← België

Arrest 196013 - Tucht (openbaar ambt) - 14/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.013 Rolnummer: A. 158977/IX-4757 Zaak: Arrest 196013 - Tucht (openbaar ambt) - 14/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-25 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:32 Fiche Arrest nr 196.013 van 14 september 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.013 van 14 september 2009 in de zaak A. 158.977/IX-4757. In zake : Pierre FOURIER, die woonplaats kiest te BLANKENBERGE, Kerkstraat 326 tegen : het Universitair Medisch Centrum Sint-Pieter, Ziekenhuisvereniging van Brussel, dat woonplaats kiest bij advocaten M.-F. DUBUFFET en Ph. LEVERT, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 149/22. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Pierre FOURIER op 6 januari 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 16 november 2004 van de raad van beheer van het Universitair Medisch Centrum Sint-Pieter waarbij hem met ingang van 17 november 2004 de tuchtsanctie van de schorsing voor de duur van drie maanden wordt opgelegd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. WEEKERS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 17 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-4757-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat D. VERMER die, loco advocaat Ph. LEVERT, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur B. WEEKERS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1. Verzoeker is nachtverpleegkundige op de dienst Medische Intensieve Zorgen 607 C van de verwerende partij. Hij is ook vakbondsafgevaardigde voor de Algemene Centrale der Openbare Diensten (ACOD). 2.1. Tijdens de nacht van 25 op 26 juli 2004 begeeft verzoeker zich naar de dienst Medische Intensieve Zorgen 607 A, teneinde in het medisch bureau op de computer van Dr. R. foto’s te raadplegen, opgeslagen in de map “mijn documenten”. Het betreft foto’s gemaakt door Dr. R. van de handafdruk van het personeelslid C.W. op de billen van een patiënt. Tegen C.W. is op dat ogenblik een tuchtprocedure aan de gang wegens het toebrengen van slagen aan die patiënt. Verzoeker stuurt de foto’s door naar de computer van het medisch bureau van zijn eigen eenheid 607 C, naar zijn persoonlijk e-mailadres en naar dat van zijn echtgenote, die voorzitter is van de lokale sectie van de ACOD. Uit latere verklaringen (van 30 juli en 10 augustus 2004) van twee verpleegkundigen van de dienst 607 A blijkt dat verzoeker die bewuste nacht, alvorens de foto’s te raadplegen in het medisch bureau, aan de aanwezige verpleegkundigen verduidelijkt heeft dat hij zich bezighield met het dossier van het personeelslid C.W., en dat hij hen bij terugkomst medegedeeld heeft dat hij de foto’s naar zijn persoonlijk e-mailadres had verzonden teneinde aan de directie mee te delen dat een dergelijke operatie mogelijk was. IX-4757-2/10 2.2. Op 27 juli 2004 wordt de algemeen directeur van de verwerende partij door de federaal secretaris van de ACOD in kennis gesteld van het feit dat de betreffende foto’s via de computer beschikbaar zijn voor het personeel. 2.3. Op 9 augustus 2004 vindt een onderhoud plaats tussen de informaticadirecteur, het diensthoofd Nachtsupervisie en verzoeker met betrekking tot de feiten die zich hebben voorgedaan tijdens de nacht van 25 op 26 juli 2004. Verzoeker verklaart onder meer dat hij zich in de hoedanigheid van vakbondsafgevaardigde voor het personeelslid C.W. verplicht voelde om op te treden tegen de toestand waarbij foto’s uit diens tuchtdossier voor eenieder vrij beschikbaar waren op de computers en dat hij die foto’s dan ook in zijn bezit wou hebben als bewijsmateriaal vooraleer ze zouden verdwijnen. Hij stelt getipt te zijn inzake het bestaan van die foto’s. Hij “(kon) het niet hebben dat iedereen naar die foto’s kon kijken en er zelfs mee stond te lachen”. 2.4. Met een brief van 30 augustus 2004 deelt de algemeen directeur aan verzoeker mee dat “een voorstel tot disciplinaire actie” zal worden voorgelegd aan de raad van beheer omwille van de volgende feiten die zich hebben voorgedaan tijdens de nacht van 25 op 26 juli 2004: “

  1. a)zonder reden uw dienst intensieve zorgen (607 C) verlaten te hebben en de verzorging van 11 patiënten aan uw enige collega overgelaten te hebben;
  2. b)het vertrouwen van uw collega-verplegers van de dienst intensieve zorgen 607 A misbruikt te hebben door uzelf voor te doen als zijnde belast met het dossier [C.W.] en dit om -via de PC van de geneesheren van de dienst 607 A- toegang te krijgen tot documenten die toebehoren aan Dr. A. R.;
  3. c)in strijd met het beroepsgeheim, via de PC van de geneesheren van de dienst 607 A, toegang te hebben verkregen tot documenten die toebeho- ren aan Dr. A. R., namelijk de foto’s van een patiënt, en deze zonder enige reden te hebben doorgestuurd naar uw persoonlijke e-mail.” 2.5. Op 16 november 2004 wordt verzoeker gehoord door de raad van beheer. IX-4757-3/10 Zijn raadsman herhaalt dat verzoeker meent te hebben gehandeld binnen het kader van zijn syndicaal mandaat en dat hij na de feiten zijn vakbonds- verantwoordelijke heeft verwittigd, die op zijn beurt de algemeen directeur van de verwerende partij op de hoogte heeft gebracht van het probleem. Verzoeker zelf stelt onder meer dat hij als vakbondsafgevaardigde gecontacteerd werd door verscheidene mensen die het erg vonden dat de betrokken foto’s op de computer van de eenheid 607 A toegankelijk waren, en dat hij die foto’s “dus (heeft) opgeslagen in het kader van de verdediging van de heer C.W.”. 2.6. Op diezelfde datum beslist de raad van beheer om aan verzoeker de tuchtsanctie op te leggen van de schorsing voor de duur van drie maanden, met ingang van 17 november 2004. Dit is de bestreden beslissing. De raad van beheer acht de volgende feiten bewezen: “
  4. a)De heer Pierre FOURIER heeft wel degelijk zonder reden zijn eenheid intensieve zorgen (607 C) verlaten en het beheer van 11 patiënten aan zijn enige collega overgelaten;
  5. b)De heer Pierre FOURIER heeft zich bij zijn collega’s verplegers van de eenheid intensieve zorgen 607 A voorgesteld als zijnde belast met het dossier [C.W.] teneinde toegang te krijgen tot de documenten die zich bevinden op één van de medische pc’s van eenheid 607 A;
  6. c)De heer Pierre FOURIER heeft zich toegang verleend tot foto’s van een patiënt voor wiens verzorging hij niet instond, en die toebehoorden aan Dr. R., en hij heeft deze doorgezonden, zonder enige professionele reden, naar zijn persoonlijke e-mail, alsook naar die van zijn echtgeno- te;
  7. d)De heer Pierre FOURIER heeft de bewuste foto’s doorgestuurd naar de medische pc van zijn dienst (607 C).” Ten gronde Standpunt van de partijen 3. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 87 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de IX-4757-4/10 vakbonden van haar personeel (hierna: het koninklijk besluit van 28 september 1984), doordat hem een tuchtsanctie is opgelegd voor handelingen die hij gesteld heeft in zijn hoedanigheid van syndicaal afgevaardigde. Hij voert aan dat hij overeenkomstig artikel 16 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel (hierna: de wet van 19 december 1974) als syndicaal afgevaardigde stappen wenste te zetten bij de overheid in het belang van het personeelslid C.W., die lid is van de ACOD en met wiens tuchtdossier hij belast was. Dit laatste blijkt volgens verzoeker uit een verklaring van C.W. en uit een brief van 6 september 2004 van het advocatenkantoor V. Met name wou verzoeker de betrokken foto’s, die deel uitmaken van het tuchtdossier van C.W., verzenden naar zijn persoonlijk e-mailadres en dat van zijn echtgenote, die ook in de instelling werkt als verpleegkundige en tevens voorzitster is van de lokale sectie van de ACOD, teneinde het bewijs te kunnen leveren, via het natrekken van het IP-adres, dat die foto’s op de bewuste computer stonden. Volgens verzoeker zouden die foto’s immers na een klacht snel verwijderd worden. Verzoeker stelt door verschillende personeelsleden ervan op de hoogte te zijn gebracht dat een deel van het tuchtdos- sier van C.W. door iedereen kon worden ingezien op de computer van de dienst 607 A en dat die foto’s door een personeelslid van die dienst onder het personeel verspreid werden. Verzoeker is dan ook van mening dat hij als vakbondsafgevaar- digde is opgetreden ter verdediging van de belangen en de privacy van C.W. Verzoeker voert bovendien aan te zijn opgetreden in het gemeenschappelijk belang van het personeel, vermits de personeelsleden die hem in kennis hebben gesteld van de inzage van de foto’s hierdoor geschokt waren. 4. De verwerende partij antwoordt dat de raad van beheer dit argument van verzoeker reeds in overweging heeft genomen bij het nemen van de bestreden beslissing en dat hij dienaangaande heeft vastgesteld dat de handelingen van verzoeker niet vallen onder de wettelijk beschermde prerogatieven van de vakbondsafgevaardigde, als bedoeld in artikel 16 van de wet van 19 december 1974. Voorts wijst de verwerende partij erop dat de raad van beheer terecht heeft opgeworpen dat, zelfs indien verzoeker zou zijn opgetreden als vakbondsafgevaar- digde, quod non, die hoedanigheid hem geen vrijgeleide geeft en hij hoe dan ook gehouden is de professionele plichten en de reglementen van de instelling te eerbiedigen. IX-4757-5/10 5. Verzoeker repliceert dat hij de ochtend na de bewuste nachtdienst onmiddellijk de federaal secretaris van de ACOD op de hoogte heeft gebracht van de feiten opdat deze bij de directie de nodige stappen zou ondernemen om de door hem aangeklaagde toestand te doen stoppen. Daardoor meent verzoeker als vakbondsafgevaardigde het belang van alle werknemers te hebben gediend door ervoor te zorgen dat dergelijke feiten zich in de toekomst niet meer zouden voordoen. Ook de belangen van C.W. meent hij te hebben behartigd, door de feiten te doen stoppen en de bewijzen van de inbreuk niet te laten verdwijnen. Hij wijst erop dat er momenteel na klacht met burgerlijke partijstelling een onderzoek loopt wegens schending van de privacy van C.W. Voorts betoogt hij dat de handelingen die hij heeft gesteld in de hoedanigheid van vakbondsafgevaardigde rechtstreeks verband houden met de door hem uitgeoefende prerogatieven, zodat de professionele plichten en de reglementen van de instelling hierbij irrelevant zijn. Wanneer toch rekening zou moeten worden gehouden met die plichten en reglementen, meent hij deze te hebben nageleefd. Verzoeker verduidelijkt verder dat hij, net zoals alle andere personeelsleden van de dienst Intensieve Zorgen, toegang heeft tot de computers en tot de gegevens die opgeslagen zijn in de map “mijn documenten”. Hij is van mening dat zijn optreden als vakbondsafgevaardigde niet als onrechtmatig kan worden beschouwd, aangezien hij precies onregelmatighe- den wilde aankaarten en bewijzen. Beoordeling 6. Luidens artikel 87, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 mogen de bepalingen betreffende onder meer de tuchtregeling en de tuchtstraffen “niet worden toegepast op de vakbondsafgevaardigden voor de handelingen die zij in die hoedanigheid verrichten en die rechtstreeks verband houden met de door hen uitgeoefende prerogatieven”. De bedoelde prerogatieven worden opgesomd in artikel 16 van de wet van 19 december 1974. Luidens punt 1/ van die bepaling mogen de erkende vakorganisaties onder de voorwaarden bepaald door de Koning “stappen doen bij IX-4757-6/10 de overheden in het gemeenschappelijk belang van het personeel dat zij vertegen- woordigen of in het bijzonder belang van een personeelslid”. Omwille van de aard van hun functie moeten vakbondsafgevaar- digden in de vervulling van hun taak over een zekere vrijheid beschikken om te bepalen op welke wijze zij het gemeenschappelijk belang van het personeel of het bijzonder belang van een bepaald personeelslid behartigen. Het bestuur mag geen maatregelen nemen die tot doel of als gevolg hebben dat die vrijheid van handelen op een onaanvaardbare wijze beperkt wordt. In beginsel genieten vakbondsafgevaardigden de bescherming bedoeld in artikel 87 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 voor alle handelingen die zij stellen als vakbondsafgevaardigde en die rechtstreeks verband houden met hun opdracht. Toch ontsnapt niet elk optreden van een vakbondsafge- vaardigde aan de mogelijkheid van een tuchtrechtelijke of andere reactie vanwege de overheid. Zoals wordt gesteld in het verslag aan de Koning voorafgaand aan het koninklijk besluit van 28 september 1984, mag een vakbondsafgevaardigde immers niet in zijn rechtstoestand benadeeld worden voor handelingen die gerekend kunnen worden tot “de rechtmatige uitoefening van de eigenlijke vakbondsactiviteit” (B.S., 20 oktober 1984, p. 14.060). Handelingen gesteld in het kader van een onrechtmati- ge uitoefening van de vakbondsprerogatieven komen dus wel in aanmerking voor onder meer een tuchtrechtelijke reactie. 7.1. Het wordt niet betwist dat het personeelslid C.W. lid is van de ACOD. Voorts is verzoeker syndicaal afgevaardigde van de ACOD bij de verwerende partij. Bovendien staat vast dat verzoeker ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten als syndicaal afgevaardigde belast was met het tuchtdossier van C.W. Dit laatste kan redelijkerwijze worden afgeleid uit twee documenten, ook al dateren die van na de betrokken feiten. Enerzijds is er een verklaring van C.W. zelf, gedateerd op 1 september 2004, volgens welke verzoeker zich als vakbondsafge- vaardigde van het ACOD bezighoudt met zijn tuchtdossier en hierbij ten volle zijn verdediging ter harte neemt. Anderzijds is er een schriftelijke bevestiging van de raadsman van C.W., daterend van 6 september 2004, dat verzoeker op diens kantoor het tuchtdossier van C.W., waarin de betrokken foto’s zich bevonden, volledig doorgenomen en mee besproken heeft in zijn hoedanigheid van vakbondsafgevaar- IX-4757-7/10 digde. De verwerende partij brengt geen gegevens aan waaruit het tegendeel zou blijken. 7.2. Er wordt voorts niet betwist dat de kwestieuze foto’s konden worden geraadpleegd door de personeelsleden van de dienst Intensieve Zorgen 607 A via de computer van Dr. R. in het medisch bureau van die eenheid, die volgens de raad van beheer “steeds aangeschakeld en toegankelijk (moet) blijven voor het medisch en verplegend personeel van de eenheid”. Uit een schrijven van 30 juli 2004 van de algemeen directeur aan het personeelslid G.M. blijkt trouwens dat deze laatste eerder reeds één van die foto’s via de bedoelde computer getoond had aan verscheidene verplegers van de eenheden 607 A en B, tevens collega’s ingelicht had over de mogelijkheid om die foto te raadplegen en bovendien die foto had afgedrukt op papier. 7.3. Blijkens de getuigenverklaringen heeft verzoeker zich tijdens de nacht van 25 op 26 juli 2004 aan de aanwezige verpleegkundigen op de dienst Intensieve Zorgen 607 A voorgesteld als zijnde belast met het tuchtdossier van C.W. Na het raadplegen en verzenden van de bewuste foto’s heeft hij bij het verlaten van het medisch bureau van die eenheid aan de aanwezige verpleegkundigen medege- deeld dat hij die foto’s naar zijn persoonlijk e-mailadres had verzonden, met de bedoeling om de toegang ertoe aan te kaarten bij de directie. Verzoeker heeft bijna onmiddellijk de federaal secretaris van de ACOD op de hoogte gesteld van zijn vaststellingen, vermits deze reeds op 27 juli 2004 de algemeen directeur van de verwerende partij in kennis heeft gesteld van het feit dat de foto’s via de computer beschikbaar waren voor het personeel. Aldus heeft verzoeker die bewuste nacht aan de aanwezigen op de eenheid 607 A meegedeeld te handelen in de hoedanigheid van vakbondsafge- vaardigde van C.W., heeft hij open kaart gespeeld inzake het verzenden van de foto’s naar zijn persoonlijk e-mailadres en heeft hij zijn intentie om dit voor te leggen aan de directie, bekendgemaakt en ook uitgevoerd. Het blijkt dan ook niet dat verzoeker andere bedoelingen zou hebben gehad bij het raadplegen en verzenden van de foto’s dan het behartigen als vakbondsafgevaardigde van de belangen van C.W. en, zoals hij stelt in zijn memorie van wederantwoord, het dienen van de belangen van alle werknemers, door ervoor te zorgen dat dergelijke toestand zich in de toekomst niet meer zou voordoen. IX-4757-8/10 7.4. Uit het voorgaande blijkt dat verzoeker tijdens de nacht van 25 op 26 juli 2004 in de hoedanigheid van vakbondsafgevaardigde handelingen heeft gesteld die in zijn ogen het bewijs konden leveren van het feit dat de bedoelde foto’s via de computer van Dr. R. beschikbaar waren voor het personeel. Verzoeker meende, door dit feit aan te tonen, het gemeenschappelijk belang van het personeel en het belang van C.W. in het bijzonder te dienen. Gelet op de context waarin de litigieuze handelingen gesteld zijn en rekening houdend met de vrijheid waarover verzoeker beschikt om zijn taak als vakbondsafgevaardigde concreet in te vullen, kan zijn optreden gekwalificeerd worden als het doen van stappen bij de overheid in het gemeenschappelijk belang van het personeel dat hij vertegenwoordigt en in het bijzonder belang van een personeelslid, in de zin van artikel 16, 1/, van de wet van 19 december 1974. De door hem in zijn hoedanigheid van vakbondsafgevaardigde gestelde handelingen kunnen dan ook geacht worden rechtstreeks verband te houden met de door hem uitgeoefende prerogatieven. Bovendien maakt de verwerende partij niet aannemelijk dat verzoeker, door de bedoelde handelingen te stellen, de grenzen van een rechtmatige uitoefening van de vakbondsactiviteit te buiten gegaan zou zijn. Weliswaar zou het bekijken en doorsturen van foto’s die zich bevinden op een computer waartoe men geen recht van toegang heeft, op zich beschouwd kunnen worden als een onrechtma- tig handelen. Doordat verzoeker die handelingen stelde met de uitdrukkelijke bedoeling om het bestaan van een bepaald misbruik aan te tonen, doordat hij zijn intentie bekendmaakte aan derden die als getuigen konden optreden, en doordat uit niets blijkt dat hij de bedoeling had om de verwerende partij schade toe te brengen, kunnen die handelingen in de concrete omstandigheden van de zaak niet beschouwd worden als een onrechtmatige uitoefening van verzoekers opdracht als vakbondsaf- gevaardigde. De bedoelde feiten vallen dan ook onder de bescherming verleend bij artikel 87 van het koninklijk besluit van 28 september 1984. Door aan verzoeker een tuchtstraf voor die feiten op te leggen, heeft de verwerende partij die bepaling geschonden. 7.5. Het middel is gegrond. IX-4757-9/10 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 16 november 2004 van de raad van beheer van het Universitair Medisch Centrum Sint-Pieter waarbij aan Pierre Fourier met ingang van 17 november 2004 de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van drie maanden wordt opgelegd. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 september 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-4757-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.013 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.