id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.998 Rolnummer: A. 170840/X-12724 Zaak: Arrest 195998 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-21 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:32 Fiche Arrest nr 195.998 van 14 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.998 van 14 september 2009 in de zaak A. 170.840/X-12.724. In zake : Pierre VANHOVE, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de stad LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaat B. BEELEN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Pierre VANHOVE op 8 maart 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 december 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven waarbij aan Roeland en Griet POLSPOEL - GALLE de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het verbouwen van een ééngezinswoning op een perceel gelegen te Leuven, Ter Boelhage 3, kadastraal bekend sectie F, nr. 190/m3; Gelet op het arrest nr. 162.370 van 7 september 2006 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 19 september 2006 ingediend door de verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN DEN BROECK; X-12.724-1/17 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 april 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. HONNAY, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat J. VANSTIPELEN, die loco advocaat B. BEELEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord adjunct-auditeur A. VAN DEN BROECK, daartoe gemachtigd bij beslissing van 31 oktober 2008 van de adjunct auditeur-generaal, in haar eensluidend advies; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 17 juni 2005 (datum van het ontvangstbewijs) dienen Roeland en Griet POLSPOEL-GALLE bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van een bestaande ééngezinswoning op een perceel gelegen te Leuven, Ter Boelhage 3, kadastraal bekend sectie F, nr. 190/m3. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven is het perceel gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een bijzonder plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen een behoorlijk vergunde, niet-vervallen verkaveling. X-12.724-2/17 1.2. De woning waarop de aanvraag betrekking heeft, is onderdeel van een bouwblok van 6 woningen, gebouwd in de jaren ’50. De woning bevindt zich op de hoek van deze huizenrij, en is opgetrokken in halfopen bebouwing. De aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning beoogt onder meer een uitbreiding van de woning aan de achterzijde, zowel op het gelijkvloers als op de eerste verdieping, het zijdelings uitbreiden van de woning tot tegen de linker perceelsgrens en het wijzigen en vernieuwen van de dakconstructie. 1.3. De verzoeker is eigenaar en bewoner van de aanpalende woning langs de rechterzijde, gelegen Ter Boelhage 5. 1.4. Eerdere stedenbouwkundige vergunningen met betrekking tot dezelfde bouwplaats maakten reeds het voorwerp uit van enkele annulatieberoepen bij de Raad van State, ingesteld door de verzoeker. Een eerste stedenbouwkundige vergunning tot het verbouwen en uitbreiden van de woning, verleend op 12 december 2002, werd door het college van burgemeester en schepenen ingetrokken nadat hiertegen een annulatieberoep was ingesteld door de verzoeker (zaak gekend onder A. 132.776/X-11.286). Een volgende stedenbouwkundige vergunning, verleend op 10 april 2003, werd op vraag van de verzoeker vernietigd bij arrest nr. 128.603 van 27 februari 2004, nadat de tenuitvoerlegging ervan reeds was geschorst bij arrest nr. 123.583 van 29 september 2003 (zaak gekend onder A. 137.887/X-11.459). 1.5. Betreffende de huidige aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning wordt een openbaar onderzoek gehouden van 24 juni 2005 tot 23 juli 2005. De raadsman van de verzoeker dient een bezwaarschrift in bij schrijven van 19 juli 2005. 1.6. Bij besluit van 26 augustus 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven de gevraagde vergunning, met verwerping van de bezwaren. Tegen dit vergunningsbesluit dient de verzoeker een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State (zaak gekend onder A. 166.850/X-12.526). Tijdens deze procedure besluit het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven in zitting van 16 december 2005 de verleende vergunning in te trekken. X-12.724-3/17 Bij arrest nr. 158.927 van 17 mei 2006 worden de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring door de Raad verworpen. 1.7. Bij het bestreden besluit van 23 december 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven andermaal de gevraagde vergunning. 2. Ten gronde 2.1. Uiteenzetting van het enig middel De verzoeker voert in het enig middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : DRO), van de artikelen 43, 47 en 52, §3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, alsook van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij licht dit middel toe als volgt: “Doordat, eerste onderdeel, het college van burgemeester en schepenen de vergunning onder meer verleent onder de motivering dat ‘de achtergevel van het bouwblok ten opzichte van de noord-zuid as een hoek van 283/ maakt’ en ‘buiten het zomerseizoen het de woningen in de Brouwersstraat en de tuinmuur in de richting van de Ierse Predikherenstraat zijn die schaduw werpen op de achtergevel van de rijwoningen Ter Boelhage 3 tot 13’ en ‘de ontworpen uitbreiding van de woning met huisnummer 3 bijgevolg geen effect (heeft) op het aspect zon- en lichttoetreding in de onmiddellijke omgeving’ Terwijl, het college van burgemeester en schepenen de vergunningsaanvraag moet beoordelen op grond van juiste en in het licht van de beoordeling correcte motieven. En doordat, tweede onderdeel, de vergunning wordt gemotiveerd met de bewering dat ‘de zogenaamde harmonie van de omgeving in werkelijkheid een sterk bebouwde stedelijke context is waar structuur en uniformiteit zoek is’ en ‘het uitzicht van dit samenraapsel van bouwstijlen en materialen dat in de afgelopen decennia hier is neergezet ... bezwaarlijk als een esthetisch geheel bestempeld (kan) worden’. Terwijl het college van burgemeester en schepenen de vergunningsaanvraag moet beoordelen op grond van juiste en in het licht van de beoordeling correcte motieven, en het kennelijk onredelijk is om de wanorde die aanwezig is op percelen in de straten rondom het bouwperceel aan te wenden als een verantwoording voor het verstoren van de harmonie in de Ter Boelhaege. En doordat, derde onderdeel de vergunning wordt gemotiveerd met de bewering dat ‘de gevraagde bouwdiepte ... vergelijkbaar (
- is)met diverse X-12.724-4/17 uitbreidingen in de onmiddellijke omgeving (o.m.. Ter Boelhage 7, 9, 14, 18 of Brouwersstraat 93, 100 tot 106, Paul Delvauxwijk 14, 20, 31, 35, 37, 41 en Ierse Predikherenstraat 96). Veelal blijft een uitbreiding beperkt tot de gelijkvloers omwille van constructieve of financiële overwegingen. Een uitbreiding op de verdieping tot 12 m is in de geschetste context (zie ook weerlegging van bezwaarschriften) niet overdreven.’ Terwijl het college van burgemeester en schepenen de vergunningsaanvraag moet beoordelen op grond van juiste en in het licht van de beoordeling correcte motieven, en bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening rekening moet houden met de situatie van de onmiddellijke omgeving. TOELICHTING Artikel 19, laatste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen bepaalt dat de vergunning, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerpgewestplan, slechts wordt afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Op grond van artikel 43 van Stedenbouwdecreet is de vergunningverlenende overheid, zolang er voor het gebied geen bijzonder plan van aanleg bestaat of geen verkavelingsvergunning is verleend, ertoe gehouden (...) geval per geval te onderzoeken of de vergunning de goede aanleg van de plaats niet in het gedrang brengt. Het komt de Raad van State toe na te gaan of de vergunningverlenende overheid de haar toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij op grond van een correcte beoordeling van de gegevens van de aanvraag en van de gesteldheid van de plaats in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de vergunning kon worden verleend. Eén en ander moet, overeenkomstig artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen blijken uit de motivering van de vergunning. 1 In de eerste vergunning die het college van burgemeester en schepenen omtrent deze aanvraag heeft afgeleverd, heeft het college het volgende gesteld: ‘In bijkomende orde is het verlies aan zon en licht voor de rechts aanpalende verwaarloosbaar gelet op de oriëntatie van deze achtergevel (noord-west). Op dit ogenblik krijgt de achtergevel evenmin veel bezonning’. In de procedure tot schorsing en nietigverklaring van deze vergunning heeft de verzoekende partij dit als volgt betwist: ‘Ten eerste blijkt nergens uit het dossier dat deze bewering berust op een correcte feitenvinding. Het dossier bevat geen enkele studie omtrent de bezonning, en de uitgebreide beschrijvende nota bij de aanvraag stelt nergens dat de bestaande bezonning beperkt is. De bewering is bovendien foutief. De woning is eerder west-noordwestelijk georiënteerd dan noordwestelijk. De achtergevel maakt met de noord-zuidas een hoek van ongeveer 210/ (volgens de gegevens van het plan van de bestaande toestand). De verzoekende partij voegt bij haar verzoekschrift twaalf lijsten (voor elke maand één), opgemaakt voor de lengte en breedtegraden van Leuven, met de zonnestanden (hoek vanaf de horizon, ‘altitude’) voor elk kwartier, met een aanduiding van de hoek die de zon op dat ogenblik maakt ten opzicht van de noord-zuid as (‘azimuth’). Hieruit blijkt dat de zon, afhankelijk van de maand, tussen 12.45 en 14 uur (wintertijd) de achtergevel begint te beschijnen. De achtergevel heeft bijgevolg de hele namiddag zon. Dat in de huidige toestand de bezonning beperkt zou zijn is dan ook manifest onjuist. X-12.724-5/17 De verzoekende partij voegt bij haar verzoekschrift tevens een schets van de nieuwe toestand, waarop de hoeken kunnen worden nagemeten vanaf het ogenblik dat er een schaduw wordt geworpen door de nieuwe scheidingsmuur. In de nieuwe toestand wordt de scheidingsmuur op de perceelgrens opgehoogd tot een hoogte van 5.84 meter, tot op een bouwdiepte van 10.20 meter (1,30 meter achter de achtergevel), tot een hoogte van 3.20 meter en tot een bouwdiepte van 13,15 meter (2 meter achter de achtergevel van de keuken). De leefruimte heeft in de achtergevel een raam. Dit raam geeft uit op een koer. Deze koer is overdekt, maar wel in materialen die licht doorlaten. De leefruimte kan dus van zonlicht genieten. In het raam van de leefruimte, zal de schaduw van de scheidingsmuur niet langer samenvallen met de schaduw van de keuken van zodra de zon in een hoek staat van 44/ met de horizon (of lager). Deze schaduw is volledig van zodra de zon in een hoek staat van 33/ met de horizon (of lager). Er is een schaduw mogelijk van zodra de zon de achtergevel beschijnt, en dit totdat de zon achter de scheidingsmuur verschijnt. De zon beschrijft in de tijd een hoek van 9/ (volledig zon verlies) tot 23/ (gedeeltelijk zon verlies) langs de horizon, en doet hierover ongeveer een half uur tot twee uur. Potentieel is er dus een bezonningsverlies aan de achtergevel gedurende twee uur. Eén en ander is afhankelijk van de juiste datum. Uit de bijgevoegde stukken blijkt dat er tussen augustus en april een gedeeltelijk zonverlies is ten gevolge van deze muur, gedurende een periode van maximaal twee uur. Vanaf september tot maart is er een volledig zonverlies, gedurende een periode van maximaal 1,45 uur. Voor het keukenraam is de situatie nog ernstiger. De schaduw van de scheidingsmuur zal verschijnen van zodra de zon in een hoek staat van 67/ met de horizon (of lager). Aangezien de zon in België nooit in een grotere hoek zal staan, wil dit zeggen dat er steeds een schaduw zal zijn. Deze schaduw is volledig van zodra de zon in een hoek staat van 22/ met de horizon (of lager). Er is een schaduw mogelijk van zodra de zon de achtergevel beschijnt, en dit totdat de zon achter de scheidingsmuur verschijnt. De zon beschrijft in die periode een hoek van 46/ (volledig zonverlies) tot 74/ (gedeeltelijk zonverlies) langs de horizon. Uit de bijgevoegde stukken blijkt dat er in alle maanden een gedeeltelijk zonverlies is voor wat betreft de zoninval in het keukenraam, en dat dit ongeveer de hele namiddag duurt. Vanaf september tot maart is er een volledig zonverlies, gedurende een periode van anderhalf uur tot de ganse namiddag. Deze elementen werden niet op een ernstige wijze onderzocht, zodat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.’ De tussenkomende partij heeft in deze procedure op dit middel geantwoord wat volgt: ‘Dit is manifest onjuist. De verzoekende partij lijkt bewust uit te gaan van foutieve gegevens, want de hoek is duidelijk af te lezen van de plannen met de bestaande toestand (...). Deze hoek werd met het kompas vastgelegd. De hoek is niet 210/, maar wel 283/, vertrekkend vanaf noord in wijzerzin naar oriëntatie achtergevel’. In het kader van de procedure tot schorsing kon de verzoekende partij hier niet op antwoorden. De auditeur heeft in zijn verslag rekening gehouden met de door de tussenkomende partij aangehaalde elementen, en heeft aangenomen dat het nadeel van het lichtinval niet ernstig was. Aangezien de vergunning tegen de zitting ingetrokken was, kon de verzoekende partij geen repliek formuleren op het advies van het auditoraat. Na de intrekking heeft het college van burgemeester en schepenen de argumentatie van de tussenkomende partij kritiekloos overgenomen. X-12.724-6/17 De nieuwe vergunning motiveert nu: ‘Op de plannen met de bestaande toestand is duidelijk aangegeven dat de achtergevel van het bouwblok ten opzichte van de noord-zuid as een hoek van 283/ maakt. Buiten de het zomerseizoen zijn het de woningen in de Brouwersstraat en de tuinmuur in de richting van de Ierse Predikherenstraat die schaduw werpen op de achtergevel van de rijwoningen.’ Dit alles is evenwel totaal onjuist. 1.1. De verzoekende partij dient vooreerst op te merken dat zij bij het opstellen van de bezonningsgegevens in haar eerste verzoek tot schorsing gebruik heeft gemaakt van het inplantingsplan van de eerste aanvraag van de verzoekende partij zelf. Van dit plan had zij immers een kopie. Zij beschikte niet over een kopie van het inplantingsplan van de nieuwe aanvraag, omdat deze kopie haar, ondanks een uitdrukkelijk verzoek, geweigerd was. Feit is dat de noordpijl op beide inplantingsplannen gevoelig verschilt. Het verschil bedraagt ongeveer 17 /. De berekeningen die de verzoekende partij heeft gemaakt op basis van het oude inplantingsplan, zijn dus foutief, ten minste indien het nieuwe plan correct is. Deze fouten kan men de verzoekende partij bezwaarlijk kwalijk nemen, nu zij zich gebaseerd heeft op gegevens die voortvloeien uit plannen die opgemaakt zijn door dezelfde architect die ook de nieuwe plannen heeft opgemaakt, en de verzoekende partij niet kon vermoeden dat de aanvraag ook op dat punt zou verschillen. 1.2. Belangrijker is evenwel dat de tussenkomende partij in de eerste procedure, hierin gevolg door het college van burgemeester en schepenen in de motivering van de tweede vergunning, de noordpijl volledig verkeerd interpreteert. De noordpijl van de nieuwe aanvraag duidt inderdaad een hoek van 283/ aan, maar deze hoek is niet de hoek van de achtergevel ten opzichte van de noord-zuid as, maar wel de hoek van de perceelsgrens ten opzichte van de noord-zuid as. Voor de beoordeling van de bezonningsimpact is niet de perceelsgrens relevant (die werpt immers geen schaduw), maar wel de achtergevel (die doet dat wel). Het gevolg van deze vaststelling is dat het college van burgemeester en schepenen, in navolging van de tussenkomende partij, zich zo maar even 90/ misrekent. De hoek van de achtergevel op de noord-zuid as bedraagt niet 283/, maar wel 193/. Het verschil met de oriëntatiegegevens die door de verzoekende partij werden verstrekt bedraagt 17/. Dit verschil is integraal te wijten aan de verschillen tussen de twee inplantingsplannen in de opeenvolgende aanvragen. Dit element alleen al maakt dat het college van burgemeester en schepenen de aanvraag op een onzorgvuldige wijze heeft beoordeeld. Het middel is alleen al daarom gegrond. 1.3. Rekening houdend met de gegevens van de nieuwe aanvraag heeft de verzoekende partij de bezonningsberekeningen aangepast. Het volledig zonverlies op de achtergevel zal zich voordoen in de maanden oktober tot en met februari, en dit gedurende een periode van 30 à 45 min, pal op de middag. Het gedeeltelijk zonverlies op de achtergevel zal zich voordoen in de maanden september tot en met maart, gedurende een periode van anderhalf à twee uur, opnieuw pal op de middag. Het volledig zonverlies op het keukenraam zal zich voordoen in de maanden oktober tot februari, en zal in die periode ongeveer de hele namiddag duren. In alle maanden is er gedeeltelijk zonverlies op het keukenraam, gedurende ongeveer de hele namiddag (in de zomermaanden ongeveer tot 16 à 17 uur. X-12.724-7/17 1.4. In tegenstelling tot wat het college van burgemeester en schepenen beweert ligt de achtergevel van de verzoekende partij in de wintermaanden geenszins bestendig in de schaduw van de hoger gelegen woningen aan de Predikherenstraat of de Brouwerstraat. Zij voegt bij haar verzoekschrift een foto die genomen wordt op 2 maart 2006, waarop de achtergevel in de zon baadt, en waarop ook de resten te zien zijn van de sneeuwbuien van 28 februari 2006 en 1 maart 2006. Dit wordt ook niet tegengesproken door het dossier. Het niveau van de woningen aan de Predikherenstraat bevindt zich ongeveer 3 meter boven het gelijkvloerse niveau van de woning van de verzoekende partij. Het niveau van de woningen aan de Brouwersstraat ligt gevoelig lager. Deze woningen zijn allen woningen met één verdieping en een dak. Men kan aannemen dat het gaat om gebouwen met een bouwhoogte van ongeveer 9 meter. De nok van de woningen aan de Brouwersstraat die zich in het verlengde van de achtergevel bevindt, ligt op ongeveer 35 meter van de verzoekende partij. Naarmate de zon langs de horizon voortgaat zal er telkens rekening gehouden moeten worden met de woningen die verderop in de Brouwersstraat staan, en die dus verder van de woning van de verzoekende partij liggen. Pas op het einde van de namiddag is er schaduwinval van de woningen aan de Predikherenstraat. Eén en ander maakt dat zodra de zon theoretisch de gevel van de verzoekende partij kan beschijnen, er potentieel schaduw is van de woning aan de Brouwerstraat, waarvan de nok op 35 meter afstand staat, op een hoogte van 9 meter. De zon kan dan achter de nok tevoorschijn komen indien de zonnestand hoger is dan ongeveer 14 /. Eén en ander doet zich voor op ongeveer het middaguur, als de zon het hoogste staat. Zelfs in het midden van de winter (met name eind december) staat de zon dan hoger. Naarmate middag vordert compenseert de toename in de afstand van de woningen aan de Brouwersstraat de steeds lagere zonnestand. Pas in de late namiddag is dat niet meer het geval. Bijgevolg heeft de achtergevel van de verzoekende partij wel degelijk ook in de wintermaanden gedurende de hele vroege namiddag zoninval, en dit in tegenstelling tot de woning van de aanvrager, die dichter bij de woningen in de Brouwerstraat staat en dus wel degelijk zonverlies kan ondergaan. 1.5. Wat er ook van zij, het college van burgemeester en schepenen heeft de bezonningssituatie hoe dan ook op een verkeerde wijze beoordeeld. Het middel is gegrond. 2. In de eerste vergunning had het college van burgemeester en schepenen het volgende gesteld: ‘Het verstoren van de esthetiek omwille van deze verbouwing vormt geen argument van stedenbouwkundige aard. Het verstoren van de harmonie omwille van de oorspronkelijke uniformiteit van het bouwblok kan geen argument zijn om het transformeren van een woning tegen te gaan. ....De nieuwe achtergevel doet geen afbreuk aan het bestaande uniforme bouwblok of wat er van overblijft. De bestaande dakconstructie wordt vervangen door een zadeldak met behoud van nok- en kroonlijsthoogte. Op deze manier kan meer ruimte worden benut op de verdiepingen.’ De auditeur heeft in zijn verslag over het beroep tot nietigverklaring tegen deze vergunning gesteld dat esthetische bekommernissen bij uitstek tot het wezen van de stedenbouwkundige evaluatie behoort, en dat de principiële stellingname van het college dat dergelijke aspecten geen relevantie hebben, elke ernstige evaluatie van de aanvraag verhindert. Na de intrekking van de aanvraag luidt de motivering van de vergunning op dit vlak als volgt: X-12.724-8/17 ‘De zogenaamde harmonie van de omgeving is in werkelijkheid een sterk bebouwde stedelijke context waar structuur en uniformiteit zoek is. Ter Boelhaege is een verkaveling in het midden van een relatief klein bouwblok dat omsloten wordt door Brouwerstraat, Ierse Predikherenstraat, Paul Delvauxwijk en Ridderstraat. Het binnenblok wordt in alle richtingen omgeven door huizen in veelal gesloten of minstens halfopen bebouwing. De binnentuintjes zijn dikwijls ommuurd door scheidingsmuren. Achteraan in de tuin staat een monumentale keermuur die het niveauverschil van de tuinen van de woningen (...) uit de Ierse Predikherenstraat opvangt. Aan de achtergevels van de woningen staan bouwwerken en constructies in zowat alle maten en vormen. Aangezien de oppervlakte beperkt is, staat alles op relatief geringe afstand van elkaar. Het uitzicht van dit samenraapsel van bouwstijlen en materialen dat in de afgelopen decenia hier is neergezet kan bezwaarlijk als een esthetisch geheel bestempeld worden. De voorgestelde aanpassingen aan het dakvolume verwijzen naar de woningen Ter Boelhaege 14 tot 24 die eveneens zijn afgewerkt met een klassiek zadeldak. De uitbreiding achteraan de woning Ter Boelhaege 3 doet evenmin afbreuk aan de omgeving.’ Deze motivering geeft geen blijk van een afdoende onderzoek van de aanvraag, en geeft geen verantwoording aan de vergunning. 2.1. In de eerste plaats dient vastgesteld te worden dat het college van burgemeester en schepenen in weinig lovende bewoordingen spreekt over de stedelijke context. De motivering spreekt over het ‘zoek zijn’ van ‘structuur en uniformiteit’, over ‘bouwwerken en constructies in zowat alle maten en vormen’, een ‘samenraapsel van bouwstijlen en materialen’ dat is ‘neergezet’, en een geheel dat ‘bezwaarlijk als esthetisch bestempeld kan worden’. De redenering is dus dat de plaatselijke situatie op dit ogenblik reeds wanordelijk is, zodat een bijkomend wanordelijk element niet strijdig is met de goede plaatselijke ordening. Het college verleent de vergunning dus niet omwille van de esthetische kwaliteiten van het aangevraagde, maar wel omwille van het gebrek aan kwaliteiten van de omgeving. 2.2. De vaststelling van het college van burgemeester en schepenen gaat echter uit van een onzorgvuldige en tendentieuze feitenvinding. Waar de omschrijving van de omgeving die de motivering geeft wel opgaat voor de tuinzone van de woningen aan de Brouwersstraat en de Predikherenstraat, gaat deze beschrijving niet op voor de woningen in de Ter Boelhaege. De Ter Boelhaege is een bijzondere, voor Leuven zelfs unieke wijk. Deze wijk is het resultaat van een verdichtingsproject ‘avant la lettre’, dat door de Stad Leuven zelf in de vroege jaren vijftig werd gerealiseerd. De Stad Leuven heeft toen het initiatief genomen om het binnenblok dat gevormd wordt door de straten gevormd door de Brouwersstraat, de Predikherenstraat, de Paul Delvauxwijk en de Ridderstraat te ontsluiten. Hiervoor werd een weg aangelegd vanaf de Brouwerstraat. Deze weg komt uit op een soort pleintje, waarlangs de verschillende blokken woningen staan. Deze woningen werden alle gebouwd door dezelfde opdrachtgever, op hetzelfde ogenblik en met dezelfde materialen. Het bewuste gebied onderscheidt zich uiteraard van de bebouwing aan de omliggende straten. Deze bebouwing is inderdaad divers. Deze bebouwing werd niet op hetzelfde ogenblik opgericht, en ligt niet aan een afgesloten binnenplein. Uit het voorgaande blijkt dat er een duidelijk onderscheid te maken valt tussen de Ter Boelhaege en de omliggende straten. Het zou kennelijk onredelijk zijn in de hoofde van de overheid om dit onderscheid niet te maken. X-12.724-9/17 Het bijzondere aan de Ter Boelhaege is dat deze wijk intussen nog steeds vrij intact is. In tegenstelling tot wat het college beweert zien de woningen er aan de voorzijde nog exact zo uit als toen zij opgericht werden. Hier en daar hebben bewoners niet vergunningsplichtige onderhouds- en herstellingwerken uitgevoerd, wat tot gevolg heeft dat het originele buitenschrijnwerk vaak verdwenen is, en soms zijn er ook dakvlakvensters geplaatst, maar het gabariet zelf, hét basiskenmerk van het blok, is nog volledig intact. Hetzelfde geldt voor de materialen. In de vijftig jaar dat de woningen er staan werd er geen enkele gevel bepleisterd, beschilderd of van een andere gevelbekleding voorzien. Ook alle raam- en deuropeningen bleven ongewijzigd. Dit is het geval voor beide blokken. In beide blokken zien de voorgevels er nog net zo uit als ten tijde van de oprichting. Het college kan dus wel beweren dat harmonie in de omgeving totaal afwezig is, maar voor de Ter Boelhaege zelf is dit zeker niet het geval. In het licht van die vaststelling is het kennelijk onredelijk om het gebrek aan harmonie en eenheid, die de andere straten kenmerkt, en die door het college blijkbaar als ongunstig wordt bestempeld, aan te grijpen als een verantwoording voor het teniet doen van de eenheid en de harmonie die in de Ter Boelhaege juist nog wel aanwezig is. Deze eenheid en harmonie wordt wel degelijk teniet gedaan door de voorgestelde wijzigingen. De aanvraag voorziet in een wijziging van de dakvorm, door het vervangen van het drievlaksdak door een gewoon zadeldak. Op dit ogenblik is het bouwblok volledig symmetrisch opgebouwd. Aan de andere zijde van het blok heeft de kopwoning een dak dat identiek is aan de woning van de consoorten POLSPOEL. Door de wijziging van de dakvorm gaat de symmetrie van het blok verloren. Ook de schouwen staan symmetrisch van elkaar. De verwijzing naar de dakvorm van de andere blokken gaat niet op. Ook daar is de originele dakvorm nog aanwezig, en hebben de daken van de kopwoningen een identieke vorm. Deze blokken staan dwars op de straat, en komt niet uit op de aangrenzende tuinen, reden waarop er oorspronkelijk allicht gekozen werd voor een zadeldak. Hetzelfde geldt voor de dakkapel. Geen enkele woning in de Ter Boelhaege heeft op dit ogenblik een dakkapel. De motivering zwijgt in alle talen over dit element. Nochtans is dit element wel degelijk relevant. Indien er in een wijk met twaalf identiek opgebouwde woningen zonder dakkapel plots één woning wel een dakkapel zou krijgen, is dit een element dat minstens een uitdrukkelijke beoordeling behoeft. Deze beoordeling ontbreekt. Het middelonderdeel is alleen al daarom gegrond. Het probleem is het duidelijkst aan de voorzijde, maar is ook aan de achterzijde aanwezig. De weinig flatterende omschrijving van de omgeving als een ‘samenraapsel’ met ‘bouwwerken en constructies in zowat alle maten en vormen’ gaat weerom wél op voor de aangrenzende tuinen van de woningen aan de Brouwersstraat en de Predikherenstraat, maar niét voor de woningen in de Ter Boelhaege. In tegenstelling tot wat het geval is in de omliggende straten zijn er in de tuinen aan de Ter Boelhaege géén tuinmuren (enkel afsluitingen met draad), en zeker geen ‘bouwwerken en constructies in zowat alle maten en vormen’. Het (recente) tuinhuis van de consoorten POLSPOEL is de enige constructie in deze zone, maar hiervoor werd, voor zover geweten, nooit enige vergunning verleend. Voor wat betreft de wijzigingen aan de achtergevel zijn er twee woningen die een uitbreiding hebben gerealiseerd. Deze is beperkt tot de gelijkvloerse verdieping. De bouwdiepte is voor het overige voor alle woningen identiek. X-12.724-10/17 Opnieuw kan men zeggen dat het college van burgemeester en schepenen de wanorde van het omliggende gebied gebruikt als argument om de orde in deze specifieke wijk te verstoren. Deze argumentatie is kennelijk onredelijk. Het college van burgemeester en schepenen verantwoordt niet op afdoende wijze de wijziging van de bouwdiepte op de verdieping. Het middel is ook in dit onderdeel gegrond. 3. Zoals gezegd is er in Ter Boelhaege zelf geen enkele woning met een bouwdiepte op de verdieping van meer dan 8,9 meter. Het college verantwoordt de verhoging van de bouwdiepte op de verdieping door een verwijzing naar een reeks woningen in de omringende straten. Bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving dient het college evenwel rekening te houden met de daadwerkelijk onmiddellijke omgeving, met name de omliggende percelen. De bouwdiepte die gehanteerd wordt in de omringende straten heeft geen enkele relevantie voor de beoordeling van de voorliggende bouwaanvraag, die betrekking heeft op een woning in een rij die bestaat uit identieke woningen met een identieke bouwdiepte op de eerste verdieping. Het middel is gegrond”. 2.2. Onderzoek van het enig middel 2.2.1. Artikel 4 DRO bepaalt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. Het middel geeft niet aan in welk opzicht de bestreden stedenbouwkundige vergunning deze algemene doelstellingen van de ruimtelijke ordening in het gedrang zou brengen. 2.2.2. In zoverre het middel is gesteund op de schending van de artikelen 43, 47 en 52, §3 van het gecoördineerde decreet dient te worden vastgesteld dat de verzoeker niet uiteenzet waarin te dezen de schending van deze bepalingen is gelegen. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. 2.2.3. Uit de bepalingen van artikel 19, laatste lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, volgt dat het de taak is van de X-12.724-11/17 vergunningverlenende overheid om geval per geval te onderzoeken of een bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van de goede plaatselijke ordening. Luidens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Die motivering moet “afdoende” zijn. Wat betreft de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede plaatselijke ordening, volgt uit de voornoemde bepalingen dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt. Het komt aan de Raad van State niet toe zijn beoordeling van een goede plaatselijke aanleg in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad van State enkel bevoegd na te gaan of de bevoegde administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de aangevraagde vergunning verenigbaar is met de eisen van een goede plaatselijke aanleg. Het bestreden besluit bevat de volgende ter zake relevante motivering: “Bezwaar 2 legt vooreerst de nadruk op het wegnemen van lucht, licht en zon tengevolge van de uitbreiding op het gelijkvloers en op de verdieping (a). Het verstoren van de esthetiek van zowel de voor- als de achtergevel (
- b)en tot slot het veroorzaken van wateroverlast op het rechter aanpalend perceel omwille van de voorgestelde oplossing in de scheiding (c). Deze bezwaarschriften worden niet weerhouden. (
- a)De bewering dat de stedenbouwkundige aanvraag het derven van licht, lucht en voornamelijk zonlicht veroorzaakt, is onterecht. Op de plannen van de bestaande toestand is duidelijk aangegeven dat de achtergevel van het bouwblok ten opzichte van de noord-zuid-as een hoek van 283 / maakt. Buiten het zomerseizoen zijn het de woningen in de Brouwersstraat en de tuinmuur in de richting van de Ierse Predikherenstraat die schaduw werpen op de achtergevel van de rijwoningen Ter Boelhage 3 tot 13. Eén en ander wordt versterkt door het aanzienlijke hoogteverschil tussen de binnenpas van deze woningen en hun sterk oplopende tuinniveau. De ontworpen uitbreiding van de woning met huisnummer 3, heeft bijgevolg geen effect op het aspect zon- en lichttoetreding in de onmiddellijke omgeving. De lichttoetreding in de leefruimte van de woning Ter Boelhage 5 is beperkt tot één raam dat uitgeeft op een overdekte koer. De lichttoetreding in de leefruimte wordt momenteel tweemaal gebroken. De diffuse lichttoetreding is een gevolg van de eigen bouwwijze en kan geenszins toegeschreven worden aan de plannen van X-12.724-12/17 voorliggende stedenbouwkundige aanvraag. Het hoog ingeplant keukenraam met brede raamkozijnen heeft een netto glasoppervlakte van nauwelijks 0.50 m². De impact van de voorgestelde uitbreiding van de woning Ter Boelhage 3 op de leefkwaliteit van de aanpalende woning met huisnummer 5 is - gezien de context - beperkt. In een dicht bebouwde stedelijke omgeving is het gebruikelijk dat in een binnengebied constructies tegen de perceelsgrens of op geringe afstand ervan worden opgericht. De afstand tussen de tegenoverliggende achtergevels van de woningen in de Ierse Predikherenstraat enerzijds en van de woningen Ter Boelhage 3 tot 13 anderzijds, bedraagt - voor wat de hoofdvolumes betreft - gemiddeld circa 32 m. Ter hoogte van de perceelsgrens tussen de woning met huisnummer 5 en 3 is de afstand zelfs minder. De hinder die men hiervan ondervindt is een normaal gevolg van een dichtbebouwde stedelijke omgeving. Doordat het tuinniveau aanzienlijk hoger ligt dan de vloerpas van de woningen en de tuinen slecht minimaal zijn afgeschermd door middel van een paal en draadafsluiting, is er ook in de huidige situatie aanzienlijke inkijk in de belendende tuinen en panden. (
- b)De zogenaamde harmonie van de omgeving is in werkelijkheid een sterk bebouwde stedelijke context waar structuur en uniformiteit zoek is. Ter Boelhage is een verkaveling in het midden van een relatief klein bouwblok dat omsloten wordt door (
- de)Brouwersstraat, Ierse Predikherenstraat, Paul Delvauxwijk en Ridderstraat. Het binnenblok wordt in alle richtingen omgeven door huizen in veelal gesloten of minstens halfopen bebouwing. De binnentuintjes zijn dikwijls ommuurd door scheidingsmuren. Achteraan in de tuin staat een monumentale keermuur die het niveauverschil van de tuinen van de woningen uit de Ierse Predikherenstraat opvangt. Aan de achtergevels van de woningen staan bouwwerken en constructies in zowat alle maten en vormen. Aangezien de oppervlakte beperkt is, staat alles op relatief geringe afstand van elkaar. Het uitzicht van dit samenraapsel van bouwstijlen en materialen dat in de afgelopen decennia hier is neergezet kan bezwaarlijk als een esthetisch geheel bestempeld worden. De voorgestelde aanpassingen aan het dakvolume verwijzen naar de woningen Ter Boelhage 14 tot 24 die eveneens zijn afgewerkt met een klassiek zadeldak. De uitbreiding achteraan de woning Ter Boelhage 3 doet evenmin afbreuk aan de omgeving. (
- c)In verband met de mogelijke wateroverlast op het rechter aanpalend perceel wordt een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning afgeleverd. De werken dienen uitgevoerd te worden volgens de regels van goed vakmanschap zodat geen wateroverlast mogelijk is op de aanpalende percelen. De woning wordt uitgebreid en aangepast in functie van hedendaags wooncomfort. De bijgebouwen achteraan het hoofdvolume worden gesloopt en vervangen door een nieuwe constructie op het gelijkvloers en op de verdieping. Deze constructie wordt op het gelijkvloers niveau doorgetrokken tot in de linker perceelsscheiding. De bestaande dakconstructie wordt vervangen door een zadeldak met zelfde nokhoogte als het huidige schilddak. Na de werken bereikt het bouwvolume een bouwdiepte van 14.00 m op het gelijkvloers en van 12.00 m op de verdieping. De gevraagde bouwdiepte is immers vergelijkbaar met diverse uitbreidingen in de onmiddellijke omgeving (o.m. Ter Boelhage 7, 9, 14, 18 of Brouwersstraat 93, 100 tot 106, Paul Delvauxwijk 14, 20, 31, 35, 37, 41, ... en Ierse Predikherenstraat 96). Veelal blijft een uitbreiding beperkt tot het gelijkvloers omwille van constructieve en financiële overwegingen. Een uitbreiding op de verdieping tot 12 m is in de geschetste context (zie ook weerlegging bezwaarschriften) niet overdreven. De hinder die dergelijk bouwvolume met zich meebrengt is volkomen normaal te beschouwen binnen een sterk bebouwde stedelijke context. In verband met raaminplanting worden de afstanden tot perceelsgrenzen welke opgelegd zijn in het burgerlijk wetboek meer dan gerespecteerd. De privacy ten opzichte van de aanpalende percelen is bijgevolg gegarandeerd”. X-12.724-13/17 2.2.4.1. Wat het eerste onderdeel van het middel betreft In haar memorie van antwoord erkent de verwerende partij dat het de zijgevels zijn van het bouwblok die een hoek van 283/ maken ten opzichte van de noord-zuid-as en niet de achtergevel, zoals vermeld in het bestreden besluit. Met de verwerende partij dient vastgesteld te worden dat dit een puur materiële vergissing betreft die geen impact heeft gehad op de beoordeling, nu blijkt dat het bestreden besluit de facto uitgaat van de juiste ligging. Het betoog van de verzoeker met betrekking tot de herkomst van deze materiële vergissing, verandert niets aan deze conclusie. Verder toont de verzoeker, in het licht van de in het administratief dossier aanwezige foto’s, niet aan dat de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van de zon- en lichtinval is uitgegaan van onjuiste feitelijke elementen. Bovendien kan uit de uiteenzetting van het middel worden afgeleid dat het verlies aan bezonning eerder beperkt is. De mogelijke schaduweffecten van de vergunde uitbreiding moeten bovendien in verband gebracht worden met het feit dat de aanvraag betrekking heeft op een woning die gelegen is in een bij uitstek stedelijke omgeving die zeer dicht bebouwd is en waarbij de kwestieuze uitbreiding zich situeert in een binnenblok achteraan de bestaande woning. De verzoeker maakt niet aannemelijk dat de verwerende partij, op basis van bovenstaande feitelijke vaststellingen, in onredelijkheid tot het besluit is gekomen dat “de impact van de voorgestelde uitbreiding van de woning Ter Boelhage 3 op de leefkwaliteit van de aanpalende woning met huisnummer 5 (...)- gezien de context- beperkt (is)” en dat “de hinder die men hiervan ondervindt (...) een normaal gevolg van een dichtbebouwde stedelijke omgeving (is)”. Het eerste onderdeel van het middel is ongegrond. 2.2.4.2. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft 2.2.4.2.1. Ook wat betreft de mogelijke esthetische hinder die de vergunde werken met zich mee zouden brengen, dient vastgesteld te worden dat, afgezien van de bewoordingen die de vergunningverlenende overheid heeft gebruikt, de omschrijving van de onmiddellijke omgeving overeenstemt met de concrete toestand ter plaatse. De foto’s in het dossier tonen aan dat de aanvraag zich situeert in een dicht bebouwd binnenblok, dat in alle richtingen omgeven wordt door huizen in veelal gesloten of minstens halfopen bebouwing en dat in de binnentuintjes, die dikwijls gecompartimenteerd zijn door afsluitingen, aan de achtergevels van de X-12.724-14/17 woningen bouwwerken en constructies zijn opgericht in alle maten en vormen, en dit allemaal op eerder beperkte oppervlakte en op relatief geringe afstanden ten opzichte van elkaar. Ook de luchtfoto’s die de verzoeker nog bijbrengt in zijn laatste memorie, kunnen deze vaststellingen enkel bevestigen. Rekening houdend met de marginale toetsingsbevoegdheid die de Raad van State terzake heeft, slaagt de verzoeker er niet in aannemelijk te maken dat het kennelijk onredelijk is te oordelen dat er geen sprake is van het verstoren van de esthetiek van voor- en achtergevel, nu er geen sprake is van enige harmonie in de omgeving. Aan deze conclusie wordt evenmin afbreuk gedaan door de kritiek van de verzoeker dat de motivering niets vermeldt omtrent de dakkapel aan de voorzijde van de woning. Op het college van burgemeester en schepenen rust niet de verplichting elk bezwaar of onderdeel van een bezwaar uitdrukkelijk en afzonderlijk te beoordelen. Het volstaat dat het college in de beslissing aangeeft op grond van welke elementen en argumenten de bezwaren niet kunnen worden bijgetreden. Dit is te dezen gebeurd, nu de vergunningverlenende overheid op basis van bovenstaande feitelijke vaststellingen tot het besluit is gekomen dat het in werkelijkheid gaat om een sterk bebouwde stedelijke context waar structuur en uniformiteit zoek is en waarvan het uitzicht bezwaarlijk als een esthetisch geheel kan worden bestempeld. 2.2.4.2.2. Voorts gaat de verzoeker er van uit dat de beoordeling van de onmiddellijke omgeving beperkt zou moeten blijven tot de huizenblokken in Ter Boelhage, en wat de dakconstructie betreft, zelfs uitsluitend tot het huizenblok waartoe zijn woning en deze van de aanvragers van de betwiste vergunning behoren. Wat de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede plaatselijke ordening betreft, dient de vergunningverlenende overheid op de eerste plaats rekening te houden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Deze beoordeling dient in concreto te geschieden en uit te gaan van de bestaande toestand. Al naar gelang de aard en de omvang van de aanvraag kan ook rekening worden gehouden met de ordening in een ruimere omgeving. De ordening in de ruimere omgeving is daarbij uiteraard minder doorslaggevend en mag er alleszins niet toe leiden dat de ordening in de onmiddellijke omgeving, die de plaatselijke aanleg het meest bepaalt, buiten beschouwing wordt gelaten. De verzoeker toont niet aan dat de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening meer aandacht zou hebben besteed aan de ordening in de omliggende straten, en aldus niet op de eerste plaats rekening zou hebben gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving, met name de huizenblokken in Ter Boelhage. Voorts komt X-12.724-15/17 het niet kennelijk onredelijk voor de woningen in de omliggende straten eveneens bij de beoordeling te betrekken, nu enerzijds het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft zich situeert aan het uiteinde van het huizenblok, waardoor het tevens paalt aan percelen in de Brouwersstraat en de Ierse Predikherenstraat en anderzijds dit huizenblok omsloten wordt door de Brouwersstraat, de Ierse Predikherenstraat en de Paul Delvauxwijk, waardoor de tuinen en achtergevels van verschillende woningen in deze straten op elkaar uitgeven. 2.2.4.2.3. Ook wat het tweede onderdeel van het middel betreft, maakt de verzoeker niet aannemelijk dat de beslissing kennelijk onredelijk is, noch dat de motivering steunt op foutieve uitgangspunten of niet afdoende is. Het tweede onderdeel van het middel is ongegrond. 2.2.4.3. Wat het derde onderdeel van het middel betreft Hier kan vooreerst verwezen worden naar hetgeen onder punt 2.2.4.2 werd uiteengezet met betrekking tot beoordeling van de ordening in de onmiddellijke en de ruimere omgeving. De verzoeker betwist niet dat enkele woningen in de huizenrij waartoe de woning van de verzoeker behoort, op de gelijkvloerse verdieping een uitbouw hebben met een bouwdiepte van 14 meter. Wat de voorziene uitbouw op de eerste verdieping betreft, slaagt de verzoeker er niet in aannemelijk te maken dat het onredelijk is te oordelen dat deze uitbreiding “in de geschetste context (..) niet overdreven (is)” en “de hinder die dergelijk bouwvolume met zich meebrengt volkomen normaal te beschouwen is binnen een sterk bebouwde stedelijke context”. Het derde onderdeel van het middel is derhalve ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. X-12.724-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien september 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.724-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.998 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.370 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div