← België

Arrest 196204 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 21/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.204 Rolnummer: A. 117895/IX-3258 Zaak: Arrest 196204 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 21/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-02 Raadplegingen: 233 - laatst gezien 2026-07-02 09:55 Fiche Arrest nr 196.204 van 21 september 2009 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.204 van 21 september 2009 in de zaak A. 117.895/IX-

  1. In zake : Michel CASTELEYN, die woonplaats kiest bij, advocaat C. FLAMEND, kantoor houdende te MEISE, Vilvoordsesteenweg 101 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. ------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Michel CASTELEYN op 8 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de beroepscommissie waarbij hem de toekenning werd geweigerd van de informaticatoelage [...] hem ter kennis gebracht bij brief van 7 januari 2002 uitgaande van de Generale Staf van de Krijgsmacht (nr. JSP-A/C/PROM/S- 000736)”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 5 juni 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 29 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-3258-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat V. BECKERS die, loco advocaat C. FLAMEND, verschijnt voor de verzoeker, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  2. De verzoeker is aanvullingsofficier bij de Krijgsmacht. Hij heeft de graad van onderluitenant. 1.
  3. Op 4 april 2000 dient de verzoeker, met verwijzing naar het reglement IF 190 van de Generale Staf van de Krijgsmacht met betrekking tot de toekenning van een informaticatoelage voor militairen belast met informaticataken, een aanvraag in tot het verkrijgen van een informaticatoelage voor de perioden van 1 september 1998 tot 31 december 1998 en van 1 januari 1999 tot 31 december
  4. 1.
  5. Op 10 oktober 2000 neemt de verzoeker kennis van de beslissing waarbij de aanvaardingscommissie zijn aanvraag verwerpt. 1.
  6. Op 20 oktober 2000 stelt de verzoeker tegen die beslissing een beroep in bij de beroepscommissie. 1.
  7. Met een nota van 17 april 2001 wordt de verzoeker in kennis gesteld van de beslissing van de beroepscommissie waarbij hem de toekenning van de aangevraagde informaticatoelage eveneens wordt geweigerd. 1.
  8. Op 21 juni 2001 dient de verzoeker bij de Raad van State een beroep in tot nietigverklaring van die weigeringsbeslissing (zaak A. 106.270/IX-2912). IX-3258-2/7 1.
  9. Op 5 september 2001 trekt de beroepscommissie haar beslissing in. Vermits het voorwerp van het voormelde beroep tot nietigverklaring aldus is teloorgegaan, verwerpt de Raad van State dat beroep bij arrest nr. 108.343 van 24 juni
  10. 1.
  11. Na het dossier van de verzoeker opnieuw te hebben onderzocht, stelt de beroepscommissie aan de Chef van de Generale Staf voor om de aangevraagde informaticatoelage op grond van de volgende elementen niet aan de verzoeker toe te kennen: “De uitbating van commerciële software beschikbaar op de markt (Adobe premiere) voor de ontwikkeling van cursussen in het kader van het computergestuurd onderwijs (COO) wordt niet in overweging genomen voor de toekenning van de informaticapremie in Ref 2, Art 1.” 1.
  12. Op 19 december 2001 beslist de chef van de Generale Staf met het voorstel van de beroepscommissie akkoord te gaan. Dit is de bestreden beslissing. Ze wordt met een op 7 januari 2002 gedateerde nota aan de verzoeker ter kennis gebracht. Bevoegdheid van de Raad van State 2.
  13. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij betoogt dat de verzoeker met het voorliggende beroep tot nietigverklaring de erkenning van een subjectief recht nastreeft, vermits het bestuur bij het onderzoek van de aanvraag, op grond van de toepasselijke reglementering, slechts mag nagaan of de aanvrager voldoet aan de objectief vastgestelde reglementaire voorwaarden, zonder daarbij een appreciatiebevoegdheid uit te oefenen. IX-3258-3/7 2.
  14. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat de Raad van State wel degelijk bevoegd is en dat verschillende elementen dit bevestigen. Hij wijst er vooreerst op dat de bestreden beslissing zelf uitdrukkelijk de mogelijkheid van een beroep bij de Raad van State vermeldt. Voorts stelt de verzoeker dat het wettelijke en reglementaire kader ruimte laat aan de overheid om een beslissing te nemen. Hij betoogt dat het wettelijke kader niet erg gedetailleerd is. Zo handelt artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 2 juni 2000 houdende toekenning van een toelage aan militairen belast met informaticataken slechts op een algemene wijze over een premie die aan militairen “belast met informaticataken” wordt toegekend. Ook het feit dat, overeenkomstig artikel 3 van het ministerieel besluit van 6 juni 2000 dat ter uitvoering van het voornoemde koninklijk besluit werd genomen, advies dient te worden gevraagd aan de korpschef van de betrokken militair, toont volgens de verzoeker duidelijk aan dat het niet zomaar over een gebonden bevoegdheid gaat. Een gebonden bevoegdheid zou impliceren dat het advies verplicht dient te worden gevolgd, hetgeen te dezen evenwel manifest niet het geval is. De bestreden beslissing gaat immers diametraal in tegen het advies van de korpschef dat stelt dat de verzoeker 80% van zijn tijd aan informaticataken besteedt. 2.
  15. De auditeur-verslaggever valt in zijn verslag de exceptie van de verwerende partij bij. Hij stelt dat het beroep als werkelijk voorwerp een geschil omtrent een subjectief recht heeft en dat, krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, de hoven en rechtbanken bevoegd zijn om van een dergelijk geschil kennis te nemen, hetgeen de bevoegdheid van de Raad van State uitsluit. 2.
  16. In zijn laatste memorie betwist de verzoeker deze zienswijze. Hij stelt dat de informaticataken bepaald door artikel 1 van het ministerieel besluit van 6 juni 2000, niet het voorwerp kunnen uitmaken van een eenvoudige vergelijking met de concrete toestand van de betrokken militair om te beslissen of deze al dan niet gerechtigd is op de informaticatoelage. Dit wordt, aldus de verzoeker, bewezen door artikel 3 van datzelfde ministerieel besluit, dat bepaalt dat de Chef van de Generale Staf of de door hem aangewezen militaire overheid slechts kan beslissen IX-3258-4/7 of de voorwaarden vervuld zijn, na het advies te hebben ingewonnen van de korpscommandant van de betrokken militair. Aangezien aldus blijkt dat de verwerende partij over een discretionaire bevoegdheid beschikt, besluit de verzoeker dat de Raad van State wel degelijk bevoegd is om over zijn beroep te oordelen. De verzoeker wijst er ten slotte nog op dat een aantal Franstalige militairen een soortgelijk verzoekschrift hebben ingediend en dat de auditeur in die zaken wel degelijk besluit tot de bevoegdheid van de Raad van State. 2.5.
  17. In een vergelijkbare zaak (A. 117.529), waarin de verwerende partij een identieke exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State opwierp, heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij arrest nr. 192.199 van 2 april 2009 op grond van de volgende overwegingen geoordeeld dat de exceptie van onbevoegdheid niet gegrond is: “
  18. Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een -te dezen niet bestaande- toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep strekt tot de erkenning van een subjectief recht. Luidens de arresten nrs. C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 en C.06.0596.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 van 20 december 2007 van het Hof van Cassatie veronderstelt het bestaan van een geschil over een subjectief recht dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft. Opdat een partij zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een dergelijk recht zou kunnen beroepen, dient de bevoegdheid van die overheid gebonden te zijn.
  19. Het voorliggende beroep tot nietigverklaring is gericht tegen een beslissing waarbij aan de verzoeker de informaticatoelage, ingesteld bij het koninklijk besluit van 2 juni 2000, wordt geweigerd. Dit koninklijk besluit en de reglementaire teksten die er de uitvoering van vormen, namelijk het ministerieel besluit van 6 juni 2000 en het reglement IF 190 van de Generale Staf van de Krijgsmacht, voorzien in de toekenning van een informaticatoelage aan de militair die de gestelde voorwaarden vervult. Eén van die voorwaarden heeft betrekking op de vaststelling van het uiteindelijke bedrag van de toelage. Artikel 2, § 6, van het koninklijk besluit van 2 juni 2000 bepaalt immers: ‘De helft van de in §§ 1 tot 4 vastgestelde bedragen wordt toegekend aan de militair. De tweede helft wordt toegekend na beslissing van de Chef van de Generale Staf, op basis van de verhouding waarin de betrokken militair heeft bijgedragen in de informaticataken zoals omschreven in artikel 1, § 1, en nadat IX-3258-5/7 hij kennis heeft genomen van een rapport over de activiteiten uitgevoerd door de betrokken militair en na advies van de betrokken korpscommandant. De Minister van Landsverdediging bepaalt de uiterste datum waarop dit rapport door de militair moet worden toegestuurd.’ De paragrafen 401, d, en 402, b, van het reglement IF 190 van de Generale Staf van de Krijgsmacht verduidelijken de adviesbevoegdheid die door de korpscommandant te dezen wordt uitgeoefend: ‘Aan [hem] wordt gevraagd [...]

(3)een appreciatie te geven van de mate waarin betrokkene persoonlijk bijgedragen heeft tot het vervullen van zijn opdracht. Indien de Korpscommandant van oordeel is dat ten gevolge van zijn persoonlijke bijdrage de aanvrager geen recht heeft op het volledige deel van de tweede helft van de toelage dan zal hij: (
  1. a)een % voorstellen dat hem in functie van de geleverde bijdrage billijk lijkt; (
  2. b)hiervoor een omstandige motivatie geven. Het te gebruiken document is dit in Bijlage B aan dit reglement.’ 17. Overeenkomstig de aangehaalde reglementaire bepalingen is de toekenning van de tweede helft van de toelage, waarop de aanvrager, die 80% van zijn werktijd aan informaticataken besteedt, recht heeft, afhankelijk van een beslissing van de Chef van de Generale Staf over het persoonlijke aandeel van de aanvrager in de informaticataken waarop hij zich beroept. Een dergelijke beslissing kan niet worden genomen op grond van een toetsing van de ingediende aanvraag aan precieze reglementaire voorwaarden, maar vergt een concrete beoordeling en appreciatie van de kwaliteit van de prestaties van de aanvrager. Ze wordt dan ook niet genomen in de uitoefening van een gebonden bevoegdheid, maar is wezenlijk discretionair. 18. Overigens laat de verzoeker in geen enkel van de zeven door hem aangevoerde middelen gelden dat de verwerende partij op grond van een gebonden bevoegdheid ertoe gehouden is hem een informaticatoelage toe te kennen en dat hij een subjectief recht heeft op een dergelijke toelage. [...] 19. Aangezien het uiteindelijke bedrag van de informaticatoelage niet volledig door de reglementering zelf wordt bepaald en afhangt van een discretionaire beslissing van het bestuur, is de Raad van State bevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen een beslissing waarbij het bestuur vaststelt dat één of meer voorwaarden voor de toekenning van de toelage niet zijn vervuld.” Het arrest nr. 192.198 van 2 april 2009 van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak luidt in dezelfde zin. 2.5.2. Er is geen reden om in de voorliggende zaak anders te oordelen. Om de redenen zoals uiteengezet in de voormelde arresten moet derhalve worden besloten dat de Raad van State bevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen de bestreden beslissing. IX-3258-6/7 2.5.3. De exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State wordt verworpen. Het auditoraatsverslag is beperkt tot een onderzoek van de bevoegdheid van de Raad van State. Bijgevolg is er grond om een aanvullend onderzoek te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 september 2009, door : de HH. B. THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-3258-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.204 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.213 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.