id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.861 Rolnummer: A. 76250/X-7846 Zaak: Arrest 195861 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-16 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:31 Fiche Arrest nr 195.861 van 9 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.861 van 9 september 2009 in de zaak A. 76.250/X-
- In zake :
- Roger SCHOOFS,
- Gabriëlle LAVAERTS, die woonplaats kiezen bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen :
- de gemeente TESSENDERLO,
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. tussenkomende partij : de n.v. CENTRUM VOOR MANAGEMENT EN SERVICE, die woonplaats kiest bij advocaat S. VAN DER VELPEN, kantoor houdende te 3290 DIEST, Hasseltsestraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roger SCHOOFS en Gabriëlle LAVAERTS op 4 november 1997 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 1 april 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tessenderlo waarbij aan de n.v. CENTRUM VOOR MANAGEMENT EN SERVICE de vergunning wordt verleend voor de regularisatie voor het bouwen van een winkel en vijf appartementen te Tessenderlo, Gerhaegenstraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 852/n; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 22 januari 1998 ingediend door de n.v. CENTRUM VOOR MANAGEMENT EN SERVICE; Gelet op de beschikking van 18 februari 1998 die de tussenkomst van de n.v. CENTRUM VOOR MANAGEMENT EN SERVICE toelaat; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij; X-7846-1/12 Gezien de memorie van wederantwoord en de toelichtende memorie; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 3 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 1 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. WINDERICKX, die loco advocaat P. JONGBLOET verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat M. SAHIN, die loco advocaat P. VANAGT verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat S. VAN DER VELPEN, in opvolging, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Rechtspleging Op 25 juni 1998 dient de tussenkomende partij een “aanvullende memorie” in. X-7846-2/12 Op 6 juli 1998 dient de eerste verwerende partij een “bijkomende memorie van wederantwoord” in. Het algemeen procedurereglement voorziet niet in de mogelijkheid tot het indienen van dergelijke stukken. Ze moeten bijgevolg uit de debatten worden geweerd.
- Feiten 2.
- Op 5 december 1994 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tessenderlo aan R. Van Genechten de vergunning voor het oprichten van een winkel en 5 appartementen op een perceel gelegen aan de Gerhagenstraat te Tessenderlo. Het betrokken perceel is gelegen binnen het gebied van het bijzonder plan van aanleg “Kom der Gemeente”, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 5 juni
- 2.
- Op 26 juni 1995, nadat vastgesteld werd dat het oprichten van het appartementsgebouw niet conform de goedgekeurde plannen was gebeurd, dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tessenderlo een regularisatieaanvraag in voor de niet conform de verleende vergunning uitgevoerde werken. 2.
- Op 26 juni 1995 formuleert het college van burgemeester en schepenen van Tessenderlo het volgende voorstel tot afwijking van het bijzonder plan van aanleg: “Gelet op de bouwvergunning afgeleverd op 05.12.1994; Gezien een aanvang van de werken werd gemaakt op 17.02.1995; Gezien de uitvoering van het gebouw afwijkt van het goedgekeurde uitvoeringsontwerp; Gezien er voor deze bouwovertreding door de gemeentelijke politie proces-verbaal werd opgesteld; Gelet op het aangepaste ontwerp dat voor regularisatie werd ingediend; Gezien het aangepast ontwerp voldoet aan de vigerende stedenbouwkundige voorschriften met uitzondering van een klein gedeelte plat dak aan de achterkant van het gebouw; Gezien deze afwijking geen invloed heeft op het aanwezige straatbeeld en op de omgeving algemeen; Gelet op de bepalingen van de nieuwe Gemeentewet; Besluit: Het college van burgemeester en schepenen verleent gunstig advies aan hoger vermelde aanvraag en verzoekt de gemachtigde ambtenaar een afwijking toe te staan betreffende het gedeelte plat dak”. X-7846-3/12 2.
- Op 20 december 1996 verklaart de tussenkomende partij zich akkoord de transactiesom te betalen. 2.
- Op 17 maart 1997 spreekt de gemachtigde ambtenaar zich als volgt uit over het voorstel tot afwijking: “Gelet op de bepalingen van artikel 51 van de stedenbouwwet van 29 maart 1962 die stellen dat de gemachtigde ambtenaar kan afwijken op de voorschriften van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en verkavelingen wat de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van bouwwerken alsmede op de voorschriften in verband met hun uiterlijk en dit op een met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen; Gelet op de aanvraag ingediend door C.M.S. NV voor een terrein kadastraal gekend afd. 1 sectie A nr. 852n tot het regulariseren van een winkel en 5 appartementen; Overwegende dat het perceel gelegen is binnen het bijzonder plan van aanleg Kom der Gemeente goedgekeurd bij ministerieel besluit van 5 juni 1986; Overwegende dat het met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen van 26 juni 1995 tot afwijken van de voorschriften waarmee ik kan instemmen; ‘Gelet op de bouwvergunning afgeleverd op 5 december 1994; Gezien een aanvraag van de werken werd gemaakt op 17 februari 1995; Gezien de uitvoering van het gebouw afwijkt van het goedgekeurde uitvoeringsontwerp; Gezien er voor deze bouwovertreding door de Gemeentelijke Politie proces-verbaal werd opgesteld; Gelet op het aangepaste ontwerp dat voor regularisatie werd ingediend; Gezien het aangepast ontwerp voldoet aan de vigerende stedenbouwkundige voorschriften met uitzondering van een klein gedeelte plat dak aan de achterkant van het gebouw; Gezien deze afwijking geen invloed heeft op het aanwezige straatbeeld en op de omgeving algemeen;’ Overwegende dat de argumentatie van de ontwerper kan bijgetreden worden; Overwegende dat de afwijking geen aanleiding geeft tot een oneigenlijke wijziging van het goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, dat de algemene strekking van het plan geëerbiedigd blijft en dat de afwijking niet strijdig is met de goede ruimtelijke aanleg van het gebied; Gelet op het betalen van de transactiesom; Brengt het volgende advies uit : Gunstig voor de afwijkingsaanvraag : Een klein gedeelte plat dak aan de achterkant van het gebouw in plaats van een dakhelling variëren tussen minimum 30/ en maximum 60/”. 2.
- Op 1 april 1997 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde regularisatievergunning. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat er voor het gebied waarin het perceel begrepen is, een bij koninklijk besluit van 05/06/1986 (...) goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, Kom der Gemeente niet zijnde een plan als bedoeld in artikel 17 van voornoemde wet; X-7846-4/12 Gelet op de beslissing van 17/03/1997 van de gemachtigde ambtenaar, waarbij op met redenen omkleed voorstel van 26/06/1995 van het College afwijking wordt toegestaan van bedoeld plan van aanleg/verkavelingsplan; Gelet op de algemene verkavelingsverordeningen en/of de gemeentelijke verkavelingsverordening; Gelet op de algemene bouwverordening en/of de gemeentelijke bouwverordening”.
- Ontvankelijkheid 3.1.
- De eerste verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten de tijdigheid van het beroep. De eerste verwerende partij stelt dat de verzoekende partijen op de hoogte waren van de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit en dat zij hebben nagelaten binnen een redelijke termijn kennis te nemen van de vergunning. Nu die vergunning werd afgeleverd op 1 april 1997 en de verzoekers pas op 1 juli 1997 een brief hebben geschreven om van hun inzagerecht gebruik te maken, zijn zij nalatig geweest en is het beroep laattijdig ingesteld. De tussenkomende partij stelt dat de verzoekende partijen voorhouden dat ze eerst bij een brief van 11 september 1997 op de hoogte werden gebracht van het bestaan van het bestreden besluit. Zij hebben evenwel een nota laten opstellen door een landmeter, gedateerd op 9 mei 1997, waarin kopies voorkomen van de plannen van de regularisatieaanvraag en waarin ook van die aanvraag gewag wordt gemaakt. Hieruit blijkt dat de verzoekende partijen reeds op 9 mei 1997 kennis hadden van de regularisatievergunning en dat hun beroep laattijdig is ingesteld. 3.1.
- De bestreden vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij liggen, wanneer zij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de X-7846-5/12 overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van de administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning, bijvoorbeeld van de mogelijkheid die hem door het toentertijd geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw werd geboden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning. Het is dan weer zaak van de verzoekende partij in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning heeft proberen in te winnen. 3.1.
- Het bestreden besluit betreft een regularisatievergunning, hetgeen impliceert dat de verzoekende partijen niet door de aanvang van de werken gealarmeerd konden worden. Wanneer het alzo zeer moeilijk is het tijdstip aan te tonen waarop de verzoekende partijen konden vermoeden dat de bestreden vergunning kon zijn afgeleverd, is dit op de eerste plaats aan de tussenkomende partij zelf te wijten. De kennis van het bestaan van een regularisatieaanvraag, die duidelijk blijkt uit de nota die in opdracht van de verzoekende partijen op 9 mei 1997 werd opgesteld door een landmeter, impliceert nog niet de kennis van het bestaan van de vergunning. X-7846-6/12 De eerste verwerende partij noch de tussenkomende partij tonen aan dat de verzoekende partijen eerder kennis hadden van het bestaan van de vergunning dan door de brief van 11 september
- De termijn waarbinnen de verzoekende partijen de nodige inlichtingen hebben ingewonnen met betrekking tot het bestaan van de vergunning is in de gegeven omstandigheden niet onredelijk te noemen. 3.1.
- De excepties kunnen niet worden aangenomen. 3.2.
- De eerste verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten voorts het belang van de verzoekende partijen. De eerste verwerende partij stelt dat het feit dat de verzoekende partijen hun uitzicht en/of privacy zouden verliezen door het bestreden besluit neerkomt op een voorspelbare hinder die eigen is aan de bebouwing in het centrum van de gemeente en die niet voortvloeit uit het bestreden besluit. Het toepasselijke bijzonder plan van aanleg laat overigens dakterrassen toe op één meter afstand van het midden van de scheidingsmuur. De tussenkomende partij ontwikkelt een gelijklopende argumentatie en voegt daar aan toe dat het bestreden besluit enkel een afwijking toestaat voor wat betreft de dakhelling. 3.2.
- Aangezien de eigendom van de verzoekende partijen paalt aan de eigendom van de tussenkomende partij, beschikken zij daardoor alleen al over het rechtens vereiste belang. 3.2.
- De excepties kunnen niet worden aangenomen. 3.3.
- De eerste verwerende partij betwist ter terechtzitting het actueel belang van de verzoekende partijen, omdat het bijzonder plan van aanleg “Kom der gemeente”, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 5 juni 1986, inmiddels werd gewijzigd. Deze wijziging werd goedgekeurd bij ministerieel besluit van 19 augustus
- Op 5 december 2005 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tessenderlo aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het plaatsen van terrasschermen aan het betrokken gebouw. X-7846-7/12 3.3.
- De verzoekende partijen betogen dat de betrokken stedenbouwkundige vergunning geen regularisatie betreft van het volledige gebouw, maar enkel slaat op de plaatsing van terrasschermen. 3.3.
- Het betoog van de verzoekende partijen overtuigt. Uit de vergunning van 5 december 2005 met betrekking tot de plaatsing van terrasschermen kan geenszins worden opgemaakt dat het actueel belang van de verzoekende partijen bij de vernietiging van het bestreden besluit teloorgaat, nu niets wordt gewijzigd aan de al dan niet rechtmatig vergunde toestand van de in deze zaak betwiste constructies. Nog daargelaten de vraag of de wijziging van het betrokken bijzonder plan van aanleg het belang van de verzoekende partijen bij de vernietiging van het bestreden besluit verloren zou doen gaan, wordt zulks door de eerste verwerende partij niet aangevoerd, laat staan geconcretiseerd. 3.3.
- De exceptie kan niet worden aangenomen.
- Ten gronde 4.1.
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van titel V, artikel 9D, derde en vierde lid van het bijzonder plan van aanleg “Kom der gemeente”, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 5 juni 1986 (hierna: het BPA). De verzoekende partijen stellen dat overeenkomstig de aangevoerde bepaling dakterrassen slechts op één meter van de scheidingsmuur zijn toegelaten, terwijl de door het bestreden besluit vergunde situatie op de eerste verdieping een dakterras omvat dat tot aan de scheidingsmuur reikt tussen de eigendom van de verzoekende partijen en de eigendom van de tussenkomende partij. Op de tweede verdieping wordt een terras vergund dat tot minder dan één meter van de scheidingsmuur reikt. 4.1.
- De eerste verwerende partij repliceert dat het bestreden besluit enkel een plat dak vergunt en geen dakterras, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, zoals ook kan worden opgemaakt uit het gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. De privacy van de verzoekende partijen komt door het bestreden besluit niet in het gedrang en de vergunningverlenende overheid heeft ten dezen de wet nageleefd. X-7846-8/12 4.1.
- De verzoekende partijen dupliceren dat uit het bestreden besluit inderdaad enkel blijkt dat een afwijking werd toegestaan voor wat betreft de dakhelling en niet voor wat betreft het inrichten van een terras, ondanks het feit dat titel V, artikel 9D, derde en vierde lid van het BPA het oprichten van terrassen binnen één meter van de scheidingsgrens verbiedt. Aangezien er geen afwijking werd toegestaan voor het inrichten van een dakterras, dat blijkens de door de verzoekende partijen voorgelegde technische nota wel degelijk is gebouwd, is het bestreden besluit strijdig met het BPA. 4.1.
- De tussenkomende partij argumenteert dat het oorspronkelijke ontwerp voldeed aan de stedenbouwkundige voorschriften, met uitzondering van een klein gedeelte plat dak dat evenwel geen invloed had op het aanwezige straatbeeld en de omgeving in het algemeen. Wat de verzoekende partijen een dakterras noemen, heeft hoofdzakelijk als bedoeling een vluchtweg te zijn ingeval van brand. Het werd overigens reeds in het oorspronkelijke plan goedgekeurd. Het bestreden besluit is bijgevolg wettig. 4.2.
- In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet). De verzoekende partijen stellen dat het bestreden besluit met toepassing van de aangevoerde bepaling een afwijking toestaat van artikel 9D, eerste lid van het BPA, voor wat betreft de hellingsgraad van de daken, teneinde een plat dak te vergunnen in plaats van een dak met een hellingsgraad tussen 30/ en 60/. De betrokken decretale bepaling laat evenwel niet toe af te wijken van het BPA, nu de afwijking betrekking heeft op lichten en uitzichten op naburige erven en niet op de in die bepaling opgesomde aangelegenheden. 4.2.
- De eerste verwerende partij formuleert in wezen dezelfde repliek als op het eerste middel. 4.2.
- De verzoekende partijen stellen dat de eerste verwerende partij de feiten ontkent die blijken uit de door hen voorgelegde technische nota. Er werd wel degelijk een dakterras ingericht dat tot aan de eigendomsgrens loopt, in strijd met de wetgeving op lichten en uitzichten. X-7846-9/12 4.2.
- De tussenkomende partij verwoordt in wezen dezelfde repliek als de eerste verwerende partij. 4.
- Blijkens de bij de regularisatieaanvraag gevoegde plannen heeft de toegestane afwijking op het BPA betrekking op wat op die plannen wordt aangeduid als een “platdak enkel voor onderhoud toegankelijk” en een “terrasje” aan de achterzijde van het gebouw op de eerste verdieping, alsook op een “ontoegankelijk afdak” en een “terrasje”, eveneens aan de achterzijde van het gebouw op de tweede verdieping. Aangezien die constructies blijken te verschillen van de situatie zoals die is weergegeven op de plannen gevoegd bij de oorspronkelijke bouwaanvraag, die heeft geleid tot de bouwvergunning van 5 december 1994 en aangezien het bestreden besluit de regularisatievergunning verleent “volgens het huidig goedgekeurd ontwerp”, moeten de zo-even opgesomde constructies geacht worden te zijn vergund door het bestreden besluit, in tegenstelling tot wat de eerste verwerende partij en de tussenkomende partij lijken voor te houden. 4.
- Titel V (“Gemengde zone”), artikel 9 (“Zone voor gemengde bebouwing”), punt d (“Daken”) van het BPA luidt als volgt: “Zone Z op het plan : - Schuine daken zijn verplicht, bij voorkeur zadeldak. De daknok kan evenwijdig zijn met de voorgevel. De dakhelling kan variëren tussen min. 30/ en max 60/. In het geval het hoofdgebouw owv de vorm niet door één enkel dakkap kan worden afgedekt moet het resterende gedeelte met een analoog hellend dak worden afgedekt. De maximum toegelaten nokhoogte is 7 m boven de kroonlijst. - Dakkapellen zijn toegelaten tot maximum 1,50 m breedte en 1,50 m hoogte op 1,00 m onderlinge afstand en op minimum 1,00 m afstand van het midden van de scheidingsmuur. - Venster in het dakvlak - maximum 1,50 m breed en 1,50 m hoog en op minimum 1,00 onderlinge afstand van het midden van een scheidingsmuur. - Dakterrassen zijn slechts toegelaten op minimum 1,00 (m) afstand van het midden van de scheidingsmuur of buiten gevels indien deze geïntegreerd zijn in de dakvorm. Borstweringen en andere uitstekende elementen dienen binnen hetzelfde gave dakvlak aangebracht te worden. - Schouwen worden ingeplant op minimum 2,00 m afstand van de voorgevel, maar bij voorkeur te paard op de daknok”. Punt e (“Uitsprongen”) bepaalt het volgende: “Op de vlakken vastgesteld door de bouwlijnen mogen meer dan 15 cm uitspringen :
- de kroonlijst tot maximum 50cm; X-7846-10/12
- in de open zijgevels van het hoofdgebouw enkel op de verdiepingen, een uitsparing van maximum 0,60 m diep, maar telkens op een minimum afstand van 2,40 m van de perceelsgrens;
- aan de voorgevel (...)
- aan de achtergevel op de verdieping een uitsprong van maximum 0,90 m diep en op minimum 1,00 m van de gemeenschappelijke muren en de breedte is beperkt tot 2/3 van de gevelbreedte”. 4.
- Uit punt 2.5 van het feitenrelaas blijkt dat de overeenkomstig artikel 49 van het gecoördineerde decreet toegestane afwijking van het BPA betrekking had op “een klein gedeelte plat dak aan de achterkant van het gebouw”, dat “in plaats van een dakhelling” zou mogen “variëren tussen minimum 30/ en maximum 60/”. Nu afwijkingen op het beginsel van de overeenstemming van vergunningen met de toepasselijke plannen strikt moeten worden geïnterpreteerd, moet de toegestane afwijking geacht worden betrekking te hebben op titel V, artikel 9, punt d, eerste streepje, dat onder meer voorschrijft dat schuine daken verplicht zijn met een helling tussen 30° en 60°. Er kan niet worden aangenomen dat de toegestane afwijking ook betrekking heeft op titel V, artikel 9, punt d, vierde streepje of punt e,
- Uit die laatste bepalingen vloeit voort dat voor dakterrassen en uitsprongen een afstand van ten minste één meter tot de scheidingsmuur in acht moet worden genomen. 4.
- Nu uit de plannen kan worden opgemaakt dat voor de in punt 4.4 opgesomde constructies, of ze nu als dakterras, dan wel als uitsprong beschouwd moeten worden, de minimale afstand van één meter tot de scheidingsmuur niet in acht werd genomen en er ter zake geen afwijking van het BPA werd toegestaan, is het bestreden besluit in de aangegeven mate strijdig met het BPA en moet het worden vernietigd. 4.
- Het eerste en het tweede middel zijn in de aangegeven mate gegrond. X-7846-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 1 april 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tessenderlo waarbij aan de n.v. CENTRUM VOOR MANAGEMENT EN SERVICE de vergunning wordt verleend voor de regularisatie voor het bouwen van een winkel en vijf appartementen te Tessenderlo, Gerhaegenstraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 852/n. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, elk voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-7846-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.861 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div