← België

Arrest 196209 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 21/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.209 Rolnummer: A. 131729/IX-3660 Zaak: Arrest 196209 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 21/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-02 Raadplegingen: 254 - laatst gezien 2026-07-01 22:46 Fiche Arrest nr 196.209 van 21 september 2009 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.209 van 21 september 2009 in de zaak A. 131.729/IX-

  1. In zake : Mario ENDERLIN, wonende te DION-BEAURAING, Avenue Belle-Vue 50 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Mario ENDERLIN op 13 januari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Defensiechef (nota HRE 02-074111 van 13 november 2002 [...]) waarbij hem de toekenning van een informaticatoelage wordt geweigerd”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 4 juni 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 29 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRÉ, die verschijnt voor de verzoeker, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur G. DE BLEECKERE; IX-3660-1/6 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  2. De verzoeker is beroepsonderofficier bij de Krijgsmacht. Hij heeft de graad van adjudant. 1.
  3. Op 22 januari 2002 dient de verzoeker, met verwijzing naar het reglement IF 190 van de Generale Staf van de Krijgsmacht met betrekking tot de toekenning van een informaticatoelage voor militairen belast met informaticataken, een aanvraag in tot het verkrijgen van een informaticatoelage voor de perioden van 1 januari 2000 tot 31 december 2000 en van 1 januari 2001 tot 31 december
  4. 1.
  5. Op 23 juli 2002 neemt de verzoeker kennis van de beslissing van de Chef Defensie, genomen op voorstel van de aanvaardingscommissie, om de informaticatoelage niet toe te kennen. 1.
  6. Op 6 september 2002 stelt de verzoeker tegen die beslissing een beroep in bij de beroepscommissie. 1.
  7. Na het dossier van de verzoeker te hebben onderzocht, stelt de beroepscommissie aan de Chef Defensie voor om de aangevraagde informaticatoelage op grond van de volgende elementen niet aan de verzoeker toe te kennen: “Het gebruik van bestaande softwares (ILIAS,...) en van bureauticapaketten wordt niet in aanmerking genomen voor de toekenning van de toelage voor informaticataken. De opgesomde activiteiten kaderen slechts gedeeltelijk in de voorziene voorwaarden in Par 204, [hij] besteedt bijgevolg minder dan 80% van [zijn] werkduur aan de voorziene informaticataken.” 1.
  8. Op 7 november 2002 beslist de Chef Defensie met het voorstel van de beroepscommissie akkoord te gaan. Dit is de bestreden beslissing. IX-3660-2/6 Ze wordt met een op 13 november 2002 gedateerde nota aan de verzoeker ter kennis gebracht. Bevoegdheid van de Raad van State 2.
  9. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij betoogt dat de verzoeker met het voorliggende beroep tot nietigverklaring de erkenning van een subjectief recht nastreeft, vermits het bestuur bij het onderzoek van de aanvraag, op grond van de toepasselijke reglementering, slechts mag nagaan of de aanvrager voldoet aan de objectief vastgestelde reglementaire voorwaarden, zonder daarbij een appreciatiebevoegdheid uit te oefenen. 2.
  10. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat het koninklijk besluit van 2 juni 2000 houdende toekenning van een toelage aan militairen belast met informaticataken, geen objectieve criteria vaststelt die bepalen of een recht op een informaticatoelage bestaat. De Chef Defensie moet integendeel beslissen wie op de lijst komt van militairen die belast zijn met informaticataken. Hij doet dat op basis van een appreciatie van de uitgeoefende taken en een beoordeling van de werktijd die aan die taken wordt besteed. De Chef Defensie beschikt dus wel degelijk over een discretionaire appreciatiebevoegdheid. Indien dit niet zo was, dan was er geen nood geweest aan een aanvaardings- of beroepscommissie. 2.
  11. De auditeur-verslaggever valt in zijn verslag de exceptie van de verwerende partij bij. Hij stelt dat het beroep als werkelijk voorwerp een geschil omtrent een subjectief recht heeft en dat, krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, de hoven en rechtbanken bevoegd zijn om van een dergelijk geschil kennis te nemen, hetgeen de bevoegdheid van de Raad van State uitsluit. 2.
  12. In zijn laatste memorie onderstreept de verzoeker dat de aanvaardingscommissie en de beroepscommissie soeverein appreciëren of de taken die de aanvrager van de informaticatoelage in zijn aanvraag heeft vermeld, IX-3660-3/6 informaticataken zijn als bedoeld in artikel 1, § 1, van het ministerieel besluit van 6 juni 2000 tot uitvoering van het voornoemde koninklijk besluit van 2 juni 2000, en evenzeer discretionair beoordelen of de door de aanvrager uitgeoefende functies behoren tot de sectie van een staf of korps bevoegd voor informatica. De verzoeker wijst er voorts op dat, indien het bestuur in dezen een gebonden bevoegdheid zou hebben, de vraag rijst waarom de korpscommandant dan moet bevestigen dat de betrokken militair informaticataken uitoefende en de aanvaardingscommissie en de beroepscommissie het attest van de korpscommandant terzijde kunnen schuiven. 2.5.
  13. In een vergelijkbare zaak (A. 117.529), waarin de verwerende partij een identieke exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State opwierp, heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij arrest nr. 192.199 van 2 april 2009 op grond van de volgende overwegingen geoordeeld dat de exceptie van onbevoegdheid niet gegrond is: “
  14. Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een -te dezen niet bestaande- toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep strekt tot de erkenning van een subjectief recht. Luidens de arresten nrs. C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 en C.06.0596.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 van 20 december 2007 van het Hof van Cassatie veronderstelt het bestaan van een geschil over een subjectief recht dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft. Opdat een partij zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een dergelijk recht zou kunnen beroepen, dient de bevoegdheid van die overheid gebonden te zijn.
  15. Het voorliggende beroep tot nietigverklaring is gericht tegen een beslissing waarbij aan de verzoeker de informaticatoelage, ingesteld bij het koninklijk besluit van 2 juni 2000, wordt geweigerd. Dit koninklijk besluit en de reglementaire teksten die er de uitvoering van vormen, namelijk het ministerieel besluit van 6 juni 2000 en het reglement IF 190 van de Generale Staf van de Krijgsmacht, voorzien in de toekenning van een informaticatoelage aan de militair die de gestelde voorwaarden vervult. Eén van die voorwaarden heeft betrekking op de vaststelling van het uiteindelijke bedrag van de toelage. Artikel 2, § 6, van het koninklijk besluit van 2 juni 2000 bepaalt immers: ‘De helft van de in §§ 1 tot 4 vastgestelde bedragen wordt toegekend aan de militair. De tweede helft wordt toegekend na beslissing van de Chef van de Generale Staf, op basis van de verhouding waarin de betrokken militair heeft bijgedragen in de informaticataken zoals omschreven in artikel 1, § 1, en nadat IX-3660-4/6 hij kennis heeft genomen van een rapport over de activiteiten uitgevoerd door de betrokken militair en na advies van de betrokken korpscommandant. De Minister van Landsverdediging bepaalt de uiterste datum waarop dit rapport door de militair moet worden toegestuurd.’ De paragrafen 401, d, en 402, b, van het reglement IF 190 van de Generale Staf van de Krijgsmacht verduidelijken de adviesbevoegdheid die door de korpscommandant te dezen wordt uitgeoefend: ‘Aan [hem] wordt gevraagd [...]

(3)een appreciatie te geven van de mate waarin betrokkene persoonlijk bijgedragen heeft tot het vervullen van zijn opdracht. Indien de Korpscommandant van oordeel is dat ten gevolge van zijn persoonlijke bijdrage de aanvrager geen recht heeft op het volledige deel van de tweede helft van de toelage dan zal hij: (
  1. a)een % voorstellen dat hem in functie van de geleverde bijdrage billijk lijkt; (
  2. b)hiervoor een omstandige motivatie geven. Het te gebruiken document is dit in Bijlage B aan dit reglement.’ 17. Overeenkomstig de aangehaalde reglementaire bepalingen is de toekenning van de tweede helft van de toelage, waarop de aanvrager, die 80% van zijn werktijd aan informaticataken besteedt, recht heeft, afhankelijk van een beslissing van de Chef van de Generale Staf over het persoonlijke aandeel van de aanvrager in de informaticataken waarop hij zich beroept. Een dergelijke beslissing kan niet worden genomen op grond van een toetsing van de ingediende aanvraag aan precieze reglementaire voorwaarden, maar vergt een concrete beoordeling en appreciatie van de kwaliteit van de prestaties van de aanvrager. Ze wordt dan ook niet genomen in de uitoefening van een gebonden bevoegdheid, maar is wezenlijk discretionair. 18. Overigens laat de verzoeker in geen enkel van de zeven door hem aangevoerde middelen gelden dat de verwerende partij op grond van een gebonden bevoegdheid ertoe gehouden is hem een informaticatoelage toe te kennen en dat hij een subjectief recht heeft op een dergelijke toelage. [...] 19. Aangezien het uiteindelijke bedrag van de informaticatoelage niet volledig door de reglementering zelf wordt bepaald en afhangt van een discretionaire beslissing van het bestuur, is de Raad van State bevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen een beslissing waarbij het bestuur vaststelt dat één of meer voorwaarden voor de toekenning van de toelage niet zijn vervuld.” Het arrest nr. 192.198 van 2 april 2009 van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak luidt in dezelfde zin. 2.5.2. Er is geen reden om in de voorliggende zaak anders te oordelen. Om de redenen zoals uiteengezet in de voormelde arresten moet derhalve worden besloten dat de Raad van State bevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen de bestreden beslissing. IX-3660-5/6 2.5.3. De exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State wordt verworpen. Het auditoraatsverslag is beperkt tot een onderzoek van de bevoegdheid van de Raad van State. Bijgevolg is er grond om een aanvullend onderzoek te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 september 2009 door : de HH. B. THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-3660-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.209 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.217 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.