← België

Arrest 196212 - Federale en lokale politie – Reglementen - 21/09/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.212 Rolnummer: A. 192525/IX-6354 Zaak: Arrest 196212 - Federale en lokale politie – Reglementen - 21/09/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-24 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-30 03:34 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 196.212 van 21 september 2009 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Reglementen Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 196.212 van 21 september 2009 in de zaak A. 192.525/IX-6354. In zake : Agim DE BRUYCKER, die woonplaats kiest bij advocaten K. CRAUWELS en K. CLONEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door: 1. de minister van Justitie, 2. de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ, gevestigd ge BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 8. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Agim DE BRUYCKER op 11 mei 2009 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 1 maart 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot uitvoering van artikel 18, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 10 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2009; IX-6354-1/12 Gehoord het verslag van kamervoorzitter A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. CLONEN, die verschijnt voor de verzoeker, en van adviseur K. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.1. Verzoeker treedt in 1989 als wachtmeester in dienst bij de rijkswacht. Op 26 september 1993 wordt hij benoemd in de graad van opperwacht- meester. Hij blijkt sinds november 1995 afgedeeld te zijn bij de Bewakings- en Opsporingsbrigades (BOB) van Antwerpen waar hij de leidinggevende functie van ‘keuronderofficier’ uitoefende, evenwel zonder in het bezit te zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de BOB (hierna: BOB-brevet). Op 31 december 2000 behaalt verzoeker dit BOB-brevet. 1.2. Op grond van artikel XII.VII.23 van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: RPPol) en artikel 25 van het koninklijk besluit van 26 maart 2001 tot uitvoering van de artikelen 13, 27, tweede en vijfde lid, en 53 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en houdende diverse andere overgangsbepalingen, worden 270 hoofd- en keuronderofficieren aangesteld in de graad van commissaris. Het betreft een aanstelling in de graad, en geen benoeming in de graad. Luidens het genoemd artikel 25 is de voorwaarde wel dat deze personeelsleden op 30 december 2000 deel uitmaken van de bewakings- en opsporingsbrigades of van de dienst gerechtelijke politie bij het militair gerecht. Verzoeker voldoet niet aan deze voorwaarde vermits hij pas op 31 december 2000 het BOB-brevet behaalde en pas dan officieel in plaats gesteld is bij de BOB te Antwerpen. IX-6354-2/12 1.3. Op 1 april 2001 wordt verzoeker binnen de geïntegreerde politie benoemd in de graad van hoofdinspecteur en wordt hij tewerkgesteld bij de federale gerechtelijke politie te Antwerpen. IX-6354-3/12 1.4. Artikel XII.VII. 18 RPPol bepaalt het volgende: “§ 1. In afwijking van artikel VII.II.6, kan de hoofdinspecteur van politie, lid van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, die op de datum van de inwerkingtreding van dit artikel de loonschaal M5.2, M6, M7 of M7bis geniet, worden bevorderd tot de graad van commissaris van politie, indien hij geen evaluatie ‘onvoldoende’ geniet en voorzover de in § 2 bedoelde proportionaliteit wordt nageleefd. De in het eerste lid bedoelde bevorderingen gaan in, in de loop van het vijfde jaar na de datum van inwerkingtreding van dit artikel. Daartoe worden alle in het eerste lid bedoelde personeelsleden, per korps van oorsprong en per categorie van de respectieve graden hoofdinspecteur eerste klasse, adjudant/adjudant-chef bij de rijkswacht, en gerechtelijk afdelingsinspecteur/laboratoriumafdelings-inspecteur/afdelingsinspecteur- electrotechnicus/afdelingsinspecteur voor gerechtelijke identificatie, gespreid over zeven jaren naar rata van, per jaar, één zevende van hun totaal aantal binnen hun categorie en dit in dalende volgorde van hun anciënniteit in die graad op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, aangevuld met de graadanciënniteit die zij sinds die inwerkingtreding tot 1 april 2005 hebben opgebouwd. Om die volgorde vast te stellen geldt een voorrang van de adjudanten-chef op de adjudanten bij de voormalige rijkswacht en, wat de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten betreft, van de afdelingsinspec- teurs met de loonschaal 2D op de andere afdelingsinspecteurs. In geval van aanwijzing na 1 april 2005 voor een betrekking buiten de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, blijft de voormelde spreiding op het betrokken personeelslid van toepassing. De in het eerste lid bedoelde personeelsleden verkrijgen op de datum van hun benoeming tot de graad van commissaris van politie de loonschaal O2 met een loonschaalanciënniteit gelijk aan nul, in voorkomend geval verhoogd met de loonschaalanciënniteitsbonificatie bedoeld in artikel XII.VII.14. § 2. De in § 1, eerste lid, bedoelde proportionaliteit bestaat uit de verhou- ding tussen het aantal in een officiersgraad benoemde en aangestelde perso- neelsleden die op 1 april 2001 deel uitmaken van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie en afkomstig zijn uit de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten, respectievelijk voormalige rijkswacht. Ten belope van ten hoogste het aantal aldus vastgesteld met betrekking tot de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten en met inachtneming van de evolutieve proportionele verhouding, kunnen personeelsleden van de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten tot commissaris van politie worden benoemd. Ten belope van ten hoogste het aantal aldus vastgesteld met betrekking tot de voormalige rijkswacht en met inachtneming van de evolutieve proportionele verhouding, kunnen personeelsleden van de voormalige rijkswacht tot commissaris van politie worden benoemd en kunnen, vervolgens, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, nog actuele personeelsleden die tot het middenkader van de voormalige rijkswacht behoorden, in aanmerking komen voor de aanvulling. § 3. De personeelsleden die omwille van de in § 2 bedoelde proportionali- teitsvoorwaarde niet binnen de in § 1, tweede lid, bedoelde zeven jaren kunnen worden bevorderd, worden vanaf 2012 en uiterlijk tot 2015 in de graad van IX-6354-4/12 commissaris van politie benoemd volgens de nadere regels bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.” Op grond van deze bepalingen kunnen hoofdinspecteurs die de loonschaal M5.2, M6, M7 of M7bis genieten, bevorderd worden tot de graad van commissaris van politie, indien zij geen evaluatie ‘onvoldoende’ hebben gekregen en voor zover de bedoelde proportionaliteit wordt nageleefd, en dit gespreid over een periode van zeven jaar van 2005 tot en met 2011. Deze benoeming- en/bevorderingen worden gemeenzaam de ‘rode loper’ genoemd. 1.5. De nadere regels waarvan sprake in artikel XII.VII.18, § 2, derde lid, RPPol zijn vastgesteld in het koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot uitvoering van artikel XII.VII.18, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het koninklijk besluit van 3 juni 2007) dat luidt : “De in artikel XII.VII.18, § 2, derde lid, RPPol bedoelde aanvulling geschiedt door ambtshalve aanstellingen van de betrokken actuele personeelsleden die geen evaluatie ‘onvoldoende’ genieten, met volgende voorrang : 1/ de personeelsleden die onder de toepassing vallen van artikel XII.VII.18 RPPol, met voorrang van de adjudanten-chef op de adjudanten; 2/ de personeelsleden die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirantofficier van de gemeentepolitie of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld in artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht; 3/ de personeelsleden die houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbri- gades van de rijkswacht of van het brevet van de hogere aanvullende gerechtelijke opleiding of van het brevet van operationele misdrijfanalist; 4/ de overige personeelsleden. Binnen elk van de in het eerste lid bedoelde categorieën geschieden de aanstellingen op basis van de kaderanciënniteit.” Het koninklijk besluit van 3 juni 2007 heeft uitwerking vanaf 1 april 2005. Verzoeker behoort tot de derde categorie en wordt op basis van ste dit besluit als 128 gerangschikt. De rangschikking wordt evenwel gecontesteerd IX-6354-5/12 door het “federaal comité BOB” dat van oordeel is dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen degenen die vóór 31 december 2000 reeds deel uitmaakten van de BOB en zij die pas op 31 december 2001 deel uitmaakten van de BOB. Het comité vindt dat de eerste groep voorrang moet krijgen op de tweede, wat het koninklijk besluit van 3 juni 2007 niet toelaat, aangezien die rangschikking uitsluitend op basis van de kaderanciënniteit opgemaakt is. 1.6. Met een nota van 16 oktober 2007 deelt de directie van de mobiliteit en het personeelsbeheer mee dat de Commissaris-Generaal van de Federale Politie beslist heeft de rangschikking te wijzigen: “(...) Inderdaad geeft de datum waarop een kandidaat een brevet heeft gehaald geen voorrang. Niettemin heeft de CG beslist dat: ‘bij de samenstelling van de derde groep (3/ van art. 1 van KB in ref 2) worden de personeelsleden onder aldaar bedoelde groep die op 30 december 2000 reeds deel uitmaakten van de BOB gerangschikt voor de personeelsleden die ten vroegste op 31.12.2000 voor de BOB werden aangewezen.(...)’.” Op basis van deze gewijzigde criteria wordt verzoeker gerang- schikt op de 223ste plaats. Verzoeker en een collega dienen tegen deze nieuwe rangschikking bezwaar in. Volgens verzoeker wordt de nieuwe rangschikking naderhand ingetrokken. 1.7. Bij koninklijk besluit van 1 maart 2009 wordt het koninklijk besluit van 3 juni 2007 gewijzigd. De doorgevoerde wijziging heeft enkel betrekking op de derde categorie -waartoe verzoeker behoort- en strekt ertoe de voorrangsregeling voor de leden van de BOB, die vóór 30.12.2001 reeds deel uitmaakten van de BOB, te regulariseren. Dit is de bestreden beslissing. Zij luidt: “Artikel 1. Artikel 1, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot uitvoering van artikel XII.VII.18, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, wordt aangevuld als volgt : ‘met voorrang voor de personeelsleden die vóór 30 december 2000 over het voormelde brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht, beschikten;’. Artikel 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 2005.” IX-6354-6/12 De voorwaarden voor de schorsing 2. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Een ernstig middel standpunt van de partijen 3. Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, van het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit en van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Hij wijst ook op de miskenning van zijn verworven rechten. In het daarbij aansluitend derde middel voert hij de schending aan van het motiverings- en van het redelijkheidsbeginsel. Hij ontwikkelt zijn standpunt als volgt: overeenkomstig het koninklijk besluit van 3 juni 2007, dat uitwerking had vanaf 1 april 2005, werd hij op de 128ste plaats gerangschikt en op grond van het bestreden besluit wordt hij op de 205e plaats geklasseerd. Zijn aanstelling -en latere benoeming- tot commissaris van politie wordt aldus met minstens vijf jaar vertraagd. Het principieel verbod van de niet-retroactiviteit van de bestuurshandelingen kan slechts terzijde geschoven worden wanneer er een wettelijke machtiging voor bestaat -hier niet het geval- of wanneer bijzondere omstandigheden worden aangetoond die verband houden met de continuïteit van de openbare dienst of het regulariseren van een bepaalde rechtstoestand voor zover daarmee geen verkregen rechten worden verminderd of de rechtszekerheid geschaad. Er bestaat geen bijzondere omstandigheid die toelaat de voorrangsregels, ingesteld door he koninklijk besluit van 3 juni 2007, retroactief te wijzigen en afbreuk te doen aan rechten van een gehele groep personeelsleden. Voorts moet elke beslissing van de overheid op draagkrachtige motieven steunen. De motieven die aan de grondslag van het bestreden besluit liggen zijn evenwel onduidelijk. Het optreden van de overheid is toegespitst op de benaarstiging van het algemeen belang, maar in dit geval is niet duidelijk welke reden van algemeen belang het bijkomend criterium, dat wordt ingevoerd, kan verantwoorden. Het IX-6354-7/12 criterium aangaande de datum van het behalen van het BOB-brevet is ook niet relevant bij het bepalen van de verworven ervaring in een leidinggevende functie - waarvoor de kaderanciënniteit in rekening werd gebracht-. De overheid heeft geen oog gehad voor het algemeen belang, maar voor het belang van een bepaalde drukkingsgroep. 4. De verwerende partij antwoordt in haar nota met opmerkingen dat, zoals de afdeling Wetgeving van de Raad van State in zijn advies over het bestreden besluit gesteld heeft, terugwerkende kracht alleen maar onder bepaalde voorwaarden aanvaardbaar is. Het bestreden besluit werkt terug tot de datum van de inwerkingtre- ding van het gewijzigd besluit. Het is bovendien slechts de formalisering van een beslissing van 16 november 2000 van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie, die bij de redactie van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 over het hoofd gezien is en derhalve met een wijzigend besluit ingevoerd moest worden. Verzoeker verwijst naar de miskenning van zijn verworven rechten, maar een rangschikking op een bepaalde plaats verleent geen rechten want zij wordt beïnvloed door allerhande factoren zodat niet vastgesteld kan worden hoeveel kandidaten er per jaar benoemd kunnen worden. Een rangschikking geeft geen zekerheid over de datum van de aanstelling en derhalve geeft een bepaalde plaats op de ranglijst geen garantie dat er op een bepaalde datum een aanstelling kan gebeuren. De afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft geen opmerkingen gemaakt over de motieven waarop het geplande besluit steunde en de preambule van het besluit geeft terdege blijk van deze redenen. De Raad van State beschikt terzake slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid. Beoordeling 5. Overeenkomstig artikel 1, eerste lid, 3/, van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 gebeurt de in artikel XII.VII.18, §2, derde lid, RPPol bedoelde aanvulling door ambtshalve aanstellingen van de actuele personeelsleden volgens een bepaalde voorrang. De derde categorie wordt gevormd door de personeelsleden die houder zijn van het BOB-brevet en binnen deze categorie gebeurt de aanstelling “op basis van de kaderanciënniteit”. Het bestreden besluit verleent nu, binnen de derde categorie, voorrang aan de personeelsleden die vóór 30 december 2000 over het BOB-brevet beschikten. 6. Het bestreden besluit heeft uitwerking op 1 april 2005, dit is de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit dat gewijzigd wordt. Het IX-6354-8/12 wijzigt retroactief de situatie van de personen wiens toestand geregeld was door het koninklijk besluit van 3 juni 2007 en heeft aldus beschouwd terugwerkende kracht. Voor verzoeker betekent zulks met name dat hij nu alle voormalige leden van de rijkswacht, die het BOB-brevet vóór hem behaalden, moet laten voorgaan voor een benoeming tot commissaris van politie, terwijl de rangschikking met het oog op die benoeming tot nogtoe enkel en alleen gebeurde op grond van de kaderanciënniteit van de personeelsleden. De aanspraken die verzoeker op basis van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 tegenover het bestuur kon doen gelden worden nu substantieel aangetast. 7. Gewis kan het bestuur, in het raam van het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst dat hem toelaat de reglementering aan te passen aan de wijzigende omstandigheden, het administratief statuut van het personeel in minder gunstige zin wijzigen. Het getuigt evenwel van onbehoorlijk bestuur wanneer het daarbij de verwachtingen, die bepaalde personen op grond van de bestaande regeling rechtmatig mogen koesteren, niet honoreert zonder daarvoor over een deugdelijke reden, die het algemeen belang aangaat, te beschikken. 8. Verwerende partij betoogt terecht dat de rangschikking, die overeenkomstig het koninklijk besluit van 3 juni 2007 wordt opgemaakt, niet leidt tot een benoeming op een vooraf bepaald ogenblik en dat, aldus begrepen, verzoeker niet kan gewagen van verworven rechten. De verwerende partij betwist evenwel niet dat, volgens deze rangschikking, verzoeker veel vroeger een benoeming in het vizier krijgt dan zulks op grond van de bestreden regeling het geval is. Aangezien een nuttig gerangschikte kandidaat een recht op benoeming kan doen gelden, kan verzoeker tegenover het bestuur dan ook aanvoeren dat het bestreden besluit het juridisch kader van zijn tewerkstelling met aantasting van zijn rechten wijzigt. 9. Verwerende partij verwijst naar bijzondere omstandigheden die de ingreep in de bestaande rangschikking kunnen rechtvaardigen en inzonderheid naar de beslissing van 16 november 2000 van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, waarin het volgende gesteld is: “Op 1 januari 2005 op het ogenblik van de benoeming van de leden van het kader M7bis in de graad van commissaris dringt een nieuwe evaluatie naar de proportionaliteit binnen de algemene directie zich op afhankelijk van de onderwijl doorgevoerde oppensioenstellingen en bevorderingen. In voorko- mend geval kunnen andere keuronderofficieren, actueel behorend tot de BOB, bijkomend aangesteld worden in de graad van commissaris.” IX-6354-9/12 Daargelaten de vraag of die beslissing meer is dan een politieke afspraak waarmee geen statutaire bepalingen gewijzigd worden, wordt vastgesteld dat, blijkens de tekst ervan, zij geen voorrang instelt ten voordele van bepaalde onderofficieren bij de BOB. Er wordt enkel gesteld dat de op 1 januari 2005 uit te voeren evaluatie van de proportionaliteit die inmiddels gestalte gekregen heeft, kan leiden tot de bijkomende aanstelling van keuronderofficieren van de BOB in de graad van commissaris van politie. Deze “beslissing” kan geen grondslag vormen voor het eenzijdig wijzigen van de aanspraken van verzoeker, zoals die volgen uit het koninklijk besluit van 3 juni 2007. 10. Verzoeker lijkt ook te verwijzen naar de druk die een belangen- groep zou hebben uitgeoefend. Dergelijke druk is niet ongeoorloofd en het bestuur mag er ook op ingaan, in zoverre het daarbij de bestaande regels eerbiedigt. Dit is hier niet het geval, nu geen dwingende reden wordt aangetoond die het bestuur kon toelaten de aanspraken, die verzoeker aan het koninklijk besluit van 3 juni 2007 ontleent, substantieel te verminderen. 11. De Raad van State gaat in het kader van de hem toegewezen bevoegdheid na of een administratieve beslissing wettig is. De ontstentenis van een deugdelijk motief, hetzij omdat het juridisch niet toelaatbaar is, hetzij omdat het in feite niet dienend is, is een reden om een beslissing te vernietigen. De vraag naar de marginale controle die de Raad van State kan uitoefenen op de inhoud van het aangevoerd motief is daarbij niet aan de orde. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel standpunt van de partijen 12. Verzoeker stelt ter zake wat volgt: Waar hij op grond van de rangschikking volgens het koninklijk besluit van 3 juni 2007 -waar hij de 128ste plaats innam- op 1 april 2010 tot commissaris van politie aangesteld kon worden, wordt hij nu als 205e geklasseerd en wordt zijn aanstelling en zijn benoeming jarenlang vertraagd. Deze vertraging heeft ook implicaties voor latere sollicitaties naar leidinggevende betrekkingen en vacatures die alleen opengesteld worden voor officieren. Een vernietiging zal het nadeel niet kunnen herstellen want bij een nieuwe bevorderingsronde zullen zijn kansen beduidend kleiner zijn en is het quasi onmogelijk dat hij na een vernietigingsarrest nog de vernietiging verkrijgt van om en bij de 77 commissarissen die hem met toepassing van het bestreden besluit IX-6354-10/12 voorbijgestoken zullen zijn. Hij verwijst ook nog naar de ernst van de middelen die hij aanvoert. 13. De verwerende partij vindt het aangevoerd nadeel hypothetisch. Zij stelt dat de datum waarop verzoeker meent een aanstelling te kunnen verkrijgen geenszins vast staat en verwijst naar een beoogde nieuwe wettelijke regeling van de problematiek die discriminaties moet wegwerken. In de mate verzoeker verwijst naar de onmogelijkheid om na een vernietiging de inmiddels tot stand gekomen toepassingsbesluiten ongedaan te maken, voert hij een nadeel van andere personen aan, met name van de aangestelde commissarissen. De bestreden beslissing is niet kennelijk onwettig en daarmee kan dan ook geen rekening gehouden worden voor de beoordeling van het nadeel. Beoordeling 14. Het wordt niet betwist dat, bij de concretisering van de bestreden beslissing en rekening houdend met de personeelsbezetting van vandaag, verzoeker in de rangschikking met het oog op de aanstelling in de graad van commissaris van politie, een heel stuk lager gerangschikt wordt. Hij moet dan ook beduidend langer wachten op de aanstelling die hij ambieert. Hij lijdt aldus een nadeel. Krijgt het bestreden besluit onmiddellijk uitvoering, dan zal verzoeker, om zijn initiële aanspraken gevaloriseerd te zien, ook verplicht zijn om alle individuele aanstellingsbeslissingen van de vóór hem gerangschikte personeels- leden die het brevet vóór 31 december 2000 behaalden moeten bestrijden. Mede omdat verwacht kan worden dat verzoeker slechts zeer moeilijk zicht zal kunnen krijgen op de individuele aanstellingen waarvan hij de rechtsgeldigheid betwist, terwijl de schorsing van het bestreden besluit de totstandkoming zelf van deze beslissingen verhindert, wordt aangenomen dat het nadeel de vereiste ernst vertoont en dat het ook moeilijk te herstellen is. 15. De voorwaarden voor het bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zijn vervuld. IX-6354-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 1 maart 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot uitvoering van artikel 18, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. Artikel 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 september 2009, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-6354-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.212 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.970 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.046 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.