id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.183 Rolnummer: A. 187030/XIV-30182 Zaak: Arrest 196183 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-01 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:33 Fiche Arrest nr 196.183 van 18 september 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.183 van 18 september 2009 in de zaak A. 187.030/XIV-30.
(2006)156). Dat betekent dat voor de ouder van een verblijfsgerechtigde jonge EU burger, het niet vereist is dat deze ouder ten laste zou moeten zijn van de minderjarige, als hij maar aan de voorwaarde voldoet dat hij daadwerkelijk voor deze minderjarige zorgt. Het Hof erkende ook dat Richtlijn 90/364 niet het minste vereiste stelt met betrekking tot de herkomst van de toereikende bestaansmiddelen van het kind, die in casu van de vader afkomstig zijn. Artikel 7.1 b van de nieuwe Richtlijn 2004/38 vervangt artikel 1 van de oude Richtlijn 90/364, en kent in dezelfde bewoordingen een verblijfsrecht toe aan een EU burger en zijn gezinsleden: "indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddélen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt" Verzoekster wordt gelijkgesteld met de ouder van een EU onderdaan op grond van artikel 40 § 6 Vreemdelingenwet. Het kind van verzoekster voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 7.1 b, namelijk toereikende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering. XIV-30.182-9/16 Verzoekster voldoet aan de voorwaarde dat zij werkelijk voor het kind zorgt, wat door verweerder niet wordt betwist. De vraag of verzoekster al dan niet ten laste is van haar kind, is in het licht van bovenstaande rechtspraak van het Europees Hof van Justitie niet van belang. Deze vraag was enkel relevant voor de toepassing van het Belgische artikel 40 § 6 Vreemdelingenwet. Verzoekster voldoet dus aan de voorwaarden voor een recht op verblijf op grond van artikel 7.1 b van de Richtlijn 2004/38, zoals geïnterpreteerd door het Europees Hof van Justitie in het Arrest CHEN. Verzoekster voldoet immers zowel aan artikel 40 § 6 Vreemdelingenwet, als aan de voorwaarden van artikel 7.1b van de Richtlijn 2004/38, zoals geïnterpreteerd door het Europees Hof, omdat verzoekster ten laste is van haar kind en werkelijk aan haar kind de nodige zorgen biedt.”; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een derde middel beroept verzoekster zich op de vermeende schending van artikel 7.1. b van de Richtlijn 2004/38, en beroept zij zich ter ondersteuning van haar middel op rechtspraak van het Hof van Justitie. Verzoekster kan niet dienstig kan verwijzen naar het arrest 'Chen' van het Hof van Justitie, alwaar volstrekt andere feitelijke omstandigheden ten grondslag liggen aan het arrest. In de geciteerde zaak wordt door het Hof van Justitie uitdrukkelijk gesteld dat het gemeenschapsrecht: "In omstandigheden als die in het hoofdgeding, de minderjarige van jonge leeftijd die onderdaan is van een lidstaat, die is gedekt door een passende ziektekostenverzekering en ten laste komt van een ouder die zelf onderdaan is van een derde staat en wiens bestaansmiddelen toereikend zijn om te voorkomen dat genoemde minderjarige ten laste komt van de overheidsfinanciën van de lidstaat van ontvangst, een recht verlenen om voor onbepaalde tijd op het grondgebied van deze laatste staat te verblijven. In dat geval geven deze zelfde bepalingen de ouder die daadwerkelijk voor die onderdaan zorgt het recht, met deze laatste in de lidstaat van ontvangst te verblijven" (onderlijning toegevoegd). Vooreerst dient te worden vastgesteld dat: - het in voormelde zaak betrokken kind — dat geboren is in het Verenigd Koninkrijk, doch met de nationaliteit van een andere lidstaat, zodat er een communautair aspect aanwezig was — een verblijfsrecht heeft verkregen in het Verenigd Koninkrijk op grond van het EG-recht, aan de moeder van het betrokken kind een verblijfsrecht verleend werd, gelet op het `effet utile' van het verblijfsrecht van het kind zelf, - opdat het Hof van Justitie de theorie van het `effet utile' kon toepassen voor de moeder, de voorafgaandelijke toepassing van het EG-recht voor het verblijfsrecht van het kind noodzakelijk was. In casu echter is het verblijfsrecht van de zoon van verzoekster geenszins gebaseerd op het EG-recht, doch wel op de Belgische wetgeving, zonder enig intracommunautair aspect. Terwijl de toepassing van het gemeenschapsrecht zich niet uitstrekt tot zuiver interne situaties, waarbij er slechts een aanknoping is met één EU-lidstaat en een derde staat. Een 'intracommunautair aspect' is principieel nochtans vereist opdat er eventueel rechten zouden kunnen worden ontleend aan bepalingen van het recht van de Europese Gemeenschappen (H.v.J., 27.10.1982, nrs. 35 en 36/82, Jur. 1982, 3723). Zodoende kan de ‘nuttigewerkingstheorie' niet zonder meer worden toegepast op de situatie van verzoekster (zie ook H. VERSCHUEREN, "Gezinshereniging met EU-burgers door derdelandsonderdanen. Twee opmerkelijke arresten van het hof van Justitie in de zaken Akrich en Zhu en Chen", in TVR 2005, nr. 2, 123.). Aldus kan verzoekster zich niet dienstig beroepen op het door haar aangehaalde arrest, waarbij ook dient te worden benadrukt dat verzoekster geenszins staaft niet ten laste te vallen van de Belgische Staat. XIV-30.182-10/16 De gemachtigde van de federale Minister van binnenlandse Zaken besliste derhalve geheel terecht dat verzoekster onmogelijk ten laste kan zijn van haar Belgisch minderjarig kind, hetgeen door verzoekster niet ernstig kan worden ontkend. Gelet op het voormelde kan dan ook slechts worden vastgesteld dat de gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken geheel terecht, en binnen de hem ter zake toebedeelde bevoegdheid, oordeelde dat verzoeksters aanvraag tot vestiging diende te worden verworpen. De rechter in vreemdelingenzaken heeft in het bestreden arrest dd. 25.10.2007 geheel terecht geoordeeld dat: "De Raad kan slechts vaststellen dat noch verzoekster, noch de persoon in functie van wie hij zijn vestigingsaanvraag heeft ingediend, burger is van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit. Verzoekster, van Thaise nationaliteit, vraagt immers de vestiging in België in functie van een Belgische onderdaan. Het grensoverschrijdende aspect, dat door de Richtlijn 2004/38/EG wordt vereist ontbreekt in casu. Aangezien verzoekster geen begunstigde is van de Richtlijn 2004/38/EG, kan hij zich niet dienstig beroepen op de bepalingen van deze Richtlijn en ook niet op de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie die een interpretatie van deze richtlijn geeft. " Geheel ten overvloede merkt de verwerende partij ondergeschikt nog het volgende op. Bij toepassing van de bepalingen van het EG-recht dient rekening te worden gehouden met het doel van deze bepalingen, met name het vermijden van een onredelijke belasting voor de algemene middelen van een lidstaat van ontvangst. Zodoende is in het EG-recht de voorwaarde voorzien dat de EU-onderdanen voor zichzelf en hun familieleden een ziektekostenverzekering hebben afgesloten die alle risico's in de ontvangende lidstaat dekt, en dat zij over toereikende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste van de bijstandsregeling van de lidstaat van ontvangst komen. Verzoekster heeft op geen enkele manier aangetoond dat aan deze voorwaarden voldaan werd. Integendeel beperkt verzoekster zich ertoe te verwijzen naar het desbetreffende arrest, zonder het toe te passen op haar eigen zaak. Verzoeksters beschouwingen missen dan ook duidelijk juridische grondslag, en kunnen geen afbreuk doen aan het in casu bestreden arrest dd. 10.1.2008. Het derde middel van verzoekster kan niet worden aangenomen.”; 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord niets wezenlijks aan het middel toevoegt; 2.3.4. Overwegende dat artikel 3.1. van Richtlijn 2004/38 bepaalt dat die richtlijn van toepassing is “ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen”; dat in artikel 2.2. van de voornoemde richtlijn als familielid worden gedefinieerd: “
- a)de echtgenoot;
- b)de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan;
- c)de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn; XIV-30.182-11/16
- d)de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), die te hunnen laste zijn.”; Overwegende dat de verzoekende partij zelf niet de nationaliteit van een EU-lidstaat heeft en als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/38 valt; dat zij een vestigingsaanvraag in functie van haar Belgisch kind heeft ingediend, doch dat het Belgische kind uiteraard over een verblijfsrecht in België beschikt en de aanvraag geen betrekking heeft op de verblijfstoestand van dat kind zelf; dat er dus geen aanknopingspunt met Richtlijn 2004/38 blijkt, dit los van de vraag naar de directe werking ervan; dat het derde middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij naar artikel 40, § 6, van de Vreemdelingenwet verwijst, dat deze bepaling ten tijde van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, die tot het bestreden arrest heeft geleid, als volgt luidde: “Met de E.G.-vreemdeling worden eveneens gelijkgesteld, de echtgenoot van een Belg die zich met hem vestigt of komt vestigen, alsook hun bloedverwanten in de nederdalende lijn beneden 21 jaar of die te hunnen laste zijn, hun bloedverwanten in de opgaande lijn die te hunnen laste zijn, en de echtgenoot van die bloedverwanten in de nederdalende en in de opgaande lijn, die zich met hen vestigen of komen vestigen.”; Overwegende dat artikel 40, § 6, van de Vreemdelingenwet een gelijkstelling voorziet voor personen die niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/38 vallen; dat het een gelijkstelling in het nationale Belgische recht betreft die per definitie geen omzetting van de voornoemde richtlijn vormt, precies omdat zij betrekking heeft op gevallen die niet onder de toepassing van die richtlijn vallen; dat artikel 40, § 6, van de Vreemdelingenwet om die reden niet aan Richtlijn 2004/38 of aan de rechtspraak dienaangaande van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen kan worden getoetst; dat het derde middel ook in die mate niet-ontvankelijk is; 2.4.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending van de artikelen 15 en 31 van Richtlijn 2004/38 opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “In ondergeschikte orde voert verzoekster aan dat het ontbreken van een onderzoeksbevoegdheid ten gronde bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de door artikelen 15 en 31 van de Richtlijn 2004/38 voorziene beroepsprocedure, waarbij ook 'de feiten en omstandigheden die de voorgenomen maatregel rechtvaardigen' moeten kunnen worden onderzocht, temeer daar het door verzoekster ingediende verzoek tot herziening nog wel in de mogelijkheid voorzag om de feiten te onderzoeken. Gezien het annulatieberoep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet in overeenstemming te brengen is met artikelen 15 en 31 van de Richtlijn 2004/38, dringt XIV-30.182-12/16 verzoekster aan op een prejudiciële vraag van de Raad van State aan het Hof van Justitie om te doen nagaan of het rechtsmiddel genoemd in artikel 39/2 § 2 van de genoemde Wet van 15 december 1980 al dan niet voldoet aan de procedurele eisen van de Richtlijn 2004/38 van de Raad van de Europese Unie.”; 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een vierde middel beroept verzoekster zich op de artikelen 15 en 31 van de Richtlijn 2004/38. Desbetreffend dient vooreerst te worden herhaald dat verzoekster zich niet dienstig kan beroepen op de Richtlijn 2004/38. Immers vereist de toepassing van het gemeenschapsrecht een 'intracommunautair aspect' opdat er eventueel rechten zouden kunnen worden ontleend aan bepalingen van het recht van de Europese Gemeenschappen (H.v.J., 27.10.1982, nrs. 35 en 36/82, Jur. 1982, 3723). Een 'intracommunautair aspect' is principieel nochtans vereist opdat er eventueel rechten zouden kunnen worden ontleend aan bepalingen van het recht van de Europese Gemeenschappen (H.v.J. 12.7.2005, C-403/03, Jur. 2005, 1-6421, r.o. 20, met verwijzing naar de arresten van het Hof van 5 juni 1997, C-64/96 en C-65/96, Jur. 1997, 1-3171, r.o. 23, en van 2 oktober 2003, C-148/02, Jur. 2003, 1-11613, r.o. 26; H.v.J. 16.1.1997, C-134/95, Jur. 1997, 1-195, r.o. 19-23; H.v.J. 28.1.1992, C-332/90, Jur. 1992, 1-341, r.o. 9 ; H.v.J., 27.10.1982, 35 en 36/82, Jur. 1982, 3723; H.v.J. 7.2.1979, 115/78, Jur. 1979, 399, r.o. 24. Zie ook de conclusie van AG Poiares Maduro van 6 mei 2004, C-72/03, Jur. 2004, 1-8027, r.o. 4 en 23). In casu echter is verzoekster onderdaan van Thailand en moeder van een Belgisch kind, zodat haar aanvraag tot vestiging geenszins gebaseerd is op het EG-recht, doch wel op de Belgische wetgeving, zonder enig intracommunautair aspect. De toepassing van het gemeenschapsrecht strekt zich inderdaad niet uit tot zuiver interne situaties, waarbij er slechts een aanknoping is met één EU-lidstaat en een derde staat (zie ook Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, arrest nr. 2.023 dd. 27.09.2007; R.v.V. nr. 2.023 dd. 27.09.2007). Ook art. 3.1 van de Richtlijn 2004/38/EG stipuleert dat: "Deze richtlijn van toepassing is ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen." In casu dient dan ook te worden vastgesteld dat er geen intracommunautair aspect aanwezig is, zodat verzoekster zich niet dienstig kan beroepen op de door haar aangehaalde Europese wetgeving. Verzoekster kan bezwaarlijk ernstig voorhouden dat het gegeven dat het Europese gemeenschapsrecht de toepassingsvoorwaarde stelt van de aanwezigheid van een intracommunautair aspect, discriminerend is. Ook de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kwam in het bestreden arrest dd. 10.1.2008 tot hetzelfde besluit : "In een vijfde middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 15.1 en 31 3 van de richtlijn 2004/38/EG. Zoals uit de bespreking van het eerste middel blijkt kan verzoekster zich niet dienstig beroepen op de richtlijn 2004/38/EG daar zij' niet onder het toepassingsgebied van de richtlijn valt." Gezien verzoekster zich niet kan beroepen op voormelde Richtlijn, kan er dan ook geen aanleiding zijn tot het stellen van de prejudiciële vraag. Geheel ten overvloede, en slechts in zoverre de Raad een andere mening zou zijn toegedaan, laat de verwerende partij nog gelden dat het haar niet duidelijk is hoe verzoeksters beschouwingen de eventuele cassatie van het in casu bestreden arrest zouden kunnen verantwoorden, en verder, wat het belang van de verzoekende partij is bij de door haar geuite kritiek. XIV-30.182-13/16 Immers dient te worden vastgesteld dat de omzetting van art. 31 van de richtlijn is geschied bij wet dd. 15.9.2006, in werking getreden op 1.6.2007, zodat verzoekster zich niet op de directe werking van dit artikel kan beroepen. Uit de memorie van toelichting bij deze wet van 15 september 2006 blijkt immers dat "In werkelijkheid leiden de afschaffing van het verzoek tot herziening en de invoering van artikel 39/79 in de wet door het wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot inrichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (gebaseerd op artikel 77 van de Grondwet) tot de feitelijke omzetting van de artikelen 15 en 31 van de voornoemde richtlijn 2004/38/EG in het Belgische recht. Het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (...) inderdaad een jurisdictioneel beroep (
- is)dat automatisch schorsend is voor wat betreft de beslissingen genomen ten aanzien van burgers van de Unie en hun gezinsleden, en dat het mogelijk maakt om de wettigheid van het besluit, alsmede de feiten en omstandigheden die de maatregel rechtvaardigen en het evenredig karakter van deze maatregel te onderzoeken, overeenkomstig artikel 31, §¢ 1 tot 3 van de richtlijn 2004/38/EG. (Pari. St., Kamer 2005-2006, nr. 2487/001, 78)." De bovenvermelde wet van 15 september 2006 is op 1 juni 2007 in werking getreden, zodat de omzetting van de artikelen 15 en 31, 3/ van de richtlijn 2004/38 EG is geschied en de verzoekende partij zich wat deze artikelen betreft niet langer 'op de directe werking van de richtlijn kan beroepen. Daargelaten de vraag naar de ontvankelijkheid van het middel, gelet op het ontbreken van de directe werking van de artikelen 15 en 31, 3/ van de Richtlijn 2004/38 EG en het gebrek aan vermelding van de Belgische wettelijke bepalingen terzake, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat de afdeling wetgeving bij de Raad van State reeds heeft gesteld dat het rechterlijk beroep dat kan worden ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen prima facie beantwoordt aan de vereisten van daadwerkelijke rechtshulp in de zin van artikel 13 van het EVRM (Pari. St., Kamer, 2005-2006, nr. 2479/001, 323). De verzoekende partij brengt geen gegeven aan om dit standpunt te weerleggen. Haar stelling, die erop neerkomt dat de Raad de feiten en de omstandigheden die de voorgenomen maatregel rechtvaardigen niet in ogenschouw zou mogen nemen, kan dan ook niet worden gevolgd (zie o.m. R.v.V. nr. 5.325 dd. 20.12.2007; R.v.V. nr. 4.421 dd. 03.12.2007) Verzoeksters vage beschouwingen kunnen aan het voorgaande geen afbreuk doen. Het vierde en laatste middel van verzoekster kan niet worden aangenomen.”; 2.4.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.4.4. Overwegende dat bij de behandeling van het derde middel reeds is vastgesteld dat de verzoekende partij met de in het geding zijnde aanvraag tot vestiging niet onder de toepassing van Richtlijn 2004/38 valt; dat het tweede middel in die mate niet- ontvankelijk is en dat alleen al om die reden geen prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen moet worden gesteld; Overwegende, ten overvloede, dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 het volgende heeft geoordeeld: “B.16.3. In de aangelegenheden bedoeld in artikel 39/2, § 2, oefent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een jurisdictionele toetsing uit, zowel aan de wet als aan de algemene rechtsbeginselen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat daarbij na of de aan zijn toezicht voorgelegde overheidsbeslissing de vereiste feitelijke grondslag heeft, of die beslissing uitgaat van correcte juridische kwalificaties en of de maatregel niet kennelijk XIV-30.182-14/16 onevenredig is met de vastgestelde feiten. Wanneer hij die beslissing vernietigt, dient de overheid zich te schikken naar het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: indien de overheid een nieuwe beslissing neemt, mag zij de motieven van het arrest dat de eerste beslissing heeft vernietigd, niet negeren; indien zij in de vernietiging berust, wordt de aangevochten akte verondersteld nooit te hebben bestaan (vergelijk: EHRM, 7 november 2000, Kingsley t. Verenigd Koninkrijk, § 58). Bovendien kan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in de omstandigheden bedoeld in artikel 39/82, de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing bevelen, in voorkomend geval door uitspraak te doen bij dringende noodzakelijkheid. De Raad kan tevens, in de omstandigheden bedoeld in artikel 39/84 van dezelfde wet, voorlopige maatregelen bevelen. De rechtzoekenden beschikken derhalve over een daadwerkelijke jurisdictionele waarborg, voor een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege, tegen de administratieve beslissingen die op hen betrekking hebben. (...) B.37.1. In het vijfde middel in de zaak nr. 4192 bekritiseren de verzoekende partijen artikel 39/2, § 2, doordat die bepaling, ten aanzien van de burgers van de Europese Unie, niet in de jurisdictionele waarborgen zou voorzien die uit de in het middel aangehaalde bepalingen zouden voortvloeien. B.37.2. De verzoekende partijen voeren een schending aan van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met de artikelen 15, 28 en 31 van de Richtlijn 2004/38:EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 ‘betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG’. B.37.3. In B.16.3. is vastgesteld dat de omstandigheid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet met volle rechtsmacht, maar als annulatierechter uitspraak doet, wanneer hij op grond van paragraaf 2 van artikel 39/2 optreedt, de rechtzoekenden in die procedure niet van een daadwerkelijk rechtsmiddel berooft. Uit de in het middel aangehaalde bepalingen van de richtlijn 2004/38/EG blijkt niet dat daarin in meer jurisdictionele waarborgen wordt voorzien dan die waarin paragraaf 2 van artikel 39/2 voorziet.”; Overwegende dat het Grondwettelijk Hof er in dat arrest op wijst dat de omstandigheid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet met volle rechtsmacht maar als annulatierechter uitspraak doet wanneer hij op grond van artikel 39/2, § 2, van de Vreemdelingenwet optreedt, de rechtzoekende in die procedure niet van een daadwerkelijk rechtsmiddel berooft; dat het Hof vaststelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nagaat of de aan zijn toezicht voorgelegde overheidsbeslissing de vereiste feitelijke grondslag heeft, of die beslissing op een correcte juridische kwalificatie is gesteund en of zij niet kennelijk onredelijk is in verhouding tot de vastgestelde feiten; dat, ten overvloede, het Hof ook overweegt dat uit de artikelen 15, 28 en 31 van Richtlijn 2004/38 niet blijkt dat daarin méér jurisdictionele waarborgen zijn voorzien dan deze waarin artikel 39/2, § 2, van de Vreemdelingenwet voorziet en dat deze laatste bepaling niet tot gevolg heeft dat de rechten van de betrokken personen op onevenredige wijze worden beperkt; dat het Grondwettelijk Hof aldus heeft geoordeeld dat het annulatieberoep voldoet aan de vereiste van een daadwerkelijk rechtsmiddel en, ten overvloede, tegemoet komt aan de bepalingen van artikel 31.3 van Richtlijn 2004/38, XIV-30.182-15/16 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien september tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.182-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.183 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div