← België

Arrest 196182 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.182 Rolnummer: A. 186380/XIV-29999 Zaak: Arrest 196182 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-01 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-07-01 08:12 Fiche Arrest nr 196.182 van 18 september 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.182 van 18 september 2009 in de zaak A. 186.380/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. EL MOUDEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Emiel Banningstraat 6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, toegevoegd aan de Minister belast met Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 21 december 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 3760 van 19 november 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1925 van 17 januari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 11 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-29.999-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. BAKI, die loco advocaat A. EL MOUDEN verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. FIERENS, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij op 28 februari 2007 een aanvraag tot vestiging in functie van haar Belgische echtgenote indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 30 maart 2007 een beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten neemt; Overwegende dat de verzoekende partij op 10 september 2007 een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing bij de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen indient; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring met een arrest van 19 november 2007 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 149 van de Grondwet en van “de motiveringsplicht van rechterlijke uitspraken, en de motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel” opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “Een tegenstrijdige of dubbelzinnige motivering maakt een schending uit van het voorschrift in artikel 149 Grondwet. De tegenstrijdigheid die krachtens art. 149 Gw. aanleiding geeft tot cassatie, is die welke bestaat hetzij tussen de redenen, hetzij tussen de redenen en het dictum van een zelfde beslissing (Cass. (2e k.) AR P.04.0281.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040616.21, 16 juni 2004 (G.F. / T.C., N., M. en B.F. / C.D. e.a., G.D.M., R.T.) http://www.cass.be (6 juli 2004), J.L.M.B. 2004, afl. 26, 1137 en http://jlmbi.larcier.be (6 juli 2004), Pas. 2004, afl. 7-8, 1053, Rev. dr. pén. 2005, afl. 1, 106, T. Strafr. 2005, afl 4, 277, noot VANDROMME, S.). Doordat het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, enerzijds bepaalt dat "Bij de lezing van de bestreden beslissing blijkt genoegzaam dat de inhoud verzoekster het genoemde inzicht verschaft en haar aldus toelaat de bedoelde nuttigheidsafweging te maken. Uit het door verzoekster neergelegde verzoekschrift blijkt trouwens dat verzoekster zowel de feitelijke, als de juridische overwegingen kent en deze inhoudelijk bespreekt, zodat het doel dat met het bestaan van de formele motiveringsplicht beoogt wordt, is bereikt", en anderzijds stelt dat : "Ten overvloede wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop dat verzoekster te allen tijde de mogelijkheid had - mits voorafgaandelijke afspraak- het administratief dossier in te kijken, zodat zij thans allerminst kan voorhouden dat zij 'volledig in de onwetendheid zou zijn omtrent de feiten waarop de overheid haar beslissing grondt' zodat zij zich daar niet met nuttig gevolg zou tegen kunnen verweren", werd het arrest gegrond op tegenstrijdige motieven. XIV-29.999-2/10 Dat het arrest dan ook zichzelf tegenspreekt, door eerst te stellen dat verzoekster de feitelijke motieven voor de weigering van vestiging kent - quod non- , terwijl zij in hetzelfde arrest evenzeer het tegenovergestelde vaststelt, nl. dat verzoekster de redenen van weigering had kunnen kennen indien zij - mits voorafgaandelijke afspraak - het administratief dossier had ingekeken. Bovendien mocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de kennis van de motieven in de bestreden beslissing afleiden uit het feit dat verzoekster een mogelijkheid zou hebben om het administratief dossier in te kijken. Het is niet omdat men een mogelijkheid zou hebben gehad om het administratief dossier in te kijken dat men daardoor werkelijk kennis heeft gehad van de motieven in de bestreden beslissing. De motivering van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen tart dan ook elke logica. Verder kan nergens uit de bestreden beslissing of uit het verzoekschrift van verzoekster worden afgeleid dat zij op de hoogte was van de feitelijk redenen van weigering van de vestigingsaanvraag zoals het bestreden arrest stelt, integendeel. In de weigeringsbeslissing van de vestigingsaanvraag wordt slechts verwezen naar een brief van de gemeente Geraardsbergen dd. 26/03/2007 die spreekt van ernstige twijfels omtrent de relatie, zonder ook maar enige inhoud van deze brief op te nemen in de bestreden beslissing en zonder te melden waarom de gemeente Geraardsbergen of de Dienst Vreemdelingenzaken meende dat er ernstige twijfels waren omtrent de relatie. Uit het verzoekschrift van verzoekster blijkt alles behalve dat verzoekster wist om welke reden de vestiging werd geweigerd. In haar verzoekschrift staat zeer duidelijk dat verzoekster niet weet wat de precieze reden is van de weigering en dat de reden van weigering niet kon worden afgeleid uit de weigering van vestiging. Zo stelt verzoekster in haar verzoekschrift "Misschien heeft de overheid haar beslissing gegrond op de overweging dat beide echtgenoten niet zouden hebben samengewoond, of misschien omwille van andere redenen. Verzoekster heeft er in ieder geval het raden naar." Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de kennis van de motieven had mogen afleiden uit de bewoordingen van de bestreden beslissing en uit het verzoekschrift tot vernietiging waaruit de motieven van weigering geenszins blijken. Tot slot wil verzoeker er ook op wijzen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet Beantwoord heeft op de duidelijke stelling van verzoekster dat zij niet op de hoogte was van de motieven van de bestreden beslissing: "Misschien heeft de overheid haar beslissing gegrond op de overweging dat beide echtgenoten niet zouden hebben samengewoond, of misschien omwille van andere redenen. Verzoekster heeft er in ieder geval het raden naar". De Dienst Vreemdelingenzaken kan de vestiging immers weigeren om vele redenen, maar ze moet hierbij wel heel concreet aangeven waarom ze geweigerd heeft, zodat verzoekster zich hiertegen nuttig kan verweren. Het komt niet toe aan verzoekster om de precieze reden van weigering 'te verzinnen'. Daarom moeten de redenen van weigering ondubbelzinnig blijken uit de bestreden beslissing. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen motiveert niet waarom verzoekster de redenen van weigering zou kennen, terwijl verzoekster niettemin het tegenovergestelde volhoudt in haar verzoekschrift en de concrete feiten die een weigeringsbeslissing zouden kunnen schragen nergens uit blijken. In toepassing van het eerste middel dient het bestreden arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te worden vernietigd.”; 2.1.
  4. Overwegende dat het aangevochten motief, met name dat de verzoekende partij kennis had kunnen krijgen van de motieven van de oorspronkelijk aangevochten beslissing van 30 maart 2007 door voorafgaandelijk aan haar beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het administratieve dossier in te kijken, slechts ten overvloede in het bestreden arrest wordt vermeld; dat immers in hoofdzaak in het bestreden arrest wordt overwogen dat “bij lezing van de bestreden beslissing blijkt genoegzaam dat de inhoud verzoekster het genoemde inzicht verschaft en haar aldus toelaat de bedoelde XIV-29.999-3/10 nuttigheidsafweging te maken”; dat het aangevochten motief een overtollig motief betreft, dat de strekking van het bestreden arrest niet heeft beïnvloed en dat derhalve niet tot cassatie ervan kan leiden; 2.2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen juncto artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toetst weigeringen van vestigingsaanvragen overeenkomstig artikel 39/2 van de wet van 15/12/1980 (Vreemdelingenwet) aan de overschrijding van substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht. In haar inleidend verzoekschrift aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vroeg verzoekster de weigering van vestiging te vernietigen op basis van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29/07/1991 betreffende de uitdrukkelijke en draagkrachtige motivering in bestuursza- ken. Het behoort de rechter, onder eerbiediging van het recht van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgedragen feiten de rechtsregel toe te passen op grond waarvan hij de vordering zal toekennen of afwijzen (artikel 5 Gerechtelijk Wetboek). De Raad van State neemt de feiten zoals deze werden vastgesteld door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over. De Raad van State behoudt het recht om na te gaan of de door het cassatieberoep bestreden beslissing aan de feiten die zij vaststelt, wel een correcte juridische kwalificatie geeft of eruit de juiste gevolgtrekkingen op wettelijk vlak heeft gepuurd (A. MAST e.a., Overzicht van het Belgisch administratief recht, Kluwer). Dat dient te worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de Wet van 29/07/1991 verkeerd heeft toegepast. Dat zij overeenkomstig de feiten die zij heeft vastgesteld, diende te besluiten dat de motivering van de weigering van vestiging gebrekkig was, en bijgevolg de weigeringsbeslissing had dienen te vernietigen, omwille van de volgende redenen: De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mocht niet oordelen dat de enkele verwijzing in de weigeringsbeslissing van vestiging naar telt blief van de gemeente Geraardsbergen dd. 26/03/2007, waarvan de inhoud niet gekend was, voldoende was, om te voldoen aan de formele motiveringsverplichting; dat verzoekster de redenen van de weigeringsbeslissing van vestiging niet kende, zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook impliciet maar zeker erkent, door er op te wijzen dat verzoekster de mogelijkheid had om het administratief dossier - na toestemming - in te zien. De stelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat "Het feit dat de beslissing de feiten niet vermeldt die aan de basis liggen van de ernstige twijfels, doet hier niets aan af. Van de verwerende partij eisen dat ze meer bijzonderheden verschaft omtrent de reden waarom er ernstige twijfels zijn omtrent de relatie tussen beide echtelieden,-zou erop neerkomen dat zij ertoe verplicht wordt de motieven van de motieven van haar besluit te geven. De wettelijke verplichting tot uitdrukkelijk motivering houdt zulks niet in", kan niet worden gevolgd. De verplichting tot uitdrukkelijke motivering houdt wel degelijk de verplichting in dat de motieven van de weigering vermeld worden in de bestreden beslissing zodat verzoekster precies weet waartegen zij zich moet verweren. Een enkele vermelding naar een brief van de gemeente Geraardsbergen zonder enige verdere precisering voldoet geenszins aan deze verplichting. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft bijgevolg de verplichting tot formele motivering op een verkeerde wijze toegepast De stelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoekster mits een voorafgaandelijke toestemming - als men die al (tijdig) kreeg - kennis kon nemen van de XIV-29.999-4/10 redenen van weigering volstaat niet als formele motivering. De motieven van de weigering in de bestreden beslissing dienen immers te worden opgenomen in de bestreden beslissing zelf.”; 2.2.
  6. Overwegende dat de beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten van de minister van Binnenlandse Zaken van 30 maart 2007 de volgende “motivering in feite” bevat: “In haar arrest van 24.4.95 heeft de Raad van State gepreciseerd dat indien het zich gemeenschappelijk vestigen niet noodzakelijk een effectieve en duurzame vorm van samenwonen met zich meebrengt, dan veronderstelt het toch minstens de staat van echtgenoot, die eigenlijk niet als dusdanig kan erkend worden zonder het bestaan van een minimum aan relatie tussen de echtgenoten. De Raad van State oordeelt dat er minstens een ‘gezinscel’ moet bestaan, waarbij er een relatie moet bestaan tussen de echtgenoten. Er moet tussen de echtgenoten een reële, echtelijke band (levensgemeenschap), en dit, ook al is de verblijfplaats van de echtgenoten verscheiden. Uit het schrijven van de gemeente Geraardsbergen dd. 26/03/2007 blijkt dat er ernstige twijfels zijn omtrent de relatie tussen beide echtelieden.”; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest die motivering aan de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen heeft getoetst; dat, ook al is die wet als dusdanig niet van toepassing op de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in het licht van het thans aangevoerde cassatiemiddel wel moet worden onderzocht of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn wettigheidscontrole van de voornoemde beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken de wet van 29 juli 1991 niet heeft geschonden door te stellen dat aan de door die wet gestelde voorwaarden was voldaan terwijl dit volgens de verzoekende partij niet het geval zou zijn geweest; Overwegende dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht, zoals neergelegd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, tot doel heeft dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, om hem aldus toe te laten met kennis van zaken te oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarover hij beschikt; dat in de beslissing van 30 maart 2007 eerst op de noodzaak van een “gezinscel” en een relatie, een reële, echtelijke band wordt gewezen, ook al is de verblijfplaats van de echtgenoten verscheiden, en dat vervolgens naar een welbepaalde brief wordt verwezen, met name naar “het schrijven van de gemeente Geraardsbergen dd. 26/03/2007 (waaruit) blijkt dat er ernstige twijfels zijn omtrent de relatie tussen beide echtelieden”; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest op grond daarvan op wettige wijze kon overwegen dat die inhoud van de beslissing van 30 maart 2007 de verzoekende partij het vereiste inzicht verschafte om de XIV-29.999-5/10 belangenafweging te maken inzake het al dan niet gebruiken van een rechtsmiddel en dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen trouwens de feitelijke en de juridische motieven van die beslissing inhoudelijk bespreekt en die motieven dus blijkt te kennen; dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht inderdaad niet zover gaat dat een overheid de motieven van de motieven van een beslissing zou moeten geven; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met die beoordeling van de motieven van de beslissing van 30 maart 2007 de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet heeft geschonden; dat de verwijzing naar de mogelijkheid van inzage van het administratief dossier slechts een overtollig motief is; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending van artikel 40, § 6, van de Vreemdelingenwet opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had niet mogen besluiten dat er geen sprake was van een minimum aan relatie tussen verzoekster en haar echtgenoot, op basis van de volgende feiten: dat verzoekster gehuwd is met haar partner, zij zwanger is van haar echtgenoot, dat haar echtgenoot haar beledigde en sloeg, dat zij na een hoogoplopende ruzie de echtelijke woonst is ontvlucht, dat de verzoeningspogingen tot op heden vruchteloos zijn gebleken, dat zij genoodzaakt is in een opvangtehuis voor vrouwen te verblijven en dat de vrederechter verzoekster heeft gemachtigd tot afzonderlijk verblijf en haar echtgenoot heeft veroordeeld tot de betaling van een onderhoudsgeld. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had moeten besluiten tot een minimum aan relatie tussen verzoekster en haar echtgenoot daar ze samen een kind hebben, daar de echtgenoot van verzoekster een onderhoudsgeld dient te betalen en er nog steeds hoop is op een verzoening. Dat bovendien een afzonderlijke woonst werd toegestaan door de vrederechter. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dan ook moeten besluiten dat er wel degelijk 'een gezinscel' voor handen is.”; 2.3.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in het middel slechts een nieuwe feitelijke appreciatie van de zaak voorstelt, waaruit zij afleidt dat er wel degelijk “een gezinscel” voorhanden was; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter echter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het derde middel niet- ontvankelijk is; 2.4.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending van de rechten van verdediging opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mocht niet oordelen dat de enkele verwijzing in de weigeringsbeslissing van vestiging naar een brief van de gemeente Geraardsbergen dd. 26/03/2007, waarvan de inhoud niet gekend was, voldoende was, om te voldoen aan de formele XIV-29.999-6/10 motiveringsplicht. Door deze handelswijze werd op manifeste wijze afbreuk gedaan aan de rechten van verdediging van verzoekster. De stelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat "Het feit dat de beslissing de feiten niet vermeldt die aan de basis liggen van de ernstige twijfels, doet hier niets aan af. Van de verwerende partij eisen dat ze meer bijzonderheden verschaft omtrent de reden waarom er ernstige twijfels zijn omtrent de relatie tussen beide echtelieden, zou erop neerkomen dat zij ertoe verplicht wordt de motieven van de motieven van haar besluit te geven. De wettelijke verplichting tot uitdrukkelijk motivering houdt zulks niet in", kan niet worden gevolgd. De verplichting tot uitdrukkelijke motivering houdt wel degelijk de verplichting in dat de motieven van de weigering vermeld worden in de bestreden beslissing zodat verzoekster precies weet waartegen zij zich moet verweren. Doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een verwijzing naar een brief voldoende acht om te voldoen aan uitdrukkelijke motiveringsplicht, werden de rechten van verdediging van verzoekster op manifeste wijze geschonden. Hierdoor was verzoekster immers in de onmogelijkheid om op een effectieve wijze haar rechten uit te oefenen, middels een verzoekschrift tot vernietiging daar ze niet duidelijk wist waartegen ze zich diende te verweren, waardoor haar kansen op succes werd gefnuikt. Een loutere verwijzing naar een brief van de gemeente Geraardsbergen zonder enige verdere precisering voldoet geenszins aan de verplichting om de rechten van verdediging te eerbiedigen.”; 2.4.
  10. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de wettigheid van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 30 maart 2007 heeft beoordeeld; dat die beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken een zuiver administratieve beslissing is, waarop de rechten van verdediging niet van toepassing zijn; dat, ten overvloede, de verzoekende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending van de rechten van verdediging heeft opgeworpen en dat haar huidige kritiek in wezen tegen de beslissing van 30 maart 2007 is gericht; dat het vierde middel niet-ontvankelijk is; 2.5.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in een vijfde middel de schending van artikel 40, § 6, van de Vreemdelingenwet in samenhang met de artikelen 3, 13, 20, 24, 27, 28 en 30 van de Richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna Richtlijn 2004/38) opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “In tegenstelling tot wat het bestreden arrest stelt, is de richtlijn 2004/38 wel degelijk van toepassing in het onderhavige geval. Artikel 40 §6 Vreemdelingenwet bepaalt immers duidelijk dat de echtgenoot van een Belg wordt gelijkgesteld met een EG-vreemdeling, d.w.z. hen dezelfde rechten toekent. Dat dit dan ook de wil is geweest van de wetgever. De wil van de wetgever kon niet duidelijker tot uiting komen. De bewoordingen zelf van artikel 40§6 Vreemdelingenwet zijn glashelder, laten geen enkele twijfel bestaan, en zijn dus in geen geval voor een andere interpretatie vatbaar. Deze gelijkschakeling geschiedde om een omgekeerde discriminatie te vermijden, waarbij Belgen en XIV-29.999-7/10 hun familieleden over minder rechten zouden beschikken dan andere EU-onderdanen. Deze zienswijze wordt ook onderschreven door de Belgische Commissie van Advies voor Vreemdelingen op 08/12/2006 (nr. 5.612.029, Rev.dr.étr. 2006, afl. 140, 579). Verder heeft de Belgische overheid zelf verklaard voor het Hof van Justitie : "
  12. De Belgische Staat betoogt dat de nationale wetgever echtgenoten van Belgische onderdanen heeft gelijkgesteld met onderdanen van andere lidstaten, om te verhinderen dat zij minder gunstig zouden worden behandeld dan de echtgenoten of gezinsleden van een onderdaan van een andere lidstaat" (H.v.J. 25/07/2002 in de zaak C-459/99). Nergens uit de voorbereidende werken bij de Vreemdelingenwet blijkt dat de familieleden van Belgen zich niet zouden kunnen beroepen op de richtlijn 2004/38, integendeel (Parl. St Kamer, nr. 51-2845, Parl St Kamer, nr. 51-2478, Parl. St Kamer, nr. 51-2479, Parl. St Kamer, nr. 512761). Zo kan men lezen in de voorbereidende werken dat "Het huidig artikel 40 §6 van de wet stelt de familieleden van een Belg gelijk met de burgers van de Unie, ongeacht het feit of zij burgers van de Unie of onderdanen van derde landen zijn. De doelstelling is dar op de familieleden van een Belg dezelfde regels worden toegepast die worden toegepast op de familieleden van een burger van de Unie. Dit komt neer op het gelijkstellen van de familieleden van een Belg met de familieleden van de burger van de Unie" (Parl. St. Kamer, nr. 51-2845/1, p44.).”; 2.5.
  13. Overwegende dat artikel 3.
  14. van Richtlijn 2004/38 bepaalt dat die richtlijn van toepassing is “ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen”; dat in artikel 2.
  15. van de voornoemde richtlijn als familielid worden gedefinieerd: “a) de echtgenoot; b) de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan; c) de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn; d) de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), die te hunnen laste zijn.”; Overwegende dat de verzoekende partij zelf niet de nationaliteit van een EU-lidstaat heeft en als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/38 valt; dat zij een vestigingsaanvraag in functie van haar Belgische echtgenoot heeft ingediend, doch dat de echtgenoot uiteraard over een verblijfsrecht in België beschikt en de aanvraag geen betrekking heeft op de verblijfstoestand van de echtgenoot zelf; dat er dus geen aanknopingspunt met Richtlijn 2004/38 blijkt, dit los van de vraag naar de directe werking ervan; XIV-29.999-8/10 Overwegende dat artikel 40, § 6, van de Vreemdelingenwet ten tijde van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, die tot het bestreden arrest heeft geleid, als volgt luidde: “Met de E.G.-vreemdeling worden eveneens gelijkgesteld, de echtgenoot van een Belg die zich met hem vestigt of komt vestigen, alsook hun bloedverwanten in de nederdalende lijn beneden 21 jaar of die te hunnen laste zijn, hun bloedverwanten in de opgaande lijn die te hunnen laste zijn, en de echtgenoot van die bloedverwanten in de nederdalende en in de opgaande lijn, die zich met hen vestigen of komen vestigen.”; Overwegende dat deze bepaling uit de Vreemdelingenwet een gelijkstelling voorziet voor personen die niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/38 vallen; dat het een gelijkstelling in het nationale Belgische recht betreft die per definitie geen omzetting van de voornoemde richtlijn vormt, precies omdat zij betrekking heeft op gevallen die niet onder de toepassing van die richtlijn vallen; dat artikel 40, § 6, van de Vreemdelingenwet om die reden niet aan Richtlijn 2004/38 kan worden getoetst; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze kon stellen dat, bij gebrek aan een “gezinscel” of een “minimum aan relatie”, de beslissing van 30 maart 2007 tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten artikel 40, § 6, van de Vreemdelingenwet niet heeft geschonden; dat het vijfde middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-29.999-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien september tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.999-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.182 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.1.925 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040616.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.