id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.184 Rolnummer: A. 187698/XIV-30209 Zaak: Arrest 196184 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-01 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:34 Fiche Arrest nr 196.184 van 18 september 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.184 van 18 september 2009 in de zaak A. 187.698/XIV-30.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat Z. OTHMAN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, toegevoegd aan de Minister belast met Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 31 maart 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 7913 van 27 februari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2546 van 10 april 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 11 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.209-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. HOLAIL, die loco advocaat Z. OTHMAN verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat A. DE MEU, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat op 17 oktober 2007 aan de verzoekende partij een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten van de minister van Binnenlandse Zaken ter kennis wordt gebracht; Overwegende dat de verzoekende partij op 19 november 2007 tegen die beslissing een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 27 februari 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van de artikelen 2, 3, 13, 15, 30 en 31 van de Richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, (hierna Richtlijn 2004/38) “in combinatie met gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in art. 10, 11 en 24 van de Grondwet”, van artikel 40 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, (Vreemdelingenwet) van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van “het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten en art. 6 van het EU Verdrag” opwerpt; dat zij aanvoert dat niet aan de in artikel 62 van de Vreemdelingenwet en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde motiveringsplicht is voldaan, dat artikel 35 van Richtlijn 2004/38 bepaalt op welke wijze lidstaten moeten omgaan met fraude en misbruik in het kader van gezinshereniging, dat aan de in de artikelen 30 en 31 voorziene procedurele XIV-30.209-2/6 waarborgen moet worden voldaan, dat de bestreden beslissing niet is genomen met inachtneming van die waarborgen, dat die richtlijn sedert 1 mei 2006 directe werking in het Belgische recht heeft omdat de Belgische staat heeft nagelaten ze in het nationale recht om te zetten, dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet beantwoordt aan de voorwaarden van het voornoemde artikel 31 omdat enkel over de wettigheid en niet over de feiten wordt geoordeeld, dat de niet-toepassing van die waarborgen een schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt vermits er geen reden bestaat om andere EU-burgers een gunstiger verblijfsregime toe te staan dan de eigen Belgische onderdanen, dat dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof moet worden gesteld, dat de algemene rechtsbeginselen, waartoe de grondrechten behoren, deel uitmaken van het gemeenschapsrecht, dat er geen lijst van die grondrechten bestaat maar dat zij in ieder geval rechtstreekse werking hebben en dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie er een samenvatting van vormt, dat de preambule van het Handvest daar geen twijfel over laat bestaan, dat de rechten van verdediging een grondrecht vormen dat gegarandeerd wordt door het EU-verdrag en dat derhalve artikel 6 van het EU-verdrag wordt geschonden, dat artikel 28 van Richtlijn 2004/38 een bescherming tegen verwijdering voorziet, dat in casu geen rekening is gehouden met de in die bepaling voorziene elementen, dat artikel 13 van dezelfde richtlijn een behoud van het verblijfsrecht van familieleden voorziet, dat de verzoekende partij op grond daarvan een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven en dat haar aldus geen bevel om het grondgebied te verlaten kan worden betekend; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord in essentie stelt dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, dat Richtlijn 2004/38 niet van toepassing is omdat de aanvraag tot vestiging als Marokkaans onderdaan en echtgenoot van een Belgische vrouw enkel op de Belgische wetgeving is gesteund, zonder enig intracommunautair aspect, dat het gemeenschapsrecht niet van toepassing is op zuiver interne situaties waarbij er slechts een aanknoping is met één EU-lidstaat en een derde staat, dat artikel 3.
- van die Richtlijn ook bepaalt dat zij van toepassing is op “iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit” en dat, ten overvloede, de omzetting van de Richtlijn door de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is geschied, dat de rechten van verdediging niet van toepassing zijn op administratieve beslissingen die in het kader van de Vreemdelingenwet zijn genomen, dat de huidige zaak evenmin binnen het toepassingsgebied van het E.V.R.M. valt, dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geen directe werking heeft, dat de verzoekende partij zich als Marokkaans onderdaan evenmin op XIV-30.209-3/6 artikel 13 en 28 van Richtlijn 2004/38 kan beroepen, dat het bestreden arrest wat betreft de verwijdering van de verzoekende partij alleszins uitvoerig is gemotiveerd, dat de zeer summiere beschouwingen van de verzoekende partij geen afbreuk aan die motieven kunnen doen en dat de verzoekende partij in de toelichting van het middel niet uiteenzet op welke wijze artikel 40 van de Vreemdelingenwet zou zijn geschonden; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.
- Overwegende dat artikel 3.
- van Richtlijn 2004/38 bepaalt dat die richtlijn van toepassing is “ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen”; dat in artikel 2.
- van de voornoemde richtlijn als familielid worden gedefinieerd: “a) de echtgenoot; b) de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan; c) de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn; d) de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), die te hunnen laste zijn.”; Overwegende dat de verzoekende partij als Marokkaan niet de nationaliteit van een EU-lidstaat heeft en als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/38 valt; dat zij geen ander aanknopingspunt met Richtlijn 2004/38 aannemelijk maakt, dit los van de vraag naar de directe werking ervan sedert de omzetting van de richtlijn in het Belgische recht; dat de verzoekende partij zich alleen al om die reden niet op Richtlijn 2004/38 kan beroepen; dat het enige middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als dusdanig geen bindende kracht in het Belgische recht heeft; dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op geschillende betreffende toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat, ten overvloede, het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 heeft geoordeeld dat de rechtzoekende, wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zoals in casu op grond van artikel 39/2, § 2, van de Vreemdelingenwet als annulatierechter uitspraak doet, niet van XIV-30.209-4/6 een daadwerkelijk rechtsmiddel is beroofd en dat uit de artikelen 15, 28 en 31 van Richtlijn 2004/38 niet blijkt dat daarin meer jurisdictionele waarborgen zijn voorzien dan in artikel 39/2, § 2, van de Vreemdelingenwet; dat het enige middel in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij op zeer algemene wijze stelt dat in casu geenszins aan de motiveringsplicht is voldaan; dat zij dit niet op het bestreden arrest betrekt, behalve met de hierboven reeds verworpen kritiek en los van de vaststelling dat noch artikel 62 van de Vreemdelingenwet noch artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van toepassing zijn op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest; dat het enige middel in die mate niet- ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij geen Belgisch onderdaan en evenmin een begunstigde van Richtlijn 2004/38 is; dat een onderzoek naar een eventuele ongelijke behandeling van Belgische onderdanen in vergelijking met andere EU-burgers dan ook niet dienstig is voor de oplossing van de huidige zaak; dat om dezelfde reden niet op het verzoek om dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen moet worden ingegaan; dat het enige middel ook in die mate niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.209-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien september tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.209-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.