id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.847 Rolnummer: A. 146948/X-11733 Zaak: Arrest 195847 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-17 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:30 Fiche Arrest nr 195.847 van 9 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.847 van 9 september 2009 in de zaak A. 146.948/X-11.
- In zake :
- Jean-Pierre BOSTYN,
- Sarie PYLYSER, die woonplaats kiezen bij advocaat J. BOSSUYT, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Bossuytlaan 35 tegen : de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Pierre BOSTYN en Sarie PYLYSER op 23 januari 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het Besluit dd. 20.11.2003 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen (...) houdende ongegrondverklaring van het beroep van de Heer en Mevrouw Jean-Pierre BOSTYN-PYLYSER Sarie tegen de beslissing van 17.06.2003 van het College van Burgemeester en Schepenen van Koksijde, houdende weigering van de regularisatievergunning voor het typische wagenhuis, gelegen te Oostduinkerke aan de Guldenzandstraat, 74, (kadastraal bekend binnen de 4de Afd., sectie E als de percelen nrs. 437A, 438A en 439)”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 16 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 5 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2009; X-11.733-1/14 Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BOSSUYT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van adjunct-adviseur P. DEWULF, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- De verzoekende partijen zijn eigenaar van een woning met bijbehorend wagenhuis gelegen aan de Guldenzandstraat te Oostduinkerke, op percelen kadastraal bekend sectie E, nrs. 437/a, 438/a en
- 1.
- De voornoemde percelen zijn overeenkomstig het op 6 december 1976 vastgestelde gewestplan Veurne-Westkust gelegen in natuurgebied. Ze zijn niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
- Op 16 juni 1998 stelt de lokale politie van Koksijde een proces- verbaal op waarin wordt vastgesteld dat op de plaats van het wagenhuis een “nieuwbouwconstructie in hout” werd opgericht. 1.
- Op 30 januari 2003 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen bij het gemeentebestuur van Koksijde een regularisatie- aanvraag in voor de uitgevoerde werken aan het wagenhuis. 1.
- Op 13 februari 2003 geeft de afdeling Natuur een ongunstig advies over de aanvraag. 1.
- Op 28 mei 2003 verleent de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies, waarin onder meer het volgende gesteld wordt: X-11.733-2/14 “Overwegende dat het gebouw op het moment van de aanvang van de werken voldoet aan de elementaire eisen van stabiliteit en aldus niet verkrot was hetgeen blijkt uit de foto’s van de oorspronkelijke toestand. Overwegende dat het gebouw vermoedelijk reeds bestond voor de inwerkingtreding van de wetgeving op stedenbouw zodat deze wordt geacht vergund te zijn. Overwegende dat het PV van 15.06.1998 duidelijk vermeldt dat het de bouw betreft van een ‘nieuwbouwconstructie in hout’ dat deze werken dus meer inhouden dan instandhouding-, onderhoud- of verbouwingswerken. Het betreft hier de herbouw van een woningbijgebouw waarvoor de toepassing van art. 195quinquies en van art. 145bis § 1, 2/ vereist is. Overwegende dat de bestemming natuurgebied opgenomen is in de lijst van kwetsbare gebieden en dat toepassing van art. 145bis § 1, 2/ uitgesloten is in kwetsbaar gebied. Overwegende dat de toestand voor de aanvang van de wederrechtelijke werken en de ontworpen toestand ruimtelijk dezelfde impact hebben op de omgeving maar dat van het revitaliseren van een woning en haar bijgebouwen bij middel van herbouw een significante negatieve impact wordt verwacht op de natuurwaarden hetgeen blijkt uit het advies van de afdeling Natuur”. 1.
- Op 17 juni 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koksijde de gevraagde vergunning overeenkomstig het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.
- Op 2 augustus 2003 stellen de verzoekende partijen bij de bestendige deputatie administratief beroep in tegen de weigeringsbeslissing van het college. 1.
- Op 12 november 2003 worden de verzoekende partijen gehoord door twee leden van de bestendige deputatie. 1.
- Op 20 november 2003 verwerpt de bestendige deputatie het administratief beroep. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende gesteld wordt: “Overwegende dat het ongunstig advies van Arohm is gebaseerd op het ontbreken van een wettelijke basis voor het herbouwen van een woningbijgebouw in natuurgebied; dat ingevolge artikel 145 bis §1 van het decreet in natuurgebied enkel het verbouwen van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume toegelaten is; dat het hier echter een herbouwen van een woningbijgebouw betreft; Overwegende dat de plaats van de aanvraag zich bevindt aan de (noord)westelijke rand van het centrum van Oostduinkerke-dorp, vlakbij het Natuurreservaat ‘Doornpanne’ zijnde een belangrijk duinengebied; dat de bouwplaats eveneens gelegen is in het habitatrichtlijngebied ‘Duinengebieden inclusief Ijzermonding en Zwin’ en in het vogelrichtlijngebied ‘Westkust’; X-11.733-3/14 Overwegende dat het ontwerp een wagenhuis voorziet met een bouwvolume na de werken van 151,570 m³, wat identiek hetzelfde is als het bouwvolume van vóór de werken; dat in de verklarende nota van de architect het volgende gesteld wordt : ‘de herstelling waar nodig werd uitgevoerd van enerzijds de plankenwand en anderzijds bepaalde kapgedeelten’; dat er opgeworpen wordt dat het van oudsher bestaande karakter en de verschijningsvorm van het typisch vroeger bestaande wagenhuis van de vissershoeve behouden wordt door de uitgevoerde werken; dat er namelijk analoge materialen gebruikt werden, meer bepaald bruine houten beplanking en oude Vlaamse rode dakpannen; Overwegende dat er op 16 juni 1998 een PV van bouwovertreding opgesteld werd door de politie van Koksijde wegens het optrekken van een ‘nieuwbouwconstructie in hout’ i.p.v. instandhoudings-, onderhouds- of verbouwingswerken; dat het om het herbouwen van een woningbijgebouw gaat; dat ingevolge dit PV de werken stilgelegd werden; dat desbetreffende aanvraag gericht is op de regularisatie van deze werken; Overwegende dat zowel uit de bijgevoegde foto’s als uit de verklarende nota van de architect als uit het PV van bouwovertreding het vermoeden af te leiden valt dat het wagenhuis wel degelijk volledig herbouwd i.p.v. verbouwd werd; dat het ingevolge artikel 145bis §1 van het decreet in een natuurgebied enkel mogelijk is om een bestaand gebouw te verbouwen binnen het bestaande bouwvolume; dat in desbetreffend geval het wagenhuis echter herbouwd werd; dat het ontwerp bijgevolg niet aan de vereisten voldoet van artikel 145bis §1, 1/ van het decreet en desbetreffende werken niet vergunningsvatbaar zijn”.
- Ontvankelijkheid 2.
- De aangevoerde exceptie De verwerende partij voert de volgende exceptie van gebrek aan belang aan: “Verzoekers beschikken vooreerst niet over het vereiste geoorloofd belang. Volgens de rechtspraak van Uw Raad heeft een verzoeker geen geoorloofd belang indien hij met zijn verzoekschrift de instandhouding van een onwettige situatie op het oog heeft, in die zin dat een eventuele vernietiging door de Raad van State van de bestreden beslissing een onwettige toestand zou doen herleven en bestendigen (...). De werken werden zonder de nodige voorafgaande vergunning gerealiseerd. Verzoekers bevinden zich dus in een manifest onwettige toestand. Door aan Uw Raad te verzoeken de weigering van de vergunning te vernietigen, vragen verzoekers dat Uw Raad zou helpen deze onwettige situatie te bestendigen. Het spreekt voor zich dat dergelijk verzoek volkomen ongeoorloofd is”. 2.
- Beoordeling van de exceptie Een aanvrager beschikt over het rechtens vereiste belang bij de nietigverklaring van een beslissing waarbij hem een vergunning wordt geweigerd, ook wanneer de aanvraag de regularisatie van een bestaande toestand beoogt. De X-11.733-4/14 figuur van de regularisatievergunning veronderstelt immers noodzakelijkerwijze het bestaan van een onregelmatige toestand, waaraan de aanvrager precies poogt te verhelpen door het nastreven van de regularisatie ervan. De exceptie wordt verworpen.
- Eerste middel 3.
- Het aangevoerde eerste middel Het eerste middel wordt genomen uit de “miskenning van het hoorrecht. Schending van art. 83 van de Grondwet en van art. 53 §1, 2de lid van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening zoals gecoördineerd op 22.10.1996 en zoals gewijzigd op 19.12.1998, en aangevuld op 26.04.2000, juncto art. 104, 4de lid van de Provinciewet wegens miskenning van het decretaal toegekende en specifiek georganiseerde hoorrecht. Met toepassing van artikel 159 van de Gecoördineerde Grondwet aangevoerd tegen het Besluit van de Bestendige Deputatie van 01.02.2001 cfr. delegatieverlening voor het horen van partijen inzake beroepen over stedenbouwkundige vergunningsaanvragen”. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “DOORDAT de hoorzitting plaatsgreep op 12.11.2003 in aanwezigheid van slechts twee leden van de Bestendige Deputatie, te weten de gedeputeerden Dirk De Fauw en Gunter Pertry, waarna de thans bestreden beslissing werd genomen op 20.11.2003 door de Bestendige Deputatie, alsdan voltallig samengesteld ; TERWIJL Het Decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening zoals gecoördineerd op 22.10.1996 en navolgend gewijzigd door de Decreten dd. 19.12.1998, 18.05.1999 en 26.04.2000, voorziet in art. 53 in een welbepaalde specifieke beroepsprocedure waarbij onder meer uitdrukkelijk voorzien is dat het horen van een partij geschiedt uitsluitend door de Bestendige Deputatie. Dat het K.B. van 17.09.1987 of enig welk ander besluit niet van toepassing is in een dergelijke procedure ; noch het Besluit van de Bestendige Deputatie van 01.02.2001 cfr. delegatieverlening, tegen welk laatstgenoemd besluit artikel 159 van de Gecoördineerde Grondwet wordt aangevoerd. Er kan niet genoeg beklemtoond dat alleen de Bestendige Deputatie bevoegd is om partijen te horen en deze laatste haar bevoegdheid niet kan delegeren zonder het beginsel van het verbod tot iedere subdelegatie te schenden. Dat verzoekers hieraan toevoegen dat gesteld dat delegatie van bevoegdheid mogelijk zou zijn - quod non -, deze bevoegdheidsdelegatie moet worden vastgesteld niet alleen in het decreet zelf betreffende de Ruimtelijke Ordening zoals gecoördineerd op 22.10.1996, doch tevens in een besluit dat in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, hetgeen beide niet het geval is. Bij toepassing van art. 104, 4de lid van de Provinciewet kan de Bestendige Deputatie bovendien slechts beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van haar leden aanwezig is. X-11.733-5/14 Dat het Decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening zoals gecoördineerd op 22.10.1996 en navolgend gewijzigd door de Decreten dd. 19.12.1998, 18.05.1999 en 26.04.2000, niet voorziet dat de Bestendige Deputatie bij de behandeling van een beroep haar macht kan delegeren. Dat de hoorzitting dan ook dient te geschieden voor de Bestendige Deputatie in vergadering in voltallige zitting, minstens samengesteld uit vier leden. In casu werden verzoekers gehoord op 12.11.2003 door slechts twee leden van de Bestendige Deputatie, te weten de Heren Dirk De Fauw en Gunter Pertry. Uit het besluit blijkt dat de beslissing door de Bestendige Deputatie werd genomen in haar vergadering van 20.11.2003 op verslag van de Heer Van Gheluwe... Toelichting Art. 53 § 1, 2de lid van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, zoals gecoördineerd op 22.10.1996 en zoals gewijzigd op 19.12.1998, en aangevuld op 26.04.2000, voorziet absoluut niet in enige mogelijkheid tot delegatie van bevoegdheid voor het horen van de verzoekers. Dat dit ondermeer duidelijk moge blijken uit het feit dat bv. wel aan de Vlaamse regering de mogelijkheid is geboden om een beroeper te laten horen door haar gemachtigde, hetgeen niet voorzien is voor wat betreft de Bestendige Deputatie. Aangezien dit hier een procedure-regel betreft binnen een specifiek georganiseerd administratief beroep, dient deze regel strikt toegepast en is deze niet voor interpretatie vatbaar. maar bovendien door aldus te handelen en zelf eiseres niet te horen, tevens het decretaal toegekende en specifiek georganiseerde hoorrecht heeft miskend. Daarenboven kan niet genoeg beklemtoond dat het hoorrecht een dergelijk wezenlijk onderdeel vormt van het specifiek georganiseerd beroep, dat het horen van verzoekers op een andere wijze dan decretaal bepaald een schending uitmaakt van een substantiële vormvereiste, welke schending dan ook grond levert tot vernietiging van het bestreden besluit. De decretaal voorziene hoorplicht heeft juist tot doel te komen tot een zorgvuldige feitenvinding, die veronderstelt dat verzoekers dan ook hun standpunt ten volle naar voor kunnen brengen voor de Bestendige Deputatie (in haar volledige samenstelling, minstens samengesteld uit vier leden), die de enige is die bij decreet (art. 53 § 1, 2de lid D.O.R.O.) over de volheid van bevoegdheid beschikt als beroepsinstantie en zonder dat wettelijk in een mogelijkheid van verdere (sub)delegatie is voorzien. Vruchteloos zal de Bestendige Deputatie misschien pogen te verwijzen naar het K.B. van 17.09.1987, of naar welk ander besluit ook, welk besluit uiteraard niet van toepassing is. Het eerste middel is dan ook gegrond”. 3.
- Beoordeling van het eerste middel 3.2.
- Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bepaalde het door de verzoekende partijen geschonden geachte artikel 53, §1, tweede lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet) het volgende: “De aanvrager of zijn raadsman, het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde, alsook de gemachtigde ambtenaar worden op hun verzoek X-11.733-6/14 door de bestendige deputatie gehoord. Wanneer een partij vraagt te worden gehoord, worden ook de andere partijen opgeroepen”. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bepaalde artikel 104, derde lid van de provinciewet het volgende: “Met het oog op de voorbereiding van haar beraadslagingen en besluiten verdeelt de bestendige deputatie onder haar verkozen leden de aangelegenheden die tot haar bevoegdheid behoren”. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bepaalde het door de verzoekende partijen geschonden geachte artikel 104, vierde lid van de provinciewet het volgende: “De bestendige deputatie kan beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van haar stemgerechtigde leden aanwezig is”. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bepaalde artikel 106, vierde lid van de provinciewet het volgende: “(...) (De deputatie) kan eveneens één of meer van haar leden belasten met het onderzoek van een zaak”. 3.2.
- De hoorzitting van 12 november 2003 werd gehouden ter voorbereiding van de vergadering van 20 november 2003, tijdens dewelke de bestendige deputatie over het administratief beroep van de verzoekende partijen heeft beraadslaagd en besloten. Op 12 november 2003 werd door de bestendige deputatie noch beraadslaagd, noch besloten, zodat het aangevoerde artikel 104, vierde lid van de provinciewet op die zitting niet toepasselijk is. In het licht van de geciteerde bepalingen van de provinciewet verzet artikel 53, §1, tweede lid van het gecoördineerde decreet er zich - anders dan de verzoekende partijen voorhouden - niet tegen dat de hoorzitting geleid wordt door twee leden van de bestendige deputatie. Aan deze vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door het door de verzoekende partijen in hun laatste memorie aangevoerde feit dat het decreet van 21 november 2003 in het geciteerde artikel 53, §1, tweede lid van het gecoördineerde decreet de woorden “of diens gemachtigde” heeft ingevoegd tussen de woorden “door de bestendige deputatie” en het woord “gehoord”. X-11.733-7/14 3.2.
- Het eerste middel is ongegrond.
- Tweede middel 4.
- Het aangevoerde tweede middel 4.1.
- Het tweede middel is geput uit de “schending van artikel 145 bis, / §1, 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, laatstelijk gewijzigd bij art. 7 van het decreet van 19 juli 2002, en van het redelijkheidsbeginsel evenals van artikel 53, §3, 1ste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22.10.1996 en van de algemene en bijzondere motiveringsverplichting”. Het middel wordt in het verzoekschrift als volgt toegelicht: “DOORDAT De Bestendige Deputatie in haar besluit van 20.11.2003 oordeelde de aanvraag van verzoekers tot het verbouwen van het bestaande wagenhuis niet verenigbaar te kunnen achten met de bepalingen van art. 145bis en dit op grond van volgende motieven : • dat artikel 145 bis §1 van het decreet in natuurgebied enkel het verbouwen van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume toegelaten is; dat het hier echter een herbouwen van een woning- bijgebouw betreft; • dat er op 16 juni 1998 een PV van bouwovertreding opgesteld werd door de politie van Koksijde wegens het optrekken van een ‘nieuwbouwconstructie in hout’ i.p.v. instandhoudings-, onderhouds- of verbouwingswerken; dat het om het herbouwen van een woning- bijgebouw gaat; dat ingevolge dit PV de werken stilgelegd werden; dat desbetreffende aanvraag gericht is op de regularisatie van deze werken; • dat zowel uit de bijgevoegde foto’s als uit de verklarende nota van de architect als uit het PV van bouwovertreding het vermoeden af te leiden valt dat het wagenhuis wel degelijk volledig herbouwd i.p.v. verbouwd werd; dat het ingevolge artikel 145bis §1 van het decreet in een natuurgebied enkel mogelijk is om een bestaand gebouw te verbouwen binnen het bestaande bouwvolume; dat in desbetreffend geval het wagenhuis echter herbouwd werd; dat het ontwerp bijgevolg niet aan de vereisten voldoet van artikel 145bis §1, 1/ van het decreet en desbetreffende werken niet vergunningsvatbaar zijn; TERWIJL Art. 145 bis, § 1, 1/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd bij art. 7 van het decreet van 19 juli 2002 bepaalt wat volgt : ‘Art. 145bis. (ing. decr. 13 juli 2001, art. 9)] §
- [Voorzover voldaan is aan de voorwaarden in deze paragraaf, vormen de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling, door de vergunningsverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen. X-11.733-8/14 Deze uitzonderingsbepaling geldt slechts indien de aanvraag betrekking heeft op: 1/ het verbouwen van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume ; (verv. decr. 19 juli 2002, art. 7, I, B.S.: 26 oktober 2002)]’ Het weigeringsmotief betreffende het feit dat het om herbouwwerken gaat en geen verbouwwerken, laat staan in werkelijkheid niet-vergunningsplichtige onderhouds- en instandhoudingswerken, is volkomen fout nu, zoals duidelijk aangetoond werd, ondermeer met foto’s - waarbij de aandacht uitdrukkelijk dient gevestigd op het ‘wagenhuis’ met houten muurwanden en niet de andere er naast bevindende bebouwing in metselwerk -, mede in vergelijking met de vroegere foto’s waarop de terugkomst van de paardevissers is te zien en tevens ook hetzelfde ‘wagenhuis’ en tevens in vergelijking met de toestand zoals het gebouw werd hersteld, deze feitelijke gegevens volledig dienen losgekoppeld te worden van een zogenoemd proces-verbaal van politie waaraan in werkelijkheid nooit verder gevolg werd verleend. Het feit van slechts nadien te verwijzen naar een af te leiden ‘vermoeden’, snijdt uiteraard geen hout. Bovendien kan niet genoeg beklemtoond (worden) dat over de jaren heen er in de rechtspraak en rechtsleer tal van tegenstrijdige verklaringen en standpunten werden ingenomen nopens het begrip ‘herbouwen’ en ‘verbouwen’, waarbij de grensbepaling tussen wat te aanzien is als ‘verbouwingswerk’ of ‘herbouwingswerk’ als zeer uiteenlopend werd beschouwd en te beschouwen is. Kortom : waar het hier een zuivere catalogering van werken betreft, behoorde het dat de bestendige deputatie op een omstandige wijze en zeer nauwkeurig de effectief uitgevoerde werken zou hebben beschreven, om deze nadien te toetsen aan de juiste inhoud van de onderscheiden begrippen. Dit is in casu niet geschied. Zowel rechtens als in feite diende de toetsing in concreto en specifiek te geschieden door de bestendige deputatie, hetgeen niet gebeurde. Waar Uw Hoog Rechtscollege in de uitvoering van zijn wettigheidstoezicht bevoegd is na te gaan of de bevoegde overheid bij het weigeren van de vergunning - zoals in casu - is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de uitvoering van de te vergunnen werken overeenkomstig de bij de aanvraag gevoegde plannen al dan niet verenigbaar is met de van toepassing zijnde decreetsbepalingen ; zal Uw Hoog Rechtscollege wel degelijk kunnen vaststellen dat de beslissing van de Bestendige Deputatie niet gesteund is op deugdelijke gronden en dient deze beslissing dan ook vernietigd. Het middel is dan ook gegrond”. 4.1.
- In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de aangevraagde werken geen betrekking hebben op beperkte en gedeeltelijke herstellingen, maar op de constructieve elementen van het gebouw, zoals het vervangen van dakgebintes of dragende balken van het dak en het geheel of gedeeltelijk herbouwen of vervangen van buitenmuren. 4.1.
- In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat werken aan de door de verwerende partij in de memorie van antwoord genoemde constructieve elementen van het gebouw pas vergunningsplichtig werden X-11.733-9/14 door het decreet van 26 april 2000 en dat het “dan ook volkomen zinloos (is) dat verweerster verwijst naar definities daterend van medio 2000, waar de werken reeds twee jaar voordien waren uitgevoerd aan het sinds tientallen jaren bestaande vergund geachte bijgebouw”. 4.
- Beoordeling van het tweede middel 4.2.
- In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad van State enkel bevoegd om na te gaan of de bevoegde administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 4.2.
- Artikel 145bis, § 1, 1/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening heeft betrekking op het verbouwen van een bestaand gebouw. De decreetgever heeft het begrip “verbouwen”, dat moet worden onderscheiden van het begrip “herbouwen”, niet omschreven en het eerstgenoemde begrip moet aldus in zijn spraakgebruikelijke betekenis worden begrepen als wijzigen, anders van bouw maken of anders bouwen zonder dat het gebouw wordt afgebroken of herbouwd. 4.2.
- In hun verzoekschrift benadrukken de verzoekende partijen dat de buitenmuren van het te regulariseren gebouw houten muurwanden zijn. Er valt niet in te zien waarom uit dit element zou volgen dat de verwerende partij zich niet vermocht te steunen op het proces-verbaal van 16 juni 1998 waarin wordt vastgesteld dat ter plaatse een “nieuwbouwconstructie in hout” werd opgericht. De verzoekende partijen spreken niet tegen dat zij - zoals in het bestreden besluit overwogen wordt - in de administratieve procedure hebben opgeworpen “dat het van oudsher bestaande karakter en de verschijningsvorm van het typisch vroeger bestaande wagenhuis (...) behouden wordt door de uitgevoerde werken; dat er namelijk analoge materialen gebruikt werden, meer bepaald bruine houten beplanking en oude Vlaamse rode dakpannen”. Het blijkt niet en de verzoekende partijen beweren ook niet dat na de uitgevoerde werken de buitenmuren of het dak van het wagenhuis zou bestaan uit materialen van een verschillende ouderdom. Uit hetgeen de verzoekende partijen in hun verzoekschrift aanvoeren blijkt niet dat de verwerende partij zich gesteund zou hebben op onjuiste gegevens of kennelijk onredelijk geoordeeld zou hebben door te oordelen dat het X-11.733-10/14 wagenhuis volledig herbouwd in plaats van verbouwd werd. Uit de vaststelling dat het wagenhuis herbouwd werd heeft het bestreden besluit terecht geconcludeerd “dat het ontwerp bijgevolg niet aan de vereisten voldoet van artikel 145bis, § 1, 1/ van het decreet en desbetreffende werken niet vergunningsvatbaar zijn”. 4.2.
- De hiervoor (randnummer 4.1.3) aangehaalde argumentatie in de memorie van wederantwoord kan niet worden aangenomen, aangezien gebleken is dat de verwerende partij de werken wettig kon aanzien als het herbouwen van het wagenhuis. Overigens is de verwerende partij er als orgaan van het actief bestuur toe gehouden de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik waarop zij uitspraak doet. 4.2.
- Het tweede middel is niet gegrond.
- Derde middel 5.
- Het aangevoerde derde middel Een derde middel is geput uit de “schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheids- beginsel, het gelijkheidsbeginsel als tevens uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (...), en de materiële en formele motiveringsplicht opgenomen in artikel 53, §3, 1ste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en zoals navolgend gewijzigd”. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt uiteengezet: “DOORDAT de redengeving van de ongegrondverklaring van het beroep en de weigering der vergunning door de Bestendige Deputatie geenszins op een deugdelijke en afdoende wijze is gemotiveerd ; minstens dient gesteld dat de in het bestreden besluit aangehaalde motieven niet pertinent noch draagkrachtig zijn, zodat de beslissing dan ook werd genomen met schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldig- heidsbeginsel. Uiteraard is ook het gelijkheidsbeginsel geschonden, nu de Bestendige Deputatie zelfs zonder meer is voorbijgegaan aan de feitelijkheden en beoordeling betreffende het dossier ‘Nevejan’, waar effectief herbouwingswerken gebeuren, en waarnaar verzoekers uitdrukkelijk hebben verwezen. TERWIJL X-11.733-11/14 De bij artikel 53, § 3, eerste volzin, van het gecoördineerd decreet van 22.10.1996 opgelegde motiveringsplicht verplicht weliswaar niet de bestendige deputatie, als orgaan van het actief bestuur, alle door verzoekers aangevoerde argumenten één voor één in Zijn besluit te beantwoorden en te weerleggen. Aan voornoemd voorschrift van zoëven vermelde decreetsbepaling is immers voldaan, aldus de gevestigde rechtspraak van de Raad van State, wanneer de uitspraak over het bouwberoep de met de stedenbouw en de ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop die beslissing is gesteund, derwijze dat het de aanvraagster mogelijk is om met kennis van zaken ertegen op te komen, en dat de Raad van State, in de uitoefening van de wettigheidscontrole, kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, in hoeverre zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. (...) Zelfs indien zou worden voorgehouden dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is nu artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze ‘slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen’, dan nog weze duidelijk gesteld dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshan- delingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, zodat dan ook in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. Feit is dat in deze, wars van de decretale verplichting zoals vastgelegd in art. 53 § 3, 1ste lid van het gecoördineerd decreet, de formele motiveringsplicht werd geschonden nu de Bestendige Deputatie zich geenszins in casu in een ‘concreet’ en ‘specifiek’ gemotiveerde beslissing heeft uitgesproken en dat uit de ongegrondverklaring van het beroep en de weigering van de bouwvergunning geenszins blijkt dat alle aangebrachte elementen concreet werden onderzocht, laat staan om welke zeer specifieke motieven en feitelijke inschattingen zij uiteindelijk werden verworpen en het project als niet-vergunbaar werd geacht. De formele motivering moet positief zijn, hetgeen inhoudt dat de Bestendige Deputatie er niet mee kon volstaan te stellen dat het project louter een volledig herbouwwerk betreft mede gesteund op een vermoeden...afgeleid uit een opgesteld proces-verbaal... waarnopens dient gesteld dat hieraan nooit verder gevolg werd gegeven. Het is maar al te duidelijk dat de weigering van de vergunning zoals in casu dient gezien als een bewijs van de willekeur - zekerlijk in het licht van wat vergund werd aan ‘Nevejan’ en de twee maten en twee gewichten-politiek waarmede de regelgeving wordt toegepast en waarvan de burger uiteindelijk het slachtoffer is. Kortom een schending van het gelijkheidsbeginsel. Met reden kunnen verzoekers dan ook stellen dat de Bestendige Deputatie door het weigeren van de vergunning aan verzoekers bovendien de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft miskend en het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Het derde middel is dan ook gegrond”. X-11.733-12/14 5.
- Beoordeling van het derde middel 5.2.
- Het gelijkheidsbeginsel verzet zich ertegen dat personen die zich in dezelfde toestand bevinden ongelijk behandeld worden, tenzij er voor het verschil in behandeling een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De verzoekende partijen tonen in hun verzoekschrift allerminst aan dat “het dossier ‘Nevejan’, waar effectief herbouwingswerken gebeuren” zowel in rechte als in feite volledig vergelijkbaar is met hun regularisatieaanvraag. Nochtans dient de partij die de schending van het gelijkheidsbeginsel opwerpt, dit met concrete en precieze gegevens aan te tonen. De bijkomende stukken over “het dossier ‘Nevejan’” die de verzoekende partijen bij hun laatste memorie aanbrengen, konden reeds bij het verzoekschrift gevoegd worden en zijn bijgevolg onontvankelijk. In hun laatste memorie voeren de verzoekende partijen aan dat het vergunningsbeleid van de overheid getuigt van een “tweeslachtige beoordeling”. Daarbij verwijzen zij naar nieuwe vergunningen voor zonevreemde constructies in de gemeente Koksijde. Daargelaten de vraag of een verzoekende partij zich dienstig kan beroepen op besluiten die dateren van na het nemen van het bestreden besluit, moet worden vastgesteld dat deze verwijzing een andere grondslag geeft aan het middel en daarom niet ontvankelijk is. 5.2.
- Er wordt verwezen naar de beoordeling van het tweede middel. Daarbij is de kritiek van de verzoekende partijen verworpen tegen de overweging in het bestreden besluit volgens welke “in desbetreffend geval het wagenhuis (...) herbouwd werd; dat het ontwerp bijgevolg niet aan de vereisten voldoet van artikel 145bis, § 1, 1/ van het decreet en desbetreffende werken niet vergunningsvatbaar zijn”. Daarmee is de bestreden weigeringsbeslissing afdoende gemotiveerd. Het kwam de verwerende partij niet toe om op grond van de in het derde middel aangevoerde beginselen af te wijken van de voornoemde decretale bepaling. 5.2.
- Het derde middel is niet gegrond. X-11.733-13/14 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.733-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.847 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div