id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.996 Rolnummer: A. 172351/X-12807 Zaak: Arrest 195996 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-21 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:32 Fiche Arrest nr 195.996 van 14 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.996 van 14 september 2009 in de zaak A. 172.351/X-12.807. In zake : de b.v.b.a. CENTISPEED, die woonplaats kiest bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : de stad LIER, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÈME, kantoor houdende te 3001 HEVERLEE, Industrieweg 4, bus 1. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. CENTISPEED op 24 april 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 februari 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Lier houdende aflevering van een negatief planologisch attest voor het verbouwen en herschikken van bedrijfsgebouwen en het uitbreiden van de parkeerruimte aan de Aarschotsesteenweg 99 te Lier, kadastraal bekend sectie C, nrs. 498/w, 498/x en 498/y; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 april 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; X-12.807-1/22 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. WINDERICKX, die loco advocaat P. JONGBLOET verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat H.-K. CARÈME, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1.Feiten 1.1. De verzoekende partij baat een transportbedrijf uit op een terrein gelegen te Lier, Aarschotsesteenweg 99, kadastraal bekend sectie C, nrs. 498/w, 498/x en 498/y. 1.2. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen, liggen de percelen nrs. 498/x en 498/y in agrarisch gebied en het perceel nr. 498/w in een daarvoor liggend woongebied met landelijk karakter. Die percelen zijn niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan en evenmin binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling. 1.3. Op 25 januari 2005 ontvangt de gewestelijke planologische ambtenaar, bevoegd voor de provincie Antwerpen, een door de verzoekende partij ingediende aanvraag tot planologisch attest. 1.4. Bij brief van 10 februari 2005 meldt de gewestelijke planologische ambtenaar aan de verzoekende partij dat de aanvraag onvolledig is. 1.5. Daarop ontvangt de gewestelijke planologische ambtenaar op 19 april 2005 een vervolledigde aanvraag. X-12.807-2/22 1.6. Die vervolledigde aanvraag wordt door de gewestelijke planologische ambtenaar volledig en ontvankelijk bevonden. Door die ambtenaar wordt op 4 mei 2005 ervan een ontvangstbewijs afgegeven en wordt de aanvraag doorgestuurd naar het college van burgemeester en schepenen van de stad Lier, dat, gelet op de ligging en de schaal van het bedrijf, als bevoegde overheid wordt aangewezen. 1.7. Daarop wint dat college van burgemeester en schepenen op 25 mei 2005 het advies in van de afdelingen Land, Europa Economie en Natuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, alsook van de provinciale afdeling van de afdeling Wegen en Verkeer en de deputatie van de provincie Antwerpen. De afdelingen Land en Natuur zenden respectievelijk op 2 en 3 juni 2005 een gunstig advies toe aan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening. De afdeling Europa Economie deelt op 15 juni 2005 een aantal vaststellingen mee, maar geeft geen advies met een uitgesproken positieve of negatieve strekking. Door de andere voormelde instanties wordt geen advies toegezonden. Bijkomend heeft de bevoegde overheid op 25 mei 2005 ook de interne adviezen ingewonnen van de gemeentelijke dienst KMO/Woonbeleid en de gemeentelijke plangroep Ruimtelijke planning. De eerstgenoemde dienst heeft geen advies verleend. De laatstgenoemde plangroep heeft op 20 december 2005 een ongunstig advies uitgebracht. 1.8. Van 27 mei 2005 tot 26 juni 2005 onderwerpt het college van burgemeester en schepenen de aanvraag aan een openbaar onderzoek. Er worden een aantal bezwaarschriften ingediend. 1.9. Op 16 augustus 2005 brengen de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening alsook de gewestelijke planologische ambtenaar een ongunstig advies uit bij het college van burgemeester en schepenen. 1.10. In zitting van 6 februari 2006 beslist het college van burgemeester en schepenen tot het afleveren van het bestreden negatief planologisch attest. X-12.807-3/22 2.Ontvankelijkheid van het beroep 2.1.De opgeworpen exceptie De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat een negatief planologisch attest een niet voor de Raad van State aanvechtbare administratieve akte is. Ze stelt daartoe, in essentie, dat een negatief planologisch attest een louter informatief karakter heeft en dat aan het afleveren ervan “geen rechtsgevolgen, minstens geen rechtstreekse rechtsgevolgen”, zijn verbonden. Het attest maakt, aldus de verwerende partij, “geen individuele constitutieve administratieve rechtshandeling” uit en “beoogt géén wijziging van een rechtstoestand tot stand te brengen”. Ze wijst erop dat inzake (voorwaardelijke) positieve planologische attesten reeds door de Raad van State is geoordeeld dat het louter voorbereidende handelingen betreft zonder onmiddellijke nadelige gevolgen. 2.2.Beoordeling van de exceptie 2.2.1. Een beroep tot nietigverklaring dient krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp te hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling moet een handeling worden verstaan waarmee wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden, waarmee wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. 2.2.2. Het bestreden negatief planologisch attest is afgeleverd op grond van artikel 145ter van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO). Op het ogenblik van de afgifte van het bestreden attest bepaalde dat artikel ondermeer wat volgt: “§1. Het planologisch attest is een document dat aangeeft of een bestaand bedrijf al dan niet behouden kan worden op de plaats waar het gevestigd is. In het geval van behoud worden de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden op korte en op lange termijn meegedeeld. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen en wordt er rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Het planologisch attest kan enkel aangevraagd worden door en voor een bedrijf waarvoor het maken of wijzigen van een ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg overwogen moet worden om de uitbreiding of het herbouwen X-12.807-4/22 van het bedrijf mogelijk te maken en dat voldoet aan één van de volgende voorwaarden : 1° het bedrijf is onderworpen aan de milieuvergunningsplicht in de zin van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning; 2° het betreft een volwaardig land- of tuinbouwbedrijf; 3° het bedrijf heeft een omzet geboekt van minstens 250.000 euro op basis van de BTW-aangiften over het volledige boekjaar voorafgaande aan de aanvraag. (...) § 3. Bij afgifte van een positief planologisch attest wordt het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan binnen een jaar na afgifte van het attest verstuurd naar de betrokken instanties overeenkomstig artikel 41, §1, tweede lid, artikel 44, §1, tweede lid of artikel 48, §1, tweede lid of wordt het voorontwerp of ontwerp van bijzonder plan van aanleg binnen een jaar na afgifte van het attest verstuurd naar de betrokken instanties overeenkomstig artikel 18 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996. Indien de bevoegde overheid dit nalaat binnen de periode van één jaar na de afgifte van het attest, dan wordt haar recht tot het voorlopig vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan of tot het voorlopig aannemen van een plan van aanleg voor een ander, bestaand bedrijf of een nieuw bedrijventerrein opgeschort, tot voldaan is aan de bepalingen van het eerste lid, tenzij het planologisch attest inmiddels vervallen is. §4.(...) §5. Bij afgifte van een negatief planologisch attest wordt door de bevoegde overheid op het eerste verzoek van het bedrijf bevestigd of er al dan niet een mogelijkheid is tot herlokalisatie”. Artikel 145quater van hetzelfde decreet luidt: “§1. Voor werken, handelingen en wijzigingen in een gebied waarvoor, blijkens een overeenkomstig artikel 145ter, §1 afgeleverd planologisch attest, het maken van een ruimtelijk uitvoeringsplan of het maken of wijzigen van een plan van aanleg overwogen wordt, mag worden afgeweken van de voorschriften van een gewestplan of een algemeen plan van aanleg indien de aanvrager bewijst dat aan al de volgende voorwaarden voldaan is: 1/de aanvraag heeft betrekking op een bedrijf waarvan de gebouwen niet verkrot zijn en hoofdzakelijk vergund zijn of geacht worden vergund te zijn; 2/de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning is ingediend binnen een jaar na de afgifte van het planologisch attest. Indien het bedrijf deels niet vergund is, moet de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning ook duidelijkheid bieden over de verwijdering of de gewenste regularisatie van de onvergunde werken, handelingen en wijzigingen; 3/de aanvraag moet zich beperken tot de regelingen en voorwaarden voor de invulling van de kortetermijnbehoeften, zoals aangegeven in het planologisch attest. §2. Bij het verlenen van een milieuvergunning kan eveneens worden afgeweken van de voorschriften van een gewestplan of een algemeen plan van aanleg, met toepassing van de bepalingen van §1”. 2.2.3. Uit artikel 145ter, §1, eerste lid en §5 DRO blijkt dat een negatief planologisch attest betekent dat een bestaand bedrijf niet kan worden behouden op de plaats waar het is gevestigd en dat herlokalisatie -als die al mogelijk is- zich X-12.807-5/22 opdringt. Dit wordt bevestigd door artikel 5, §2, laatste lid van het besluit van de Vlaamse regering van 4 juni 2004 tot bepaling van de nadere regels voor het planologisch attest waarin is bepaald dat er een negatief planologisch attest wordt afgeleverd indien het bedrijf niet op zijn huidige locatie behouden kan blijven. Voorts impliceert een negatief planologisch attest dat het maken van een ruimtelijk uitvoeringsplan of het maken of wijzigen van een plan van aanleg niet wordt overwogen, zodat er ten voordele van de attestaanvrager niet mag worden afgeweken van de voorschriften van een gewestplan of een algemeen van plan van aanleg in de zin en onder de voorwaarden van artikel 145quater DRO. Een positief planologisch attest is een noodzakelijke voorwaarde om van die afwijkingsmogelijkheid gebruik te kunnen maken. De aflevering van een negatief planologisch attest sluit het betrokken bedrijf derhalve uit van de voormelde mogelijkheid en beoogt aldus de door dit bedrijf gewenste wijziging van haar rechtstoestand te beletten. Gelet op het voorafgaande is de bestreden beslissing een administratieve rechtshandeling die vatbaar is voor nietigverklaring. De exceptie is niet gegrond. 3.Gegrondheid van het beroep 3.1.1.Het aangevoerde eerste middel In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 44, §2 en 145ter, §1, zevende lid (lees: zesde lid) van het DRO en de artikelen 4 en 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 4 juni 2004 tot bepaling van de nadere regels inzake het planologisch attest (hierna : het besluit van 4 juni 2004), “Doordat, volgend op de aanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid, de gewestelijk planologisch ambtenaar de aanvraag ter beoordeling overmaakte aan het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Lier, Terwijl, uit de planningscontext van het betrokken perceel blijkt dat dit perceel gelegen is in een stedelijk netwerk van provinciaal niveau, conform met de richtinggevende bepalingen van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen, en dus van Provinciaal belang is, En terwijl, uit artikel 44 §2 DORO blijkt dat Provinciale Ruimtelijke Uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het Provinciaal ruimtelijk structuurplan, En terwijl, artikel 145 ter §l zevende lid DORO bepaalt dat na volledigverklaring de gewestelijk planologisch ambtenaar de aanvraag doorstuurt naar de overheid die belast is met het maken van het ruimtelijk uitvoeringsplan X-12.807-6/22 En terwijl, artikel 5 §1 van het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 4 juni 2004 tot bepaling van nadere regels inzake het planologisch attest bepaalt dat de gewestelijk planologisch ambtenaar bij het bepalen van de bevoegde overheid rekening houdt met onder meer de planningscontext, En terwijl, in zijn advies de gewestelijk planologisch ambtenaar ervan blijkt uit te gaan dat het bedrijfsterrein niet zou komen te liggen binnen de afbakening van het kleinstedelijk gebied Lier, zodat hij daaruit enkel kon afleiden dat het bedrijfsterrein zou komen te liggen in het gebied dat conform de bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan voor de Provincie Antwerpen, het bedrijfsterrein zou komen te liggen in het stedelijk netwerk van Provinciaal niveau, zodat de bevoegde overheid voor het afleveren van het stedenbouwkundig attest de bestendige deputatie van de Provincie Antwerpen is, en niet het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Lier. En terwijl, aldus het bestreden besluit, doordat het is afgeleverd door het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Lier, terwijl uit de planningscontext blijkt dat het terrein gelegen is in een stedelijk netwerk van Provinciaal belang, de in het middel vermelde bepalingen schendt”. 3.1.2.Beoordeling van het eerste middel 3.1.2.1. Artikel 145ter, §1, zesde lid van het DRO bepaalde op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing: “Indien de aanvraag onvolledig is, meldt de gewestelijke planologische ambtenaar binnen de 20 dagen welke gegevens er ontbreken. Indien de aanvraag volledig is, geeft de gewestelijke planologische ambtenaar binnen 20 dagen een ontvangstbewijs af en stuurt hij de aanvraag door naar de overheid, die belast is met het maken van het ruimtelijke uitvoeringsplan of het plan van aanleg voor het gebied, waar het bedrijf zich bevindt, hierna de bevoegde overheid te noemen”. Artikel 44, §2 van het DRO bepaalt: “De provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het provinciaal ruimtelijk structuurplan. De voorschriften van de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen niet afwijken van de voorschriften van de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen”. De artikelen 4 en 5 van het besluit van 4 juni 2004 luidden: “Art. 4. De gewestelijke planologische ambtenaar vermeldt bij het doorsturen van de aanvraag naar de bevoegde overheid uitdrukkelijk de datum waarop het dossier werd ontvangen, of de datum waarop de ontbrekende stukken werden ontvangen. Hij meldt tevens aan de aanvrager wie de bevoegde overheid is die het planologisch attest zal afleveren. Als de gewestelijke planologische ambtenaar oordeelt dat de gemeente de bevoegde overheid is, en als de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft, in verschillende gemeenten liggen, zijn de verschillende gemeenten X-12.807-7/22 afzonderlijk bevoegd voor het gedeelte dat op hun respectievelijke grondgebied is gelegen. De verdere afhandeling gebeurt onafhankelijk door de verschillende bevoegde overheden en resulteert in het afleveren van verschillende planologische attesten. Als de gewestelijke planologische ambtenaar oordeelt dat de provincie de bevoegde overheid is, en als de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft, in verschillende provincies liggen, is de Vlaamse regering de bevoegde overheid. Art. 5. §1. Bij het bepalen van de bevoegde overheid houdt de gewestelijke planologische ambtenaar onder meer rekening met de volgende elementen : 1/ de planningscontext; 2/ de kenmerken van het bedrijf, zowel vanuit ruimtelijk, economisch, milieutechnisch en historisch oogpunt, als vanuit de mobiliteitsproblematiek; 3/ de ruimtelijke kenmerken van de omgeving, zowel de bestaande ruimtelijke structuur van de ruimere omgeving, als de ruimtelijke kenmerken van de onmiddellijke omgeving; 4/ de impact van de gevraagde uitbreiding op korte en lange termijn. §2. De bevoegde overheid doet in de beslissing over de aanvraag tot planologisch attest een gemotiveerde uitspraak over het behoud van het bedrijf op de huidige locatie in de huidige schaal, de voorgestelde uitbreiding op korte termijn en de voorgestelde uitbreiding op lange termijn. Aan al die onderdelen kunnen gemotiveerde specifieke voorwaarden of beperkingen worden opgelegd. Indien zowel belangrijke delen van de bestaande toestand mogen worden behouden en tegelijk de voorgestelde uitbreiding op korte en lange termijn kan uitgevoerd worden zoals aangevraagd door het bedrijf, wordt een positief planologisch attest afgeleverd. Indien belangrijke delen van de bestaande toestand niet kunnen behouden worden, of de voorgestelde uitbreiding op korte termijn, of de voorgestelde uitbreiding op lange termijn niet kan worden uitgevoerd zoals aangevraagd door het bedrijf, wordt een gedeeltelijk positief planologisch attest afgeleverd. Het gedeeltelijk positief planologisch attest wordt beschouwd als een specifieke vorm van een positief planologisch attest. Er wordt een negatief planologisch attest afgeleverd indien het bedrijf niet op zijn huidige locatie behouden kan blijven, of indien de opgelegde voorwaarden dermate streng zijn dat het bedrijf enkel mag verder werken binnen de bestemmingen van het juridisch geldende plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan”. 3.1.2.2. Uit het hierboven geciteerde artikel 5, §1 van het besluit van 4 juni 2004 blijkt dat de planningscontext slechts één van de elementen is waarmee de gewestelijke planologische ambtenaar bij het bepalen van de bevoegde overheid rekening moet houden. Daarnaast moet ook acht worden geslagen op de kenmerken van het bedrijf, de ruimtelijke kenmerken van de omgeving en de impact van de gevraagde uitbreiding op korte en lange termijn. Uit de beslissing van 4 mei 2005 blijkt dat de gewestelijke planologische ambtenaar met al die criteria rekening heeft gehouden. De verzoekende partij beperkt haar kritiek tot slechts één van de vier criteria, met name het criterium planningscontext. X-12.807-8/22 3.1.2.3. In het advies van 16 augustus 2005 van de gewestelijke planologische ambtenaar, zoals overgenomen in de bestreden beslissing, wordt onder de hoofding “3.Planningscontext” vermeld: “-Het bestaande bedrijf alsook de beoogde uitbreiding zijn gelegen in achterliggend agrarisch gebied volgens het geldende gewestplan. De vrijstaande woning bij het bedrijf ligt in het voorliggende woongebied met landelijk karakter i.f.v. de Aarschotsesteenweg. Ter plaatse geldt geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en geen geldende verkavelingsvergunning, zodat het gewestplan momenteel de enige beoordelingsgrond is voor aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning. Een transportbedrijf is in strijd met de gewestplanbestemming agrarisch gebied; de aanvraag tot planologisch attest is hier een gevolg van. -Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen beoogt het concentreren van economische activiteiten in de stedelijke gebieden, ter vrijwaring van de open ruimte gebieden. Op provinciaal niveau is het proces tot afbakening van het kleinstedelijk gebied Lier lopende. De provinciale RUP’s enerzijds vastleggen van de afbakeningslijn en anderzijds programmatorische bestemmingswijzigingen zijn in voorbereiding. Volgens het in (het) projectteam voorgelegde voorstel van afbakeningslijn, zou het bedrijf Centispeed gelegen zijn buiten de afbakening van het kleinstedelijk gebied en aldus tot het buitengebiedgedeelte van Lier gaan behoren. Het RSV reikt een aantal principes aan voor het beoordelen van de ontwikkelingsperspectieven voor zonevreemde bedrijven: ‘Ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande bedrijven buiten de bedrijventerreinen’ - RSV p. 453: De ontwikkelingsperspectieven van bedrijven en economische activiteiten buiten de bedrijventerreinen worden vooral bepaald door de aard en het karakter van het bedrijf zelf en nog meer door de ruimtelijke draagkracht van de omgeving. Ruimtelijke draagkracht is afhankelijk van de ruimtelijke structuur, van het ruimtelijk functioneren van het gebied, de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het gebied - zoals bepaald in het GRS - en van de aard en het karakter van het bedrijf en haar activiteit. -In het Ruimtelijke Structuurplan Provincie Antwerpen wordt het gebied tussen Lier en Aarschot beschouwd als een stedelijk netwerk van provinciaal niveau dat de ontwikkelingsbehoeften van de deelruimte Mechels Rasterlandschap opvangt; het gebied dient verdicht in de kleinstedelijke gebieden. De kleinstedelijke gebieden worden verbonden door de N10 die beschouwd wordt als ‘drager van het stedelijk netwerk’. Lintvormig hierlangs dient overeenkomstig het RSPA tegengegaan. De provincie maakte inmiddels een kaderplan (goedgekeurd door bestendige deputatie op 12/09/2002) op met een ruimtelijke visie voor het gebied langsheen de N10 ten zuiden van Lier; dit kaderplan is bedoeld als richtinggevend plan voor zowel de provincie als de lagere besturen en andere actoren. Het kaderplan ziet het netwerk Lier-Aarschot niet als een aaneengesloten activiteitenband langsheen de N10. Het stelt duidelijk dat de ruimtelijke omgeving sterk bepaald zal worden door de afbakening van de kleinstedelijke gebieden waar de activiteiten zich dienen te concentreren. Het nabij het bedrijf gelegen Fort van Lier maakt deel uit van de buitenste fortengordel die in het RSPA is geselecteerd als bakenreeks. -De stad Lier beschikt over een goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (besluit Bestendige Deputatie dd. 09/10/03). Daarin wordt de ligging van 24 zonevreemde bedrijven aangegeven. Het bedrijf Centispeed is gelegen aan de rand van de deelruimte open ruimte corridor Koningshooikt. Het Fort van Lier is een belangrijk element in de gewenste natuurlijke structuur van Lier. Het bedrijf situeert zich volgens de gewenste ruimtelijke structuur achter X-12.807-9/22 een woonlint op de rand van een agrarisch gebied met bouwbeperking, dat aansluit op de gewenste open ruimte corridor over de Aarschotsesteenweg. -De stad Lier beschikt over een goedgekeurd sectoraal BPA zonevreemde bedrijven met vier goedgekeurde deelplannen (BGM 25/06/04). Het bedrijf Centispeed werd hierbij niet opgenomen. In de inventaris zonevreemde bedrijven wordt het bedrijf vermeld als zijnde een bedrijf van lokaal niveau met als geplande ruimtelijke uitbreiding een verhoging van het dak. -Het nabije Fort van Lier is beschermd als Europees habitatrichtlijngebied (vleermuizenhabitat) en maakt deel uit van het gewenst IVON. Volgens de Biologische Waarderingskaart komen in de onmiddellijke omgeving veel biologische waarden voor. Op basis van de bovenstaande uitspraken moet gesteld worden dat het bestendigen en uitbreiden van de transportbedrijvigheid op deze locatie in de open ruimte achter het woonlint in functie van de N10 niet verenigbaar is met de planologische opties die genomen zijn op de diverse niveaus. Het bedrijf hoort volgens het planologisch kader thuis binnen de afbakening van het kleinstedelijk gebied Lier, waar extra ruimte voor bedrijvigheid wordt voorzien, of desgevallend elders op een daartoe bestemd bedrijventerrein”. De hiervoor geciteerde inhoud van de ruimtelijke structuurplannen wordt in de bestreden beslissing bijgetreden (“8.5. Bespreking van het advies van de gewestelijke planologische ambtenaar”) en door de verzoekende partij als zodanig niet betwist. 3.1.2.4. Op provinciaal niveau geldt een ruimtelijk structuurplan van de provincie Antwerpen (hierna: RSPA). Volgens dit RSPA wordt het gebied tussen Lier en Aarschot beschouwd als een stedelijk netwerk van provinciaal niveau. Uit dit gegeven kan niet worden afgeleid dat elk perceel dat deel uitmaakt van dit stedelijk netwerk moet worden opgenomen in een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: PRUP). Ruimtelijke structuurplannen zijn immers beleidsdocumenten die een kader en een langetermijnvisie aanreiken. Dit impliceert dat de besturen bij de verdere uitvoering van deze plannen (door middel van RUP’
- s)over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikken. Zo is niet uitgesloten dat in een PRUP voor het betrokken stedelijk netwerk alleen kleinstedelijke gebieden worden afgebakend en dat voor die gebieden ruimtelijke bestemmingsvoorschriften worden opgelegd. Overigens was er op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing een ontwerp van PRUP voorhanden (Afbakening kleinstedelijk gebied Lier), waarin de grens van het kleinstedelijk gebied Lier werd vastgesteld. Het bedrijf zou volgens dat ontwerp in het buitengebied zijn gelegen. Uit de planningscontext blijkt voorts dat er een goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (hierna: GRSP) bestaat. Het bedrijf van de verzoekende partij is gelegen aan de rand van de deelruimte open ruimte corridor Koningshooikt. Gelet op dit GRSP valt niet in te zien waarom de gemeente geen X-12.807-10/22 RUP of plan van aanleg zou kunnen opmaken waarin ook het bedrijf van de verzoekende partij is opgenomen. 3.1.2.5. In het licht van de planningscontext is het dus geenszins uitgesloten dat de gemeente bevoegd is voor het maken van een RUP of plan van aanleg voor het gebied waarin het bedrijf is gelegen. Er kan dan ook niet worden gesteld dat de gewestelijke planologische ambtenaar ten onrechte het college van burgemeester en schepenen van de stad Lier als bevoegde overheid heeft aangeduid om te beslissen over de aanvraag tot planologisch attest, en al zeker niet dat dit oordeel kennelijk onredelijk zou zijn. 3.1.2.6. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.1.Het aangevoerde tweede middel In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van, enerzijds, het richtinggevend gedeelte van het RSPA in samenlezing met de artikelen 31 en 19 DRO, en anderzijds, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet), “Doordat, middels het bestreden besluit het planologisch attest wordt geweigerd, nu transportbedrijvigheid op de beoogde locatie in de open ruimte achter het woonlint in functie van de N10 niet verenigbaar is met de planologische opties die genomen zijn op de diverse beleidsniveaus, Terwijl, het besluit over de aanvraag tot het bekomen van een planologisch attest conform artikel 145ter DORO voor de aanvrager individuele rechtsgevolgen teweegbrengt, en zulk besluit dus valt binnen het toepassingsveld van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van overheidshandelingen. Terwijl, uit het richtinggevend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan voor de Provincie Antwerpen duidelijk blijkt dat het perceel waarop de aanvraag slaat, bestemd is als stedelijk netwerk van provinciaal niveau, En terwijl, uit het richtinggevend gedeelte van het provinciaal ruimtelijk structuurplan Antwerpen (pagina’s 131, 141 en 180) nergens blijkt dat het verder bestaan van het bedrijf op de huidige plaats niet zou passen in de planologische opties die met betrekking tot dit stedelijk netwerk werden genomen, En terwijl, in tegendeel blijkt dat deze zone ‘enerzijds functies (moet) opvangen die het omliggend gebied steeds verder versnipperen en de bestaande landbouw- en natuurfunctie onder druk zetten. Anderzijds moet worden ingespeeld op de potenties tot stedelijkheid, verdichting en dynamiek in de kleinstedelijke gebieden. Dat betekent dat allerlei dynamische functies worden geconcentreerd in het netwerk. De ontwikkeling van een samenhangend beleid X-12.807-11/22 op gedeelde problemen en potenties in het gebied is ook een argument voor de selectie. Om met de beschreven ruimtelijke context om te kunnen gaan, acht de provincie een gebiedsgerichte visie noodzakelijk. Het is niet de bedoeling functies aan te trekken uit het netwerk van het Albertkanaal of uit het gebied Antwerpen - Brussel. Vooral de relatie met het omliggend rasterlandschap en het Netegebied telt. Dit uit zich ook in de aard van de stedelijkheid die wordt geboden door Lier, Heist-op-den-Berg en Aarschot. Het netwerk Lier - Aarschot wordt niet beschouwd als een onderdeel van de Vlaamse ruit maar is eraan gerelateerd. Daardoor gelden niet dezelfde normen van selectiviteit, hoogwaardigheid en differentiatie. Zo kunnen bijvoorbeeld kleinere ambachtelijke bedrijven hier een plaats krijgen die niet thuishoren in het gebied tussen Antwerpen en Brussel of in de Kempische as. Belangrijke functies in het netwerk zijn wonen, werken en voorzieningen op schaal van het omliggend gebied. De behoefte aan bijkomende regionale bedrijventerreinen wordt opgevangen in de kleinstedelijke gebieden. Lokale bedrijventerreinen kunnen eventueel worden aangelegd in bepaalde hoofddorpen. De toekomstige rol van het netwerk Lier - Aarschot wordt bepaald door het realiseren van stedelijkheid van provinciaal niveau in afgebakende verdichtingspunten met behoud van open ruimte verbindingen daartussen. Er ontstaat zo een sterk onderscheid tussen het middengebied in de driehoek Mechelen - Lier - Aarschot (tuinbouwgebied) en in het Netegebied enerzijds en de buitenkant met Mechelen in het westen en het stedelijk netwerk Lier - Aarschot in het oosten anderzijds. De verdichtingspunten in het netwerk zijn de stedelijke gebieden Lier, Heist-op-den- Berg en Aarschot en in mindere mate delen van het grondgebied van Berlaar. Begijnendijk is een belangrijke kern in de provincie Vlaams-Brabant. De verdichtingspunten worden verbonden door belangrijke infrastructuren: NI0 als drager van het stedelijk netwerk en de spoorlijn Lier - Aarschot met interessante stationsomgevingen. Vooraleer ontwikkelingen te stimuleren in het netwerk is een verbetering van de bestaande infrastructuren noodzakelijk. Daarvoor maakt de provincie een streefbeeld op’.(RSPA, richtinggevend gedeelte, p. 180). En terwijl, deze planologische opties uit het RSPA zich geenszins verzetten tegen het verzekeren van het verder bestaan van het bedrijf op de huidige plaats, wel integendeel, En terwijl, de planologische opties die voor het bedrijfsterrein zijn genomen in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Lier, (...) volgens (hetwelk) het terrein is gelegen aan de rand van de deelruimte open ruimte corridor Koningshooikt, niet in overweging kunnen worden genomen bij de beoordeling van de aanvraag, nu deze bepalingen zich in strijd met artikel 31 DORO niet richten naar de bepalingen van het ruimtelijk structuurplan voor de Provincie Antwerpen voor het perceel, zonder dat aan de in artikel 19 §3 DORO voorziene motieven voor de afwijking van het bindend gedeelte van het provinciaal ruimtelijk structuurplan is voldaan. En terwijl, aldus de motivering in het bestreden besluit, als zou het planologisch attest niet positief kunnen luiden nu het verder bestaan van het bedrijf op de huidige site strijdig is met de planologische opties die met betrekking tot het terrein op diverse niveaus is genomen, niet strookt met de werkelijkheid en dus strijdig is met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van overheidshandelingen En terwijl, aldus in het bestreden besluit volstrekt ten onrechte wordt gesteld dat het verder bestaan van het bedrijf in de open ruimte achter het woonlint van de N 10 niet verenigbaar zou zijn met de planologische opties van het gebied, genomen op diverse beleidsniveaus, de in het middel aangehaalde bepalingen schendt”. X-12.807-12/22 3.2.2.Beoordeling van het tweede middel 3.2.2.1. Artikel 31 van het DRO bepaalde ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing: “Voor elke gemeente wordt een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan vastgesteld. Het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan richt zich naar het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie waarbinnen de gemeente ligt. Het kan van het richtinggevend deel van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en van het provinciaal ruimtelijk structuurplan slechts afwijken op grond van de motieven, bepaald in artikel 19, § 3. Van de als bindend aangeduide onderdelen kan niet worden afgeweken”. Artikel 19 van het DRO bepaalde: “§1. Ieder ruimtelijk structuurplan bevat een bindend, een richtinggevend en een informatief gedeelte. §2. Bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan duidt de instantie die het plan definitief vaststelt de onderdelen ervan aan die bindend zijn. Voor het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen zijn deze onderdelen bindend voor het Vlaamse Gewest, de diensten van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de instellingen die ressorteren onder het Vlaamse Gewest en de besturen die onder het administratief toezicht staan van het Vlaamse Gewest en de vennootschappen die een erkenning hebben van de instellingen die ressorteren onder het Vlaamse Gewest. Voor het provinciaal ruimtelijk structuurplan zijn deze onderdelen bindend voor de provincie en de gemeenten op haar grondgebied en voor de instellingen die eronder ressorteren. Voor het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn deze onderdelen bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren. §3. Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen. Dit deel bevat ten minste : 1° de doelstellingen en de prioriteiten inzake ruimtelijke ontwikkeling; 2° een beschrijving van de gewenste ruimtelijke structuur uitgaande van de bestaande ruimtelijke structuur en van behoeften en gevolgen op economisch, sociaal, cultureel en agrarisch gebied, en op gebied van mobiliteit, natuur en milieu, met inbegrip van veiligheid, in het bijzonder zoals bedoeld in artikel 2 en 24 van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse, het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. 3° de maatregelen, middelen, instrumenten en acties tot uitvoering van het ruimtelijk structuurplan. X-12.807-13/22 §4. Het informatief deel bevat ten minste : 1° een beschrijving, analyse en evaluatie van de bestaande fysische ruimtelijke toestand; 2° een onderzoek naar de toekomstige ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten; 3° het verband met het hogere ruimtelijk structuurplan of, in voorkomend geval, met de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen; 4° de mogelijke alternatieven om de gewenste ruimtelijke structuur te bereiken. §5. Na de vaststelling van een ruimtelijk structuurplan neemt de overheid die het structuurplan heeft vastgesteld de nodige maatregelen om de ruimtelijke uitvoeringsplannen in kwestie in overeenstemming te brengen met het ruimtelijk structuurplan. §6. De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor de werken en handelingen, bedoeld in artikelen 99 en 101, noch voor het stedebouwkundig uittreksel en attest, bedoeld in artikel 135. §7. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaraan één of meer fysieke personen of rechtspersonen, of een gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk bestuur moeten voldoen om te kunnen worden aangewezen om een ontwerp van ruimtelijk structuurplan op te maken. Die voorwaarden kunnen onder meer variëren naar gelang van het planningsniveau of naar gelang van de grootte en de aard van de gemeente voor wat het gemeentelijke niveau betreft. De opmaak van het ontwerp van ruimtelijk structuurplan gebeurt onder de verantwoordelijkheid van één of meerdere ruimtelijk planners. De Vlaamse regering legt een register aan waarin vermeld wordt welke personen conform dit decreet als ruimtelijk planner worden beschouwd. Enkel natuurlijke personen kunnen conform dit decreet als ruimtelijke planner worden beschouwd. De opname in het register geldt voor een periode van 3 jaar. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden voor opname in het register. De Vlaamse regering kan bepalen dat een ruimtelijk structuurplan door meerdere personen in een samenwerkingsverband dient te worden opgemaakt, waaronder minstens één ruimtelijke planner, en ze kan hierbij de vereiste deskundigheden specificeren. §8. Er wordt vooroverleg gepleegd tussen de betrokken overheden en instellingen die afhangen van het Vlaamse Gewest over de voorontwerpen van ruimtelijke structuurplannen. De Vlaamse regering bepaalt welke overheden en instellingen bij het vooroverleg betrokken zijn en kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de organisatie van het vooroverleg”. 3.2.2.2. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (
- is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in X-12.807-14/22 zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft de motiveringswet een wet van suppletoire aard is. Luidens artikel 5, §2, eerste lid van het besluit van 4 juni 2004 doet de bevoegde overheid “in” de beslissing over de aanvraag tot planologisch attest een “gemotiveerde” uitspraak over het behoud van het bedrijf op de huidige locatie in de huidige schaal, de voorgestelde uitbreiding op korte termijn en de voorgestelde uitbreiding op lange termijn. Die voorgeschreven motiveringsplicht is niet minder streng dan deze voorgeschreven door de motiveringswet. De bestreden beslissing over de aanvraag tot planologisch attest valt derhalve niet onder de toepassing van die wet. 3.2.2.3. Het middel gaat uit van de premisse dat het RSPA ook betrekking heeft op het perceel van de verzoekende partij en dat, samenhangend daarmee, het perceel diende te vallen onder een PRUP. Bij de bespreking van het eerste middel is uiteengezet waarom deze zienswijze niet kan worden bijgetreden. Dat het gebied in globo behoort tot het stedelijk netwerk op provinciaal niveau betekent geenszins dat er ook met betrekking tot het perceel van de verzoekende partij een PRUP diende te worden gemaakt. 3.2.2.4. Uit niets in het richtinggevende gedeelte van het RSPA, waaruit de verzoekende partij een aantal elementen aanhaalt, blijkt dat het bedrijf van de verzoekende partij noodzakelijkerwijze ter plaatse moet kunnen blijven. Zoals reeds is aangehaald bij het eerste middel, beschikken overheden over een ruime appreciatiebevoegdheid wanneer zij ruimtelijke structuurplannen implementeren of aanvragen daaraan toetsen, en kan men in casu bezwaarlijk stellen dat het weigeren van de aanvraag voor een planologisch attest kennelijk indruist tegen het richtinggevende gedeelte van het RSPA. Integendeel, uit de niet betwiste weergave van de inhoud van het RSPA in de bestreden beslissing (zie randnummer 3.1.2.3) blijkt dat in dit ruimtelijk structuurplan wordt geopteerd voor een verdichting in kleinstedelijke gebieden, het tegengaan van lintvorming en het vermijden van een activiteitenband langsheen de N10. Het behouden van het bedrijf op de bestaande locatie staat daar op gespannen voet mee. Het behoud van de open ruimte achter het woonlint in functie van de N10 is niet kennelijk onverenigbaar met de planologische opties die zijn genomen in het RSPA. 3.2.2.5. Het tweede middel is niet gegrond. X-12.807-15/22 3.3.1.Het aangevoerde derde middel In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van, enerzijds, het richtinggevend gedeelte van het RSPA in samenlezing met de artikelen 31 en 19 DRO, en anderzijds, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, “Doordat, in het bestreden besluit wordt geoordeeld dat geen positief planologisch attest kan worden afgeleverd, nu het agrarisch landschap rond het fort maximaal gevrijwaard dient te worden, Terwijl, uit het bestreden besluit op geen enkele wijze kan worden opgemaakt waarop het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Lier zich (baseert) om het bewaren van deze maximale openheid op te leggen, En terwijl, uit de richtinggevende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan van de Provincie Antwerpen blijkt dat het desbetreffende perceel gelegen is in een stedelijk netwerk van Provinciaal niveau, waarbij de maximale vrijwaring van het agrarische landschap rond het fort helemaal niet is vermeld, En terwijl, uit het bestreden besluit zelf niet kan worden opgemaakt op basis van welke bepaling uit het ruimtelijk structuurplan van de stad Lier de maximale vrijwaring van het agrarisch landschap rond het Fort wordt vereist, En terwijl, uit het bestreden besluit zelf blijkt dat zowel de Afdeling Land als de Afdeling natuur van Aminal een gunstig advies uitbrachten over het ter plekke verder bestaan van het bedrijf en over de ontworpen uitbreidingen in het agrarisch gebied, En terwijl, nergens uit het bestreden besluit blijkt waarom het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Lier van oordeel is aan deze gunstige adviezen te moeten voorbijgaan, En terwijl, het bestreden besluit in hoofde van beroepster individuele rechtsgevolgen teweegbrengt, en dus valt binnen het toepassingsveld van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van overheidshandelingen, En terwijl, de toepassing van deze wettelijke bepalingen vereist dat het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Lier uitdrukkelijk aangeeft in uitvoering van welke bepaling zij vereist dat het agrarische landschap rondom het fort maximaal bewaard dient te worden, te meer daar zulks niet blijkt uit het richtinggevend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan voor de Provincie Antwerpen, En terwijl, de toepassing van deze wettelijke bepalingen eveneens vereist dat, nu het College bij het vereisen van de maximale bewaring van het agrarisch landschap rondom het fort voorbijgaat aan de adviezen van de Afdelingen Land en Natuur van Aminal die zich tegen de geplande uitbreiding in het agrarisch landschap niet verzetten, uitdrukkelijk wordt gemotiveerd waarom aan deze adviezen wordt voorbijgegaan”. 3.3.2.Beoordeling van het derde middel 3.3.2.1. Wat betreft de toepassing van de motiveringswet wordt verwezen naar hetgeen reeds bij de bespreking van het tweede middel (randnummer 3.2.2.2.) dienaangaande is geoordeeld. X-12.807-16/22 3.3.2.2. Zoals reeds uit de bespreking van het eerste middel is gebleken druist de bestreden beslissing niet in tegen het RSPA. Uit niets blijkt dat het vrijwaren van het open agrarisch landschap rond het fort van Lier zou indruisen tegen de opties van het RSPA, en nog minder blijkt dat dit kennelijk zou indruisen tegen deze opties. 3.3.2.3. In de bestreden beslissing wordt onder de hoofding “8.6. Ruimtelijke afweging” vermeld dat het bedrijf ligt in een “zeer belangrijke open ruimte die aansluit op de omgeving van het fort en de open ruimte corridor tussen Lier en Koningshooikt”. Aldus wordt aannemelijk gemaakt waarom de open ruimte en het agrarisch landschap maximaal dienen te worden gevrijwaard. Bovendien wordt gesteld dat een nieuw transportbedrijf op de bewuste locatie nooit zou kunnen worden aanvaard. Wat dat laatste betreft wordt aangegeven dat het “ruimtelijk niet verantwoord (
- is)om bijkomende open ruimte aan te snijden ten behoeve van een volledig onvergund transportbedrijf, waarvan de regularisatie op zich reeds niet aanvaardbaar wordt geacht”. 3.3.2.4. Het vrijwaren van de open ruimte in het agrarisch gebied sluit aan bij de opties van het GRSP, vermits het bedrijf van de verzoekende partij is gelegen aan de rand van de deelruimte open ruimte corridor Koningshooikt en aansluitend op de gewenste open ruimte corridor over de Aarschotsesteenweg. Van deze opties wordt melding gemaakt in de motivering van de bestreden beslissing. 3.3.2.5. Het advies van 2 juni 2005 van de afdeling Land luidt als volgt: “Na een onderzoek verleent de afdeling Land een gunstig advies om de volgende redenen: -De zonevreemde inplanting zelf is feitelijk gelegen in een open agrarisch gebied, vlak achter een lintvormig woongebied met landelijk karakter, met de bedrijfswoning van de inplanting in het voorliggend woongebied met landelijk karakter. -De inname aan agrarisch gebied door de bestaande inplanting bedraagt ca. 0,2 ha. Na de geplande uitbreiding bedraagt deze inname ca. 0,35 ha. -De impact op de agrarische structuren is en blijft beperkt, ook na de voorgestelde, vrij beperkte uitbreiding. -De indringing in het agrarisch gebied is vergelijkbaar met de indringing van de tuinen achter de woningen die gelegen zijn in hetzelfde woongebied met landelijk karakter, zuidwaarts van de inplanting. -Al bij al betreft het hier veeleer een zaak van goede ruimtelijke ordening dan van landbouwstructuren”. Het advies van 3 juni 2005 van de afdeling Natuur luidt: X-12.807-17/22 “In het voorgelegde planologisch attest wordt het behoud en de beperkte uitbreiding van een bestaand transportbedrijf gevraagd op de huidige inplantingsplaats. De bedrijfsterreinen zijn gesitueerd in agrarisch gebied grenzend aan het woongebied met landelijk karakter langsheen de Aarschotsesteenweg. De activiteiten van het bedrijf zijn ter plaatse in 1972 ontstaan. Sindsdien is het bedrijf in verschillende fasen verder uitgebreid. De huidige bedrijfsgebouwen zijn deels vergund en deels niet vergund. Het planologisch attest voorziet de modernisering en verbouwing van het bedrijf op de bestaande bedrijfsoppervlakte en een kleine uitbreiding van het bedrijfsterrein voor de aanleg van meer parkeerplaatsen (9 are). Het weiland dat voor de uitbreiding van de parking zal worden aangesneden, heeft weinig biologische waarde. Voor de aanleg van de parking en de modernisering van het bedrijf dienen ook geen struiken of bomen te worden gerooid. Verder zal de regularisatie en beperkte uitbreiding van het bedrijf ook geen significante negatieve invloed hebben op de beschermde habitats en soorten van het habitatrichtlijngebied BE2100045 ter hoogte van het Fort van Lier. Advies: De afdeling Natuur geeft gunstig advies voor het behoud en de beperkte uitbreiding van het transportbedrijf op de huidige locatie. De afdeling Natuur acht het wel wenselijk om voor de aanleg van de groenbuffer rond het bedrijf enkel gebruik te maken van streekeigen en standplaatsgeschikte soorten”. De voormelde adviezen zijn opgenomen in de bestreden beslissing. Daarin wordt het advies van de afdeling Natuur door het college van burgemeester en schepenen van Lier bijgetreden. Hetzelfde geldt voor het advies van de afdeling Land, maar dan wel onder het volgende voorbehoud: “Afdeling Land stelt dat de indringing in het agrarisch gebied vergelijkbaar is met de indringing van de tuinen achter de woningen die gelegen zijn in hetzelfde woongebied met landelijk karakter, zuidwaarts van de inplanting. Het college van burgemeester en schepenen stelt dat het bedrijf zich in de open ruimte achter een woonlint bevindt. Volgens de gewenste ruimtelijke structuur in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Lier situeert het bedrijf zich achter een woonlint op de rand van een agrarisch gebied met bouwbeperking, dat aansluit op de gewenste open ruimte corridor over de Aarschotsesteenweg. Het agrarisch landschap rondom het Fort dient maximaal gevrijwaard te worden”. Beide adviezen zijn in de bestreden beslissing dus uitdrukkelijk vermeld en besproken. Wat betreft het advies van de afdeling Land wordt duidelijk, expliciet en afdoende aangegeven waarom dit advies niet volledig wordt bijgetreden. Wat betreft het advies van de afdeling Natuur dient te worden opgemerkt dat het bijtreden ervan door de verwerende partij niet in contradictie is met de andere overwegingen van de bestreden beslissing aangezien de afdeling Natuur zich enkel uitspreekt over de aanvaardbaarheid vanuit natuuroogpunt en het positief planologisch attest in casu is geweigerd om stedenbouwkundige motieven. X-12.807-18/22 3.3.2.6. Het derde middel is niet gegrond. 3.4.1.Het aangevoerde vierde middel In een vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van, enerzijds, het richtinggevend gedeelte van het RSPA in samenlezing met artikel 145ter DRO, en anderzijds, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, “Doordat, middels het bestreden besluit een negatief planologisch attest wordt afgeleverd, onder verwijzing naar de afbreuk van woonkwaliteit in het landelijke woonlint, Terwijl, conform de bepalingen van het richtinggevend gedeelte van het provinciaal ruimtelijk structuurplan Antwerpen, de omgeving van het desbetreffende perceel (...) deel uitmaakt van een stedelijk netwerk van provinciaal belang waarin allerlei dynamische functies kunnen worden geïntegreerd, en waarin plaats is voor wonen en werken, En terwijl, bij de beoordeling van een aan vraag tot planologisch attest in toepassing van artikel 145ter moet worden nagegaan of een bedrijf al dan niet behouden kan worden op de plaats waar het is gevestigd en de ontwikkelingsmogelijkheden op korte en lange termijn worden meegedeeld, En terwijl, de beoordeling van de verenigbaarheid van het bestaan en de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf waarop de aanvraag slaat uiteraard moet gebeuren in functie van de planologische opties die werden genomen in de opgemaakte ruimtelijke structuurplannen, en niet in functie van de bestemming die de omgeving tientallen jaren geleden verkreeg bij de totstandkoming van het Gewestplan, En terwijl, gelet op de heersende verkeersdrukte (...) langs de Aaarschotsesteenweg in de onmiddellijke nabijheid van Lier de omgeving van het bedrijf die volgens het Gewestplan is gelegen in landelijk woongebied, allang zijn landelijk karakter is verloren, En terwijl, aldus de beoordeling van de mogelijkheden tot blijvende vestiging en ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf, niet diende te gebeuren aan de hand van de bestemming van de omgeving als landelijk woongebied volgens het Gewestplan, doch wel volgens de bestemming van de omgeving als stedelijk netwerk van Provinciaal niveau volgens het ruimtelijk structuurplan van de Provincie Antwerpen, En terwijl aldus, het bestreden besluit door de bestaanbaarheid en de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf te toetsen aan de achterhaalde bestemming van de omgeving in het verleden, in plaats van aan de planologische opties die naar de toekomst toe met betrekking tot deze omgeving zijn genomen, de in het middel vermelde bepalingen heeft geschonden”. 3.4.2.Beoordeling van het vierde middel 3.4.2.1. Wat betreft de toepassing van de motiveringswet moet vooreerst opnieuw worden verwezen naar hetgeen reeds bij het tweede middel (randnummer 3.2.2.2.) dienaangaande is geoordeeld. X-12.807-19/22 3.4.2.2. Voorts dient te worden opgemerkt dat het positief planologisch attest, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij beweert, niet werd geweigerd omwille van de onverenigbaarheid met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. 3.4.2.3. Vervolgens moet de overweging in de bestreden beslissing dat het het bedrijf afbreuk doet aan de woonkwaliteiten in het landelijk woonlint, in verband worden gebracht met de hinder voor de omwonenden, waarop in de bestreden beslissing bij de ruimtelijke afweging, onder de hoofding “8.6.2. Ontwikkelingsperspectieven op korte termijn”, wordt gewezen : “De hinder voor de omwonenden wordt in het voorliggend dossier geminimaliseerd. Er wordt door het transportbedrijf wel degelijk afbreuk gedaan aan de kwaliteiten die normaal eigen zijn aan wonen in een woongebied met landelijk karakter. De ingediende bezwaarschriften getuigen hiervan. Enerzijds wordt aan verschillende woningen de relatie met het achterliggend agrarisch landschap volledig ontnomen. Anderzijds is er sprake van een rustverstoring die steeds verbonden is aan een transportbedrijf; er is door gebrek aan ruimte onvoldoende buffering ten opzichte van de aanpalende bewoners mogelijk om de hinder ten gevolge van de transportbewegingen (vanaf 5u ‘s morgens) tot een aanvaardbaar niveau te beperken; de in- en uitrit loopt vlak langs de links aanpalende villa, waarbij geen ruimte is voor een dergelijke buffer”. Hoe en waarom deze vaststellingen zouden indruisen tegen de opties van het richtinggevend gedeelte van het RSPA valt niet in te zien. 3.4.2.4. Bijgevolg kan, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt, het richtinggevende gedeelte van het RSPA niet geacht worden te zijn geschonden. Zoals bij de bespreking van de andere middelen reeds aan bod kwam, vloeit uit dit RSPA geenszins voort dat een positief planologisch attest diende te worden verleend. Zoals reeds is aangegeven, is het niet kennelijk onredelijk om uit het RSPA af te leiden dat geen positief planologisch attest kon worden verleend. 3.4.2.5. Het vierde middel is niet gegrond. 3.5.1.Het aangevoerde vijfde middel In een vijfde middel voert de verzoekende partij de schending aan van het decreet d' Allarde van 17 maart 1791 houdende de vrijheid van handel en nijverheid, X-12.807-20/22 “Doordat, uit de motivering van het bestreden besluit zeer duidelijk blijkt dat het negatief planologisch attest dat aan beroepster werd afgeleverd, er los van welke met de goede ruimtelijke ordening verband houdende reden ook, op is gericht het bedrijf van het grondgebied van de stad te bannen, nu de stad Lier van mening is dat de stad in zijn geheel omwille van de beperkte ontsluitingsmogelijkheden naar het hoofdwegennet en naar de haven van Antwerpen, geen geschikte locatie is voor transportbedrijven, En doordat, hierdoor de stad Lier, door los van welke met de goede ruimtelijke ordening verband houdende reden dan ook te stellen dat zij geen transportbedrijven op haar grondgebied veelt, in wezen op haar grondgebied een beroepsverbod oplegt Terwijl, het Decreet d’Allarde dd. 17 maart 1791 de vrijheid van handel en nijverheid waarborgt, en het aldus de overheid onmogelijk maakt deze vrijheid van handel en nijverheid aan banden te leggen En terwijl, de stad Lier hoe dan ook gelegen is op korte afstand van de haven van Antwerpen, zodat de aanwezigheid van transportbedrijven op haar grondgebied die op de Antwerpse haven gericht zijn, onvermijdelijk is, En terwijl, het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Lier in de bespreking van de door de omwonenden uitgebrachte bezwaren (...) het bezwaar met betrekking tot de problematiek van de verkeersveiligheid uitdrukkelijk weerlegt, en stelt dat mits een aantal verkeerstechnische maatregelen de verkeersveiligheid sterk kan toenemen, En terwijl, aldus, de stad Lier, door los van welke overweging van goede ruimtelijke ordening ook de afgifte van het bestreden besluit aan te wenden om de uitoefening van het beroep van transporteur op haar grondgebied te verbieden de in het middel aangehaalde bepaling schendt”. 3.5.2.Beoordeling van het vijfde middel 3.5.2.1. Uit een eenvoudige lectuur van de bestreden beslissing blijkt dat de stelling van de verzoekende partij als zou het positief planologisch attest los van enige overweging van ruimtelijke ordening zijn geweigerd, geenszins opgaat. 3.5.2.2. Daarenboven vormt het decreet d’Allarde, zoals de verzoekende partij het terecht bevestigt in haar laatste memorie, geen vrijbrief om alle mogelijke activiteiten toe te staan. Indien daartoe gewettigde redenen voorhanden zijn, kunnen immers beperkingen worden gesteld op de vrijheid van handel en nijverheid. In casu houden die redenen verband met de ruimtelijke ordening. 3.5.2.3. Het vijfde middel is niet gegrond. X-12.807-21/22 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.807-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.996 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div