← België

Arrest 196211 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 21/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.211 Rolnummer: Zaak: Arrest 196211 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 21/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-02 Raadplegingen: 218 - laatst gezien 2026-07-02 15:52 Fiche Arrest nr 196.211 van 21 september 2009 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Samenvoeging Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.211 van 21 september 2009 in de zaken A. 141.625/IX-3924 A. 143.541/IX-3976 A. 151.880/IX-

  1. In zake : Patrick VERGOOSEN, die woonplaats kiest bij, advocaat K. GOVAERTS, kantoor houdende te SINT-TRUIDEN, Beekstraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Patrick VERGOOSEN op 12 september 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de beroepscommissie voor informaticatoelage bij de Krijgsmacht [...] van 10 juli 2003, waarbij de informaticapremie voor militairen belast met informaticataken aan verzoeker niet werd toegekend” (zaak A.141.625/IX-3924); Gezien het verzoekschrift dat Patrick VERGOOSEN op 4 november 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de beroepscommissie voor informaticatoelage bij de Krijgsmacht [...] van 20 augustus 2003, waarbij de informaticapremie voor militairen belast met informaticataken aan verzoeker niet werd toegekend” (zaak A.143.541/IX-3976); Gezien het verzoekschrift dat Patrick VERGOOSEN op 18 mei 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de beroepscommissie voor informaticatoelage bij de Krijgsmacht [...] van 22 maart 2004, waarbij de informaticapremie voor militairen belast met informaticataken aan verzoeker niet werd toegekend” (zaak A. 151.880/IX-4529); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; IX-3924-1/10 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de verzoeker; Gelet op de beschikkingen van 5 juni 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 29 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. GOVAERTS, die verschijnt voor de verzoeker, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE in de zaken 141.625/IX-3924 en 143.541/IX-3976 en gehoord zijn advies in de zaak 151.880/IX-4529; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  2. De verzoeker is beroepsonderofficier bij de Krijgsmacht. Hij heeft de graad van adjudant. 1.
  3. Op een onbekende datum dient de verzoeker een aanvraag in tot het verkrijgen van een informaticatoelage voor de periode van 1 september 1998 tot 31 december
  4. 1.
  5. Op 4 juli 2002 krijgt de verzoeker, na erop gewezen te hebben dat hij nooit werd ingelicht over een terzake genomen beslissing, kennis van de beslissing van 13 april 2001 van de beroepscommissie om hem de informaticatoelage niet toe te kennen. IX-3924-2/10 1.
  6. Op 9 september 2002 dient de verzoeker bij de Raad van State een beroep in tot nietigverklaring van die weigeringsbeslissing (zaak A. 126.536/IX-3485). 1.
  7. Met een nota van 20 december 2002 wordt de verzoeker in kennis gesteld van de beslissing van de beroepscommissie om “haar beslissing volgens dewelke zij de informaticatoelage [...] niet toegekend heeft [te vernietigen]” Vermits het voorwerp van het voormelde beroep tot nietigverklaring aldus is teloorgegaan, verwerpt de Raad van State dat beroep bij arrest nr. 123.576 van 29 september
  8. 1.
  9. Na het dossier van de verzoeker opnieuw te hebben onderzocht, stelt de beroepscommissie aan de Chef Defensie voor om de aangevraagde informaticatoelage op grond van de volgende elementen niet aan de verzoeker toe te kennen: “- De opgegeven taken stemmen niet overeen met deze hernomen in Par 204.b, en het louter gebruik van software die de beroepsactiviteiten ondersteunen is onvoldoende (Par 205.a). - De uitbating van commerciële software beschikbaar op de markt (Authorware,...) voor de ontwikkeling van cursussen in het kader van computerondersteund onderwijs (CAO) wordt niet in overweging genomen voor de toekenning van de toelage.” 1.
  10. Op 11 februari 2003 beslist de Chef Defensie met het voorstel van de beroepscommissie akkoord te gaan. Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 143.541/IX-
  11. Ze wordt met een op 20 augustus 2003 gedateerde nota aan de verzoeker ter kennis gebracht. 2.
  12. Intussen dient de verzoeker op 14 januari 2002, met verwijzing naar het reglement IF 190 van de Generale Staf van de Krijgsmacht met betrekking tot de toekenning van een informaticatoelage voor militairen belast met informaticataken, een aanvraag in tot het verkrijgen van een informaticatoelage voor de perioden van 1 januari 2000 tot 31 december 2000, van 1 januari 2001 tot 19 augustus 2001 en van 20 augustus 2001 tot 31 december
  13. IX-3924-3/10 2.
  14. Op 23 juli 2002 neemt de verzoeker kennis van de beslissing van de Chef Defensie, genomen op voorstel van de aanvaardingscommissie, om de toelage niet toe te kennen. 2.
  15. Op 10 september 2002 stelt de verzoeker tegen die beslissing een beroep in bij de beroepscommissie. 2.
  16. Op 7 november 2002 sluit de Chef Defensie zich aan bij het voorstel van de beroepscommissie om de toelage niet toe te kennen aan de verzoeker. 2.
  17. Op 5 februari 2003 dient de verzoeker bij de Raad van State een beroep in tot nietigverklaring van die weigeringsbeslissing (zaak A. 132.680/IX- 3656). 2.
  18. Op 2 april 2003 trekt de Chef Defensie zijn beslissing in. Vermits het voorwerp van het voormelde beroep tot nietigverklaring aldus is teloorgegaan, verwerpt de Raad van State dat beroep bij arrest nr. 123.575 van 29 september
  19. 2.
  20. Na het dossier van de verzoeker opnieuw te hebben onderzocht, stelt de beroepscommissie aan de Chef Defensie voor om de aangevraagde informaticatoelage op grond van de volgende elementen niet aan de verzoeker toe te kennen: “Na analyse van de verschillende documenten en adviezen blijkt dat [hij] een functie bekleedde bij COMOPSAIR Sec A 3.3 en daarna bij de K Tech Sch LuM.  De finaliteit van die sectie A 3.3 was geen informatica maar wel Exercice planning, Current Ops en Combat Sp.  De finaliteit van de dienst DY van de Gp Vmg van K Tech Sch LuM is de begeleiding bij het gebruik van COO (Computer Ondersteund Onderricht). De finaliteit van de dienst DY is dus geen informatica maar wel didactiek.” 2.
  21. Op 3 juli 2003 beslist de Chef Defensie met het voorstel van de beroepscommissie akkoord te gaan. Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 141.625/IX-
  22. IX-3924-4/10 Ze wordt met een op 10 juli 2003 gedateerde nota aan de verzoeker ter kennis gebracht. 3.
  23. Met een nota van 5 maart 2004 wordt aan de verzoeker de beslissing van de Chef Defensie van 23 december 2003 medegedeeld, die als volgt luidt: “
  24. Na analyse van uw verzoekschriften ingediend bij de Raad van State, beslis ik om over te gaan tot de intrekking van de beslissingen van 11 februari 2003 en van 3 juli 2003 waarbij u de informaticatoelage voor de periodes 98-99 en 00-01 niet wordt toegekend.
  25. Ik heb de beroepscommissie opdracht gegeven om een nieuw advies te formuleren, waarna ik een nieuwe beslissing zal nemen.” 3.
  26. Na het dossier van de verzoeker opnieuw te hebben onderzocht, stelt de beroepscommissie aan de Chef Defensie voor om de aangevraagde informaticatoelage, zowel voor de periode 1998-1999 als voor de periode 2000- 2001, op grond van de volgende elementen niet aan de verzoeker toe te kennen: “a. na analyse van de door u overgemaakte documenten, inclusief de in uw verweerschrift ontwikkelde middelen en argumenten, blijkt dat: 1) uw hoofdactiviteit bestaat uit het ontwikkelen van multimediatoepassingen; 2) voor deze multimediatoepassingen u commercieel bestaande software gebruikt, zijnde AUTHORWARE aangevuld met DIRECTOR en IMULTEK RAPID. b. Bovenvermelde visuele tools voor het maken van multimediaproducten komen niet in aanmerking voor de toekenning van de toelage want: 1) hun gebruik vereist geen specifieke expertise van een gevormd informaticus; 2) het gebruik van deze tools kan niet ondergebracht worden onder één van de informaticataken vermeld in Art. 1, § 1 en § 2 van Ref
  27. c. Gezien uw bovenvermelde hoofdactiviteit niet als informaticataak wordt beschouwd, kan u onmogelijk gemiddeld 80% van uw werktijd aan informaticataken besteden.” 3.
  28. Op een onbekende datum beslist de Chef Defensie met het voorstel van de beroepscommissie akkoord te gaan. Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 151.880/IX-
  29. Ze wordt met een op 22 maart 2004 gedateerde nota aan de verzoeker ter kennis gebracht. IX-3924-5/10 Samenvoeging
  30. Zowel in de zaak A. 141.625/IX-3924 als in de zaak A. 143.541/IX-3976 en de zaak A. 151.880/IX-4529 vordert de verzoeker de nietigverklaring van de beslissing van de Chef Defensie waarbij hem de informaticapremie voor militairen belast met informaticataken niet wordt toegekend. De partijen in de voormelde zaken zijn telkens dezelfde. Tevens voert de verzoeker in de onderscheiden beroepen in essentie dezelfde middelen aan. Aldus blijkt dat deze drie zaken samenhangend zijn. Met het oog op een goede rechtsbedeling past het om ze samen te voegen. Ontvankelijkheid van de beroepen in de zaken A. 141.625/IX-3924 en A. 143.541/IX-3976
  31. Zoals uit de uiteenzetting van de feiten blijkt, heeft de Chef Defensie op 23 december 2003 beslist om zijn beslissingen van 11 februari 2003 en 3 juli 2003 waarbij de verzoeker de toekenning van de informaticapremie voor de perioden 1998-1999 en 2000-2001 werd geweigerd, in te trekken. Ingevolge de intrekking in de loop van de procedure van de in de eerste en de tweede zaak bestreden beslissingen, is het voorwerp van de beroepen in die zaken teloorgegaan. Bijgevolg dienen deze beroepen als onontvankelijk te worden verworpen. Vermits het teloorgaan van het voorwerp van de beroepen aan de verwerende partij moet worden toegeschreven, past het deze partij te verwijzen in de kosten. Bevoegdheid van de Raad van State in de zaak A. 151.880/IX-4529 6.
  32. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij betoogt dat de verzoeker met het voorliggende beroep tot nietigverklaring de erkenning van een subjectief recht nastreeft, vermits het bestuur bij het onderzoek van de aanvraag, op grond van de toepasselijke reglementering, slechts mag nagaan of de aanvrager voldoet aan de objectief vastgestelde IX-3924-6/10 reglementaire voorwaarden, zonder daarbij een appreciatiebevoegdheid uit te oefenen. 6.
  33. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat de bestreden beslissing weliswaar betrekking heeft op een subjectief recht, namelijk op het recht van een militair op de informaticatoelage, maar dat dit recht afhangt van een voorafgaande beslissing van de militaire overheid die terzake over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Aangezien het voorliggende geschil betrekking heeft op een norm van het objectieve recht, namelijk op het reglement en de regels waarbij de voorwaarden met betrekking tot de toekenning van een informaticatoelage zijn bepaald, en op de wijze waarop de militaire overheid deze norm te dezen heeft toegepast, moet volgens de verzoeker worden besloten tot de bevoegdheid van de Raad van State. 6.
  34. De auditeur-verslaggever valt in zijn verslag de exceptie van de verwerende partij bij. Hij stelt dat het beroep als werkelijk voorwerp een geschil omtrent een subjectief recht heeft en dat, krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, de hoven en rechtbanken bevoegd zijn om van een dergelijk geschil kennis te nemen, hetgeen de bevoegdheid van de Raad van State uitsluit. 6.4.
  35. In een vergelijkbare zaak (A. 117.529), waarin de verwerende partij een identieke exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State opwierp, heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij arrest nr. 192.199 van 2 april 2009 op grond van de volgende overwegingen geoordeeld dat de exceptie van onbevoegdheid niet gegrond is: “
  36. Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een -te dezen niet bestaande- toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep strekt tot de erkenning van een subjectief recht. Luidens de arresten nrs. C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 en C.06.0596.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 van 20 december 2007 van het Hof van Cassatie veronderstelt het bestaan van een geschil over een subjectief recht dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft. Opdat een partij zich ten IX-3924-7/10 aanzien van de bestuurlijke overheid op een dergelijk recht zou kunnen beroepen, dient de bevoegdheid van die overheid gebonden te zijn.
  37. Het voorliggende beroep tot nietigverklaring is gericht tegen een beslissing waarbij aan de verzoeker de informaticatoelage, ingesteld bij het koninklijk besluit van 2 juni 2000, wordt geweigerd. Dit koninklijk besluit en de reglementaire teksten die er de uitvoering van vormen, namelijk het ministerieel besluit van 6 juni 2000 en het reglement IF 190 van de Generale Staf van de Krijgsmacht, voorzien in de toekenning van een informaticatoelage aan de militair die de gestelde voorwaarden vervult. Eén van die voorwaarden heeft betrekking op de vaststelling van het uiteindelijke bedrag van de toelage. Artikel 2, § 6, van het koninklijk besluit van 2 juni 2000 bepaalt immers: ‘De helft van de in §§ 1 tot 4 vastgestelde bedragen wordt toegekend aan de militair. De tweede helft wordt toegekend na beslissing van de Chef van de Generale Staf, op basis van de verhouding waarin de betrokken militair heeft bijgedragen in de informaticataken zoals omschreven in artikel 1, § 1, en nadat hij kennis heeft genomen van een rapport over de activiteiten uitgevoerd door de betrokken militair en na advies van de betrokken korpscommandant. De Minister van Landsverdediging bepaalt de uiterste datum waarop dit rapport door de militair moet worden toegestuurd.’ De paragrafen 401, d, en 402, b, van het reglement IF 190 van de Generale Staf van de Krijgsmacht verduidelijken de adviesbevoegdheid die door de korpscommandant te dezen wordt uitgeoefend: ‘Aan [hem] wordt gevraagd [...]

(3)een appreciatie te geven van de mate waarin betrokkene persoonlijk bijgedragen heeft tot het vervullen van zijn opdracht. Indien de Korpscommandant van oordeel is dat ten gevolge van zijn persoonlijke bijdrage de aanvrager geen recht heeft op het volledige deel van de tweede helft van de toelage dan zal hij: (
  1. a)een % voorstellen dat hem in functie van de geleverde bijdrage billijk lijkt; (
  2. b)hiervoor een omstandige motivatie geven. Het te gebruiken document is dit in Bijlage B aan dit reglement.’ 17. Overeenkomstig de aangehaalde reglementaire bepalingen is de toekenning van de tweede helft van de toelage, waarop de aanvrager, die 80% van zijn werktijd aan informaticataken besteedt, recht heeft, afhankelijk van een beslissing van de Chef van de Generale Staf over het persoonlijke aandeel van de aanvrager in de informaticataken waarop hij zich beroept. Een dergelijke beslissing kan niet worden genomen op grond van een toetsing van de ingediende aanvraag aan precieze reglementaire voorwaarden, maar vergt een concrete beoordeling en appreciatie van de kwaliteit van de prestaties van de aanvrager. Ze wordt dan ook niet genomen in de uitoefening van een gebonden bevoegdheid, maar is wezenlijk discretionair. 18. Overigens laat de verzoeker in geen enkel van de zeven door hem aangevoerde middelen gelden dat de verwerende partij op grond van een gebonden bevoegdheid ertoe gehouden is hem een informaticatoelage toe te kennen en dat hij een subjectief recht heeft op een dergelijke toelage. [...] IX-3924-8/10 19. Aangezien het uiteindelijke bedrag van de informaticatoelage niet volledig door de reglementering zelf wordt bepaald en afhangt van een discretionaire beslissing van het bestuur, is de Raad van State bevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen een beslissing waarbij het bestuur vaststelt dat één of meer voorwaarden voor de toekenning van de toelage niet zijn vervuld.” Het arrest nr. 192.198 van 2 april 2009 van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak luidt in dezelfde zin. 6.4.2. Er is geen reden om in de voorliggende zaak anders te oordelen. Om de redenen zoals uiteengezet in de voormelde arresten moet derhalve worden besloten dat de Raad van State bevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen de bestreden beslissing. 6.4.3. De exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State wordt verworpen. Het auditoraatsverslag is beperkt tot een onderzoek van de bevoegdheid van de Raad van State. Bijgevolg is er grond om een aanvullend onderzoek te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel 1. De zaken nrs. A. 141.625/IX-3924, A. 143.541/IX-3976 en A. 151.880/IX-4529 worden samengevoegd. Artikel 2. De beroepen in de zaken A. 141.625/IX-3924 en A. 143.541/IX- 3976 worden verworpen. Artikel 3. De debatten worden heropend in de zaak A. 151.880/IX-4529. IX-3924-9/10 Artikel 4. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek in de zaak A. 151.880/IX-4529. Artikel 5. De kosten van de beroepen tot nietigverklaring in de zaken A. 141.625/IX-3924 en A. 143.541/IX-3976, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 september 2009, door : de HH. B. THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-3924-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.211 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.