id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.995 Rolnummer: A. 175844/X-12981 Zaak: Arrest 195995 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 14/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-21 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:32 Fiche Arrest nr 195.995 van 14 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Opheffing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.995 van 14 september 2009 in de zaak A. 175.844/X-12.981. In zake : 1. Leo VAN POLLAERT, 2. Jeanine BOVIJN, 3. Gui VAN POLLAERT, die woonplaats kiezen bij advocaten D. LINDEMANS en F. DE PRETER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : 1. de stad DENDERMONDE, die woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Noordlaan 82-84, 2. de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Leo VAN POLLAERT, Jeanine BOVIJN en Gui VAN POLLAERT op 11 augustus 2006 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1. het besluit van de gemeenteraad van de stad Dendermonde van 15 februari 2006 houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoerings- plan “Hoogveld I”; 2. het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 18 mei 2006 houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan nr. 21 “Hoogveld I” van de stad Dendermonde; Gelet op het arrest nr. 166.436 van 9 januari 2007 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 183.776 van 4 juni 2008 waarbij de debatten worden heropend en de zaak volgens de gewone procedure wordt voortgezet; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; X-12.981-1/18 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 16 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. VANDENDAEL, die loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van bestuurssecretaris K. VAN KEYMEULEN, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoekende partijen wonen aan de Mechelsesteenweg, vlakbij het kruispunt met de oosterring van Dendermonde. In de onmiddellijke omgeving van hun eigendom, aansluitend op een reeds bestaand bedrijventerrein (“Hoogveld”), wenst het stadsbestuur van Dendermonde een nieuw lokaal bedrijventerrein te creëren middels een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP). Het gebied van het voorontwerp van GRUP bevindt zich ten oosten van de stad Dendermonde, begrensd door de Mechelsesteenweg (N17) in het noorden, de oosterring van Dendermonde (N41) in het oosten, de straat Vlassenhout in het zuiden en de Korte Dijkstraat in het westen. Het plangebied ligt volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Dendermonde in agrarisch gebied, dat is omgeven door woongebied, industriegebied en gebied voor ambachtelijke bedrijven en kmo’s. X-12.981-2/18 1.2. Op 19 januari 2005 wordt een plenaire vergadering gehouden over het voorontwerp van het GRUP “Hoogveld zone I”. De gemeenteraad van de stad Dendermonde stelt op 18 mei 2005 het GRUP “Hoogveld zone I”voorlopig vast. Uit de plannen blijkt dat de bedrijvenzone ontsloten zou worden via de straat Vlassenhout, dat langs de Korte Dijkstraat en de Mechelsesteenweg achter de woningen een zone voor private sier- of moestuinen wordt ingekleurd en dat aansluitend daarbij nog eens een zone voor groene buffer wordt ingekleurd met een gesloten karakter, te realiseren in het plantseizoen voorafgaand aan de inrichting van de betrokken sectie van het bedrijventerrein. Aan de zijde van de Mechelsesteenweg is deze groene bufferstrook over de volledige lengte 50 meter breed. 1.3. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 1 september 2005 tot en met 30 oktober 2005, worden 8 bezwaarschriften ingediend, waaronder één door de verzoekende partijen. Op 13 december 2005 onderzoekt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (GECORO) de ingediende bezwaren en opmerkingen en stelt onder meer dat het bezwaarschrift van de verzoekende partijen geen aanleiding geeft tot een aanpassing van het GRUP. 1.4. Op 15 februari 2006 stelt de gemeenteraad van de stad Dendermonde het GRUP “Hoogveld zone I” definitief vast. 1.5. Op 18 mei 2006 keurt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het definitief vastgestelde GRUP “Hoogveld zone I” goed. 2. Ten gronde 2.1. Eerste middel 2.1.1. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan, gedeeltelijk met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur en van de artikelen 4, 19, 38 en 48 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO). X-12.981-3/18 Zij stellen dat een GRUP de uitvoering vormt van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (hierna: GRSP) en de relatie met dit structuurplan moet aanduiden. Aan de opmaak van het GRSP dat bij het uitvaardigen van de bestreden besluiten reeds vijf jaar bestond, ging een behoefteraming vooraf. Het GRUP baseerde zich, voor het creëren van bijkomende ruimte voor lokale bedrijvigheid, op die inmiddels verouderde behoefteraming. Omdat niet werd nagegaan of de gegevens geactualiseerd moesten worden, is het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel geschonden. Bovendien is de behoefteraming die gemaakt werd in het GRSP op een onzorgvuldige en onredelijke wijze tot stand gekomen. De behoefteraming werd gemaakt vanuit twee benaderingen: een benadering van bovenaf en een benadering van onderaf. De benadering van bovenaf gaat uit van een aantal objectieve basisgegevens en raamt de behoefte aan bedrijventerreinen op 61 à 65 ha voor alle bedrijven (lokale en regionale). De benadering van onderaf vertrekt van de resultaten van een bedrijvenenquête die in 1997 is verstuurd. Deze bedrijvenenquête schat de behoefte aan bijkomende lokale bedrijven op 3 ha. Deze schatting wordt zonder motivering vervolgens op 6 ha en tot slot op 18 ha gebracht. Met betrekking tot de bijkomende behoefte aan regionale bedrijventerreinen geeft de bedrijvenenquête een schatting van 9 ha. Ook deze raming wordt zonder enige verantwoording eerst verhoogd tot 18 ha en vervolgens tot 27 ha. In het richtinggevend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan wordt besloten twee nieuwe lokale bedrijventerreinen af te bakenen op grond van de behoefte die is gebleken uit de bedrijvenenquête. Die behoefte van 3 ha moest niet alleen opgevangen worden in het door de bestreden besluiten gerealiseerde gedeelte. Het bestreden GRUP betreft evenwel een lokaal bedrijventerrein van ongeveer 16 ha, hetgeen vele malen groter is dan de behoefte die blijkt uit de bedrijvenenquête. Daarnaast blijkt uit het GRSP dat er in de gemeente Dendermonde nog verschillende mogelijkheden voorhanden zijn die eerst benut kunnen worden, zoals de bestaande bedrijventerreinen Hoogveld en Den Briel. Deze terreinen zijn toegewezen aan of gereserveerd voor bepaalde bedrijven, maar ze werden nog niet verkocht. Het is dus niet nodig nieuwe ruimte voor lokale bedrijven aan te snijden. De bestreden beslissingen zijn een uitvoering van het GRSP dat met miskenning van artikel 19 DRO en van de aangevoerde rechtsbeginselen tot stand is gekomen. In de laatste memorie voegen de verzoekende partijen hier aan toe dat het GRSP de basis vormt van de bestreden beslissingen en dat de onwettigheid X-12.981-4/18 van het GRSP volstaat om de bestreden beslissingen te vernietigen. Het GRUP is een uitvoering van het GRSP, hetgeen impliceert dat elke maatregel die opgenomen wordt in het ruimtelijk uitvoeringsplan, moet kunnen teruggebracht worden tot een uitvoering van een beleidsoptie van het ruimtelijk structuurplan. 2.1.2.1. Luidens artikel 18, eerste lid DRO is een ruimtelijk structuurplan: “een beleidsdocument dat het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur. Het geeft een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied in kwestie. Het is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen die de ruimtelijke ordening aanbelangen”. Overeenkomstig het tweede lid van die bepaling worden er ruimtelijke structuurplannen opgemaakt op gewestelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau. Artikel 19 DRO bepaalt dat een ruimtelijk structuurplan een bindend, richtinggevend en informatief gedeelte bevat. Bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan duidt de instantie die het plan vaststelt de onderdelen ervan aan die bindend zijn. Voor een GRSP zijn deze onderdelen bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren. Ook van het richtinggevend gedeelte mag, volgens dezelfde bepaling, niet worden afgeweken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking van het richtinggevend gedeelte moeten uitgebreid worden gemotiveerd en mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen. Overeenkomstig artikel 19, § 5 DRO neemt de overheid die een ruimtelijk structuurplan heeft vastgesteld, na de vaststelling ervan, de nodige maatregelen om de ruimtelijke uitvoeringsplannen in kwestie in overeenstemming te brengen met het ruimtelijk structuurplan. Luidens artikel 48, § 2 DRO worden de GRUP’s opgemaakt ter uitvoering van het GRSP. 2.1.2.2. Bij de implementatie van het richtinggevend gedeelte in een ruimtelijk uitvoeringsplan beschikken de bevoegde overheden, in het licht van de in artikel 4 DRO bepaalde doelstellingen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Derhalve is de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel X-12.981-5/18 bevoegd om na te gaan of de overheid bij de uitoefening van deze bevoegdheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 2.1.2.3. Uit de toelichtingsnota bij het bestreden GRUP blijkt dat er wordt gestreefd naar een kwantitatief en kwalitatief aanbod aan bedrijventerreinen en dat de “Dendersteden (...) economische knooppunten (vormen) waar de herstructurering van de economie voorop staat. Hierbij staat de afstemming op het niveau van het stedelijk gebied voorop. Dendermonde heeft als subregionaal centrum in de Vlaamse Ruit een aanzienlijk economisch belang t.o.v. het Oostelijk Rastergebied en Klein-Brabant. Vanuit het provinciaal structuurplan krijgt Dendermonde derhalve de taakstelling om tegen 2007 te voorzien in ca. 58 ha bijkomende bedrijventerreinen”. Het bestreden GRUP kadert in deze doel- en taakstelling. De goedkeuring van het GRUP is het resultaat van een overleg tussen de stad en de provincie met betrekking tot de verdeling van de beoogde oppervlakte over regionale en lokale bedrijventerreinen. Voorts blijkt uit de toelichtende memorie van het bestreden GRUP dat het planinitiatief eveneens wordt gesteund op het provinciaal ruimtelijk structuurplan, dat dateert van 2004 en een planologische behoefte voorziet van ongeveer 58 ha bijkomende bedrijventerreinen op het grondgebied van de stad Dendermonde. 2.1.2.4. Uit de aangehaalde decretale bepalingen kan worden opgemaakt dat een GRUP de uitvoering inhoudt van de bepalingen van een GRSP, maar in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, kan er niet uit worden afgeleid dat een GRUP enkel kan berusten op bindende bepalingen van het GRSP. Een GRUP kan ook opgemaakt worden ten behoeve van ontwikkelingen die niet noodzakelijkerwijze opgenomen of voorzien waren in het GRSP, zolang het niet strijdig is met de principes van het GRSP. Indien er wordt afgeweken van een richtinggevende bepaling van het GRSP, moet dit overeenkomstig artikel 19, § 3 DRO uitgebreid worden gemotiveerd. 2.1.2.5. Het bestreden GRUP gaat uit van een benadering van bovenaf, die een globale behoefte voorziet van 61 à 65 ha voor regionale en lokale bedrijventerreinen samen beschouwd. Deze benadering van bovenaf is gebaseerd op een aantal basisgegevens waarvan de verzoekende partijen het objectief karakter X-12.981-6/18 niet betwisten en die op zich de door de verzoekende partijen bekritiseerde beleidskeuze vermogen te verantwoorden. De kritiek van de verzoekende partijen op de berekeningsmethode van onderaf is in die omstandigheden niet ter zake, nu de overheid de voorkeur heeft gegeven aan de andere berekeningsmethode. 2.1.3. Het eerste middel is niet gegrond. 2.2. Tweede middel 2.2.1. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 18 en 19 DRO en van de richtinggevende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna : RSV) inzake lokale bedrijventerreinen. In de eerste plaats stellen de verzoekende partijen dat nieuwe lokale bedrijventerreinen volgens de principes van het RSV een omvang mogen hebben van maximum 5 ha. Het betreft weliswaar een richtinggevende bepaling waarvan mag afgeweken worden omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. Dit neemt niet weg dat het RSV uitgaat van lokale bedrijventerreinen met een beperkte oppervlakte. Aangezien de bestreden besluiten voorzien in een lokaal bedrijventerrein met een omvang van bijna 16 ha, is het in strijd met het RSV. In de tweede plaats stellen de verzoekende partijen dat volgens het RSV het openbaar vervoer een aandeel moet krijgen in de personenmobiliteit. Het betrokken GRUP is in strijd met het RSV omdat het openbaar vervoer, ondanks de verhoging van frequentie van de betrokken buslijn, slechts een minimaal aandeel krijgt in de personenmobiliteit, wat in de toelichtingsnota zelfs wordt toegegeven, zonder dat hiervoor een verantwoording wordt verstrekt. 2.2.2.1. Het bestreden GRUP geeft onder meer uitvoering aan de doelstelling in het provinciaal ruimtelijk structuurplan Oost-Vlaanderen waarin voor de stad Dendermonde als economisch knooppunt wordt voorzien in de afbakening van ca. 58 ha bijkomende regionale en lokale bedrijventerreinen. In het richtinggevend gedeelte van het RSV, “III: Gewenste ruimtelijke structuur”, “III.3. Gebieden voor economische activiteiten”, “3. Economische knooppunten”, “3.2. Ontwikkelingsperspectieven” wordt in punt “3.2.5. Optimale lokalisatie en kwaliteitsvolle inrichting van lokale, gemengd regionale en specifiek regionale X-12.981-7/18 bedrijventerreinen, Lokaal bedrijventerrein” uitdrukkelijk bepaald dat de maximumoppervlakte van 5 ha van nieuwe lokale bedrijventerreinen niet beperkt is tot maximaal 5 ha per gemeente maar tot 5 ha per hoofddorp. De stad Dendermonde, waar het bestreden GRUP het lokale bedrijventerrein afbakent, is volgens de bindende bepalingen van het RSV geselecteerd als structuurondersteunend kleinstedelijk gebied en wordt bijgevolg beschouwd als een economisch knooppunt. De richtinggevende bepalingen van het RSV voorzien in deelpakketten die aangeven op welke manier de nieuwe bedrijventerreinen geconcentreerd zullen worden. Dendermonde valt als kleinstedelijk gebied onder pakket 3. Dit heeft tot gevolg dat ontwikkeling van de lokale bedrijventerreinen zich niet alleen beperkt tot de hoofddorpen -zoals bepaald voor de bedrijventerreinen uit pakket 4- maar ook kunnen gelokaliseerd worden in economische knooppunten. Het GRUP is bijgevolg in overeenstemming met de normen die het provinciaal ruimtelijk structuurplan heeft bepaald voor de lokale bedrijventerreinen die in kleinstedelijke gebieden dienen te worden voorzien. Ten onrechte gaan de verzoekende partijen er dan ook van uit dat voor de beoordeling van de bestreden besluiten moet worden uitgegaan van een dwingende norm van 5 ha per lokaal bedrijventerrein. 2.2.2.2. Met betrekking tot de personenmobiliteit verwijzen de verzoekende partijen naar een onderdeel van de toelichtingsnota waarin de huidige toestand wordt beschreven. Uit de gegevens van het dossier blijkt evenwel dat het bestreden GRUP wel degelijk rekening heeft gehouden met een aantal mogelijkheden en voorziet in maatregelen om het nieuwe bedrijventerrein beter bereikbaar te maken via het openbaar vervoer. De verzoekende partijen tonen niet aan dat in de bestreden besluiten het aandeel van het openbaar vervoer in de personenmobiliteit onzorgvuldig of kennelijk onredelijk werd beoordeeld. 2.2.3. Het tweede middel is niet gegrond. 2.3. Derde middel 2.3.1.1. In een derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 4.2.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM). De verzoekende partijen stellen dat de verplichting tot het uitvoeren van een milieueffectrapport over een plan of programma (hierna: plan- X-12.981-8/18 MER) geregeld wordt in hoofdstuk II van titel IV van het DABM, dat in werking is getreden op een per plan of programma of per categorie van plan of programma nader door de Vlaamse regering te bepalen datum en uiterlijk op 21 juli 2004. De Vlaamse regering heeft ter zake geen uitvoeringsbesluiten genomen, waardoor alle plannen en programma’s te beschouwen zijn als “andere plannen en programma’s” in de zin van het toentertijd geldende artikel 4.2.2, § 2 DABM. Dit impliceert dat de Vlaamse regering voor elk plan afzonderlijk moet beslissen of het aan een milieueffectrapportage moet worden onderworpen. De in het eerste bestreden besluit vermelde beslissing van de Vlaamse regering dat een plan-MER niet nodig is, werd niet bekendgemaakt, in strijd met het toentertijd geldende artikel 4.2.2, § 4, derde lid DABM. Met die beslissing kan in deze omstandigheden geen rekening worden gehouden, zodat de bestreden besluiten in strijd met de aangevoerde decretale bepaling zijn totstandgekomen. In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen hier nog aan toe dat de beperking van de verplichting tot een project-MER tot terreinen van meer dan 50 ha voortvloeit uit het besluit van 10 december 2004 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage. Uit de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (hierna : SEA- richtlijn) blijkt dat voor alle plannen en programma’s die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor een project bedoeld in de bijlagen I en II van de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna : richtlijn 85/337/EEG), een plan-MER vereist is. Bijlage II van richtlijn 85/337/EEG somt immers onder meer “industrieterreinontwikkeling” op, zonder melding te maken van een minimale oppervlaktenorm en zonder te verwijzen naar de interne regelgeving van de lidstaten. Daar komt nog bij dat overeenkomstig het voornoemde besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 projecten die een wijziging of uitbreiding van MER-plichtige projecten inhouden, ook MER-plichtig zijn indien zij “aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben”. Aangezien de bestreden besluiten de uitbreiding inhouden van het bestaande bedrijventerrein “Hoogveld” en zij alleen al voor de gevolgen inzake mobiliteit een potentieel nadelig effect kunnen hebben, zijn ze wel degelijk MER-plichtig. X-12.981-9/18 2.3.1.2. In hun laatste memorie vragen de verzoekende partijen de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie: “Moet artikel 3, lid 2, a van richtlijn 2001/42/EG dat stelt dat onverminderd lid 3 van dit artikel een milieubeoordeling gemaakt moet worden van alle plannen en programma’s die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten geïnterpreteerd worden in de zin dat deze beoordeling noodzakelijk is van zodra het plan een kader vormt voor toekenning van vergunningen voor projecten inzake “industrieterreinontwikkeling”, aangezien die zijn opgenomen onder rubriek 10 a van bijlage II van de richtlijn 85/337/EEG, dan wel dat deze beoordeling slechts noodzakelijk is in de gevallen waarin de interne wetgeving in toepassing van richtlijn 85/337/EEG een milieubeoordeling verplicht heeft gesteld voor de projecten inzake “industrieterreinontwikkeling”. 2.3.2.1. Artikel 3.2 van de SEA-richtlijn luidt als volgt : “Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma’s
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.