id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.994 Rolnummer: A. 162615/X-12318 Zaak: Arrest 195994 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-21 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:32 Fiche Arrest nr 195.994 van 14 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.994 van 14 september 2009 in de zaak A. 162.615/X-12.
- In zake :
- Frans TUTENEL,
- Godelieve THIRION, die woonplaats kiezen bij advocaat F. DE PRETER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te 3080 TERVUREN, Merenstraat
- tussenkomende partijen :
- de heer HOUWAERTS,
- mevrouw GOEDHUYS, die woonplaats kiezen bij advocaat J. STIJNS, kantoor houdende te 3001 LEUVEN, Ubicenter, Philipssite
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans TUTENEL en Godelieve THIRION op 19 mei 2005 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 maart 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant “waarbij het beroep, van de heer en mevrouw Hauwaerts-Goedhuys tegen de weigering van het college van burgemeester en schepenen van de Stad Leuven van 10 juli 2003 van een stedenbouwkundige vergunning voor het wijzigen van een bouwvergunning van 14 december 2000, verbouwen van een werkplaats op een perceel grond aan de Kardinaalstraat 22-22a te 3000 LEUVEN, voorwaardelijk wordt ingewilligd”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 2 augustus 2005 ingediend door de heer HAUWAERTS en mevrouw GOEDHUYS; X-12.318-1/10 Gelet op de beschikking van 22 september 2005 die de tussenkomst van de heer HAUWAERTS en mevrouw GOEDHUYS toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat D. SOCQUET, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN KERCKHOVEN, die loco advocaat J. STIJNS verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De gegevens van de zaak 1.
- De verzoekende partijen zijn eigenaar van twee woningen aan de J.P. Minckelersstraat nr. 81 en 77 te Leuven. Zij bewonen zelf de woning op het nr.
- X-12.318-2/10 1.
- Op 15 juni 2000 bekomen de tussenkomende partijen vanwege het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven een stedenbouwkundige vergunning voor verbouwings-, slopings- en nieuwbouwwerken aan een woning gelegen aan de Kardinaalstraat 22-22a te Leuven. Blijkens die vergunning wordt aan het bestaande werkhuis, gelegen achter de woning nr. 22 en ingeplant op circa 2 meter van de woning J.P. Minckelersstraat nr. 77, niets gewijzigd. 1.
- Op 4 april 2003 (datum van het ontvangstbewijs) vragen de tussenkomende partijen aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven een stedenbouwkundige vergunning voor het “verbouwen van werkplaats; wijziging bouwtoelating”. 1.
- Op 10 juli 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven de vergunning omdat “de bestemming van het bijgebouw wijzigt van een werkplaats naar een loft met garage” en het “creëren van een bijgebouw met een woongelegenheid op de verdieping in de zone voor tuinen (...) niet (kan) aanvaard worden”. 1.
- Ingevolge het beroep van de tussenkomende partijen tegen deze weigeringsbeslissing, verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant op 11 maart 2004 de vergunning onder voorwaarden, onder meer dat het “gebruik van het atelier als bijkomende woongelegenheid is uitgesloten”. Dit is het bestreden besluit.
- De ontvankelijkheid 2.1.
- De verzoekende partijen stellen het volgende aangaande de ontvankelijkheid ratione temporis van hun beroep : “
- De aanvragers beginnen in de loop van de maand december met een aantal afbraakwerken aan het werkhuis. Het gaat hierbij niet noodzakelijk om aan een vergunning onderworpen werken, omdat het afbreken van een vrijstaand achtergebouw vrijgesteld is van een vergunning. De verzoekende partijen zijn in elk geval van mening dat het hier louter gaat om een afbraak, die kadert in de werken die reeds onder de eerdere vergunning vallen. Pas in de loop van de maand januari wordt duidelijk dat er niet enkel afgebroken, maar ook opgebouwd wordt. Zij hebben zich eind januari gaan bevragen op de diensten van de Stad Leuven, en hebben er aan het loket X-12.318-3/10 gevraagd of zij kennis hadden van een vergunning voor een verbouwing van dit werkhuis. De verzoekende partijen willen benadrukken dat de loketbediende op dat ogenblik enkel melding heeft gemaakt van de vergunning van 15 juni
- De loketbediende heeft de vergunning die op 11 maart 2004 in graad van beroep werd verleend niet kunnen terugvinden in zijn informatiesysteem. Dit probleem, dat zich later nog heeft voorgedaan (zie verder) is allicht te wijten aan het feit dat er normaal enkel gezocht wordt naar aanvragen die door het college van burgemeester en schepenen werden ingewilligd, waarbij me(n) uit het oog verliest dat er ook in graad van beroep vergunningen kunnen worden verleend. Aangezien de verzoekende partijen er op dat ogenblik van uit gingen dat het ging om onvergunde werken hebben zij een klacht ingediend bij het college van burgemeester en schepenen, en dit bij brief van 8 februari
- De stadsdiensten gingen er blijkbaar initieel ook van uit dat er geen vergunning was, aangezien zij niet onmiddellijk lieten weten dat er wel een vergunning was, maar wel ter plaatse een inspectiebezoek brachten. Het is naar aanleiding van dit inspectiebezoek, dat op een voor de verzoekende partijen onbekende datum plaatsvond, dat de stadsdiensten vaststelden dat er wel een vergunning was verleend. Het college van burgemeester en schepenen laat dit bij brief van 18 maart 2005 aan de verzoekende partijen weten. Het is pas na ontvangst van die brief (ten vroegste op 21 maart), dat de verzoekende partijen weet krijgen van het bestaan van een door de bestendige deputatie verleende vergunning, zonder evenwel melding te maken van een datum van die vergunning. Hun raadsman heeft zich op 7 april 2005 opnieuw aangeboden aan het loket van de dienst ruimtelijke ordening van de Stad Leuven. Opnieuw moest worden vastgesteld dat de loketbediende de in beroep verleende vergunning initieel niet terugvond door een eerste bevraging van het informatiesysteem van de stad. Pas na aandringen, waarbij de loketbediende er op werd gewezen dat de stadsdiensten zelf in een brief melding hadden gemaakt van een beslissing door de bestendige deputatie, kon het dossier worden teruggevonden en kon de vergunning en de plannen door de raadsman van de verzoekende partijen worden geconsulteerd. Bij brief van 11 april 2005 heeft de raadsman van de verzoekende partijen een klacht ingediend, waarin gewezen werd op het feit dat de werken zoals die uitgevoerd werden niet in overeenstemming waren met de vergunning. In dit schrijven werd melding gemaakt van het voorgaande feitenrelaas. Bij officieel schrijven van de raadsman van de Stad Leuven van 29 april 2005 werd geantwoord dat een nieuw inspectiebezoek plaats zou vinden. Het feitenrelaas werd er niet in ontkend. De raadsman van de verzoekende partijen heeft tevens bij brief van 11 april 2005 een afschrift opgevraagd van de bouwdossiers, de vergunningen en de plannen. Deze aanvraag werd slechts gedeeltelijk toegestaan, waarop beroep ingediend werd bij de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur. II. IN RECHTE A. ONTVANKELIJKHEID In deze hebben de verzoekende partijen pas kennis gekregen van de inhoud van de vergunning naar aanleiding van de inzage van de vergunning en de plannen op 7 april 2005 door hun raadsman. Dit is ten hoogste 17 dagen nadat zij kennis kregen van het bestaan van de vergunning, bij ontvangst van de brief van 18 maart
- Gelet op de bijzondere feitelijke omstandigheden die hoger reeds werden geschetst konden zij niet vroeger kennis krijgen van het bestaan van de vergunning. X-12.318-4/10 Naar aanleiding van de werken die in januari werden uitgevoerd hebben zij vermoed dat er een vergunning was, maar na bezoek aan het stadhuis werden zij in de waan gelaten dat er geen vergunning was voor deze werken. De redelijke termijn die de verzoekende partijen dienen te benutten voor het inkijken van de plannen ging bijgevolg pas in zodra de door het stadsbestuur foutief gecreëerde indruk in dat verband werd rechtgezet. Het beroep is tijdig”. 2.1.
- De tussenkomende partijen werpen de exceptie van laattijdigheid op : “
- De bestreden beslissing dateert van 11 maart
- Het is derhalve meer dan een jaar later dat door verzoekers een procedure voor de Raad van State wordt ingeleid. De zestig dagen beroepstermijn zijn duidelijk reeds lang verstreken. Verzoekende partijen stellen dat zij pas op 7 april 2005 kennis kregen van de inhoud van de beslissing en dat zij pas op 18 maart 2005 op de hoogte werden gesteld van de beslissing. Als reden hiervoor stellen zij : ‘Naar aanleiding van de werken die in januari werden uitgevoerd hebben zij vermoed dat er een vergunning was, maar na bezoek aan het stadhuis werden zij in de waan gelaten dat er geen vergunning was voor deze werken. De redelijke termijn die de verzoekende partijen dienen te benutten voor het inkijken van de plannen ging bijgevolg pas in zodra de door het stadsbestuur foutief gecreëerde indruk in dat verband werd rechtgezet.’ De bestreden beslissing diende noch bekendgemaakt te worden, noch aan derde betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop verzoeker er kennis van had of geacht moest worden er kennis van te hebben kunnen nemen. Volgens vaststaande rechtspraak van de Raad van State mag het niet in de macht van een potentiële verzoeker liggen dat wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien. Aangezien het vermeden dient te worden dat er te lang onzekerheid blijft bestaan omtrent de gelding van administratieve beslissingen heeft men de verplichting om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de mogelijkheid die hem door artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 22 oktober 1971 om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven bouwvergunning. Het verhaal van verzoekende partij dat de gemeente verkeerde informatie zou hebben gegeven is onwaarschijnlijk en wordt bovendien niet bewezen door verzoekende partij. Eens de redelijke termijn is verstreken begint de termijn van 60 dagen te lopen. X-12.318-5/10 Het is manifest dat verzoekende partij deze redelijke termijn heeft laten verstrijken daar zij reeds begin december de werkzaamheden van tussenkomende partij heeft opgemerkt. Het verzoekschrift tot nietigverklaring werd manifest laattijdig ingesteld. De vordering is onontvankelijk”. 2.1.
- De verwerende partij stelt dienaangaande het volgende : “
- Nopens de ontvankelijkheid ratione temporis Aangezien het aan Uw Raad, zelfs ambtshalve, toekomt om de ontvankelijkheid van huidige vordering ratione temporis te onderzoeken. Dat wat dit betreft toch dient te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing dateert van 11 maart 2004, waar het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts is toegekomen ter griffie van Uw Raad op datum van 20 mei
- De verzoekende partijen stellen wat dit betreft zelf in hun verzoekschrift dat de afbraakwerken een aanvang hebben genomen in de loop van de maand december
- Hieromtrent stellen de verzoekende partijen dat zij de mening zijn toegedaan dat het hier louter gaat om afbraak die kadert in de werken die reeds onder de eerste vergunning vallen, dan wel dat deze afbraakwerken niet vergunningsplichtig zouden zijn. In de eerste vergunning werd klaarblijkelijk duidelijk opgenomen dat er geen verdere afbraak mocht gebeuren, en dat de bestaande achterbouw diende te worden gevrijwaard. De verzoekende partijen hadden aldus bij de aanvang van deze afbraakwerken zich behoorlijk dienen te informeren bij het stadsbestuur en hadden alleszins tot de conclusie dienen te komen dat er voor deze werken een vergunning was vereist. De verzoekende partijen stellen verder dat zij pas in de loop van de maand januari tot de duidelijke bevinding zijn gekomen dat er niet enkel werd afgebroken, maar ook werd opgebouwd. Er kan dan ook, los van de argumentatie dewelke wordt weergegeven door de verzoekende partijen in hun verzoekschrift, niet worden aanvaard dat zo een buur vaststelt dat er vergunningsplichtige werken worden uitgevoerd in januari 2005, er pas een verzoekschrift tot nietigverklaring wordt ingediend ter griffie van Uw Raad ruim 5 maanden later. Van zodra een derde op de hoogte is van het bestaan van een bouwvergunning of kan vermoeden dat er één is afgeleverd, dient hij het nodige te doen om ervan kennis te nemen. De termijn voor het indienen van een beroep neemt dus een aanvang de dag dat een omwonende kennis heeft van de inhoud van de bouwvergunning. Indien hij er geen kennis van heeft, moet hij vanaf het moment dat hij, aan de hand van wat hij ter plaatse van de bouwwerken heeft kunnen waarnemen, onder meer gelet op de aard van het bouwwerk en op de omstandigheden waarin het werd uitgevoerd, redelijker wijze moest weten dat voor de uitvoering van zodanig werk een vergunning vereist is, binnen een redelijke termijn gebruik maken van het recht om op het gemeentehuis van de bestreden bouwvergunning inzage te nemen. Luidens voormelde auteurs, dewelke hun bevindingen steunen op de rechtspraak van Uw Raad, werd aan de eis van de redelijkheid, gelet op de concrete omstandigheden, voldaan indien het beroep is ingesteld binnen 60 dagen na de aanvang van de werken, maar ook indien het beroep ingesteld is 62 of 63 dagen na de aanvang van de werken of zelfs 78 dagen na de beslissing om de bouwaanvraag toe te kennen. X-12.318-6/10 Voormelde auteurs komen echter tot de bevinding dat er onredelijk lang werd gewacht onder meer in de volgende gevallen: - drie weken wachten om inzage te nemen; - inzage van het dossier nemen bijna één maand nadat men duidelijk wist dat de uitvoering van de werken begonnen was - pas na meer dan één maand kennis nemen van de beslissing; - ongeveer twee maanden wachten om inzage te nemen van de vergunning; - ruim 70 dagen en pas 2,5 maand na kennis te hebben gekregen van het bestaan van de bouwvergunning of het bestaan ervan alleszins te hebben vermoed, inzage nemen; - 90 dagen of meer wachten om inzage te vragen van het bouwdossier nadat verzoekers met zekerheid wisten dat er een bouwvergunning was afgegeven; - inzage nemen iets minder dan 7 maanden na het begin van de werken, meer dan 9 of 13 maanden na het begin van de werken of meer dan 14 maanden na afgifte van de vergunning indien de verzoeker kennis had van de vergunningsaanvraag en van het onderzoek dat naar aanleiding van die aanvraag georganiseerd was. Ook het instellen van een beroep meer dan 5 maanden nadat de afgifte van een bouwvergunning is aangeplakt, moet als onredelijk worden beschouwd. In deze wordt ruim vijf maanden gewacht nadat er volgens de verzoekende partijen zelf duidelijk kon worden vastgesteld dat er vergunningsplichtige werken bezig waren. In feite dienden de verzoekers zich al in de loop van de maand december te gaan informeren bij het stadsbestuur. Immers, de uitgevoerde afbraakwerken waren duidelijk vergunningsplichtig. Het feit dat de verzoekende partijen al dan niet duidelijke informatie zouden hebben gekregen van de loketbediende bij het stadsbestuur ontslaat hun uiteraard niet van de plicht tot inzage van het volledige dossier. Dit is in deze des te meer het geval gegeven het feit dat klaarblijkelijk van in het begin het dossier werd opgevolgd door een gespecialiseerd advocaat. Dat de vordering tot nietigverklaring dan ook ratione temporis als onontvankelijk dient te worden afgewezen”. 2.2.
- De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij liggen, wanneer zij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. X-12.318-7/10 Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van de administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning, bijvoorbeeld van de mogelijkheid die hem door het toentertijd geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw werd geboden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Deze termijn gaat in de dag waarop de verzoekende partij, aan de hand van wat zij kan vaststellen op de plaats waar de vergunde bouwwerken worden uitgevoerd, zich ervan rekenschap dient te geven dat voor de uitvoering van die werken een stedenbouwkundige vergunning is vereist, en dat zij bijgevolg redelijkerwijze moet of kan veronderstellen dat een vergunning is afgegeven. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat. Het is dan weer zaak van de verzoekende partij in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn, via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning heeft proberen in te winnen. 2.2.
- Te dezen stellen de verzoekende partijen in het verzoekschrift dat “de aanvragers (...) in de loop van de maand december (beginnen) met een aantal afbraakwerken aan het werkhuis”. Nog luidens het verzoekschrift hebben zij pas “eind januari” 2005, dit is, zoals de verzoekende partijen in hun laatste memorie zelf stellen, “meer dan een maand” na de aanvang van de afbraakwerken, gebruik gemaakt van de mogelijkheid die hen krachtens het toentertijd geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de X-12.318-8/10 stedenbouw werd geboden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Het vrijstaande achtergebouw, zijnde een vroegere werkplaats voor ladders, heeft een grondoppervlakte van meer dan 100 m², meer precies vóór de werken 353 m² en na de werken 264 m², zodat niet blijkt voldaan te zijn aan het bepaalde in artikel 3, 8/, c van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is. De verzoekende partijen vermochten er dan ook niet van uit te gaan dat de betrokken werken niet vergunningsplichtig waren. Daargelaten de vraag of “het afbreken van een vrijstaand achtergebouw vrijgesteld is van een vergunning”, getuigt het stilzitten van de verzoekende partijen tot “eind januari” 2005 bovendien niet van de vereiste diligentie wanneer men er, zoals die partijen, van uit gaat dat de “in de loop van de maand december” aangevangen werken zich zouden beperken tot zogenaamd niet- vergunningsplichtige afbraakwerken. Ook de bewering van de verzoekende partijen, dat zij “in elk geval van mening (waren) dat het hier louter gaat om een afbraak, die kadert in de werken die reeds onder de eerdere vergunning vallen” gaat niet op, nu zij in hun verzoekschrift zelf poneren dat er in de bouwaanvraag waarvoor er op 15 juni 2000 een vergunning werd verleend, “voor wat betreft het eigenlijke werkhuis (...) geen wijzigingen (worden) gevraagd”. De verzoekende partijen dienden er zich dus rekenschap van te geven dat voor de uitvoering van de betreffende werken een stedenbouwkundige vergunning was vereist. Bijgevolg hadden de in de loop van de maand december aangevangen afbraakwerken hen ertoe moeten aanzetten binnen een redelijke termijn gebruik te maken van hun inzagerecht, en vermochten de verzoekende partijen dus niet te wachten met het gebruik van hun inzagerecht tot het hen, “in de loop van de maand januari” duidelijk werd dat het niet enkel ging om werken “die reeds onder de eerdere vergunning” vielen. De omstandigheid dat de verzoekende partijen, eens zij zich naar het gemeentehuis begaven, aldaar “niet correct werden geïnformeerd”, vermag niets te veranderen aan het feit dat zij zich pas “meer dan een maand” na de aanvang van de werken, en dus na het verstrijken van een redelijke termijn, naar het gemeentehuis hebben begeven om er zich te informeren over het al dan niet verleend zijn van een stedenbouwkundige vergunning. X-12.318-9/10 In hun laatste memorie voeren de verzoekende partijen nog aan dat, indien zij correct waren geïnformeerd, zij hun beroep nog hadden kunnen instellen binnen zestig dagen na de aanvang van de werken. Uit hetgeen de verzoekende partijen hebben aangegeven blijkt evenwel niet dat vaststaat dat zij zich ten gemeentehuize konden begeven binnen een termijn die hen nog toeliet een beroep in te stellen binnen zestig dagen na de aanvang der werken. De excepties zijn gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-12.318-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.994 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div