id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.992 Rolnummer: A. 97248/IX-2585 Zaak: Arrest 195992 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:32 Fiche Arrest nr 195.992 van 14 september 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.992 van 14 september 2009 in de zaak A. 97.248/IX-
- In zake : Geert VAN WONTERGHEM, die woonplaats kiest bij advocaat R. ROMBAUT, kantoor houdende te HOVE, Lintsesteenweg 740 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Geert VAN WONTERGHEM op 7 november 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - de beslissing die hem niet geslaagd verklaart voor de proef voor de toekenning van het brevet van expert bij een fiscaal bestuur - brevet boekhouden; - de impliciete weigering om hem als geslaagd te beschouwen en het voormelde brevet toe te kennen; Gelet op het arrest nr. 95.635 van 2 mei 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 28 juni 2001 door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; IX-2585-1/15 Gelet op de beschikking van 7 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. ROMBAUT die verschijnt voor de verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
- De verzoeker nam in 1993 een eerste maal deel aan de proeven voor de toekenning van het brevet van expert bij een fiscaal bestuur - brevet boekhouden. Deze proeven bestonden uit drie delen: twee schriftelijke delen en een mondeling gedeelte. In de dienstnota van 19 maart 1993, waarbij de proeven werden aangekondigd, waren de volgende vermeldingen opgenomen over mogelijke vrijstellingen voor een volgende sessie: “Een systeem van onbeperkte vrijstelling wordt evenwel ingevoerd voor het schriftelijk gedeelte van zodra een kandidaat 60% van de punten behaalt: - hetzij enkel voor de eerste proef van het schriftelijk gedeelte; - hetzij voor het geheel van de proeven van het schriftelijk gedeelte. Op verzoek van de kandidaat kan voor een volgende sessie vrijstelling verleend worden; in het ene geval, voor de eerste proef van het schriftelijk gedeelte en, in het andere geval, voor alle proeven van het schriftelijk gedeel- te.” De verzoeker slaagt in de eerste schriftelijke proef met 15,6/
- Hij neemt evenwel niet verder deel aan de volgende proeven. 1.
- In de loop van 1997 worden opnieuw proeven voor toekenning van het voormelde brevet van expert ingericht. In de dienstnota van 29 mei 1997 IX-2585-2/15 wordt de vrijstellingsregeling die vervat was in de dienstnota van 19 maart 1993 volledig hernomen. Er wordt evenwel bijkomend gespecifieerd dat de kandidaten die zijn vrijgesteld voor het volledige schriftelijk gedeelte 60% (in plaats van 50%) dienen te behalen op het mondeling gedeelte om het brevet te verkrijgen. De verzoeker schrijft zich in en vraagt vrijstelling voor de eerste proef van het schriftelijk gedeelte. In het proces-verbaal van 31 augustus 2000 wordt hij niet geslaagd verklaard omdat hij geen 60% heeft behaald op het totaal van het examen. Dit wordt hem meegedeeld met een brief van 4 september 2000 waarin zijn resultaat als volgt wordt beschreven: “vakken vereist bekomen minimum punten --------- ------------ ----------- boekhoudrecht/ basisprincipes van boekhouden 10/20 vrijg. algemeen boekhouden 40/80 54,48 Analyse jaarrekeningen of onderzoek van een boekhoudsituatie expertise geautomatiseerd boekhouden analytisch boekhouden 50/100 50 TOTAAL 120/200116 ” 1.
- Met een aangetekende brief van 8 september 2000 reageert de verzoeker op zijn resultaat. Hij meent uit de opgegeven punten te moeten afleiden dat voor de eerste schriftelijke proef waarvoor hij was vrijgesteld slechts 12/20 in rekening werd gebracht, terwijl hij voor die proef in 1993 15,6/20 had behaald. Hij argumenteert dat uit de circulaire van 16 juli 1997 niet blijkt dat bij de vrijstelling voor het eerste deel van de schriftelijke proef de werkelijk behaalde punten niet zouden meegeteld worden voor het eindtotaal. Indien die circulaire duidelijk zou vermeld hebben dat die punten niet zouden meetellen dan had hij zeker geen gebruik gemaakt van de geboden vrijstelling. IX-2585-3/15 1.
- Met een brief van 29 september 2000, verbeterd door een brief van 11 oktober 2000, antwoordt de verwerende partij aan de verzoeker dat het principe dat bij vrijstelling de punten die voor het vrijgestelde gedeelte werden verkregen niet meer worden meegeteld voor het eindtotaal, uniform toegepast wordt in alle examenprocedures met mogelijke vrijstelling die worden georganiseerd door SELOR of door het ministerie van Financiën bij delegatie door SELOR. Er wordt aan de verzoeker ook meegedeeld dat voor de vrijgestelden voor de eerste schriftelijke proef de punten verkregen op de tweede schriftelijke proef en op de mondelinge proef vermenigvuldigd werden met 20/
- Gegrondheid van het beroep 2.
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”, minstens van het gelijkheidsbeginsel, doordat de verwerende partij haar eigen regels niet heeft nageleefd. Hij betoogt dat de dienstnota betreffende de organisatie van de proeven voor de toekenning van het brevet geen enkele aanwijzing bevat dat er bij het berekenen van het vereiste minimum geen rekening zal worden gehouden met de resultaten waarvoor een vrijstelling werd verleend. Die nota vermeldt integendeel uitdrukkelijk dat de resultaten behaald op de eerste schriftelijke proef voor 10% of 20 punten van de 200 in aanmerking worden genomen. 2.
- De verwerende partij antwoordt dat in de omzendbrief enkel wordt gesteld dat de verzoeker vrijgesteld kan worden van het afleggen van een examengedeelte, maar dat nergens wordt gesteld dat die vrijstelling ook meebrengt dat verder rekening moet worden gehouden met de effectief behaalde punten op die proef. Zij stelt dat uit de bewoordingen van artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 maart 1993, die zijn overgenomen in de omzendbrief, blijkt dat de vrijstelling een loutere ontheffing inhoudt van de plicht om de proef nogmaals af te leggen. In zulk geval is het volgens haar niet onredelijk dat bij de eindbeoordeling over het geheel van het examen geen rekening wordt gehouden met de proeven die door de kandidaat niet opnieuw moesten worden afgelegd. Zij wijst erop dat dit principe uniform wordt toegepast voor alle examens georganiseerd door Selor of door het ministerie van Financiën bij delegatie door Selor. IX-2585-4/15 2.
- De verzoeker repliceert dat indien het slechts de bedoeling was om kandidaten voor een examenonderdeel een vrijstelling te verlenen, zonder het behaalde resultaat voor dat onderdeel over te dragen, dit uitdrukkelijk zo bepaald had moeten worden in het koninklijk besluit van 11 maart 1993 en in het daaruit voortvloeiende examenbericht, in het bijzonder nu de begrippen “vrijstelling” en “overdracht” de facto door elkaar worden gebruikt en aldus een onduidelijke betekenis hebben. Bij gebreke van een duidelijke bepaling wordt volgens hem afbreuk gedaan aan het legaliteitsbeginsel inzake examens. De verzoeker betoogt dat volgens de toonaangevende doctrine een vrijstelling gepaard gaat met de overdracht van de examencijfers wanneer dit plaatsvindt binnen dezelfde opleiding. Een loutere vrijstelling zonder overdracht van de examencijfers wordt volgens hem slechts toegepast over verschillende opleidingen heen. Nu het te dezen examens betreft binnen dezelfde opleiding en de verwerende partij heeft nagelaten een en ander op transparante wijze aan te geven, kon hij er rechtens van uitgaan dat de overdracht van de examencijfers werd beoogd. Dit leidt hij tevens af uit de uitdrukkelijke vermelding dat de vrijstelling wordt toegekend ten gunste van kandidaten die erom verzoeken, vermelding die volgens hem logischerwijze beoogt dat kandidaten op basis van de hen ter beschikking staande informatie een afweging kunnen maken tussen het overdragen van de behaalde examencijfers en het opnieuw afleggen van de proef teneinde een hogere score te behalen. 2.4.
- Uit het resultaat dat aan de verzoeker is meegedeeld blijkt dat deze is vrijgesteld voor het onderdeel “boekhoudrecht/basisprincipes van boekhouden”, dat de eerste proef van het schriftelijk gedeelte vormt. Voor de tweede proef van het schriftelijk gedeelte en voor de mondelinge proef samen behaalt hij 104,48/180 (54,48 + 50). Teneinde het eindresultaat te kennen op een totaal van 200 punten, wordt zijn score van 104,48 vermenigvuldigd met 20/18, wat resulteert in een eindtotaal van 116,08/200, afgerond 116/
- Er is dus voor de berekening van het eindresultaat geen rekening gehouden met de eerste proef van het schriftelijk gedeelte waarvoor de verzoeker een vrijstelling genoot. Indien voor de berekening van het eindresultaat wel degelijk rekening zou zijn gehouden met de proef waarvoor de verzoeker de vrijstelling genoot, en zijn score van 104,48/180 op de twee andere onderdelen dus niet vermenigvuldigd zou zijn met 20/18, maar wel opgeteld bij het door hem behaalde resultaat van 15,6/20 voor de vrijgestelde proef, dan zou hij in totaal 120,08/200 behaald hebben, en dus geslaagd zijn. IX-2585-5/15 2.4.
- Artikel 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 11 maart 1993 betreffende het brevet van expert bij een fiscaal bestuur, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, luidt als volgt: “De gegadigde die geslaagd is met minstens 60 % van de punten voor ofwel de eerste proef van het schriftelijk gedeelte ofwel voor het schriftelijk gedeelte, wordt bij zijn deelneming aan een latere proef, vrijgesteld voor respectievelijk die eerste proef of dat schriftelijk gedeelte indien hij erom verzoekt.” De dienstnota van 29 mei 1997 vermeldt inzake het verlenen van vrijstellingen het volgende: “4.
- De omzendbrief van 19 maart 1993 (...) voorzag een systeem van onbeperkte vrijstelling voor het schriftelijk gedeelte van zodra een kandidaat 60% van de punten behaalt: - hetzij enkel voor de eerste proef van het schriftelijk gedeelte; - hetzij voor het geheel van de proeven van het schriftelijk gedeelte. Op verzoek van de kandidaat kan voor de huidige sessie vrijstelling verleend worden; in het eerste geval, voor de eerste proef van het schriftelijk gedeelte en in het tweede geval, voor beide proeven van het schriftelijk gedeelte. (...) De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de kandidaten, vrijgesteld van het geheel van het schriftelijk gedeelte, 60 % van de punten op het mondeling gedeelte moeten behalen om het brevet te verkrijgen.” Noch in artikel 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 11 maart 1993, noch in de dienstnota wordt gesteld dat met de eerste schriftelijke proef rekening wordt gehouden bij de bepaling van het eindresultaat, wanneer een vrijstelling wordt genoten voor die proef. Er is integendeel niets bepaald inzake de berekening van het eindtotaal voor het geval een vrijstelling wordt genoten voor de eerste schriftelijke proef. De verzoeker kan dan ook niet worden gevolgd waar hij stelt dat de verwerende partij haar eigen regels niet heeft nageleefd. 2.4.
- Voor zover de verzoeker de schending van het “legaliteitsbeginsel in examens” inroept, op grond van de onduidelijkheid van het koninklijk besluit van 11 maart 1993, betreft dit een nieuw middel dat niet van openbare orde is. Dat middel kan niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de laatste memorie worden aangevoerd. IX-2585-6/15 2.4.
- Het middel kan niet worden aangenomen. 3.
- In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Hij betoogt dat, gelet op het feit dat het aan de universiteiten en de hogescholen de algemene regel is dat bij vrijstelling voor bepaalde vakken de voor die vakken behaalde punten overgedragen worden en gelet op de vermelding in de dienstnota dat de punten van de eerste schriftelijke proef voor 20 van de 200 punten meetellen, hij erop mocht vertrouwen dat bij de berekening van het eindresultaat rekening zou worden gehouden met de door hem op de eerste proef effectief behaalde punten. Hij stelt dat indien de dienstnota duidelijk zou hebben vermeld dat met de punten van de eerste proef geen rekening wordt gehouden, quod non, hij geen gebruik zou hebben gemaakt van de geboden vrijstelling. 3.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker niet aantoont dat er een vaste gedrags- of beleidsregel zou bestaan die inhoudt dat bij een examen rekening moet worden gehouden met resultaten behaald naar aanleiding van een vorig examen. Uit artikel 5, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1992 houdende vaststelling, voor de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, van de berekeningswijze van de studiepunten en van de minimale voorwaarden van overdracht van examencijfers en van de voorwaarden voor het aanvullen van een jaarprogramma met opleidingsonderdelen van een volgend jaarprogramma, en uit artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juli 1995 betreffende de organisatie van de examens in de hogescholen van de Vlaamse Gemeenschap, leidt zij af dat de overdracht van punten in het hoger onderwijs aan strikte voorwaarden is gebonden en niet kan worden beschouwd als een gedragsregel met algemene strekking. 3.
- De verzoeker repliceert dat moeilijk kan worden verondersteld dat de federale regelgever zich dient te bedienen van besluiten van de Vlaamse regering om een eigen beleidsregel als geldend te laten aanzien. Het citeren van regelgeving specifiek in de onderwijscontext illustreert volgens de verzoeker alleen maar de noodzaak aan een specifieke regeling. De verzoeker herhaalt dat indien het slechts de bedoeling was om kandidaten voor een examenonderdeel een vrijstelling te verlenen, zonder het behaalde resultaat voor dat onderdeel over te dragen, dit uitdrukkelijk zo bepaald IX-2585-7/15 had moeten worden in het koninklijk besluit van 11 maart 1993 en in het daaruit voortvloeiende examenbericht, in het bijzonder nu de begrippen “vrijstelling” en “overdracht” de facto door elkaar worden gebruikt en aldus een onduidelijke betekenis hebben. Bij gebreke van een duidelijke bepaling wordt volgens hem afbreuk gedaan aan het legaliteitsbeginsel inzake examens. De verzoeker herhaalt ook dat volgens de toonaangevende doctrine een vrijstelling gepaard gaat met de overdracht van de examencijfers wanneer dit plaatsvindt binnen dezelfde opleiding. Een loutere vrijstelling zonder overdracht van de examencijfers wordt volgens hem slechts toegepast over verschillende opleidingen heen. Nu het te dezen examens betreft binnen dezelfde opleiding en de verwerende partij heeft nagelaten een en ander op transparante wijze aan te geven, kon hij er rechtens van uitgaan dat de overdracht van de examencijfers werd beoogd. Dit leidt hij tevens af uit de uitdrukkelijke vermelding dat de vrijstelling wordt toegekend ten gunste van kandidaten die erom verzoeken, vermelding die volgens hem logischerwijze beoogt dat kandidaten op basis van de hen ter beschikking staande informatie een afweging kunnen maken tussen het overdragen van de behaalde examencijfers en het opnieuw afleggen van de proef teneinde een hogere score te behalen. 3.4.
- Het vertrouwensbeginsel is een beginsel van behoorlijk bestuur dat beoogt te vermijden dat te kort wordt gedaan aan de rechtmatige verwachtingen die de burger uit het bestuursoptreden put. Dit beginsel houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan. De verzoeker toont niet aan dat de federale overheid bij haar examenpraktijk in het verleden een vaste gedragslijn aanhield waarbij zij voor de bepaling van het eindresultaat wel degelijk rekening hield met de examenonderdelen waarvoor een vrijstelling was verleend. De verwerende partij stelt integendeel dat het principe dat de punten behaald op examenonderdelen waarvoor een vrijstelling wordt genoten, niet meer worden meegeteld voor het eindtotaal, uniform wordt toegepast in alle examenprocedures met mogelijke vrijstelling die worden georganiseerd door SELOR of door het ministerie van Financiën bij delegatie door SELOR. Zelfs indien de verzoeker terecht zou stellen dat aan de universiteiten en de hogescholen de algemene regel geldt dat de behaalde punten voor vrijgestelde examenonderdelen worden overgedragen, dan nog betekent dit geenszins dat de IX-2585-8/15 principes die gelden op Vlaams niveau ook zouden gelden voor examens die worden georganiseerd door de federale overheid. Evenmin blijkt dat de overheid dienaangaande enige belofte heeft gedaan in het concrete geval van de verzoeker. Voor zover de verzoeker de schending aanvoert van het vertrouwensbeginsel, faalt het middel naar recht. 3.4.
- Het beginsel van de rechtszekerheid vereist dat de burger zijn rechten en de op hem rustende verplichtingen met de vereiste precisie kan kennen en dat hij de gevolgen van zijn handelingen kan voorzien. Het rechtszekerheidsbeginsel omvat derhalve de vereiste van voorzienbaarheid en toegankelijkheid van het recht waardoor het voor de rechtzoekende in redelijke mate mogelijk moet zijn de gevolgen van een bepaalde handeling te voorzien. Bij de bespreking van het eerste middel is gebleken dat noch het koninklijk besluit van 11 maart 1993, noch de dienstnota van 29 mei 1997 verduidelijkt of er voor de bepaling van het eindresultaat al dan niet rekening wordt gehouden met de eerste schriftelijke proef wanneer daarvoor een vrijstelling wordt genoten. Deze onduidelijkheid heeft er volgens de verzoeker toe geleid dat hij de gevolgen van de vrijstelling verkeerd heeft ingeschat en dat hij er meer bepaald is vanuit gegaan dat de punten behaald voor die proef zouden worden meegeteld voor het eindresultaat. De verzoeker stelt dat hij mits duidelijke informatie ter zake nooit gebruik zou hebben gemaakt van de geboden vrijstellingsmogelijkheid. Het feit dat voormeld besluit en voormelde dienstnota geen uitsluitsel bieden inzake de gevolgen van die vrijstelling voor de berekening van het eindresultaat, betekent evenwel niet dat niet zou zijn voldaan aan de vereiste van voorzienbaarheid en toegankelijkheid van het recht. Met name stond het de verzoeker vrij om zich bij de verwerende partij te vergewissen van die gevolgen. De verzoeker heeft dit niet gedaan, en is er zonder meer vanuit gegaan dat de behaalde punten voor die proef zouden worden meegeteld voor het eindresultaat. Aldus heeft hij aan die vrijstelling gevolgen verbonden die weliswaar niet worden tegengesproken door voormeld besluit en dienstnota, maar evenmin daarin steun vinden. IX-2585-9/15 De verzoeker argumenteert dat de uitdrukkelijke vermelding dat de vrijstelling wordt toegekend ten gunste van kandidaten die erom verzoeken, een vermelding is die logischerwijze beoogt dat kandidaten op basis van de hen ter beschikking staande informatie een afweging kunnen maken tussen het overdragen van de behaalde examencijfers en het opnieuw afleggen van de proef teneinde een hogere score te behalen. Hij gaat echter voorbij aan de betekenis van de bedoelde vermelding in het licht van de bedoeling van de verwerende partij. Met name kunnen kandidaten een afweging maken tussen het niet opnieuw afleggen van de proef, met als gevolg dat bij de berekening van het eindresultaat met die proef, geen rekening wordt gehouden, en het opnieuw afleggen van die proef met als gevolg dat bij de berekening van het eindresultaat wel degelijk met die proef rekening wordt gehouden. Voor zover de verzoeker de schending aanvoert van het rechtszekerheidsbeginsel, faalt het middel dan ook naar recht. 3.4.
- Voor zover de verzoeker de schending van het legaliteitsbeginsel inroept, gaat het om een nieuw middel. Om de redenen hiervóór gegeven in verband met een gelijkaardig middel (overweging 2.4.3.), is het middel onontvankelijk. 3.4.
- Het middel faalt naar recht. 4.
- In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij voert aan dat de verwerende partij hem ongelijk behandeld heeft ten opzichte van de niet-vrijgestelde kandidaten omdat het resultaat dat door de niet-vrijgestelde kandidaten op de eerste proef wordt behaald wél wordt meegeteld voor de berekening van het totaal resultaat, terwijl zijn resultaat op de eerste proef uit 1993, waarvoor hij thans is vrijgesteld, niet wordt meegeteld, en dit ofschoon de proeven van 1993 gelijkwaardig zijn aan die van
- Hij betoogt dat indien het resultaat van zijn eerste proef wel was meegerekend, hij 120,08 op 200 behaald zou hebben en bijgevolg het brevet van expert bij een fiscaal bestuur zou hebben verkregen. 4.
- De verwerende partij antwoordt dat alle kandidaten voor een bepaald examen, of zij nu vrijgesteld zijn voor een onderdeel van het examen of niet, IX-2585-10/15 op dezelfde manier behandeld worden doordat enkel rekening wordt gehouden met de op dat examen behaalde punten. Zij stelt dat één en ander in het licht van het koninklijk besluit van 11 maart 1993 betreffende het brevet van expert bij een fiscaal bestuur niet onredelijk is, zodat er geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. 4.
- In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat waar de auditeur- verslaggever schrijft dat het verschil in behandeling tussen de kandidaten die het examen in één keer hebben afgelegd en vrijgestelden berust op een objectief criterium, met name het feit dat het examen voor de kandidaten die vrijstelling genieten niet bestaat uit evenveel proeven als voor de kandidaten die geen vrijstelling genieten, dit volgens de verzoeker geen pertinent criterium is. Er wordt enkel verwacht dat men een bepaalde beroepskennis kan staven, er wordt nergens gesteld dat dit binnen een bepaalde termijn dient te gebeuren. 4.4.
- De verzoeker roept de schending in van het grondwettelijk gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. 4.4.
- Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen of een gelijke behandeling van niet-vergelijkbare gevallen verboden is, tenzij daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet- discriminatie, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, sluiten immers niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de terzake geldende beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 4.4.
- Te dezen wordt een onderscheid gemaakt tussen de kandidaten die geen vrijstelling voor de eerste schriftelijke proef kunnen laten gelden en zij die dit wel kunnen. Voor de eerste categorie wordt voor de berekening van het eindresultaat rekening gehouden met die proef. Voor de tweede categorie wordt voor de bepaling van het eindresultaat geen rekening gehouden met die proef. IX-2585-11/15 Deze ongelijke behandeling is evenwel gesteund op een objectief criterium. Met name genieten de kandidaten van de tweede categorie een vrijstelling ingevolge een proef die zij in het verleden met succes hebben afgelegd en waardoor het nieuwe examen voor hem slechts twee onderdelen omvat. De kandidaten van de eerste categorie hebben geen dergelijke vrijstelling verkregen en zij dienen bijgevolg een proef meer af te leggen. Er bestaat bovendien een pertinente verantwoording voor de ongelijke behandeling. Met name wordt voor beide categorieën van kandidaten bij de berekening van het eindresultaat enkel rekening gehouden met de proeven afgelegd tijdens de nieuwe examensessie en dus vóór een nieuw samengestelde jury. In het bijzonder bestaat er ook een pertinente verantwoording om het gunstig resultaat voor de vrijgestelde proef niet mee in aanmerking te nemen voor de berekening van het eindresultaat, nu door middel van vrijstellingen de inspanningen om te slagen in een examen gespreid kunnen worden in de tijd. 4.4.
- Het middel faalt naar recht. 5.
- In een vierde middel voert de verzoeker de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij stelt dat het louter vermelden van het puntenresultaat, met onder meer de notulering “vrijg.”, in voorliggende situatie niet toereikend is, omdat hij door geen enkele logische redenering kan invullen wat de redenering van de jury is geweest. Voorts betoogt hij dat de examencommissie hem het brevet had moeten toekennen, vermits zij hem voor de eerste schriftelijke proef de score van 15,6/20 had toegekend en hij bijgevolg voor de drie proeven samen een score had van meer dan 120/
- De door de verwerende partij a posteriori aangevoerde motieven dat de punten voor de eerste schriftelijke proef niet mogen worden meegeteld omdat niet alle deelnemers identiek dezelfde eerste proef zouden hebben afgelegd en dat het door haar gehanteerde principe uniform zou worden toegepast in alle examenprocedures, zijn volgens hem niet pertinent, minstens onjuist en laattijdig. IX-2585-12/15 5.
- De verwerende partij antwoordt dat uit de mededeling van 4 september 2000 blijkt dat de verzoeker voor de eerste proef was vrijgesteld en dat er geen rekening is gehouden met de in een vroeger examen behaalde punten. Ook de omrekening van het aantal behaalde punten op 180 naar het aantal behaalde punten op 200 is volgens haar duidelijk. Zij stelt dat voor zover daarover onduidelijkheid bestond bij de verzoeker, op zijn vraag daarover toelichting is verschaft. 5.3.
- De verzoeker roept de schending in van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De artikelen 2 en 3 van die wet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 5.3.
- Uit de dienstnota van 29 mei 1997 en uit de brief van 4 september 2000 waarmee aan de verzoeker zijn resultaat wordt meegedeeld, blijkt dat de eerste schriftelijke proef betrekking had op boekhoudrecht en op de basisprincipes van boekhouden, dat de tweede schriftelijke proef betrekking had op algemeen boekhouden, en dat de mondelinge proef betrekking had op de analyse van jaarrekeningen of op het onderzoek van een boekhoudsituatie, op expertise, op geautomatiseerd boekhouden en op analytisch boekhouden. De proeven waaraan de verzoeker heeft deelgenomen, moeten dan ook duidelijk als kennisproeven worden aangemerkt. In een dergelijk geval kan het puntenaantal op zich de examenuitslag IX-2585-13/15 deugdelijk onderbouwen en volstaat dit om te voldoen aan de formele verplichtingen volgend uit de wet van 29 juli
- Uit voormelde brief van 4 september 2000 blijkt dat het vereiste eindminimum 120/200 bedraagt en dat de verzoeker niet geslaagd is omdat hij als totaalscore slechts 116/200 heeft behaald. Uit die brief blijkt ook dat de verzoeker voor de eerste schriftelijke proef vrijgesteld (“vrijg.”) was, op de tweede schriftelijke proef 54,48/80 scoorde en op de mondelinge proef 50/100 scoorde. Met brieven van 29 september en 11 oktober 2000, dit is vóór het verstrijken van de termijn voor het instellen van een beroep bij de Raad van State, heeft de verwerende partij dit resultaat bovendien aan de verzoeker verduidelijkt. Met name heeft zij hem meegedeeld dat de punten behaald op het examenonderdeel waarvoor een vrijstelling is verleend niet meer worden meegeteld voor het eindtotaal en dat voor de vrijgestelden voor de eerste schriftelijke proef de punten verkregen op de tweede schriftelijke proef en op de mondelinge proef vermenigvuldigd werden met 20/
- Deze informatie liet de verzoeker toe zijn eindcijfer van 116/200 volledig te reconstrueren. 5.3.
- Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-2585-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 september 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2585-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.992 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.95.635 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.