← België

Arrest 196159 - Milieuvergunningen - 17/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.159 Rolnummer: A. 192292/VII-37350 Zaak: Arrest 196159 - Milieuvergunningen - 17/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-18 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:33 Fiche Arrest nr 196.159 van 17 september 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.159 van 17 september 2009 in de zaak A. 192.292/VII-37.350. In zake : 1. Pieter VANDEBROEK, 2. Arlette-Denise THEUNIS, die woonplaats kiezen bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, Archimedesstraat 7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Pieter VANDEBROEK en Arlette-Denise THEUNIS op 20 april 2009 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 17 februari 2009 waarbij het beroep dat Wim VOS heeft ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 30 april 2008 houdende de weigering van de vergunning om een mestkalverenbedrijf, gelegen aan de Helderstraat 21 te Lummen, verder te exploiteren en om te vormen in een mestvarkensbedrijf, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan Wim VOS de gevraagde milieuvergunning wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-37.350-1/12 Gelet op de beschikking van 25 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor de verzoekende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: I. Feiten 1. Wim VOS exploiteert een landbouwbedrijf aan de Helderstraat 21 te Lummen. Hij beschikt tot 16 juli 2009 over een vergunning voor het houden van 750 mestkalveren. 2. De verzoekende partijen wonen in de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting. De afstand tot de vergunde stallen zou vanaf de woning van eerste verzoeker minder dan 100 meter bedragen. Voor tweede verzoekster zou die afstand zelfs minder dan 70 meter bedragen. Hun eigendommen grenzen aan het perceel nr. 259y3 dat deel uitmaakt van de betrokken veeteeltinrichting. 3. Op 18 december 2007 dient de exploitant bij de deputatie van de provincie Limburg een aanvraag in voor het verder exploiteren van de inrichting. De aanvraag strekt eveneens tot de omvorming van het bestaande mestkalverenbedrijf naar een bedrijf met 2.128 mestvarkens. 4. Bij beslissing van 30 april 2008 weigert de deputatie van de provincie Limburg de gevraagde vergunning. De weigering steunt onder meer op de volgende motieven : VII-37.350-2/12 "Overwegende dat in art. 5.9.2.1.bis van Vlarem II wordt gesteld dat nieuw te bouwen varkens- en pluimveestallen ammoniakemissie-arm gebouwd moeten worden; dat de stallen oorspronkelijk werden gebouwd voor het houden van kalveren en de exploitant deze nu wenst om te bouwen tot vleesvarkensstallen; dat er hierdoor aanzienlijke aanpassingen moeten gebeuren m.b.t. de ventilatie, de aanleg van mestkelders, het leggen van betonnen roosters en de binneninrichting; dat de geplande veranderingen een negatieve impact zullen hebben m.b.t. de emissiekarakteristieken ten opzichte van hetgeen vergund is o.a. door de aanzienlijke stijging van de mestproductie; dat bijgevolg gesteld kan worden dat de geplande verbouwingen dermate ingrijpend zijn dat deze het karakter van een nieuwbouw krijgt waardoor dan ook gesteld wordt dat deze stallen ammoniakemissie-arm moeten uitgevoerd worden; dat indien stallen ammoniakemissie-arm moeten uitgevoerd worden; dat indien stallen ammoniakemissie-arm moeten uitgevoerd worden, de exploitant duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden voor welk systeem van de lijst hij kiest; dat uit de hoorzitting in de PMVC duidelijk bleek dat de exploitant niet de intentie heeft om de stallen ammoniakemissie-arm uit te voeren; dat bijgevolg de gevraagde veranderingen geweigerd moeten worden". 5. Op 2 juni 2008 tekent Wim VOS bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur beroep aan tegen deze weigeringsbeslissing. In het beroepschrift wordt onder meer het volgende uiteengezet : "Vermits er nu gekozen wordt voor het verwijderen van de houten roosters, waarop de kalveren steeds zijn gehuisvest, en het lichtjes (40

  1. cm)verhogen van de bestaande mestopslag met daarop een betonnen rooster, kan men bezwaarlijk spreken van een nieuwe stal. Wij zijn bij de opmaak van het dossier dan ook van de vaststelling uitgegaan dat we bij de omvorming niet moesten voldoen aan de ammoniakemissiearme voorzieningen. Ondanks de extra en zware investering die we daarvoor moeten doen hebben we echter besloten om aan de verzuchtingen van de omwonenden en de overheden tegemoet te komen en we zullen dan ook onze stallen ammoniakemissie-arm uitvoeren en wel volgens de techniek van de biologische luchtwasser (systeem S2 op de lijst van de erkende technieken).We hebben reeds een afspraak vastgelegd met een firma die dergelijke systemen verkoopt, zij zullen op korte termijn bekijken waar deze wasser optimaal ingepast kan worden op ons bedrijf". 6. Op 17 februari 2009 willigt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, na gunstige adviezen van de bevoegde instanties, het beroep van Wim VOS in. De beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning voor het verder exploiteren en omvormen van het bestaande veeteeltbedrijf wordt verleend. De vergunning wordt afhankelijk gesteld van de naleving van de volgende bijzondere vergunningsvoorwaarde : VII-37.350-3/12 "- de varkensstallen moeten ammoniakemissiearm uitgevoerd worden volgens de techniek van de biologische luchtwasser (systeem 2 op de lijst van de ammoniakemissiearme stallen vastgesteld bij besluit van 19 maart 2004 van de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu)". Dit is het bestreden besluit dat, onder meer, als volgt is gemotiveerd: "Overwegende dat onderhavig beroep betrekking heeft op de weigering van de vergunning om een mestkalverenbedrijf met 750 plaatsen voor mestkalveren om te vormen tot een mestvarkensbedrijf met plaatsen voor 2.128 mestvarkens; Overwegende dat de inrichting tot 16 juli 2009 vergund is voor het exploiteren van een mestkalverenbedrijf; dat de exploitant bij deze aanvraag dit mestkalverenbedrijf wenst om te vormen tot een mestvarkensbedrijf door de ombouw van de 2 mestkalverenstallen tot 2 mestvarkensstallen; dat op deze inrichting dus nieuwe mestvarkensstallen zullen geëxploiteerd worden; dat, overeenkomstig artikel 5.9.2.bis, §1 van titel II van het VLAREM, deze stallen ammoniakemissiearm moeten uitgevoerd worden volgens een techniek die is opgenomen in de lijst van de ammoniakemissiearme stallen, vastgesteld bij besluit van 19 maart 2004 van de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu; dat de exploitant in zijn beroepschrift voorstelt om de varkensstallen ammoniakemissiearm uit te voeren volgens de techniek van de biologische luchtwasser (systeem 2 op de genoemde lijst van ammoniakemissiearme stallen); dat het aangewezen is dit in het besluit op te nemen als bijzondere voorwaarde; Overwegende dat de exploitant het bestaande mestkalverenbedrijf wenst om te vormen tot een varkenshouderij met plaatsen voor 2.128 andere varkens; dat er derhalve een stijging zal zijn van de vergunde mestproductie van de varkens op inrichtingsniveau; (...) Overwegende dat de varkenstallen ammoniakemissiearm zullen uitgevoerd worden volgens de techniek van de biologische luchtwasser en dat gezien het naburig woongebied met landschappelijk waardevol gebied gelegen is in de gunstige zuid-westenwind, zal de inrichting geen bijkomende geurhinder veroorzaken; Overwegende dat de bestaande stallen zullen uitgevoerd worden als ammoniakemissiearme stallen, wat gepaard gaat met aanzienlijke aanpassingswerken zodat een vroegtijdige hernieuwing kan toegestaan worden." II. In rechte Schorsingsvoorwaarden 7. Op grond van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van VII-37.350-4/12 de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Middelen Standpunten van de partijen 8. Als tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan "van (de finaliteit van) het openbaar onderzoek, van de art. 17-19ter VLAREM I, al dan niet juncto, art. 52 VLAREM I, (van) het verbod op machts- en bevoegdheidsoverschrijding, (en van) het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel". Zij zetten uiteen dat de exploitant zowel in zijn aanvraagdossier als op de hoorzitting van de deputatie van de provincie Limburg heeft gesteld dat de stallen niet ammoniakemissiearm zouden worden uitgevoerd en dat dit ook niet moest omdat het geen nieuwe maar bestaande stallen zouden zijn. Het is volgens de verzoekende partijen onder meer op basis van die gegevens dat de deputatie van de provincie Limburg de aanvraag heeft geweigerd. In graad van beroep heeft de exploitant de aanvraag gewijzigd en meer bepaald gesteld dat de stallen wél ammoniakemissiearm zouden worden uitgevoerd en dit volgens de techniek van de biologische luchtwasser. Uit het bestreden besluit blijkt volgens de verzoekende partijen dat die wijziging voor de verwerende partij een essentieel element is geweest voor het gegrond verklaren van het beroep en het verlenen van de vergunning. Dit blijkt ook uit het feit dat de verwerende partij deze wijziging tevens heeft opgenomen als een bijzondere vergunningsvoorwaarde. De belanghebbenden hebben te dezen tijdens het openbaar onderzoek niet eens kunnen nagaan wat het systeem van de biologische luchtwasser inhoudt en of dit systeem wel een oplossing biedt voor de in concreto aangevraagde exploitatie en haar impact op de plaatselijke omgeving, laat staan of het daarvoor de meest adequate en efficiënte oplossing is. Bovendien bestaat er, steeds volgens de verzoekende partijen, ook geen duidelijkheid over de plaatsing, de aard, het volume en de constructie van de biologische luchtwasser die te dezen als voorwaarde wordt opgelegd. Dit is nochtans van wezenlijk belang vermits de verwerende partij stelt dat er geen bijkomende geurhinder zal worden veroorzaakt gezien de gunstige zuidwestenwind. De verwerende partij stelt daartegenover dat het bestreden besluit de aangehaalde bepalingen en beginselen niet schendt. Zij beklemtoont dat de situatie te dezen verschilt van de door de verzoekende partijen geciteerde VII-37.350-5/12 rechtspraak in stedenbouwzaken, nu het gaat om een aanvraag tot hernieuwing en aanpassing van een milieuvergunning, en artikel 30, § 1, 6/, c), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) bepaalt dat de vergunningverlenende overheid bijzondere voorwaarden kan opleggen waaronder de inrichting mag worden geëxploiteerd en die overeenkomstig artikel 43, § 1, van Vlarem I verplicht moeten worden nageleefd door de exploitant, terwijl het evident is dat ook de beroepsinstantie die kennis neemt van het beroep ten aanzien van de weigering om de vergunning te verlenen over dezelfde bevoegdheid beschikt om bijzondere voorwaarden op te leggen waaronder de vergunning kan worden verleend. Het opleggen daarvan houdt volgens de verwerende partij geen machts- en bevoegdheidsoverschrijding in. Door het opleggen van dergelijke voorwaarden wordt evenmin afbreuk gedaan aan de finaliteit van het openbaar onderzoek. Het opleggen van een bijkomende bijzondere exploitatievoorwaarde is geen essentiële wijziging van de aanvraag door de exploitant, zelfs niet indien dit in het beroepschrift van de exploitant zou zijn gesuggereerd, maar is een voorwaarde die autonoom door de vergunningverlenende overheid wordt opgelegd overeenkomstig artikel 30, § 1, 6/, c), van Vlarem I. Volgens de verwerende partij gaat het hier eerder om een kwestie van toezicht op en handhaving van de voorwaarden van de verleende vergunning. De verwerende partij gaat dan in op de opmerkingen van de verzoekende partijen omtrent de deugdelijkheid van de biologische luchtwasser. Beoordeling 9. De bestreden milieuvergunning wordt verleend met de bijzondere vergunningsvoorwaarde waarbij de exploitant wordt verplicht de varkensstallen ammoniakemissiearm uit te voeren volgens de techniek van de biologische luchtwasser. De exploitant had nochtans bij het indienen van zijn aanvraag niet het voornemen om het mestvarkensbedrijf uit te baten in ammoniakemissiearme stallen. Het is pas nadat de vergunning door de in eerste aanleg oordelende instantie werd geweigerd - precies omdat de aanvrager niet de bedoeling had om, tezamen met de omschakeling naar het houden van mestvarkens, de emissiekarakteristieken van de bestaande stallen te wijzigen - dat de exploitant voor het eerst in zijn beroepschrift van 2 juni 2008 het voornemen aankondigt om de stallen ammoniakemissiearm uit te voeren door toepassing van de techniek van de VII-37.350-6/12 biologische luchtwasser. Noch in het aanvraagdossier noch tijdens de procedure in eerste aanleg was er sprake van een mestvarkensbedrijf dat zou zijn uitgerust met bijzondere voorzieningen ter beperking van de ammoniakemissie. Artikel 5.9.2.1.bis van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) legt het ammoniakemissiearm uitvoeren van stallen voor het houden van pluimvee en varkens op als "bijkomende constructievoorwaarde". Uit dit voorschrift vloeit op het eerste gezicht voort dat deze verplichting wezenlijk is voor de beoordeling van de hinder afkomstig van een varkensbedrijf. Die verplichting wordt geconcretiseerd in het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemmissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van Vlarem II. Dit besluit geeft uitdrukkelijk en ondubbelzinnig aan dat de vergunningsaanvraag zelf de vereiste concrete gegevens moet bevatten omtrent het luchtwassysteem waarin de exploitant voorziet ter beperking van de ammoniakuitstoot van de stallen. De argumentatie van de verwerende partij waarin wordt aangevoerd dat de ammoniakemissiearme uitvoering van de stallen overeenkomstig artikel 5.9.2.1.bis, § 2, van Vlarem II een zaak is van controle en toezicht gaat dus op het eerste gezicht niet op. Artikel 5, § 2, van Vlarem I stelt bovendien welke gegevens de vergunningsaanvraag ten minste moet bevatten : "(...) 7/ een beschrijving van de aan te wenden procédés en reagentia; 8/ de aard en het vermogen van de toestellen; 9/ de aard, de inhoud, de bedrijfsdruk en -temperatuur en volgnummer van de toestellen, opslagtanks, reservoirs en apparaten; 10/ de aard, de maximum voorziene hoeveelheid en de fysische, chemische en toxicologische kenmerken van de als hinderlijk ingedeelde opslagplaatsen en van de grondstoffen, tussenproducten, bijproducten, eindproducten, afvalstoffen en afvalwaters alsmede de geplande bestemming van de afvalstoffen en afvalwaters; de kenmerkende gegevens van de voorziene emissies, afvalstoffen en afvalwaters; 11/ de op basis van de beste beschikbare technieken voorziene maatregelen en/of installaties om: (...)
  2. e)het algemene effect van de emissies en de risico's op het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken en dit zowel voor geluid, trillingen, stralingen, lucht-, bodem- en waterverontreiniging als voor het gevaar voor de mens buiten de inrichting en het leefmilieu; (...)". VII-37.350-7/12 Deze gegevens hebben op het eerste gezicht eveneens betrekking op een ammoniakemissiearme uitvoering van stallen voor het houden van varkens alsmede op de technieken, installaties of toestellen die concreet aangewend zullen worden om te komen tot een beperking van de uitstoot van ammoniak. Een substantiële wijziging van de vergunningsaanvraag tijdens de beroepsprocedure maakt het openbaar onderzoek en de adviesverlening in eerste aanleg nutteloos. De vergunningverlenende overheid moet de aanvraag beoordelen zoals ze werd ingediend zonder rekening te houden met eventuele, hangende de beroepsprocedure aangebrachte wijzigingen. Ook omwonenden, zoals de verzoekende partijen, kunnen bedenkingen hebben bij de voorgestelde techniek en de concrete uitwerking ervan en zij moeten dan ook de kans krijgen eventuele bezwaren of opmerkingen in dat verband kenbaar te maken tijdens het openbaar onderzoek. Te dezen lijkt aan de verzoekende partijen die mogelijkheid te zijn ontnomen. De vaststelling dat te dezen de installatie van een biologisch luchtwassysteem werd opgelegd als bijzondere vergunningsvoorwaarde verandert daar niets aan. Bijzondere vergunningsvoorwaarden strekken er in principe niet toe om in extremis een substantiële wijziging van de vergunningsaanvraag door te voeren. Daarenboven lijkt de werkwijze van de verwerende partij strijdig met de reglementering die zij zelf heeft uitgevaardigd en krachtens dewelke de vergunningsaanvraag gegevens moet bevatten omtrent de techniek die de exploitant wenst te gebruiken om de ammoniakemissie te beperken. Het middel is in de aangegeven mate ernstig. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunten van de partijen 10. De verzoekende partijen geven de volgende uiteenzetting : "Door de tenuitvoerlegging van de alhier bestreden beslissing zal het leef- en woonklimaat van partijen ernstig verstoord worden. Vooral in lente en zomer wanneer verzoekende partijen veel buiten zijn zullen zij ernstige geurhinder, stofhinder en lawaaihinder ondervinden. VII-37.350-8/12 Zij zullen niet meer met open ramen kunnen slapen en ook in de dag hun woning niet kunnen verluchten zonder steeds die hinder te moeten ondergaan. Het feit dat het landbouwbedrijf van de heer Vos in een agrarisch gebied gelegen is betekent niet dat verzoekende partijen alle hinder daarvan moeten tolereren. (...) De veroorzaakte hinder zal dermate groot zijn dat ze de tolerantiedrempel overschrijdt van wat men van een normale agrarische activiteit die op een wettige manier wordt uitgevoerd mag verwachten. (...) Voordien zaten er maar 750 mestkalveren die al geurhinder veroorzaakten; verzoekende partijen kunnen aanvaarden dat die hinder dient getolereerd te worden in agrarisch gebied. De geurhinder van varkens is op zich reeds groter dan van een kalf; het is dan ook des te hinderlijker wanneer er nu 2.128 mestvarkens zullen gestald worden; dit zal voor een enorme toename van de geurhinder zorgen, zodat deze niet meer aanvaardbaar is en abnormale proporties zal aannemen. Dergelijke hinder kan achteraf niet gecompenseerd worden met een schadevergoeding. Stankhinder werkt zodanig op de fysische en psychische gesteldheid van verzoekende partijen dat hun leefwijze aanzienlijk zal verslechteren. Dat hoofdpijn, stress en braakneigingen die kunnen voortkomen uit geurhinder van meer dan 2.000 varkens niet aanvaardbaar zijn en ernstige nadelen zijn die achteraf niet kunnen vergoed worden. Doordat de Minister stelt dat er geen bijkomende geurhinder veroorzaakt wordt kan er per definitie van uitgegaan worden dat er alleszins geurhinder aanwezig zal zijn. De Minister doet - echter ten onrechte - uitschijnen dat 750 mestkalveren dezelfde geurhinder veroorzaken dan 2.128 mestvarkens. Dit is onredelijk en manifest onjuist. Er zal wel bijkomende geurhinder zijn en die is onaanvaardbaar. Het feit dat de Minister stelt dat het bedrijf gelegen is in de gunstige zuidwestenwindrichting is niet voldoende om aan te nemen dat er geen ernstige geurhinder zal zijn. De betreffende zuidwestenwind is weliswaar de meest voorkomende windrichting, doch in absolute termen gezien overheerst hij zeker niet. (...) Dit betekent dat over meer dan de helft van het jaar (62%) verzoekende partijen aanzienlijke geurhinder kunnen hebben gelet op het feit dat de windrichting voor hun dan nadelig is, zeker voor eerste verzoeker die vooral last zal hebben van de zuid- en oostenwinden die toch veelvuldig voorkomen. (...) Een bedrijf van 2.128 mestvarkens impliceert ook heel wat aan- en afvoer van varkens, aanvoer van veevoeding, afhalen van dode varkens, afvoer van mest. Hierdoor zullen grote vrachtwagens telkens voorbij de woning van tweede verzoekende partij komen die juist naast het bedrijf Vos woont. Die vrachtwagens moeten door de Helderstraat, een smalle straat waar nauwelijks twee gewone auto’s elkaar kunnen kruisen". De verwerende partij betwist het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Zij betoogt dat er geen geurhinder is en verwijst hieromtrent naar wat zij betreffende de middelen heeft uiteengezet. Omdat een ammoniakemissiearm stalsysteem wordt geïnstalleerd, wordt in het bestreden besluit terecht overwogen dat door de vergunde inrichting geen bijkomende geurhinder zal worden veroorzaakt in vergelijking met het oorspronkelijk vergunde mestkalverenbedrijf. De verwerende partij stelt voorts dat de verkeershinder niet VII-37.350-9/12 ernstig is, gelet op de afstand van de woningen tot de inrichting en omdat die hinder, die verbonden is aan een agrarische activiteit, moet worden getolereerd in een woongebied met landelijk karakter. Zij merkt op dat "de (...) aanwezigheid van agrarische activiteiten in dat gebied, en de normale daarmee gepaard gaande ongemakken occasioneel en steeds zeer kortstondig van aard zijn, en geenszins een frequentie hebben die de normale tolerantiegraad in die specifieke omgeving zou overschrijden". Ook doet de verwerende partij gelden dat de milieuvergunning geschorst is zolang en in de mate dat de exploitant geen definitieve stedenbouwkundige vergunning heeft verkregen voor de vergunningsplichtige bouwwerken, zodat de uitvoerbaarheid van de door het bestreden besluit verleende milieuvergunning de facto is geschorst, zodat er geen aanleiding bestaat om de tenuitvoerlegging van het reeds geschorste besluit nogmaals te schorsen. Bespreking 11. Gelet op de aard en de omvang van de vergunde veeteeltinrichting - een bedrijf met plaatsen voor 2.128 mestvarkens - en de beperkte ruimtelijke scheiding tussen de stallen en de woningen van de verzoekende partijen, kan worden aangenomen dat de exploitatie van de inrichting een ernstige weerslag kan hebben op hun woon- en leefkwaliteit. Dit geldt zelfs indien men rekening houdt met de hogere tolerantiedrempel voor de hinder ten gevolge van de exploitatie van landbouwbedrijven die geldt voor bewoners van een agrarisch gebied of een woongebied met landelijk karakter. Met het bestreden besluit wordt het vroegere mestkalverenbedrijf volledig omgevormd naar een mestvarkensbedrijf. De artikelen 5.9.4.1. en volgende van Vlarem II bevatten specifieke bijkomende voorwaarden in verband met de ligging van varkensstallen. Dergelijke bijkomende voorwaarden gelden niet voor mestkalverenbedrijven. Er kan daarom worden aangenomen dat de regelgever de ligging van varkensstallen problematischer acht uit milieuoogpunt. In het bestreden besluit wordt overigens gesteld dat de omvorming naar een mestvarkensbedrijf gepaard gaat met een stijging van de mestproductie op inrichtingsniveau, wat bijkomende hinder doet vermoeden. Het gegeven dat de bestreden milieuvergunning aan de exploitant de verplichting oplegt om de varkensstallen ammoniakemissiearm uit te voeren, vormt geen overtuigend element om elk risico op ernstige hinder voor de omwonenden volledig uit te sluiten. Er lijkt immers geen behoorlijk onderzoek te VII-37.350-10/12 zijn verricht naar de deugdelijkheid ervan en de verzoekende partijen hebben als omwonenden niet de kans gekregen daarop hun opmerkingen te formuleren. De omstandigheid dat de bestreden milieuvergunning niet ten uitvoer kan worden gelegd zolang de vereiste stedenbouwkundige vergunning voor de verbouwing van de stallen niet is verleend, vormt geen reden om van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit af te zien. De voorlopige onuitvoerbaarheid van de milieuvergunning houdt immers op te bestaan van zodra de vereiste stedenbouwkundige vergunning wordt verleend. Aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is eveneens voldaan, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 17 februari 2009 waarbij het beroep dat Wim VOS heeft ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 30 april 2008 houdende de weigering van de vergunning om een mestkalverenbedrijf, gelegen aan de Helderstraat 21 te Lummen, verder te exploiteren en om te vormen in een mestvarkensbedrijf, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan Wim VOS de gevraagde milieuvergunning wordt verleend. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-37.350-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien september tweeduizend en negen, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-37.350-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.159 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.484 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.