id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.929 Rolnummer: A. 168420/X-12604 Zaak: Arrest 195929 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-17 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:31 Fiche Arrest nr 195.929 van 10 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.929 van 10 september 2009 in de zaak A. 168.420/X-12.
- In zake : de b.v. COMACO AGRI, die woonplaats kiest bij advocaat R. TERWINGEN, kantoor houdende te 3630 MAASMECHELEN, Koninginnelaan 107 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v. COMACO AGRI op 6 december 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 17 oktober 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van haar beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg over haar beroep ingesteld tegen het besluit van 15 oktober 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen waarbij haar de stedenbouwkundige vergunning is geweigerd voor het bouwen van een woning en twee loodsen voor een landbouwbedrijf, op percelen gelegen te Maasmechelen, Weg naar Geneuth, kadastraal bekend sectie A, nrs. 4/b, 45/a, 45/b, 8/g, 11/c, 10/c,
- Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur P. T’KINDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; X-12.604-1/6 Gelet op de beschikking van 4 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. LOUF, die loco advocaat R. TERWINGEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat N. D’HAENENS, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- Op 12 augustus 2004 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij bij de gemeente Maasmechelen een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een woning en twee loodsen voor een landbouwbedrijf op percelen gelegen te Maasmechelen, Weg naar Geneuth, kadastraal bekend sectie A, nrs. 11/c, 10/c, 8/g, 4/b, 45/a, 45/b en
- 1.
- Die percelen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 1 september 1980 vastgestelde gewestplan Limburgs Maasland gelegen in agrarisch gebied. Ze zijn niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan en evenmin binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. 1.
- Na ongunstig advies van de afdeling Land (Land Limburg) van de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (hierna: AMINAL) op 31 augustus 2004 en na uitvoering van een openbaar onderzoek van 3 september 2004 tot en met 3 oktober 2004 -er werden twee bezwaren ingediend- heeft het X-12.604-2/6 college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen op 15 oktober 2004 de vergunning geweigerd wegens onverenigbaarheid met zowel de regelgeving inzake ruimtelijke ordening, als de goede plaatselijke ordening. 1.
- De verzoekende partij heeft op 10 november 2004 tegen dit besluit beroep ingediend bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg, die daarover evenwel geen beslissing heeft genomen binnen de decretaal bepaalde termijn. 1.
- Gezien het uitblijven van deze beslissing is de verzoekende partij op 29 april 2005 bij de Vlaamse regering in beroep gegaan. 1.
- Gelet op de argumentatie van de verzoekende partij in dat hoger beroep (naamsverwarring en stukken waaruit moet blijken dat het bedrijf wel leefbaar is) heeft de afdeling Land van AMINAL op 19 september 2005 een tweede advies verleend, dat ditmaal deels voorwaardelijk gunstig en deels ongunstig is. Ook de afdeling Water van AMINAL heeft advies verleend en dit in ongunstige zin. 1.
- Bij het bestreden besluit van 17 oktober 2005 heeft de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het beroep verworpen.
- Ontvankelijkheid van het beroep In haar memorie van antwoord poneert de verwerende partij louter dat “uit de stukken van verzoeker (niet) blijkt (...) dat haar bevoegd orgaan de beslissing heeft genomen om een annulatieberoep in te stellen (...)”. De verzoekende partij heeft stukken neergelegd met betrekking tot deze kwestie. De verwerende partij brengt geen enkel argument aan waaruit moet blijken dat de verzoekende partij niet op de correcte wijze in rechte is getreden. Zij heeft geen laatste memorie ingediend, hoewel in het auditoraatsverslag de “exceptie” wordt verworpen. Bijgevolg kan de loutere bewering van de verwerende partij niet als een rechtsgeldige exceptie worden in aanmerking genomen. X-12.604-3/6
- Gegrondheid van het beroep 3.
- Het aangevoerde eerste onderdeel van het tweede middel In een eerste onderdeel van het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) voorgeschreven formele motiveringsverplichting. Er zou in casu geen sprake zijn van een “afdoende”, zijnde een “pertinente” en “draagkrachtig(e)”, motivering. Zij betoogt daartoe dat in het bestreden besluit de beweerde schending van artikel 100, §1, tweede lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), op verkeerde feitelijke gegevens is gebaseerd. Zij poneert voorts, zonder nadere concrete toelichting, dat het volume van de kwestieuze dubbelwoonst slechts 1.026,17 m³ bedraagt en geenszins, zoals in het bestreden besluit is overwogen, meer dan 1.500 m³. 3.
- Beoordeling van het eerste onderdeel van het tweede middel De feitelijke premisse waarop de grief berust, wordt in het verzoekschrift niet concreet toegelicht. In de memorie van wederantwoord beperkt de verzoekende partij er zich toe de algemeen gekende formule ter berekening van het volume van een lichaam aan te geven. In de vergunningsaanvraag wordt door de verzoekende partij daarentegen zelf vermeld dat de volumes van de beide woningen respectievelijk 267,5 m³ en 1.483,6 m³ bedragen. In het auditoraatsverslag wordt het middelonderdeel verworpen, omdat het niet aan de organen van de Raad van State toekomt het middel nader uit te werken. Als reactie op dit verslag beperkt de verzoekende partij zich tot het louter vragen van de voortzetting van het geding. Er dient dan ook te worden besloten dat niet is aangetoond dat het middelonderdeel de noodzakelijke feitelijke grondslag heeft. 3.
- Verdere beoordeling van het beroep 3.3.
- Artikel 100, §1, tweede lid van het DRO bepaalt dat voor het bouwen of uitbreiden van een exploitatiewoning van een bedrijf in een daartoe volgens de voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan of gewestplan geschikt bestemmingsgebied, een stedenbouwkundige vergunning kan worden verleend voor X-12.604-4/6 een volume van maximum 1.000 m³, of 1.250 m³ in geval van bewoning door meer dan één met het bedrijf verbonden gezin. Gelet op het in dat artikel bepaalde maximumvolume en gelet op de beoordeling van het eerste onderdeel van het tweede middel, maakt de in het bestreden besluit vermelde schending van artikel 100, §1, tweede lid van het DRO een rechtsgeldig zelfstandig draagkrachtig motief uit tot het weigeren van de vergunningsaanvraag met betrekking tot de woningen, zodat de overige kritiek ter zake moet worden geacht overtollige motieven te betreffen waarvan de gebeurlijke onwettigheid niet tot de nietigverklaring kan leiden. 3.3.
- In de uiteenzetting van het tweede onderdeel van het eerste middel stelt de verzoekende partij dat het “vast staat dat het noodzakelijk is voor (haar) om twee loodsen en twee woningen voor haar exploitanten te kunnen bouwen opdat zij nog verder kan uitgroeien”. Daaruit blijkt dat de verzoekende partij haar aanvraag tot het bouwen van twee loodsen voor een landbouwbedrijf onlosmakelijk verbindt met de aanvraag tot woningbouw. Dit betekent dat het annulatieberoep haar slechts voordeel kan verschaffen en dat zij bij dit beroep bijgevolg slechts belang heeft, voor zover het de nietigverklaring van het gehele bestreden besluit kan teweegbrengen. Als zodanig volstaat de voormelde afwijzing van het enige middelonderdeel inzake een zelfstandig draagkrachtig motief voor de weigering van het woningaspect van de vergunningsaanvraag, namelijk het eerste onderdeel van het tweede middel, om het gehele beroep te verwerpen. Zoals hierboven vermeld heeft de verzoekende partij alleen een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. Zij biedt dus geen weerwoord tegen deze conclusie die haar reeds door het auditoraatverslag was tegengeworpen. Het eerste middel, evenals het tweede onderdeel van het tweede middel kunnen niet tot vernietiging leiden en zijn niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-12.604-5/6 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.604-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.929 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div