← België

Arrest 195862 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.862 Rolnummer: A. 78282/X-8091 Zaak: Arrest 195862 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-16 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:31 Fiche Arrest nr 195.862 van 9 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.862 van 9 september 2009 in de zaak A. 78.282/X-

  1. In zake : Cathy BUGGENHOUDT, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Cathy BUGGENHOUDT op 14 april 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 februari 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep tegen het besluit van 27 mei 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij de vergunning wordt geweigerd voor de regularisatie voor het bouwen van een loods, stallen en een woning te Meise, Lovegemstraat, kadastraal bekend sectie F, nr. 822/a en b; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 18 november 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-8091-1/11 Gelet op de beschikking van 1 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2009; Gehoord het verslag staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. WYCKAERT, die loco advocaat J. GHYSELS verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat G. BERVOETS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Feiten 1.
  4. Op 7 november 1996 ontvangt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise een vergunningsaanvraag van de verzoekster en haar echtgenoot voor “het bouwen van een loods voor opslag van aardappelen, stallen van landbouwmateriaal en woning”. Het bouwperceel is overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 goedgekeurde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
  5. Op 3 januari 1997 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies over de bouwaanvraag. Dit advies is gemotiveerd als volgt: “De bouwplaats is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij KB van 7 maart 1977, gelegen in het agrarisch gebied. Het ingediend project voorziet bouwen van een loods enkel voor stockage van aardappelen (eigen teelt en teelt op huurlanden), tevens het stallen van het machinepark en woning. Het gebouw heeft een voorgevelbreedte van 39 m en een bouwdiepte van 52 m. Dergelijk volume is niet in overeenstemming met de kleinschalige bebouwing die schaars aanwezig is in de ruime omgeving rond de bouwplaats. X-8091-2/11 De onmiddellijke omgeving van de bouwplaats is nog open. Het project betekent derhalve een verdere versnippering van de open ruimte. Bovendien zijn deze niet grondgebonden constructies strijdig met de planologische voorschriften gevoegd bij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse i.c. artikel 11 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. De afdeling Land van AMINAL bracht op 19 december 1996 een ongunstig advies uit. Niet-grondgebonden landbouwbedrijven moeten verwezen worden naar niet-homogene of structureel aangetaste agrarische gebieden, waar geen of minder schade kan berokkend worden aan de aanwezige of toekomstige landbouwstructuren. Aldus ONGUNSTIG om boven vernoemde redenen en besluit ik tot weigering van de bouwvergunning”. 1.
  6. Op 20 januari 1997 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise de gevraagde vergunning. 1.
  7. Op 27 mei 1997 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het administratief beroep dat was ingesteld door de echtgenoot van de verzoekster tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise en wordt de vergunning geweigerd. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat het advies van de afdeling Land als volgt luidt: ‘... Het betreft geen volwaardig agrarisch bedrijf. Het behelst een aanvraag voor een nieuwe bedrijfsinplanting in functie van aardappelopslag ten behoeve van een aardappelhandels- en aardappelverwerkend bedrijf onder de vorm van een BVBA met bedrijfszetel in de Palingstraat 24, en geleid door de aanvrager. De aanvrager baat dit bedrijf uit samen met een neef; zij beschikken samen reeds over twee bedrijfszetels. Naast zijn bovenvermelde activiteit laat de aanvrager een 14-tal ha aardappelen telen via loonwerk en contractteelt/seizoenpacht. De voorgestelde nieuwe inplanting kan geenszins als een volwaardig beroepslandbouwbedrijf aanzien worden. De hoofdactiviteit van de aanvrager is commercieel-ambachtelijk van aard en de uitgevoerde aardappelkweek- activiteit via loonwerk en contractteelt is een nevenactiviteit die op zich ook niet als een volwaardige beroepslandbouwactiviteit kan aanzien worden. Daarenboven beschikt de aanvrager reeds over een bedrijfszetel. Uit het oogpunt van een goede landinrichting is een nieuwe bedrijfsinplanting in agrarisch gebied geenszins verantwoord. De voormelde nevenactiviteit kan worden uitgebouwd bij een bestaande bedrijfszetel...’. Overwegende dat art. 11.4.1 van het KB van 28 december 1972 aangaande agrarische gebieden het volgende bepaalt: ‘... art. 4.
  8. De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzonder bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven...’. Overwegende dat nochtans dient gesteld dat dergelijke functie niet om het even waar in het agrarische gebied kan worden gesitueerd; dat bij de inplanting van nieuwe bedrijfsgebouwen steeds een betrachting moet bestaan deze aan te X-8091-3/11 sluiten bij een bestaande vestiging; en dat in het geval van een nieuw para-agrarische bedrijf moet geopteerd worden voor een inplanting in een reeds aangetast agrarisch gebied; Overwegende dat de betrokken percelen gelegen zijn aan de Lovegemstraat, een klein verbindingsstraatje tussen de Meuzegemstraat (hoofdstraat van het gehucht Meuzegem) en de Merchtemsesteenweg (verbinding Wolvertem-Merchtem); dat aansluitend bij het woonlint van de Meuzegemstraat aan de noordzijde van het wegje nog enkele woningen zijn gelegen; dat in de richting van de Merchtemsesteenweg ook nog enkele geïsoleerde woningen zijn gelegen, kleinschalig opgevat; dat de aanvraag een stuk grond betreft aan het meer dan 200 m lange onbebouwde gedeelte van de straat; Overwegende dat de dichtst bijzijnde bebouwing zich ongeveer op 100 m ten noorden van het betrokken perceel bevindt, ten noorden van de Meusegembeek; dat dit een groot geïsoleerd bedrijfscomplex betreft dat bereikbaar is langs de Lovegemstraat; dat de Meusegembeek ongeveer parallel loopt aan de Lovegemstraat en diep ingesneden in het landschap is gelegen, dat ze omgeven wordt door een natuurgebied; dat dit natuurgebied een groen lint vormt in het landschap en een dicht scherm van bomen (vnl. populieren) optrekt; dat de homogeniteit van het landschap aan de noordzijde van de beek werd aangetast door het grote bedrijf dat hier werd ingeplant; dat de zuidzijde echter tot nu gespaard bleef van grootschalige bebouwing; dat het niet wenselijk is een verdere structurele aantasting van het landschap toe te laten”. 1.
  9. Op 3 februari 1998 verwerpt de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het administratief beroep dat was ingesteld door de verzoekster en haar echtgenoot tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. De vergunning wordt opnieuw geweigerd. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen is in het agrarisch gebied; dat zulk gebied, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para-agrarische bedrijven; Overwegende dat het terrein in kwestie niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat de afdeling Land van A.M.I.N.A.L. op 19 december 1996 het volgende advies heeft geformuleerd : ‘... Het betreft geen volwaardig agrarisch bedrijf. Het behelst een aanvraag voor een nieuwe bedrijfsinplanting in functie van aardappelopslag ten behoeve van een aardappelhandels- en aardappelverwerkend bedrijf onder de vorm van een BVBA met X-8091-4/11 bedrijfszetel in de Palingstraat 24, en geleid door de aanvrager. De aanvrager baat dit bedrijf uit samen met een neef; zij beschikken samen reeds over twee bedrijfszetels. Naast zijn boven vermelde activiteit laat de aanvrager een 14-tal ha aardappelen telen via loonwerk en contractteelt/seizoenpacht. De voorgestelde nieuwe inplanting kan geenszins als een volwaardig beroepslandbouwbedrijf aanzien worden. De hoofdactiviteit van de aanvrager is commercieel-ambachtelijk van aard en de uitgevoerde aardappelkweekactiviteit via loonwerk en contractteelt is een nevenactiviteit die op zich ook niet als een volwaardige beroepslandbouwactiviteit kan aanzien worden. Daarenboven beschikt de aanvrager reeds over een bedrijfszetel. Uit het oogpunt van een goede landinrichting is een nieuwe bedrijfsinplanting in agrarisch gebied geenszins verantwoord. De voormelde nevenactiviteit kan worden uitgebouwd bij een bestaande bedrijfszetel’; Overwegende dat belanghebbende tijdens de hoorzitting bijkomende stukken heeft ingediend om aan te tonen dat mevrouw Lathouwers landbouwster is en een eigen bedrijf runt; dat haar bedrijf zelf aardappelen aanplant; het rooien gebeurt via loonwerk; dat bij het bestaande aardappelverwerkingsbedrijf B.V.B.A. Lathouwers er geen uitbreiding meer mogelijk is; dat de aanvraag stockage betreft; dat naar aanleiding van het neerleggen van deze documenten een bijkomend advies aan de afdeling Land werd gevraagd; Overwegende dat de afdeling Land op 24 december 1997 het bijkomende advies heeft gegeven : ‘... Uit de voorgelegde stukken blijkt niet dat op de nieuwe inplanting een volwaardig beroepslandbouwbedrijf zal worden uitgebaat. De aanvrager voorziet de teelt van aardappelen via loonwerk en contractteelt. Een dergelijke activiteit is niet te beschouwen als een beroepslandbouwactiviteit. De aanvrager kan geen echte pachtcontracten voorleggen maar enkel variabele en toevallige seizoenspachtcontracten. Bovendien vormen de geplande activiteiten een nevenactiviteit bij de hoofdactiviteit van de aanvrager nl. verhandelen en verwerken van aardappelen. Uit het oogpunt van een goede landinrichting is een nieuwe bedrijfsinplanting in het agrarisch gebied niet verantwoord. De voormelde nevenactiviteit dient te worden uitgebouwd bij één van de reeds bestaande bedrijfszetels van de B.V.B.A.’; Overwegende dat uit het stedenbouwkundig-technisch onderzoek blijkt dat het perceel in kwestie gesitueerd is binnen de driehoek gevormd door de Lovegemstraat, de Meusegemstraat en de Merchtemsesteenweg; dat de Meusegemstraat gedeeltelijk gelegen is in het woongebied met landelijk karakter; de ander 2 straten bevinden zich in het agrarisch gebied en zijn aan de kruispunten voorzien van vrijstaande verspreide bebouwing; dat het binnengebied in bovenvermelde driehoek nog niet werd aangesneden; dat de geplande werken dit relatief open landschap verder zullen versnipperen; dat dergelijke nieuwe inplanting door middel van een dusdanig omvangrijk volume, stedenbouwkundig onaanvaardbaar is; dat de realisatie van het gevraagde de plaatselijke aanleg niet ten goede zal komen; dat de aanvraag niet voor vergunning vatbaar is; dat het beroep van de particulier wordt verworpen”. X-8091-5/11
  10. Ontvankelijkheid 2.1.
  11. De verwerende partij stelt dat de bouwaanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit, werd ingediend door de verzoekster en haar echtgenoot, maar dat haar echtgenoot telkens alleen het administratief beroep bij de bestendige deputatie en bij de Vlaamse regering heeft ingesteld. Het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State wordt dan weer alleen door de verzoekster ingesteld. Geen van beiden hebben vermeld dat ze ook optraden namens de huwelijksgemeenschap en voor de Raad van State kan de verzoekster haar echtgenoot zeker niet vertegenwoordigen. Aangezien de verzoekster de administratieve beroepsprocedure niet blijkt te hebben uitgeput, kan zij niet op ontvankelijke wijze een annulatieberoep instellen. 2.1.
  12. De verzoekster is mede-eigenaar van het perceel waarop de bouwaanvraag betrekking heeft en heeft de oorspronkelijke bouwaanvraag mee ingediend. Nu uit de stukken van het dossier blijkt dat zij wel degelijk het administratief beroep heeft ingesteld dat heeft geleid tot het bestreden besluit, in tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, beschikt zij over de vereiste hoedanigheid. 2.1.
  13. De exceptie is niet gegrond. 2.2.
  14. Voorts betwist de verwerende partij de tijdigheid van het annulatieberoep. Ze stelt dat het bestreden besluit met een aangetekende brief van 10 februari 1998 aan de verzoekster ter kennis werd gebracht. Zij heeft deze brief ontvangen op 11 februari
  15. Het annulatieberoep is gedateerd op 14 april
  16. De stempel met de datum van ontvangst op de griffie is nauwelijks leesbaar, maar het beroep werd in elk geval laattijdig ingesteld. 2.2.
  17. Ook indien de verzoekster de brief heeft ontvangen op 11 februari 1998, is de vervaldag van de termijn van zestig dagen 12 april
  18. Aangezien die dag paaszondag was en de er op volgende dag paasmaandag, wordt de vervaldag van de termijn verplaatst naar 14 april
  19. Aangezien het annulatieberoep is verzonden bij een op 14 april 1998 ter post aangetekende brief, is het beroep tijdig ingesteld. 2.2.
  20. De exceptie is niet gegrond. X-8091-6/11
  21. Ten gronde 3.1.
  22. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) van de artikelen 9, 14, 18 en 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1997 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering (hierna: het delegatiebesluit) en van het zorgvuldigheidsbeginsel, alsook machtsoverschrijding. De verzoekster stelt dat het bestreden besluit ten onrechte uitging van de minister bevoegd voor Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting in de plaats van de minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, zonder dat deze plaatsvervanging is geregeld. De bevoegdheid om uitspraak te doen over administratieve beroepen inzake ruimtelijke ordening, die volgens artikel 53, § 2 van het gecoördineerde decreet toekomt aan de Vlaamse regering, werd overeenkomstig artikel 9, eerste lid, 2° van het delegatiebesluit toegewezen aan de minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening. Overeenkomstig artikel 14 van hetzelfde besluit oefent elke minister de aan hem gedelegeerde beslissingsbevoegdheden uit. Uit de artikelen 18 en 19 van hetzelfde besluit vloeit voort dat de ministers deze bevoegdheden niet kunnen overdragen aan een andere minister, behalve indien in geval van afwezigheid of verhindering een regeling voor de plaatsvervanging is getroffen. Het zorgvuldigheidsbeginsel gebiedt dat deze regeling in acht moet worden genomen. Het feit dat het bestreden besluit werd ondertekend door de minister bevoegd voor Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting zonder medeondertekening door de minister-president en zonder vermelding dat die ondertekening “namens de Vlaamse regering” gebeurde, waarbij ook niet blijkt dat de minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening afwezig of verhinderd was en hoe zijn plaatsvervanging is geregeld, komt neer op een schending van de aangehaalde bepalingen en beginselen. Het loutere feit dat in het bestreden besluit vermeld wordt dat de laatstgenoemde minister afwezig is, volstaat niet om aan te tonen dat hij werkelijk afwezig was en dat een regeling werd getroffen overeenkomstig de aangehaalde bepalingen van het delegatiebesluit. 3.1.
  23. Artikel 15, § 1, eerste lid, 1° van het delegatiebesluit luidt als volgt: “De leden van de Vlaamse regering hebben, ieder wat hem betreft, delegatie voor: X-8091-7/11 1° het nemen van beslissingen voor de toepassing van de verdragen, EG-verordeningen, wetten, decreten, koninklijke besluiten, ministeriële besluiten, verordeningen en besluiten van de Vlaamse regering, en samenwerkingsakkoorden; (...)”. Hieruit volgt dat elk lid van de Vlaamse regering bevoegd is voor het nemen van beslissingen in de hem opgedragen aangelegenheden. Uit het delegatiebesluit, noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de voorzitter van de Vlaamse regering dergelijke besluiten mee moet ondertekenen. In het bestreden besluit wordt de handtekening van de minister bevoegd voor Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting gevolgd door de vermelding “Voor Eddy Baldewijns, Vlaams Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, afwezig”. De verzoekster toont niet aan hoe hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat de laatstgenoemde minister niet afwezig was voor de toepasselijkheid van de door de verzoekster aangevoerde bepalingen van het delegatiebesluit. Die bepalingen voorzien in een regeling voor de plaatsvervanging van een afwezige of verhinderde minister, mede in het belang van de continuïteit van de openbare dienst. De verzoekster toont niet aan dat de toepassing van die regeling bijzondere formaliteiten inhoudt waarvan de niet-naleving de onwettigheid van het bestreden besluit tot gevolg kunnen hebben en die in casu niet werden nageleefd. Evenmin toont zij aan dat de plaatsvervanging voor de ondertekening van het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze is gebeurd. 3.1.
  24. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
  25. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 7, §§ 3 en 7 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning, van artikel 53 van het gecoördineerde decreet, van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het redelijkheidsbeginsel, alsook machtsafwending en de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke grondslag. De verzoekster argumenteert dat in de motieven van het bestreden besluit wordt gesteld dat de gevraagde werken “dit relatief open landschap verder zullen versnipperen” en dat aldus wordt verwezen naar een beleidsregel die werd overgenomen uit het richtinggevend deel van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) en dat ook in de adviezen van de afdeling Land op beleidsregels uit het RSV werd gesteund. Die beleidsregels worden in het bestreden besluit ingepast in het begrip “goede plaatselijke aanleg”. X-8091-8/11 In de eerste plaats vormt het RSV geen beoordelingsgrond voor vergunningsaanvragen en hebben de richtinggevende delen geen verordenende of bindende kracht. Door de beleidsregels uit het RSV over te nemen in het bestreden besluit, krijgen die beleidsregels alsnog bindende kracht. In de tweede plaats is ook het motief met betrekking tot het open landschap intrinsiek ondeugdelijk, omdat enerzijds wordt gesteld dat het landschap “relatief” open is en anderzijds dat het betrokken gebied niet aangesneden is. Het gebied is overigens wel degelijk reeds aangesneden, zoals blijkt uit een door de verzoekster opgesteld plan: zo bevindt zich op ongeveer 100 m van het betrokken perceel een groot bedrijfscomplex. In het advies van de gemachtigde ambtenaar en in het besluit van de bestendige deputatie wordt gesteld dat het om een nieuw para-agrarisch bedrijf gaat. Een dergelijk bedrijf moet juist worden ondergebracht in een niet-homogeen of structureel aangetast agrarisch gebied, zoals hier het geval is, waar geen of alleszins minder schade kan worden berokkend aan de aanwezige of toekomstige landbouwstructuren. Uit het bestreden besluit blijkt ten slotte niet dat het volume van de gevraagde werken geprimeerd zou hebben bij de beoordeling, maar dat het “relatief open landschap” het doorslaggevende motief is. 3.2.
  26. Het bestreden besluit blijkt de verwerping van het administratief beroep en de weigering van de gevraagde vergunning te hebben gebaseerd op de vaststelling dat de goede plaatselijke aanleg in het gedrang kwam, met name omdat het binnengebied van de driehoek die wordt gevormd door de Lovegemstraat, de Meusegemstraat en de Merchtemsesteenweg nog niet is aangesneden en mede gelet op het “omvangrijk volume” van de loods. Het door de verzoekster in de administratieve beroepsprocedure aangevoerde en het bij haar laatste memorie gevoegde plan is niet van aard de beoordeling in het bestreden besluit met betrekking tot het binnengebied te weerleggen, aangezien de aanwezigheid van gebouwen, bijna uitsluitend langs de rand van de driehoek, niet wegneemt dat het binnengebied wel degelijk als onbebouwd kan worden beschouwd. Voorts moet worden vastgesteld dat in het bestreden besluit nergens expliciet wordt verwezen naar het RSV en dat het verband dat de verzoekster bespeurt tussen de beoordeling van de goede plaatselijke ordening en het RSV alleszins niet van die aard is dat het bestreden besluit enige rechtskracht aan de door de verzoekster aangehaalde richtinggevende bepalingen van het RSV ontleent. De door de verzoekster gelaakte motieven vormen een zelfstandige en draagkrachtige beoordeling van de goede plaatselijke ordening. Dat die beoordeling X-8091-9/11 inhoudelijk overeenstemt met de beleidsregels van het RSV, doet geen afbreuk aan haar deugdelijkheid. 3.2.
  27. Het tweede middel is niet gegrond. 3.3.
  28. In een derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit). De verzoekster argumenteert dat het bestreden besluit de argumentatie van de afdeling Land overneemt waarin wordt gesteld dat de activiteit van de verzoekster geen beroepslandbouwactiviteit is. Aldus wordt een voorwaarde toegevoegd aan het bestemmingsvoorschrift voor agrarisch gebied, wat neerkomt op een schending van de betrokken bepaling van het inrichtingsbesluit. Het verwijt dat geen echte pachtcontracten kunnen worden voorgelegd, maar enkel “variabele en toevallige seizoenspachtcontracten” is niet relevant, nu het grondgebonden karakter noch de economische rentabiliteit bepalend is om te kunnen besluiten dat het al dan niet gaat om agrarische activiteiten. In het bedrijf van de verzoekster wordt aan aardappelteelt gedaan. De geplande werken sluiten hierbij aan en zijn dus verenigbaar met de bestemming als agrarisch gebied. 3.3.
  29. Uit de motivering van het bestreden besluit en uit de bespreking van het tweede middel blijkt dat het administratief beroep wordt verworpen omdat de aanvraag in strijd is met de goede plaatselijke ordening, gelet op het “relatief open landschap” in het nog niet aangesneden binnengebied en op het “omvangrijk volume” van de loods. De overweging waarin het kwestieuze bijkomende advies van de afdeling Land voorziet gaat vooraf aan de zo-even aangehaalde overweging en bevat voorts geen enkele beoordeling door de administratieve beroepsinstantie. De kritiek op een dergelijk verondersteld en alleszins overtollig motief kan niet leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit. 3.3.
  30. Het derde middel is onontvankelijk. X-8091-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  31. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  32. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-8091-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.862 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.