id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.014 Rolnummer: A. 81009/IX-1534 Zaak: Arrest 196014 - Leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimte - 14/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-25 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:32 Fiche Arrest nr 196.014 van 14 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimte Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.014 van 14 september 2009 in de zaak A. 81.009/IX-
- In zake : de NV POSTLAND, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN DE VENSTER, kantoor houdende te BERCHEM, Cogels Osylei 17 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177 bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV POSTLAND op 6 november 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Vlaamse regering (lees: het besluit van de gemachtigde ambtenaar) van 1 september 1998 waarbij haar bezwaar tegen de aanslag inzake heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen, wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 19 december 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 februari 2009; IX-1534-1/12 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoekende partij is sinds 4 november 1994 eigenaar van een onroerend goed gelegen te Wijnegem, Krommelei 39/
- 2.
- Met een brief van 18 juli 1997 deelt de gemeente Wijnegem aan de verzoekende partij mee dat “de woning langs de Krommelei 39/41 leegstaat sinds 04 januari 1994”. Bij die brief zijn een aantal bijlagen gevoegd, waaronder een “administratieve akte tot vaststelling van leegstand en/of verwaarlozing” van 18 juli 1997, opgesteld door de ambtenaar die de leegstand heeft vastgesteld, en een nota die de procedure in verband met de heffing beschrijft. In de nota wordt gesteld dat de eigenaar de administratieve akte binnen één maand kan betwisten, en dat hij in bepaalde gevallen ook de schorsing van de heffing of de vrijstelling ervan kan vragen. Ook onderaan de administratieve akte wordt vermeld dat de verzoekende partij over een termijn van één maand beschikt om de vaststellingen opgenomen in de akte te weerleggen. Daaraan wordt toegevoegd dat, bij gebreke van weerlegging van de vaststellingen binnen die termijn, het gebouw of de woning zal worden opgenomen in de lijst van de verwaarloosde en/of de lijst van de leegstaande gebouwen, waardoor een heffing verschuldigd wordt. De hiervóór genoemde nota verwijst voorts, wat betreft de mogelijkheid van schorsing of vrijstelling, naar een bijgevoegde vragenlijst, die in voorkomend geval ingevuld en teruggestuurd moet worden. Op 11 augustus 1997 dient de verzoekende partij de vragenlijst over de “vrijstellingen en schorsingen” ingevuld in. IX-1534-2/12 Het dossier doet niet blijken van enig gevolg dat aan de aanvraag tot vrijstelling of schorsing is gegeven. 2.
- Met een brief van 16 maart 1998 deelt de gemeente Wijnegem aan de verzoekende partij opnieuw mee dat haar diensten vastgesteld hebben dat “de woning langs de Krommelei 39/41 leegstaat sinds 04 januari 1994”. De verzoekende partij wordt uitgenodigd om een bijgevoegd “aanvraagformulier voor de vrijstelling/schorsing van de heffing” in te vullen en terug te sturen. Bij de brief is opnieuw de “administratieve akte tot vaststelling van leegstand en/of verwaarlozing” van 18 juli 1987 gevoegd. Met een aangetekende brief van 25 maart 1998 vraagt de verzoekende partij andermaal de schorsing en de vrijstelling aan bij het gemeentebestuur van Wijnegem. Zij voert onder meer aan dat het gebouw gebruikt wordt voor recepties en vergaderingen en sporadisch voor overnachtingen van buitenlandse franchisenemers, dat het gebouw wordt verwarmd en onderhouden, en dat ook de tuin wordt onderhouden. Het dossier doet niet blijken van enig gevolg dat aan die aanvraag is gegeven.
- Op 10 juli 1998 stuurt de verwerende partij aan de verzoekende partij een aanslagbiljet toe, inzake de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen. De heffing, die betrekking heeft op het heffingsjaar 1997, bedraagt 223.433 frank (5.538,76 euro). Namens de verzoekende partij wordt met een aangetekende brief van 16 juli 1998 bij de Vlaamse regering bezwaar aangetekend tegen de bovenvermelde aanslag. In het bezwaarschrift wordt verwezen naar de aanvraag om vrijstelling van de belasting, op 25 maart 1998 ingediend bij de gemeente Wijnegem, en worden de daarin ingeroepen redenen herhaald. Het genoemde bezwaarschrift wordt op 1 september 1998 door de gemachtigde ambtenaar verworpen. Zijn besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat verzoeker als enige grief aanvoert dat het belaste pand beroepsmatig wordt gebruikt voor recepties en vergaderingen alsook, zij het wel sporadisch, voor overnachtingen van buitenlandse franchisenemers; dat het betreffende pand bijgevolg wordt verwarmd en dat ook de tuin goed wordt IX-1534-3/12 onderhouden; dat verzoeker trouwens aanvoert dat voornoemde feiten reeds binnen de maand na ontvangst van de administratieve akte aan de gemeente Wijnegem ter kennis werden gebracht doch aldaar blijkbaar zonder gevolg zijn gebleven; Overwegende dat ons ter staving van voornoemde grief een aantal bewijsstukken worden voorgelegd, zijnde kopieën van een aantal facturen tot bewijs van gebruik van het belaste pand voor professionele doeleinden en tot bewijs van onderhoud van de tuin, kopieën van een hele bundel facturen m.b.t. het elektriciteitsverbruik in het belaste pand voor de periode van eind 1994 tot begin 1998 alsook 2 uittreksels uit de kadastrale legger van de gemeente Wijnegem waaruit de toestand van het belaste pand op respectievelijk 1.01.1996 en 1.01.1997 blijkt; Overwegende dat luidens het bepaalde in artikel 30 § 2 van het Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 een woning beschouwd wordt als leegstaand wanneer ze gedurende tenminste 12 opeenvolgende maanden, voorafgaand aan de datum van opname op de inventaris, niet effectief in overeenstemming met de woonfunctie wordt gebruikt; Overwegende dat verzoeker geen effectief gebruik in overeenstemming met de woonfunctie bewijst; dat hij slechts een gebruik van het belaste pand aantoont als receptie- en vergaderlokaal in functie van professionele doeleinden doch een dergelijk gebruik niet beantwoordt aan de vereiste van een effectief gebruik in overeenstemming met de woonfunctie, zoals de decreetgever heeft bedoeld; Overwegende dat verzoeker bovendien niet het bewijs voorlegt dat een bestemmingswijziging werd aangevraagd of toegekend die dusdanig is dat het belaste pand gedurende de periode van 12 maanden, voorafgaand aan de opname op de inventaris, niet meer onder toepassing van afdeling 2 van hoofdstuk VIII van het Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 of van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen zou vallen; dat het betreffende pand derhalve nog steeds een woonfunctie heeft; dat uit het ons door verzoeker voorgelegde uittreksel uit de kadastrale legger daarenboven eveneens kan worden afgeleid dat het belaste pand nog steeds als huis geregistreerd staat; Overwegende dat uit voorgaande feiten en indicaties de beheerder van de inventaris als bedoeld in onderafdeling 3 van afdeling 2 van hoofdstuk VIII van het Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 dan ook terecht heeft afgeleid dat de betrokken woning niet effectief in overeenstemming met de woonfunctie werd gebruikt en aldus de leegstand heeft vastgesteld; Overwegende dat de enige grief die verzoeker aanvoert derhalve niet gegrond is en het bezwaar dienvolgens dient te worden afgewezen.” Dit besluit, dat bij aangetekende brief van 7 september 1998 ter kennis wordt gebracht van de verzoekende partij, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. IX-1534-4/12 Rechtspleging
- In haar memorie van wederantwoord werpt de verzoekende partij op dat de memorie van antwoord onontvankelijk is. De verzoekende partij stelt vast dat de memorie uitgaat van het Vlaams Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de Minister-President. Zij voert aan dat uit artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen en artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1997 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering blijkt dat de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen bevoegd is voor het beheer van de inventaris. Voorts verwijst de verzoekende partij naar artikel 3 van het genoemde besluit van 2 april 1996 en artikel 7 van het genoemde besluit van 19 december 1997, waaruit blijkt dat de Vlaamse minister van Financiën bevoegd is voor de inning en de invordering van de heffing. Uit één en ander leidt de verzoekende partij af dat het gaat om een “gemengde bevoegdheid”. De memorie van antwoord moest bijgevolg, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 11 december 1985 tot aanwijzing van de leden van de Vlaamse regering ten verzoeke waarvan rechtsgedingen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest worden gevoerd, uitgaan van één van de genoemde ministers of van de twee ministers.
- Met een brief van 5 mei 1999 maakt de raadsman van de verwerende partij een afschrift over van een brief van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 15 december 1998 waaruit blijkt dat hij door de Vlaamse minister bevoegd voor Financiën wordt aangesteld om de belangen van het Vlaams Gewest te behartigen.
- Zoals de verzoekende partij terecht aanvoert, bepaalt artikel 1 van het genoemde besluit van de Vlaamse regering van 11 december 1985 dat de rechtsgedingen waarin de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest als verweerder optreden met betrekking tot aangelegenheden die tot de uitsluitende bevoegdheid behoren van een lid van de Vlaamse regering, gevoerd worden ten verzoeke van dat lid van de Vlaamse regering. Rechtsgedingen die tot de bevoegdheid behoren van verscheidene leden van de Vlaamse regering moeten IX-1534-5/12 volgens artikel 2 van dat besluit gevoerd worden ten verzoeke van één onder hen, na onderling overleg. Te dezen wordt de nietigverklaring gevorderd van de verwerping van een bezwaar dat werd ingediend tegen een aanslagbiljet inzake een heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen. De bevoegdheid inzake die heffing behoorde ingevolge artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 2 april 1996 en artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1997 tot de uitsluitende bevoegdheid van de Vlaamse minister bevoegd inzake financiën. De memorie van antwoord werd voor de verwerende partij, te weten het Vlaams Gewest, ondertekend door advocaat P. Peeters. Uit het schrijven van de administratie Budgettering, Accounting en Financieel Management van 15 december 1998, dat laatstgenoemde aan de Raad van State heeft meegedeeld, blijkt dat de genoemde advocaat door de Vlaamse minister bevoegd voor financiën is aangesteld om de belangen van het Vlaamse Gewest in de voorliggende zaak te behartigen. De vermelding op de memorie van antwoord, ingediend op 11 februari 1999, dat de memorie is ingediend “voor het Vlaams Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de Minister-president”, blijkt aldus een materiële vergissing te zijn. Uit het genoemde schrijven blijkt immers dat de Vlaamse regering in deze zaak optreedt in de persoon van de Vlaamse minister bevoegd inzake financiën, zijnde de terzake bevoegde minister. De exceptie mist feitelijke grondslag. Bevoegdheid van de Raad van State Standpunt van de partijen
- In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij voert aan dat het voorliggende beroep betrekking heeft op een heffing en dus te maken heeft met een politiek recht, in de zin van artikel 145 van de Grondwet. Overeenkomstig die bepaling behoren geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Vermits de decreetgever de bevoegdheid voor geschillen over IX-1534-6/12 heffingen op de leegstand van woningen niet uitdrukkelijk onttrokken heeft aan de rechterlijke macht, is de Raad van State volgens de verwerende partij onbevoegd. Voorts wijst de verwerende partij erop dat het rechtstreekse en werkelijke voorwerp van het geschil de vaststelling is van de verschuldigde heffing in hoofde van de verzoekende partij. De overheid beschikt voor de vaststelling van de verschuldigde heffing over een gebonden bevoegdheid en geenszins over een discretionaire beoordelingsruimte. Het tegendeel aannemen zou overigens, aldus de verwerende partij, een schending impliceren van het gelijkheidsbeginsel, waarvan artikel 172 van de Grondwet de toepassing in fiscale aangelegenheden bevestigt. 8.
- De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord en haar laatste memorie dat het rechtstreekse en werkelijke voorwerp van het geschil niet de heffing is, maar de inventarisatie van de woning. De heffing is het gevolg van de opname van de woning in de inventarisatie. De overheid beschikt over een discretionaire bevoegdheid in het kader van haar beslissing tot het al dan niet opnemen van een gebouw of een woning in de inventaris van de leegstaande gebouwen en/of woningen. Zij oordeelt “totaal ongebonden” over het al dan niet opnemen van een gebouw in de inventaris, en dit op basis van feitelijke vaststellingen, zoals bijvoorbeeld de vaststelling dat de woning gedurende 12 opeenvolgende maanden niet effectief werd gebruikt in overeenstemming met de woonfunctie. Verwijzend naar haar middelen voert de verzoekende partij aan dat niet de eigenlijke heffing wordt aangevochten, maar wel de wettigheid van de beslissing om het desbetreffend gebouw te catalogeren als een “woning”, in de zin van artikel 24 van het decreet van 22 december 1995, en om de woning in concreto als leegstaand te beschouwen en te inventariseren. Deze beslissingen vormen immers de grondslag voor de eigenlijke heffing. Iedere beoordeling omtrent de gegrondheid van het bezwaar tegen een heffing zal volgens de verzoeker steevast leiden tot een beoordeling omtrent het al dan niet verantwoord karakter van de inventarisatie. 8.
- In haar laatste memorie voert de verzoekende partij een aantal bijkomende redenen aan tot staving van de bevoegdheid van de Raad van State. 8.2.
- Aangezien de litigieuze heffing tot stand komt in een procedure die bestaat uit verschillende stappen waartussen een onlosmakelijk verband bestaat, IX-1534-7/12 dient het voorwerp van het geschil beschouwd te worden als een complexe rechtshandeling. De verzoekende partij stelt dat zulks impliceert dat de nietigverkla- ring van de hele verrichting, te weten de eigenlijke heffing, gevorderd kan worden op grond van de onregelmatigheid van één van de samenstellende handelingen, te dezen de beslissing tot inventarisatie, ook al is tegen die laatste handeling geen afzonderlijk annulatieberoep ingesteld en is de termijn om dergelijk beroep in te stellen reeds verstreken. Een voorbeslissing kan op grond van artikel 159 van de Grondwet nog op haar wettigheid worden getoetst “bij wijze van een indirecte aanvechting”, indien de verzoeker op een ontvankelijke wijze de vernietiging vordert van de eindbeslissing die de complexe rechtshandeling besluit. 8.2.
- De verzoeker betwist de stelling van het auditoraat dat te dezen een beroep bij een gewoon rechtscollege zou openstaan, dat tot eenzelfde resultaat zou leiden als een vernietiging door de Raad van State. De beoordeling door de gewone rechter blijft immers beperkt tot de heffing voor het betrokken aanslagjaar, terwijl een vernietiging door de Raad van State, gelet op de leer van de complexe rechtshandeling, het mogelijk zou maken om komaf te maken met elke mogelijke toekomstige heffing die gegrond is op een kennelijk onwettige grondslag. 8.2.
- Ten slotte laat de verzoekende partij gelden dat de verwerende partij nooit enige indicatie heeft gegeven waaruit kon worden afgeleid bij welk rechtscollege ten aanzien van haar beslissing een beroep open stond, niettegenstaan- de zij hiertoe wettelijk verplicht was op grond van artikel 13, § 1, van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering.
- In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij onder meer dat het eigenlijke voorwerp van het beroep de heffing betreft en niet de beslissing om het gebouw te inventariseren. Uit de omschrijving van de bestreden beslissing in het verzoekschrift blijkt immers dat de verzoekende partij de vernietiging beoogt van de heffing en niet van de kwalificatie van het betrokken onroerend goed als een woning, noch van de inventarisatie. Slechts nadat een exceptie van onbevoegdheid is opgeworpen, heeft de verzoekende partij haar verzoek opnieuw geformuleerd. IX-1534-8/12 Beoordeling 10.
- Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een -te dezen niet bestaande- toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep strekt tot de erkenning van een subjectief recht. 10.
- Blijkens de bewoordingen van haar verzoekschrift vordert de verzoekende partij de nietigverklaring van de beslissing waarbij haar bezwaar tegen de aanslag inzake de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen, wordt verworpen. Die beslissing vormt het voorwerp van het beroep. Weliswaar roept de verzoekende partij als middelen onder meer in dat het betrokken pand ten onrechte als woning werd beschouwd en dat het ten onrechte op de lijst van de leegstaande woningen werd geplaatst. Die middelen doen echter geen afbreuk aan de vaststelling dat de genoemde beslissing het voorwerp van het beroep is. De stelling van de verzoekende partij dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep zou bestaan in de beslissing om het pand als woning te beschouwen en om het als zodanig in de inventaris op te nemen, kan dus niet worden aangenomen. 10.
- De bestreden heffing wordt gevestigd op grond van de artikelen 23 tot 44 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begelei- ding van de begroting
- Uit de genoemde bepalingen blijkt dat de bevoegdheid van de overheid bij het vestigen van de heffing volledig gebonden is. In het decreet wordt onder meer bepaald wat onder een “woning” dient te worden verstaan (artikel 24, 6/), wordt bepaald wanneer een woning als leegstaand wordt beschouwd (artikel 30, § 2), en wordt de formule bepaald volgens welke de heffing wordt berekend (artikel 36). Weliswaar kunnen er over die bepalingen interpretatiemoeilijkheden IX-1534-9/12 rijzen en is de toepassing gebaseerd op feitelijke vaststellingen. Daaruit volgt evenwel niet dat de bevoegdheid van de overheid discretionair zou zijn, in die zin dat de overheid in functie van de vereisten van het algemeen belang een opportuniteits- of beleidskeuze zou kunnen maken tussen verschillende juridisch gegronde mogelijkheden inzake het bestaan en de omvang van de heffing. Aangezien de verzoekende partij beroep instelt tegen de verwerping van haar bezwaar tegen de heffing en zij betwist die heffing verschul- digd te zijn, heeft het beroep tot werkelijk en rechtstreeks voorwerp een geschil over een politiek subjectief recht. Vermits er geen bepaling bestaat die de Raad van State uitdrukkelijk bevoegd maakt voor de geschillen inzake de heffing ter bestrijding van leegstaande en verwaarloosde gebouwen en woningen, is de Raad van State op grond van artikel 145 van de Grondwet dan ook onbevoegd. De omstandigheid dat de aangevoerde onwettigheid van de bestreden beslissing zou voortvloeien uit voorafgaande handelingen die in het kader van een gebonden bevoegdheid zouden zijn gesteld, doet aan die conclusie geen afbreuk. 10.
- Subsidiair kan nog worden opgemerkt dat, zelfs indien men zou aannemen dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep zou bestaan in de beslissing om het goed als woning te beschouwen en om het op de lijst van de leegstaande woningen te plaatsen, zoals de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord en laatste memorie voorhoudt, dan nog het beroep niet ontvankelijk zou zijn. De bedoelde “beslissingen” zijn immers reeds bij brieven van 18 juli 1997 en 16 maart 1998 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht, terwijl het voorliggende beroep op 6 november 1998 is ingesteld. Ambtshalve zou vastgesteld moeten worden dat het beroep laattijdig is. 10.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij nog dat de verwerende partij nooit enige indicatie heeft gegeven waaruit kon worden afgeleid bij welk rechtscollege ten aanzien van haar beslissing een beroep openstond, niettegenstaande zij hiertoe wettelijk verplicht was op grond van artikel 13, § 1, van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumen- ten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering. Deze stelling kan, zoals de verwerende partij in haar laatste memorie terecht aanvoert, niet worden bijgevallen. De brief van 7 september 1998, IX-1534-10/12 waarmee de gemachtigde ambtenaar het bestreden besluit aan de verzoekende partij ter kennis brengt, is immers geredigeerd als volgt: “Ik beteken u hierbij mijn beslissing van 1-09-98 aangaande uw hierboven genoemd bezwaarschrift tegen de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting. Ik dien er uw aandacht op te vestigen dat overeenkomstig art. 39, § 1 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 de heffing dient te worden betaald uiterlijk op 30-11-98, verhoogd met de intresten aan 0,5 % per maand voor de duur van het verwijl vanaf 30-09-98, als bepaald in het tweede lid van voornoemd artikel. Bij gebreke aan tijdige betaling zal desgevallend de invordering ervan met dwangbevel kunnen geschieden. Overeenkomstig art. 40 § 2, tweede lid van het decreet van 22 december 1995 kan u binnen dertig dagen na de betekening van het dwangbevel bij deurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest vóór de rechtbank van eerste aanleg van de plaats (= Wijnegem) waar het onroerend goed is gelegen.” Aldus blijkt dat de verwerende partij duidelijk heeft aangegeven dat het geschil aan de gewone rechter, meer bepaald de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, voorgelegd kan worden. 10.
- De exceptie is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-1534-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 september 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-1534-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.014 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div