id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.176 Rolnummer: A. 193921/XII-5947 Zaak: Arrest 196176 - Examens (onderwijs) - 18/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-21 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:34 Fiche Arrest nr 196.176 van 18 september 2009 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.176 van 18 september 2009 in de zaak A. 193.921/XII-
- In zake : Bernice HANSSENS, die woonplaats kiest bij advocaat M. Cottyn, kantoor houdende te Aalst, Leopoldlaan 32A, bus 1-2 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door Scholengroep Panta Rhei. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bernice Hanssens, minderjarige leerling vertegenwoordigd door haar ouders Guy Hanssens en Caroline Campens op 11 september 2009 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 20 augustus 2009 waarbij de beroepscommissie van het koninklijk atheneum te Gent de beslissing van de over haar delibererende klassenraad om een oriënteringsattest C uit te reiken, bevestigt; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 september 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 september 2009, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. Van Laethem, die loco advocaat M. Cottyn verschijnt voor verzoekster, en van directeur A. Machiels, die verschijnt voor verwerende partij; XII-5947-1\10 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. Neuts bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1.
- Verzoekster is leerling aan het koninklijk atheneum te Gent, tijdens het schooljaar 2008-2009 in het eerste leerjaar van de tweede graad Latijn- wetenschappen (ASO). 1.
- Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klassenraad aan verzoekster een oriënteringsattest C uit te reiken. Dit wordt meegedeeld aan haar ouders, met de toevoeging : “Overzitten lijkt ons enkel zinvol indien Bernice haar studiehouding verandert en gedurende het hele schooljaar inzet toont”. Op het individueel syntheseblad van verzoekster notuleert de klassenraad nog als motivering drie onvoldoendes voor Latijn (42%), fysica (41%), geschiedenis (37%), een “zeer zwak” wiskunde (50%), een opmerking over de remediëringsvoorstellen en de studiehouding en een negatieve evolutie in de resultaten. Nadat verzoekster haar recht op overleg deed gelden, richt zij zich tot de beroepscommissie met het volgende bezwaarschrift : “Vooreerst wensen wij u te bedanken voor het onderhoud van 29.06.2009, waarbij we inzage kregen in het dossier en de elementen die geleid hebben tot de beslissing. Wij begrijpen uit uw standpunt dat u een nieuwe bijeenkomst van de klassenraad niet noodzakelijk acht omdat er op dat moment geen nieuwe elementen voor handen waren. Na contact met het CLB en aansluitend een tweetal begeleidingscentra, menen wij voldoende aanwijzingen terug te vinden dat de mogelijkheid van een leerstoornis bij Bernice niet kan uitgesloten worden. Ten einde dit te bevestigen of te ontkennen hebben wij ondertussen concrete afspraken gemaakt om een uitgebreide batterij testen in samenwerking met een centrum uit te laten voeren. XII-5947-2\10 Wij zijn van mening dat alleen in functie van de resultaten van dit onderzoek (voorzien in augustus 2009) een juiste beslissing voor een B- dan wel een C-attest kan genomen worden. Met dit schrijven wensen we dan ook formeel de beroepsprocedure in te stellen”. 1.
- Op 27 augustus 2009 schrijft de algemeen directeur wat volgt aan verzoekster : “Ik heb het verslag ontvangen van de beroepscommissie, waarvan u in bijlage een kopie vindt. De beroepscommissie bevestigt de beslissing van de delibererende klassenraad van de school. Binnen het Gemeenschapsonderwijs is er geen verder beroep meer mogelijk tegen de in beroep genomen beslissing. U kan als ouder evenwel een annulatieberoep of een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij de Raad van State indienen binnen een termijn van 60 kalenderdagen nadat u heeft kennis genomen van de beslissing van de leden van de beroepscommissie. De procedure heeft geen opschortende werking. Dit betekent dat de beslissing waarmee de ouders het niet eens zijn onmiddellijk uitgevoerd kan worden”. Als bijlage bij deze brief gaat het verslag van de beroepscommissie, dat luidt : “De Beroepscommissie heeft in zijn zitting d.d. 20.08.09 kennis genomen van het bezwaar van bovenvermelde leerlinge en haar ouder, de heer Hanssens Guy en van de resultaten en het dossier m.b.t bovenvermelde leerlinge. De Beroepscommissie concludeert dat de delibererende klassenraad correct heeft geoordeeld op basis van alle elementen die op het ogenblik van de deliberatie voorhanden waren. Formeel wordt nergens de mogelijkheid voorzien op basis van informatie verworven na het einde van het schooljaar een beslissing te herzien. De beroepscommissie ziet dan ook geen aanleiding om de delibererende klassenraad te verzoeken om zijn beslissing te herbekijken”. De schorsingsvoorwaarden
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. XII-5947-3\10 Beoordeling van de eerste en de derde schorsingsvoorwaarde
- Als nadeel doet verzoekster gelden dat zij door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verplicht wordt het jaar over te doen, wat een verlies van een schooljaar inhoudt. Zij verwijst naar de vaste rechtspraak van de Raad van State, die in dat verlies -of dreigend verlies- de schorsings- voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel vervuld ziet. Wat de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, voert verzoekster aan dat een vordering volgens de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat dreigt te komen, nu de uitkomst van die procedure pas later -te laat volgens verzoekster- tijdens het schooljaar kan verwacht worden, terwijl met iedere dag dat zij de lessen in het tweede leerjaar van de tweede graad niet kan bijwonen, haar slaagkansen voor dat leerjaar verminderen. Verwerende partij gedraagt zich naar ’s Raads wijsheid.
- Verzoekster mag zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State terzake beroepen. De beide bedoelde voorwaarden zijn vervuld. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde
- Verzoekster voert twee middelen aan. Eerste middel - standpunt van de partijen
- In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 73 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (het organisatiebesluit). Zij betoogt dat de beroepscommissie de thans bestreden beslissing om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen heeft genomen, terwijl het, overeenkomstig de bepalingen van het genoemde artikel 73, het schoolbestuur toevalt om die beslissing te nemen.
- Verwerende partij antwoordt in de nota dat de algemeen directeur akte heeft genomen van het advies van de beroepscommissie, dat zijn beslissing logischerwijze op dit advies is gesteund en dat “dit is gebeurd”. XII-5947-4\10 Beoordeling
- In de artikelen 68 tot en met 74 van het organisatiebesluit ligt een administratieve beroepsprocedure voor examenbetwistingen in het voltijds secundair onderwijs vervat. De in artikel 71 en volgende van het organisatiebesluit bedoelde beroepscommissie is -in weerwil van de termen “de behandeling van het beroep” in artikel 72- enkel belast met het onderzoek van de bezwaren van de betrokken personen, om vervolgens het resultaat van dat onderzoek aan het schoolbestuur mee te delen in de vorm van een advies of de delibererende klassenraad wel of niet opnieuw moet worden samengeroepen (artikel 73, eerste lid). Het schoolbestuur beslist vervolgens of de delibererende klassenraad moet worden samengeroepen of niet met het oog op het nemen van een definitieve beslissing (artikel 73, tweede lid). Op grond van artikel 73 van het organisatiebesluit berust de bevoegdheid om te beslissen over het al dan niet opnieuw samenroepen van de delibererende klassenraad derhalve bij het schoolbestuur. De bevoegdheid van de beroepscommissie is beperkt tot verstrekken van een advies daarover, advies dat dient bezorgd aan het schoolbestuur.
- Verwerende partij spreekt dit ook niet tegen; wél argumenteert zij dat het wel degelijk de algemeen directeur is die de eindbeslissing heeft genomen.
- De Raad van State kan in de huidige stand van de procedure, acht slaande op de stukken die hem werden voorgelegd, die zienswijze van verwerende partij niet bijvallen. De brief van 27 augustus 2009, waarbij aan verzoekster wordt meegedeeld dat de delibererende klassenraad niet opnieuw wordt bijeengeroepen, gaat weliswaar uit van de algemeen directeur van de scholengroep Panta Rhei, die volgens het schoolreglement de beslissing tot het al of niet opnieuw bijeenroepen van de delibererende klassenraad neemt, maar uit niets blijkt -althans op het eerste gezicht- dat die algemeen directeur formeel ook zelf die beslissing heeft genomen. Integendeel, prima facie lijkt het er eerder op dat de algemeen directeur zich er toe beperkt om aan verzoekster mee te delen dat “[d]e beroepscommissie [...] de beslissing van de delibererende klassenraad van de school [bevestigt]” en om het verslag van de vergadering van die beroepscommissie als XII-5947-5\10 bijlage te voegen. Daarna meldt hij dat “[b]innen het Gemeenschapsonderwijs [...] er geen verder beroep meer mogelijk [is] tegen de in beroep genomen beslissing” en vermeldt hij de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State, daarbij preciserend dat dit dient te gebeuren binnen een termijn van zestig dagen “nadat u kennis heeft genomen van de beslissing van de leden van de beroepscommissie”, wat er eens te meer op lijkt te wijzen dat de algemeen directeur van oordeel was dat de tussen- komst van de beroepscommissie volstond en dat van hemzelf geen ander optreden dan de mededeling van dat advies moest worden verwacht. De bepalingen van artikel 73 van het organisatiebesluit worden op het eerste gezicht dan ook miskend, doordat niets erop lijkt te wijzen dat te dezen het -enige- bevoegde gezag heeft beslist om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen.
- Het eerste middel is ernstig. Tweede middel - standpunt van de partijen
- In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 5, § 8, artikel 38, 1/ en artikel 57 van het organisatiebesluit, alsook van de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoekster argumenteert in dat verband dat uit niets blijkt waarom haar een C-attest werd toegekend, terwijl zij rekening houdend met de relatieve waarde van de resultaten voor dagelijks werk en de examens opgenomen op bladzijde 32 van het schoolreglement, slechts één jaartekort heeft, namelijk voor Latijn (48,4%). Zij zegt er het raden naar te hebben waarom geen B-attest met clausulering voor Latijn werd overwogen. Zij stelt nog de vraag waarom naar haar “studiehouding” wordt verwezen, terwijl volgens het schoolreglement de cijfers doorslaggevend zijn en haar studiehouding trouwens al in rekening werd gebracht bij de puntentoekenning voor “dagelijks werk”.
- Verwerende partij wijst in de nota met opmerkingen op de resultaten van verzoekster, die volgens haar “een duidelijke negatieve/dalende tendens” vertonen, die “cumuleert in 3 grote tekorten op het examen in juni”, namelijk voor Latijn, fysica en geschiedenis. Twee van die vakken behoren tot de XII-5947-6\10 richtingvakken. In totaal behaalt verzoekster acht tekorten overheen het schooljaar. Dit is volgens verwerende partij een onvoldoende basis om met goed gevolg een volgend leerjaar te kunnen aanvatten. Aan de communicatie en remediëringsvoorstellen schort er niets volgens verwerende partij; zij verwijst daartoe naar de commentaren op het rapport, de inhaallessen en de remediëringsoefeningen. De weinig gemotiveerde studiehouding van verzoekster blijkt uit het onvoldoende ingaan op de remediëring en het onvoldoende studeren voor de toetsen. Verwerende partij wijst er ook op dat verzoekster in het bezwaarschrift bij de beroepscommissie enkel om een herdeliberatie vraagt in functie van de resultaten van nog uit te voeren onderzoeken naar een leerstoornis, in functie waarvan volgens haar een beslissing “voor een B- dan wel een C-attest” kon worden genomen. Zij merkt ten slotte op dat verzoekster -en haar ouders- verkozen hebben om het overleg telefonisch te voeren, zodat de school anders dan gebruikelijk is, niet in staat was om de notulen van de klassenraad of andere documenten aan de ouders te overhandigen of te laten inzien. Beoordeling
- De voorlopige beoordeling van dit middel gebeurt abstractie makend van het ernstig bevinden van het eerste middel.
- De eindbeslissing bij een examenbetwisting in het secundair onderwijs is ofwel de definitieve beslissing van de delibererende klassenraad nadat hij daartoe samengeroepen werd door het schoolbestuur, ofwel de beslissing van het schoolbestuur, na advies van de beroepscommissie, om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. In dat laatste geval kan de verzoekende partij in beginsel ook onwettigheden opwerpen die zij de oorspronkelijke beslissing van de delibererende klassenraad aanwrijft, precies omdat die onwettigheden voor het schoolbestuur een reden hadden moeten zijn om de klassenraad opnieuw te doen samenkomen, vermits het krachtens artikel 6quater van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959 alleen aan de delibererende klassenraad toevalt om te oordelen over het al dan niet slagen van leerlingen. XII-5947-7\10
- Zoals al aangegeven bij de bespreking van het eerste middel, voorziet het organisatiebesluit in een uitgewerkte beroepsprocedure ingeval van examenbetwistingen. De Raad van State heeft al meermaals geoordeeld dat die beroepsprocedure erop gericht moet zijn, wil ze enig nut hebben, om de klachten en argumenten van een leerling te onderzoeken en daadwerkelijk in een nieuwe beoordeling te betrekken. Dat geldt als een verplichting ten opzichte van de klassenraad. Anderzijds legt artikel 68, tweede lid, van het organisatiebesluit aan de betrokken personen niet zonder reden op bij een betwisting “hun redenen kenbaar” te maken. De betrokken leerling moet zijn klachten en argumenten aan de school kenbaar maken, in eerste instantie aan de directeur in de fase van het overleg en uiterlijk aan de beroepscommissie. Wil en mag een leerling van de door hem gevoerde beroepsprocedure verwachten dat zijn bezwaren ernstig worden onderzocht en in overweging genomen, dan moet hij er eerst zelf toe zijn gekomen de bezwaren waarop hij een antwoord wil krijgen ook daadwerkelijk in de loop van de beroepsprocedure in te brengen.
- Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster van oordeel is dat de delibererende klassenraad in zijn de beslissing van 30 juni 2009 te kort van stof is geweest. Misschien niet eens onterecht -in het bijzonder in het licht van de door haar aangehaalde bepalingen van het organisatiebesluit en beginselen van behoorlijk bestuur- werpt verzoekster op dat met één jaartekort de beslissing om een C-attest toe te kennen niet evident is en dat minstens de vraag rijst waarom haar geen B- attest kon worden toegekend. Evenwel lijkt verzoekster in de fase van het administratief beroep ook bijzonder kort te zijn geweest, inzonderheid wat haar beroep bij de interne beroepscommissie aangaat. Daar heeft zij, op het eerste gezicht, alleen doen gelden dat zij “voldoende aanwijzingen [terugvindt] dat de mogelijkheid van een leerstoornis bij [haar] niet kan uitgesloten worden”, dat “concrete afspraken [werden] gemaakt om een uitgebreide batterij testen [...] te laten [uitvoeren]” en dat zij van mening is dat “alleen in functie van de resultaten van dit onderzoek (voorzien in augustus 2009) een juiste beslissing voor een B- dan wel een C-attest kan genomen worden”. Daarbij lijken de wettigheidskritieken die zij thans voor de Raad van State opwerpt tegen de beslissing van 30 juni 2009 van de delibererende klassenraad, niet aan bod te zijn gekomen. XII-5947-8\10 Verzoekster kan vandaag voor de Raad van State bezwaarlijk het bestuur verwijten niet te hebben geantwoord op argumenten die zij zelf het bestuur niet te nuttiger tijd voor de voeten heeft geworpen. Overigens wordt de mogelijke leerstoornis, waarvan sprake in het beroepschrift voor de beroepscommissie, thans niet meer ter sprake gebracht door verzoekster. Het enige bezwaar waarmee zij de georganiseerde administratieve beroepsprocedure heeft opgestart, lijkt zij dus thans niet langer te handhaven.
- Deze vaststellingen leiden er in de huidige stand van de procedure toe het tweede middel als niet ernstig te beschouwen.
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 20 augustus 2009 waarbij de beroepscommissie van het koninklijk atheneum te Gent de beslissing van de over Bernice Hanssens delibererende klassenraad om een oriënteringsattest C uit te reiken, bevestigt. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-5947-9\10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien september 2009, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5947-10\10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.176 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.990 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.