijken om de nietigverklaring te vorderen van de vergunning die aan tussenkomende partij werd afgeleverd”. 2.1.5. In hun laatste memorie herhalen de verzoekende partijen de argumentatie als verwoord in hun memorie van wederantwoord. 2.2. Beoordeling 2.2.1. Overeenkomstig artikel 19, eerste lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kunnen de beroepen tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van die wetten voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang. Dit veronderstelt dat de verzoekende partijen door het bestreden besluit benadeeld zijn en dat dit nadeel persoonlijk, rechtstreeks, zeker en actueel is. Daarenboven is vereist dat de nietigverklaring van het bestreden besluit aan de verzoekende partijen een rechtstreeks voordeel verschaft. 2.2.2. De door de verzoekende partijen aangevoerde omstandigheid dat het project dat zij wensen te realiseren zal dienen aan te sluiten bij het project waarvoor de bestreden vergunning werd verleend, vloeit niet rechtstreeks voort uit het bestreden besluit, doch uit het bij besluit van de Vlaamse regering van 24 januari 2003 vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Zone voor windturbines Meer-Hoogstraten”. Voorts voeren de verzoekende partijen geen concrete gegevens aan waaruit blijkt dat de eigenschappen of de ordening van de windturbines die met het bestreden besluit werden vergund nadelig zouden zijn voor het project dat zij zelf beogen te realiseren. Het betoog van de verzoekende partijen dat zij hinder zullen ondervinden van de “waarschijnlijke” plaatselijke reactie tegen de inplanting X-11.558-8/9 van windmolens in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, reactie die zich tegen windmolens in het algemeen kan verder zetten, alsook hun vrees voor een feitelijke monopolisering van de windenergie, zijn hypothetisch van aard en kunnen evenmin als een afdoende belang bij hun huidig beroep worden aangenomen. 2.2.3. De excepties zijn in de aangegeven mate gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.558-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.843 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.